Meerjarige activiteitensubsidies 2013-2016

Algemene inleiding meerjarige activiteitensubsidies 2013-2016

door George Lawson (voorzitter) en Henriëtte Post, Raad van Bestuur Fonds Podiumkunsten

In het kort
Anders dan die in andere landen ontlenen de Nederlandse podiumkunsten hun kracht zeker niet alleen aan de bekende, grootste boegbeelden van orkesten, opera- en dansgezelschappen. De typisch Nederlandse pluriformiteit van onafhankelijke initiatieven die actief zijn in de vele kleinere en middelgrote zalen, draagt aan die kracht minstens zo veel bij. Nu de basisinfrastructuur teruggebracht is tot alleen de grotere instellingen die de grote zalen bespelen en daarmee ook artistiek gezien een stuk eenvormiger is geworden, heeft het Fonds Podiumkunsten in de eerste plaats tot taak de pluriformiteit van dat kleinschalige en middelgrote aanbod ondanks de bezuinigingen zo goed mogelijk veilig te stellen. 
 
In de vorige ronde was het aantal aanvragen voor een vierjarige subsidie bij het Fonds Podiumkunsten al ruim twee keer zo hoog als gehonoreerd kon worden. Deze keer moest daar bovenop gerekend worden met nog eens een groot aantal aanvragen van festivals, productiehuizen, en dans- en jeugdtheatergezelschappen die per 2013 hun subsidie van het ministerie zouden verliezen. Tegelijkertijd is voor die aanvragen een bijna 40% lager budget beschikbaar (zie figuur 3). De ronduit explosieve druk die het Fonds door dit alles te wachten stond, noopte daarom tot een drastische herziening van het subsidiesysteem. 
Het systeem van financiering van historisch gegroeide exploitatietekorten werd vervangen door een genuanceerd systeem van normbedragen voor objectieve prestaties. Daarnaast zijn er drempels en plafonds ingevoerd. Dit alles met de bedoeling de verwachtingen vooraf drastisch te temperen, aanvragen die niet in de regeling thuishoren te weren en het geld zo eerlijk en zo doelmatig mogelijk te kunnen verdelen. Heldere criteria en een transparant puntensysteem vormden de leidraad om scherpe, inhoudelijke keuzes te kunnen maken.

Kwaliteit was daarbij onverminderd belangrijk. Maar de overige criteria wogen zwaarder dan voorheen en waren bij de beoordeling gelijkwaardiger, om te waarborgen dat  de keuzes maatschappelijk en economisch duurzaam zijn, de unieke, Nederlandse veelkleurigheid behouden blijft, en de podiumkunsten in een zo groot mogelijk deel van ons land kunnen worden waargenomen.

De bezuinigingen krijgen een gezicht. Het aantal instellingen dat het Fonds meerjarig kan honoreren loopt terug van 118 naar 80, terwijl op basis van de beoordeling bijna het dubbele van dit aantal voor subsidie in aanmerking komt (zie figuur 1 en 2). Ook zonder bezuinigingen zouden lang niet alle positief beoordeelde aanvragen daadwerkelijk voor subsidie in aanmerking zijn gekomen, maar wel een substantieel deel.   

De eerder door het Fonds Podiumkunsten vierjarig gesubsidieerde festivals, muziekensembles en gezelschappen hebben daarbij stevig te lijden gehad van de concurrentie van instellingen uit de basisinfrastructuur en veelbelovende nieuwkomers. Van de laatste beschikt het grootste deel dankzij de tweejarige subsidies van het Fonds al over de nodige vlieguren. Bijna 60% van de 118 bestaande fondsinstellingen keert niet terug. Daaronder bevinden zich veel bekende en prominente namen zoals bijvoorbeeld de Appel, het Toneel Speelt, Carver, het Nieuw Ensemble en Theaterfestival Boulevard. We winden er geen doekjes om: de schade door de bezuinigingen is groot. 

Daar staat tegenover dat  het beeld van de podiumkunsten dat uit de aanvragen oprijst dat van een vitale sector is die in staat is zichzelf telkens opnieuw uit te vinden, de actualiteit becommentarieert, de meest waardevolle tradities koestert door ze nieuw leven in te blazen, en het publiek overal in het land inpakt en beroert met ontregelende vormen en verhalen. Het is vooral daaraan te danken dat de keuzes van het Fonds kunnen leiden tot een nieuw evenwicht en perspectief. De artistieke kwaliteit is hoog. En de artistieke veelkleurigheid is mede dankzij de grotere doelmatigheid van de nieuwe regeling nog steeds bijzonder, zij het dat de verflagen gevaarlijk dun zijn geworden. 

