blog George Lawson
10 juni 2009De plannen van Carolien Gehrels zijn gedurfd en substantieel genoeg om een interessant debat te ontlokken
Toch was het even de vraag of we dat debat over de fascinerende relatie tussen cultuur en politiek ook echt zouden krijgen.
De eerste reacties leken de plannen al bij voorbaat resoluut van hand te wijzen. Intussen gaan er stemmen op die vinden dat de plannen van Gehrels een serieuzere ontvangst verdienen. En bij die stemmen sluit ik me graag aan.
Zo kan ik me heel goed vinden in de stelling van Gehrels dat de politieke betrokkenheid bij de kunst best wat verder mag gaan dan alleen het trekken van de portemonnee. Kunst mag dan autonoom zijn; het bewerkstelligt van alles in de samenleving en het is alleen maar goed als de politiek daar oog voor heeft. Sterker nog, van de politiek mag daarop een stevige visie worden verwacht. En durf om op grond daarvan keuzes te maken en beslissingen te nemen. Als het om andere zaken dan de artistieke kwaliteit gaat, ook zonder hulp van allerlei adviesorganen. Zo nam Minister Plasterk vorig jaar zijn politieke verantwoordelijkheid door zijn prioriteiten buiten de cultuurnota advisering te houden.
Dit alles geldt wat mij betreft vooral voor de basisinfrastructuur, oftewel de wat grotere cultuurinstellingen die vaak meerdere functies vervullen. Zij zijn bij de laatste stelselwijziging in de cultuur onder politieke verantwoordelijkheid gebleven. Omdat we vinden dat hier gaat om zogenaamd beleidsrijk terrein, waarover in een democratie de politiek het voor het zeggen dient te hebben. Alle andere zogenaamd beleidsarme instellingen, waar de artistieke aspecten de hoofdrol spelen zijn in deze gedachtegang op wat meer afstand van de politiek bij de cultuurfondsen ondergebracht. De politiek houdt hier via de aansluiting van fondsen natuurlijk indirect wel bemoeienis mee maar niet op het niveau van individuele beslissingen. Hiermee zijn op landelijk niveau al de nodige kaders en spelregels geïntroduceerd en je zou zeggen dat een wethouder daar op plaatselijk niveau heel goed op kan voortborduren. Maar natuurlijk niet een wethouder van het dwarse Amsterdam. Wie de plannen van Gehrels leest duizelt het al snel van de vele verschillende instellingscategorieën, domeinen en adviesconstructies. In die driedubbele matrix verlies je het zicht wie nu straks, op grond van wat, waarover gaat. Het roept daarnaast ook talloze vragen op. Gaan de schouwen (wat een vreselijk woord) straks over het hele budget voor vierjarige subsidies of alleen maar over een klein deel daarvan; logischer zou bijvoorbeeld zijn geweest wanneer Amsterdam voor zichzelf had bepaald wat in deze stad onder de basisinfrastructuur wordt gerekend en onder politieke verantwoordelijkheid moet vallen. En dus ook wat niet. De verantwoordelijkheid voor deze laatste categorie subsidies zouden dan analoog aan de landelijke situatie naar het Amsterdams Fonds voor de Kunst kunnen gaan. Hoe dan ook, ik denk dat de op zich interessante en respect inboezemende plannen van Gehrels veel aan overtuigingskracht zouden winnen wanneer het allemaal wat meer gedoseerd, wat simpeler en wat helderder geordend en benoemd zou worden. En ook het wat deftig sociologische bestuursjargon wat meer uit de weg zou worden gegaan. Dan zou misschien al snel duidelijk worden dat je net als Plasterk voor politieke beslissingen geen kunstraad en dus ook geen kunstschouwen nodig hebt. Als je dat maar tevoren goed en helder regelt. Maar ook dat culturele diversiteit in deze tijden van globalisering geen politiek maar een artistiek vraagstuk behoort te zijn waar kunstraden gewoon mee moeten dealen. “Meer politiek waar nodig en minder politiek waar mogelijk” was het adagium van Medy van der Laan toen zij haar veranderingen in het cultuurnota stelsel introduceerde. Ik vind dat nog steeds een zeer verstandig en houtsnijdend amendement op het principe van Thorbecke.