blog George Lawson
28 mei 2009Het Engelse cultuurbeleid is van oudsher een belangrijke inspiratiebron voor Nederland.
"De subsidies zijn in het Angelsaksische model wat minder genereus dan we in Nederland gewend zijn maar de Britten slagen er duidelijk beter in de brug naar het publiek te slaan. Een jaar geleden verscheen over het Engelse kunstbeleid een belangwekkend rapport onder de titel “Supporting Excellence in the Arts” van Sir Brian McMaster. Een rapport dat volgens de Staatssecretaris voor Cultuur James Purnell zou zorgen voor een aardverschuiving in de Engelse manier van denken en spreken over kunst. Wie door deze woorden nieuwsgierig geworden het rapport vervolgens leest treft niet echt wereldschokkende dingen aan. Zo beveelt het rapport aan om excellentie, innovatie en het nemen van risico’s tot uitgangspunt van het kunstbeleid te verheffen. Ook zou de kunst wat minder afgerekend moeten worden op allerlei goedbedoelde beleidsdoelstellingen maar in plaats daarvan beoordeeld moeten worden door inhoudelijk deskundigen uit het veld zelf (peerreview). Flauw gezegd lijkt het erop dat de Engelsen op het punt staan ons model invoeren. Dat is dan wel weer opmerkelijk. Opmerkelijk genoeg vonden Laurens Runderkamp van de SICA en Jan van Weijen van de culturele afdeling van onze ambassade in London om een bijeenkomst over het Britse cultuurbeleid te organiseren. Die bijeenkomst vond afgelopen maandag plaats met in de hoofdrol vier Britse cultuurprofessionals die ieder een belangrijk issue in het beleid voor hun rekening namen. Vreemd genoeg werden we over het McMaster rapport niet zoveel wijzer. Onze Engelse gasten leken discussie over dit rapport duidelijk uit de weg te gaan. Een interessant genoeg raadsel om nader uit te zoeken (Heeft u misschien enig idee?). Zo zonder algemeen kader was het een wat verbrokkelde bijeenkomst. Maar dat verhinderde niet dat we als vanouds konden genieten van de enorme vitaliteit en kracht waarmee men zich in Engeland bezig houdt met onderwerpen als leiderschap, publieksontwikkeling en de methodiek om excellentie te kunnen ontdekken en beoordelen. Genieten ook van de voor Nederlanders ontmoedigende welsprekendheid waarmee onze Britse collega's dit alles over het voetlicht wisten te brengen. Nog dezelfde dag, bij de opening van de nieuwe behuizing van het Theaterinstituut, trof Volkskrant-verslaggever Hein Janssen opvallend veel "kunstmannen met sterk gebruinde hoofden". Goed dat hij er ook was want dit soort veel betekende metamorfoses ontgaan je anders al snel. Niet alleen deze "kunstmannen" maar ook de TIN-organisatie onder leiding van Henk Scholten heeft een volledige "make over" ondergaan; een koerswending waarvoor hij niet genoeg kan worden geprezen. Het gaat weer ergens over daar in het instituut en dat was al jaren lang hard nodig. Destijds in Rotterdam, dertig jaar geleden ging het ook ergens over. Ik spreek over de tijd dat Pieter Hofman, die gisteravond bij het Muziektheater afscheid nam, zijn theatercarriere begon als zakelijk leider van aanstormend theaterleider Franz Marijnen. Zelf was ik toen beginnend kunstambtenaar en door de stad in een vlaag van verstandsverbijstering als interim directeur van het gehele Rotterdamse toneel boven hen geplaatst. Een vrolijke reunie van de "Rotterdamse maffia" daar in het Muziektheater want iedereen uit die tijd was er om Pieter in zijn afscheid bij te staan. Zoals Ben Hurkmans (korte tijd dramaturg bij Franz en later artistiek leider van het Rotterdamse Fact), NRC- en toneelfotograaf Leo van Velzen, Franz Marijnen zelf, Jaap Jong (destijds toneelverslaafd gemeenteambtenaar) en Nationaal Toneeldirecteur Evert de Jager die in Rotterdam de sterren van de hemel speelde. Wij waren het snel eens dat deze tijd de meest vormende tijd in ons leven is geweest. En de meest strijdbare want het was beuken daar in Rotterdam met voorstellingen die onherstelbaar in mijn ziel zijn gegrift.