De veerkracht van het midden- en kleinbedrijf van de podiumkunsten heeft zelfs geleid tot een aantal opmerkelijke stappen vooruit in ondernemerschap, onderlinge samenwerking, lokaal draagvlak, financieringsmix en zichtbaarheid in het land. De schade door de bezuinigingen is daarmee niet ongedaan gemaakt, maar wel zo veel mogelijk beperkt. Daar komt bij dat de projectenbudgetten met opzet worden ontzien om de komende vier jaar ruimte te houden voor experiment en talentontwikkeling. Het podiumkunstenveld heeft zijn toekomst duidelijk weer in eigen hand genomen.             

Verwachtingen getemperd
In totaal heeft het Fonds 203 aanvragen van theater-, muziektheater-  en dansgezelschappen, muziekensembles en festivals in behandeling genomen. Van de aanvragen zijn de meeste, 102 in totaal, afkomstig van instellingen die al vierjarig door het Fonds worden ondersteund, en 22 van rijksgefinancierde instellingen die hun vierjarig subsidie vanaf 2013 door de bezuinigingen verliezen. Het aantal ‘nieuwe’, dat wil zeggen nog niet vierjarig gesubsidieerde aanvragers, bedraagt 79. Het aandeel nieuwe aanvragen, inclusief eerder tweejarig door het Fonds gesubsidieerden, is bijna de helft minder dan vier jaar geleden.
Laatstgenoemde daling wordt vooral veroorzaakt doordat in de sectoren muziek en muziektheater veel minder nieuwe instellingen een aanvraag deden. Een verklaring hiervoor is deels dat in de muziek en het muziektheater relatief sterk projectmatig wordt gewerkt. Fulltime instellingen met een fulltime productie zijn eerder uitzondering dan regel. De vermindering lijkt daarom in ieder geval voor een deel terug te voeren op de drempelnormen, die aanvragen die niet in deze regeling thuishoren, weerden. Deels zal ook de sterke selectie vier jaar geleden een rol hebben gespeeld. Toen al werden veel aanvragers wegens het projectmatig karakter van hun activiteiten afgewezen. Tenslotte hebben veel nieuwe aanvragers zich ongetwijfeld ook laten ontmoedigen door het algehele bezuinigingsklimaat.
Voor zover de drempelnormen een barrière vormden, betreft dit niet de bestaande vierjarig door het Fonds gesubsidieerde instellingen. Daarvan vroeg 85% opnieuw aan (zie figuur 7). Niettemin heeft de regeling ook hier de verwachtingen getemperd. De gesubsidieerde aanvragers van Fonds en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vroegen bij elkaar ruim een derde minder subsidie aan dan ze nu hebben.
   
Zware concurrentie en behoud van dynamiek
Ondanks de getemperde verwachtingen is het beschikbare budget van het Fonds 2,2 keer overvraagd. Daarmee was de druk even hoog als vier jaar geleden. Maar door het grote aandeel instellingen dat al op een of andere manier wordt gesubsidieerd en dus eerder scherpe selecties heeft doorstaan, was het niveau van aanvragen hoger en de onderlinge concurrentie onvergelijkbaar veel zwaarder. Dat geldt met name in de sector festivals, ondanks licht afgenomen druk op het totale festivalbudget. Dit keer werd er 3 keer meer subsidie aangevraagd dan er beschikbaar is; vorige keer was dat 3,4 keer. Het grote aantal kansrijke en financieel omvangrijke aanvragen uit de basisinfrastructuur echter (5, waarvan er 4 gehonoreerd worden) zorgde voor een aanzienlijke verdringing van andere aanvragers.     

Toch heeft die scherpe concurrentie de sector niet op slot gezet. Met de in totaal zeventien toekenningen aan nieuwkomers, waarvan tien eerder tweejarig projectsubsidie van het Fonds kregen, is sprake van een substantiële nieuwe instroom in het bestel van ruim 20% (zie figuur 4).

