blog George Lawson
6 mei 2009Wij mogen wel zeggen dat wij de belangrijkste ambassadeur van het Nederlands toneel zijn.
Wij mogen denk ik wel zeggen dat wij op dit moment de belangrijkste ambassadeur van het Nederlands toneel in het buitenland zijn.” Aan het woord is Ivo van Hove in een gesprek op het fondskantoor over de internationale ambities van Toneelgroep Amsterdam en hij glimlacht er bescheiden bij. Voor die bescheidenheid is niet echt reden. Want met prestigieuze optredens in o.a. New York, Chicago, Wenen, Parijs, Avignon en co-producties met de Ruhr-triennale in Duitsland en het Holland Festival staat Toneelgroep Amsterdam wat internationaal succes betreft inderdaad op eenzame hoogte. Dat succes is fantastisch maar paradoxaal genoeg ook een zorg. Waar haal je immers het geld vandaan om die internationale carrière te betalen?
Want sinds de ministeries van OCW en Buitenlandse Zaken hun gezamenlijke loket voor internationale presentaties (HGIS) hebben gesloten is er voor dit soort dingen alleen nog maar het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten.
Helaas is er voor gezelschappen zoals het TGA die structureel worden gesubsidieerd wel een “maar”. Internationale fondssubsidies voor deze gezelschappen en ensembles zijn dan alleen mogelijk voor zogenaamde niet reguliere activiteiten. Die voorwaarde levert bij veel aanvragers de nodige verwarring op en Ivo van Hove vormt daarop geen uitzondering. Zeker met zo’n groot gezelschap als TGA voelt Ivo immers de bui al hangen; “Dat kunnen ze toch wel zelf betalen vindt de commissie dan al snel, en dat is niet zo.” Ivo legt uit dat de hausse van internationale belangstelling voor TGA van betrekkelijk recente datum is en dat dit succes het gezelschap als het ware ook maar heeft overvallen. “Aan zoiets werk je hard, je droomt ervan maar je kunt het niet afdwingen.” De prilheid van de internationale waardering maakt dat TGA, anders dan bijvoorbeeld het Nederlands Danstheater tot nu toe nooit een ophoging van het subsidie heeft gevraagd voor deze bijzondere vorm van internationale profilering. En hij benadrukt dat TGA ook vindt dat de meer reguliere presentaties in Europese theaters zichzelf moeten kunnen bedruipen. Wij leggen Ivo uit dat wijzelf ook behoorlijk met de uitleg van deze bepaling hebben geworsteld. Inmiddels hebben we op de website aangegeven welke gedragslijn we hierin zullen hanteren. We gaan er nu vanuit dat de instelling zelf moet aangeven waarom de betreffende activiteit niet regulier moet worden geacht. Alles wat in het goedgekeurde beleidsplan staat is natuurlijk regulier. Datzelfde geldt voor activiteiten die altijd al onderdeel waren van de taak van de instelling. Activiteiten die een “grote exposure met voorbeeldwerking" beloven zullen vaak als “niet regulier” worden aangemerkt omdat het meestal gaat om (onverwachte) uitnodigingen van prestigieuze podia en festivals. Bij twijfel zal het fonds er altijd de voorkeur aan geven om de aanvraag gewoon in behandeling te nemen en op zijn inhoudelijke merites te beoordelen. Wij vragen Ivo om in overleg met Pieter Zeeman van het fonds de commissie op de hoogte te stellen van de laatste stand van de internationale planning van TGA en daarbij goed te letten op de speciale tekst die we over de speciale voorwaarden voor structureel gesubsidieerde gezelschappen op onze website hebben geplaatst. Wij zullen de commissie dan vragen hierover een opvatting te formuleren. Dat is geen garantie dat in concrete rondes het geld er dan ook echt komt - er is nog altijd minder geld dan goede aanvragen - maar het biedt TGA in ieder geval het nodige houvast voor de planning van hun internationale toekomst. Het lijkt Ivo een werkbare afspraak.