Verdeling van het budget over de sectoren
Het Fonds heeft het beschikbare budget zo over de afzonderlijke sectoren willen verdelen dat de drukverdeling hetzelfde zou blijven als vier jaar geleden. Voor een andere verhouding dan de historische waren geen beleidsmatige argumenten voorhanden. Wel is die verdeling voor een deel gecorrigeerd op grond van de verwachte extra belasting van aanvragers uit de basisinfrastructuur. Anders gezegd, er heeft enige correctie plaatsgevonden voor de mate waarin de pluriformiteit van kleinschalig en middelgroot aanbod in de basisinfrastructuur door bezuinigingen is aangetast. 
De daadwerkelijke druk op het budget, zo blijkt na de indiening van de aanvragen, wijkt zowel gemiddeld als per afzonderlijke sector niet sterk af van de vorige keer. Een uitzondering vormt de dans. De verhouding tussen het aantal toekenningen en aanvragen pakt bij dans veel gunstiger uit dan in andere sectoren. De toeloop vanuit de basisinfrastructuur was weliswaar relatief hoog, maar toch beperkter dan mogelijk was geweest. Anders dan verwacht dienden Noord Nederlandse Dans, Scapino Ballet Rotterdam en Danshuis Station Zuid  geen aanvraag in bij het Fonds. Dit terwijl de kans groot was dat minimaal twee van hen, maar mogelijk zelfs ook alle drie, niet in de basisinfrastructuur zouden terechtkomen. Een belangrijke verklaring is ook dat een grote instelling als het Internationaal Danstheater, dat een relatief groot beslag op het dansbudget legt, is afgevallen. Daarvoor zijn meerdere kleine instellingen in de plaats gekomen.
Ook in de muziek zien we, ondanks eenzelfde druk als vier jaar geleden, een opmerkelijke verandering in de samenstelling van de meerjarige portefeuille. Daar worden dit keer vooral (middel)grote gezelschappen gehonoreerd. Omdat grotere groepen ook een groter beslag op het budget leggen, is de beweging omgekeerd aan de dans en loopt het aantal instellingen dat meerjarig wordt gesubsidieerd relatief sterk terug. 

Eerlijk en doelmatig, grotere pluriformiteit
Het systeem van vaste bedragen per voorstelling en een subsidiemaximum betekende voor de aanvragers dat zij een realistische inschatting moesten maken van de normbedragen waarop zij aanspraak konden maken. Dat kwam in veel gevallen neer op een aanzienlijk lager subsidie dan ze nu hebben. Aanvragers blijken die omslag verrassend snel te hebben gemaakt. Er zijn over het algemeen geen hogere normbedragen aangevraagd dan op grond van de kosten noodzakelijk was.  Dat blijkt uit het feit dat in bijna alle gevallen het door instellingen gevraagde subsidiebedrag door de adviescommissies ongewijzigd kon worden overgenomen.    
Niet alleen zijn daardoor nu grote, onderlinge verschillen in subsidiehoogte waarvoor geen goede motivatie bestaat, verdwenen. Ook is de subsidiëring een stuk doelmatiger geworden. Het beschikbare budget is gedaald met bijna 40% terwijl het aantal instellingen dat het Fonds meerjarig kan honoreren, terugloopt met 30% (zie figuur 1 en 3). De grotere doelmatigheid betekent dat nu meer instellingen subsidie kunnen ontvangen dan op grond van de bezuinigingen mocht worden verwacht. Dat komt ten goede aan de pluriformiteit.

Artistieke kwaliteit
Artistieke kwaliteit, zo blijkt uit de beoordelingen, is als selectiecriterium onverminderd belangrijk. Alle gehonoreerde instellingen beschikken over een positieve beoordeling op artistieke kwaliteit. De adviescommissies waren onder de indruk van het artistieke niveau in de verschillende sectoren en de nieuwe ontwikkelingen die daarin plaatsvinden.

Enkele van de meest in het oog springende daarvan zijn het sterke maatschappelijke engagement, en een zelfbewuste zoektocht naar meer directe manieren van communiceren met het publiek. Dat vertaalt zich in nieuwe thema’s en een expressief idioom, maar ook in onconventionele presentatievormen en werkwijzen. Er wordt steeds meer samengewerkt met andere makers, met programmeurs, vrije producenten en collega’s in de basisinfrastructuur, en met organisaties in andere maatschappelijke sectoren. Grenzen met andere disciplines, nieuwe en oude media en tussen speelcircuits worden met bravoure overschreden. Die overschrijding blijft niet beperkt tot vrijblijvende flirts, maar beïnvloedt het werk van makers blijvend. Ook ontstaat er steeds meer werk vanuit en voor specifieke locaties. Uit de succesvolle buitenlandse tournees van veel gezelschappen en muziekensembles die het Fonds de komende jaren meefinanciert, spreekt de internationale waardering voor de kwaliteit van dit aanbod. Het daarbij toenemende aantal coproducties met buitenlandse partners biedt niet alleen zakelijke, maar ook artistieke kansen.

Veelzijdige sector
Het is belangrijker dan ooit dat het podiumkunstenbestel als geheel een zo goed mogelijke vertegenwoordiging blijft bieden van uiteenlopende genres, inclusief een aantrekkelijk aanbod voor jeugd en jongeren. Het artistieke spectrum raakt door de bezuinigingen ontegenzeggelijk minder rijk bezet en dreigt aan nuance in te boeten, maar omvat gelukkig nog wel de belangrijkste kleuren. Bij het Fonds gaat het dan vooral om de verschijningsvormen die niet in het commerciële circuit of in de basisinfrastructuur tot stand worden gebracht. De veranderingen in de basisinfrastructuur hebben, via het criterium pluriformiteit waarin de bijdrage aan de sector als geheel wordt meegewogen, ook tot consequenties bij het Fonds geleid. De enorme artistieke diversiteit van aanvragers maakte dit ook mogelijk.
Die consequenties verschillen per discipline. Het Fonds ondersteunt vanaf 2013 bijvoorbeeld relatief veel jeugddans en kleinere theatergezelschappen, verhoudingsgewijs meer grotere muziekensembles, minder teksttheater, geen opera en musical maar juist het nieuwere, vaak kleinschaligere muziektheater. In ieder van de belangrijkste genres ondersteunt het Fonds één festival. Ook culturele diversiteit is een vanzelfsprekend onderdeel van een pluriforme cultuur. Het was daarom een van de aspecten waarmee instellingen een hogere beoordeling op pluriformiteit konden verwerven. Toch heeft dit in niet alle disciplines geleid tot een goede vertegenwoordiging. Een aantal pioniers uit de begintijd blijkt in de beoordeling op belangrijke criteria niet opgewassen tegen de felle concurrentie. De nieuwe generatie loopt zich nog warm en vraagt nauwelijks meerjarig aan. Waar ze dat wel doen, zijn er ook honoreringen, zoals bij theater en dans. De discipline muziektheater, die vrijwel geen cultureel diverse aanvragen ontving, honoreert één instelling die actief is op dit vlak. In de programmering van festivals, waar grenzen steeds meer vervagen, is culturele diversiteit vaak goed geïntegreerd. 

Innovatie en talent
Innovatie en talentontwikkeling, zo blijkt uit de aanvragen, vindt  op alle mogelijke manieren plaats in de podiumkunsten. Voor veel instellingen is dat zelfs een kerntaak.  Dat geldt nu sterker dan vier jaar geleden. Nieuwe wegen inslaan, is voor veel ensembles, gezelschappen en makers inherent aan hun werk. Om die reden investeren ze in nieuw repertoire of gaan ze samenwerkingsverbanden aan met andere makers en met nieuw, veelbelovend talent.
De aanvragen laten zien dat talentontwikkeling en kunstpraktijk steeds sterker met elkaar verbonden raken. In de dans spreken we dan bijvoorbeeld over ICK, Conny Janssen, ISH en nb van Nicole Beutler. In het theater gaat het bijvoorbeeld om Orkater, Zep, Firma Rieks Swarte, Ulrique Quade Company en Via Rudolphi, en in de muziek over Oorkaan en het Nederlands Blazers Ensemble. Niet alleen producerende instellingen, maar ook festivals scheppen steeds meer een gunstige omgeving voor dat talent. Ze blijken zich in toenemende mate op een natuurlijke manier met de jongste artistieke ontwikkelingen te verbinden. Oerol, November Music, Spring en Tweetakt zijn sprekende voorbeelden. Opmerkelijk genoeg zet een aantal voormalige productiehuizen, zoals de Toneelschuur, Korzo, BonteHond, Zeelandia, Feikes Huis, Veem en Bellevue (voor theaterauteurs), en de postacademische instelling VocaalLAB zijn deskundigheid als innovator en talentontwikkelaar nu met succes in als producerende instelling. Omgekeerd zorgen zij zo voor een goede verbinding tussen kunstpraktijk en nieuw talent.

Hoewel de trend duidelijk wijst in de richting van meer innovatie en een steviger verbinding tussen talentontwikkeling en kunstpraktijk, heeft het Fonds de toeslag voor innovatie van het aanbod nog betrekkelijk weinig toegekend (zie figuur 9). De commissies hebben kritisch gekeken of de plannen voor een toeslag bijdragen aan de ontwikkeling van de Nederlandse podiumkunsten in het algemeen. In de meeste gevallen was de onderbouwing hiervoor niet overtuigend. Vaak had de beoogde innovatie vooral betrekking op de ontwikkeling of uniciteit van het eigen gezelschap of ensemble, zonder dat andere delen van de discipline of sector hierdoor werden beïnvloed. Wanneer onvoldoende duidelijk werd hoe men de talentontwikkeling zou vormgeven of wie men op het oog had om te begeleiden, werd evenmin een toeslag toegekend.

Gezond ondernemerschap
Het veranderende subsidieklimaat en de manier waarop de regeling is ingericht, hebben uitgedaagd tot stevige ambities op het gebied van publieksbereik en eigen inkomsten. Gemiddeld streven instellingen naar zeventien procent meer voorstellingen en concerten dan in de voorgaande vier jaar (zie figuur 10). Dat is in beginsel een positieve ontwikkeling. Het is ook realistisch. Vanaf 2013 krimpt immers het aantal instellingen in de basisinfrastructuur en bij het Fonds, waardoor de overblijvende instellingen de kans krijgen een groter deel van de publieksmarkt naar zich toe te trekken. Tegelijkertijd wordt er efficiënter gewerkt. Dat gebeurt bijvoorbeeld door de groeiende samenwerkingsverbanden, waarin instellingen faciliteiten delen en gezamenlijke marketing bedrijven of waarin meer coproducties tot stand komen. Ook is meer seriebespeling van podia en festivals aan de orde en zoeken instellingen meer samenwerking met het bedrijfsleven. 

Gemiddeld doen de aanvragers het op ondernemerschap goed. Wel is er op onderdelen sprake van grote, onderlinge verschillen. Vooral in de groep instellingen waarvan de aanvraag niet wordt gehonoreerd, is te vaak sprake van erg ambitieuze verwachtingen die niet door realistische plannen worden onderbouwd. Het Fonds realiseert zich daarbij dat de tijd voor veel instellingen erg kort is geweest om de organisatie al volledig op de nieuwe werkelijkheid voor te bereiden.
De bedrijfsvoering van vooral de gehonoreerde instellingen blijkt in de basis echter goed op orde. Opvallend is ook de sterke correlatie tussen kwaliteit en ondernemerschap. In bijna alle gevallen waar sprake is van een hoge waardering voor kwaliteit is ook het ondernemerschap dik in orde. Daarnaast kan worden vastgesteld dat de omvang van een instelling niet a priori veel zegt over haar financiële gezondheid. Klein is niet bij voorbaat kwetsbaarder: de aanvragers bij het Fonds doen het financieel gezien even goed, zelfs iets beter, dan de aanvragers in de basisinfrastructuur. Het Fonds heeft er daarom vertrouwen in dat de gehonoreerde instellingen in staat zullen zijn de bij hun ambities passende veranderingen in hun organisatie vorm te geven in de komende jaren, en om eventuele tegenvallers op te vangen. 

Financieringsmix en lokaal draagvlak
Het goed ontwikkelde ondernemerschap bij de gehonoreerde instellingen vertaalt zich in een betere, en onderbouwde spreiding van financiële risico’s over verschillende inkomstenbronnen. Waar het Fonds in de periode 2009-2012 gemiddeld nog tekende voor 45% van de begroting van vierjarig ondersteunde instellingen, vragen de gehonoreerde instellingen nu nog slechts 31% van hun totale baten aan bij het Fonds. Gedeeltelijk doen instellingen in plaats daarvan een wat groter beroep op betrokkenheid van provincies en gemeenten. Het gevraagde aandeel bij gemeenten stijgt van 12 tot 17%, en dat bij de provincies van 3 naar 4% (zie figuur 8).
De toenemende financiële betrokkenheid van lagere overheden bij fondsgesubsidieerde gezelschappen helpt niet alleen bij het opvangen van de gevolgen van de bezuinigingen en de spreiding van het ondernemingsrisico. Het betekent ook dat het podiumkunstenveld erin is geslaagd  het lokale draagvlak in de samenleving te vergroten. Minstens even belangrijk voor het draagvlak is  de constatering dat de afname van het aandeel fondssubsidie niet volledig wordt vervangen door andere subsidies, maar dat per saldo ook de eigen inkomsten van de gehonoreerde instellingen met bijna acht procent stijgen.  

Landelijke zichtbaarheid 
De aanvragen die het Fonds ontving voor de periode 2013-2016 komen, net als in de voorgaande periode uit alle delen van het land. De Randstad is daarbij sterk vertegenwoordigd. Circa tweederde van de aanvragen komt uit de grote steden, en nog eens een kleine tien procent uit de regio west. 

Hoewel de aanvragers dus niet gelijkwaardig over het land zijn verdeeld, verbeterde de spreiding onder de gehonoreerde instellingen al in de vorige beleidsperiode licht. Het aandeel door het Fonds gesubsidieerde instellingen in de vier grote steden liep toen iets terug ten gunste van de regio’s. In de periode 2013-2016 blijven die verhoudingen ongewijzigd. Het aantal door het Fonds gesubsidieerde instellingen neemt zowel in de grote steden als in de regio’s met 32% af. Tussen de regio’s en steden onderling zijn er wel flinke verschillen. De grootste krimp vindt plaats in de regio’s Oost, Midden en West, en in Rotterdam. De regio Noord daarentegen blijft in aantal instellingen gelijk en de regio Zuid ziet een toename van het aantal fondshonoreringen. Amsterdam loopt in de pas met het gemiddelde (zie figuur 5 en 6). 

Voor een brede toegankelijkheid van het landelijk aanbod is behalve de vestigingsplaats van instellingen minstens zo belangrijk waar zij hun voorstellingen en concerten spelen. Het Fonds heeft dan ook evenzeer meegewogen in welke mate instellingen hun voorstellingen verder het land in brengen dan de vier grote steden.

Volgorde voor subsidiëring
De nieuwe manier van beoordelen aan de hand van gelijkwaardig wegende criteria en een transparant puntensysteem, heeft het mede mogelijk gemaakt om ondanks de bezuinigingen en druk op het budget tot een evenwichtig eindbeeld te komen. Een essentieel onderdeel daarin is de wijze waarop instellingen na beoordeling in een rangorde zijn geplaatst. Die rangorde trekt immers niet alleen de grens tussen instellingen met een positief en een negatief advies, maar ook tussen aanvragers met een positief advies die wel en niet kunnen worden gehonoreerd binnen het beschikbare budget. De prioriteiten zijn bepaald door instellingen na beoordeling in een aflopende volgorde te plaatsen van het totaal aan punten dat zij hebben behaald op alle criteria samen. Als instellingen gelijk eindigden, heeft de commissie een volgorde aangebracht op basis van de pluriformiteit. Daarbij is eerst gekeken naar het aantal punten op pluriformiteit in de oorspronkelijke beoordeling, dat wil zeggen in relatie tot de gehele sector, inclusief basisinfrastructuur en het vrije circuit. Waar nodig, is vervolgens ook de pluriformiteit onder de hoger geëindigde fondsaanvragers in het oordeel betrokken. 

Zo is er in alle disciplines een onderverdeling ontstaan in een a-categorie die geheel wordt gehonoreerd, een b-categorie die in beginsel wel voor subsidie in aanmerking komt maar niet kan worden gehonoreerd en een c-categorie waarvan de totale waardering zo laag ligt dat zij ook bij voldoende budget zou moeten worden afgewezen. De eerste aanvraag in de b-categorie wordt gedeeltelijk gehonoreerd, tot het budget op is. 

Een meer gedetailleerde beschrijving van het beoordelingsproces is hierna te lezen onder ‘Verantwoording.’ De rangorde binnen de positieve adviezen zonder honorering (b-categorie) is bovendien opgenomen achter de adviezen per sector. Het Fonds Podiumkunsten heeft er echter bewust van afgezien om in het kader van deze verantwoording de cijfermatige scores mee te publiceren. Die scores zijn geen geheim, maar het Fonds wil voorkomen dat de prestaties van de aanvragers te veel teruggebracht worden tot louter cijfers, en dat voorbij wordt gegaan aan de uitgebreide, inhoudelijke beoordeling die daaraan ten grondslag ligt.   

Tot slot
Nooit eerder werd er zoveel zo abrupt op de cultuur bezuinigd als nu. De schade is ongemeen groot, zo blijkt uit de beslissingen van het Fonds. Daarom stond deze subsidieronde volledig in het teken van een nieuw evenwicht en perspectief. Het midden- en kleinbedrijf van de podiumkunsten heeft zelf dat perspectief binnen bereik gebracht. Het heeft zichzelf niet toegestaan in een neerwaartse spiraal te belanden, maar integendeel waar nodig en mogelijk zelfs stappen vooruit gezet. De podiumkunsten hebben de toekomst in eigen hand genomen. 
grafiek_5.jpg
figuur 1: aantallen en percentages honoreringen, figuur 2: aantallen en percentages aanvragen/adviezen/honoreringen
grafiek_4.jpg
figuur 3: budget per jaar (in miljoenen), figuur 4: herkomst van gehonoreerde instellingen
grafiek_3.jpg
figuur 5: geografische spreiding honoreringen, figuur 6: geografische spreiding aanvragen/honoreringen 2013-2016
grafiek_2.jpg
figuur 7: toekomst van de huidige fondsgesubsidieerden, figuur 8: financieringsmix Fonds, gemeenten, provincies bij gehonoreerden instellingen
grafiek_1.jpg
figuur 9: toeslag voor innovatie van het aanbod, figuur 10: aantal voorstellingen & concerten van producerende instellingen per jaar (exclusief festivals)

organisatieaangevraagdtoekennen

5 Days Off€ 125.0000
Afslag Eindhoven€ 66.0000
Amersfoort Jazzfestival€ 125.0000
Amstel Saxofoonkwartet€ 45.0000 *
Amsterdam Dance Event€ 150.0000 *
Amsterdam Klezmer Band€ 184.750€ 184.750 per jaar
Amsterdam Roots Festival€ 125.0000
Amsterdamse Cello Biennale€ 125.0000 *
Amsterdam Sinfonietta€ 574.000€ 574.000 per jaar
Amsterdams Kleinkunst Festival€ 50.0000 *
Apollo Ensemble€ 80.2500
De Appel€ 540.0000 *
Asko|Schönberg€ 643.250€ 643.250 per jaar
Bambie€ 256.5000 *
't Barre Land€ 244.8000 *
Beumer & Drost€ 300.000€ 300.000 per jaar
Bik Bent Braam€ 58.8000 *
BonteHond€ 333.000€ 333.000 per jaar
BOT€ 117.0000 *
De Brandstichting€ 240.0000
Brokken€ 116.000€ 116.000 per jaar
Calefax€ 384.000€ 245.000 per jaar
Camerata Trajectina/Brisk€ 97.2500
Cappella Amsterdam€ 478.000€ 478.000 per jaar
Carver€ 486.0000 *
Caspar Rapak€ 82.5000
Cello Octet Amsterdam€ 126.0000 *
Cement€ 150.0000 *
Charles Hennen Concours€ 50.0000
Circo Circolo€ 125.0000 *
Club Guy and Roni€ 592.200€ 493.500 per jaar
Compagnie Karina Holla€ 120.0000
Conny Janssen Danst€ 468.000€ 468.000 per jaar
Cultura Nova€ 150.0000 *
Dance Works Rotterdam€ 111.6000 *
De Dansers€ 300.0000
Dansgroep Amsterdam€ 399.6000
Danstheater Aya€ 558.000€ 461.000 ** per jaar
DeltaDua€ 150.0000
de Oefening de Kunst (dOeK)€ 124.800€ 124.800 per jaar
Don KosakenChor Russland€ 585.0000 *
Dood Paard€ 414.000€ 345.000 per jaar
Dries Verhoeven€ 198.000€ 198.000 per jaar
Dutch Jazz Competition€ 50.0000
Edit Kaldor€ 81.0000 *
Egidius Kwartet€ 108.7500 *
Eigen Werk Theaterproduktie€ 97.5000
Eurosonic Noorderslag€ 150.000€ 125.000 per editie
De Federatie€ 504.0000 *
Feikes Huis€ 232.500€ 232.500 per jaar
Female Economy€ 342.000€ 285.000 per jaar
Festival Oude Muziek€ 300.000€ 250.000 per editie
Firma MES€ 90.0000 *
Firma Rieks Swarte€ 336.750€ 336.750 per jaar
Five Great Guitars€ 195.0000 *
Flamenco Biennale Nederland€ 150.0000 *
Flint€ 62.2500 *
Fra Fra Sound & Big Band€ 95.0000
Fred Delfgaauw€ 210.0000
Gaudeamus Muziekweek€ 150.0000 *
Het Geluid€ 165.0000 *
Golden Palace€ 288.750€ 288.750 per jaar
Grachtenfestival Amsterdam€ 125.0000 *
hetdansfestival.nl€ 150.0000 *
Het Houten Huis€ 371.250€ 371.250 per jaar
Hoge Fronten€ 117.000€ 117.000 per jaar
Holland Baroque Society€ 322.200€ 268.500 per jaar
Holland Opera€ 599.2500 *
Hollands Diep€ 270.0000
Hotel Modern€ 601.200€ 501.000 per jaar
ICKamsterdam (Emio Greco|PC)€ 751.500€ 751.500 per jaar
Incubate€ 300.0000 *
In Goed Gezelschap van Laura€ 127.500€ 127.500 per jaar
Insomnio€ 187.2000
Instant Composers Pool (ICP)€ 140.000€ 140.000 per jaar
Het Internationaal Danstheater€ 792.0000
Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht€ 50.0000
Internationaal Orgelfestival Haarlem€ 150.0000 *
Internationaal Vocalisten Concours€ 50.0000 *
De Internationale Keuze€ 125.0000 *
Internationale Koorbiënnale€ 150.0000 *
Intro in situ€ 164.4000 *
ISH€ 522.000€ 522.000 per jaar
Its Festival€ 150.0000 *
Ives Ensemble€ 131.2500
Jakop Ahlbom€ 331.500€ 331.500 per jaar
Jazz in Motion€ 212.5000 *
Jazz Orchestra of the Concertgebouw€ 509.4000 *
Jonge Harten Festival€ 125.0000 *
Julidans€ 150.000€ 125.000 per editie
Korzo€ 207.900€ 173.250 per jaar
Kassys€ 67.5000
Keesen & Co€ 207.0000
De Kift€ 224.500€ 224.500 per jaar
Kulsan€ 174.5000
LeineRoebana€ 360.000€ 300.000 per jaar
Likeminds€ 219.7500 *
Liteside Festival€ 20.0000
Maatschappij Discordia€ 360.0000
Matangi Quartet€ 112.0000 *
Matzer€ 277.500€ 277.500 per jaar
MC Producties€ 270.0000
Meekers€ 441.000€ 367.500 per jaar
Metropole Orkest€ 720.0000
Metropolis Festival€ 150.0000
M-Lab€ 378.0000 *
Motel Mozaique€ 125.0000 *
Mug met de Gouden Tand€ 360.000€ 300.000 per jaar
Mundial€ 150.0000 *
Musica Sacra€ 150.000€ 125.000 per editie
Music Meeting€ 150.000€ 125.000 per editie
Nachtgasten€ 75.0000 *
nb (Nicole Beutler)€ 279.000€ 279.000 per jaar
Nederlands Blazers Ensemble€ 808.200€ 808.200 ** per jaar
Nederlandse Bachvereniging€ 733.500€ 533.750 per jaar
Nederlandse Dansdagen€ 150.0000 *
Nederlands Kamerkoor€ 610.000€ 610.000 per jaar
Nederlands Theater Festival€ 150.000€ 125.000 per editie
De Nieuw Amsterdam€ 360.0000
Nieuw Ensemble€ 594.0000 *
Nieuwe Philharmonie Utrecht€ 430.0000
Het Nieuw Utrechts Toneel€ 87.0000
Nieuw West€ 153.0000
Noorderzon Performing Arts Festival€ 300.000€ 250.000 per editie
November Music€ 150.000€ 125.000 per editie
Oerol€ 300.000€ 250.000 per editie
OMSK€ 204.3000 *
Onafhankelijk Toneel€ 540.0000 *
Oorkaan€ 471.600€ 471.600 per jaar
Operadagen Rotterdam€ 300.000€ 125.000 ** per editie
Opera per Tutti!€ 102.0000 *
Opera Spanga€ 229.5000 *
Orkater (muziektheater)€ 300.000€ 300.000 per jaar
Orkater (theater)€ 770.400€ 588.800 ** per jaar
orkest de ereprijs€ 228.6000 *
Orkest v/d Achttiende Eeuw€ 300.000€ 300.000 per jaar
Paradiso Melkweg Productiehuis€ 252.0000 *
Paul van Kemenade Quintet€ 51.0000 *
PeerGrouP€ 472.500€ 393.750 per jaar
PIPS:lab€ 243.000€ 202.500 ** per jaar
Plan-D€ 150.0000 *
Productiehuis Brabant€ 129.7500 *
Project Sally€ 142.500€ 142.500 per jaar
RBO Sinfonia€ 444.0000
Rosa Ensemble€ 183.6000 *
Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival€ 150.0000
Rotterdam Unlimited€ 125.0000
Rubens Quartet€ 96.0000 *
Schweigman&€ 420.300€ 350.250 per jaar
Sinfonia Rotterdam€ 142.5000
Slagwerk Den Haag€ 317.400€ 219.500 per jaar
Sonic Acts€ 150.0000 *
Sonnevanck€ 234.0000 *
SPRING festival Utrecht€ 150.000€ 150.000 per editie
De Stilte€ 450.000€ 375.000 per jaar
Stroom Management/Izaline Calister€ 135.0000
Tafel van Vijf€ 131.250€ 131.250 per jaar
Tam Tam Productions€ 238.5000 *
Tango Extremo€ 90.0000 *
Teatro Munganga€ 210.0000
TG Lange Mannen€ 76.5000
Theater Bellevue€ 180.000€ 180.000 per jaar
ThEAter EA€ 159.0000
Theaterfestival Boulevard€ 300.0000 *
Theater Gnaffel€ 378.000€ 315.000 per jaar
Theatergroep Aluin€ 198.7500
Theatergroep Suburbia€ 390.000€ 300.000 per jaar
Theater Nomade€ 240.0000
Theater RAST€ 345.0000 *
Theater Terra€ 450.000€ 450.000 per jaar
Theater Zeelandia€ 737.100€ 614.250 per jaar
The Ex€ 142.5000 *
The Glasshouse€ 186.7500 *
The Lunatics€ 80.2500
Thibaud Delpeut€ 300.0000 *
Tomoko Mukaiyama Foundation€ 170.100€ 141.750 per jaar
Toneelgroep Het Volk€ 277.5000 *
Toneelschuur Producties€ 528.750€ 457.500 per jaar
Het Toneel Speelt€ 900.0000 *
T.R.A.S.H.€ 144.000€ 120.000 per jaar
Tromp Percussion Eindhoven€ 50.000€ 50.000 per editie
Trouble Man€ 60.000€ 60.000 per jaar
Tweetakt€ 300.000€ 300.000 per editie
Ulrike Quade Company€ 434.700€ 434.700 per jaar
Unieke Zaken€ 150.000€ 150.000 per jaar
Utrecht String Quartet€ 78.0000
Van Swieten Society€ 95.7500 *
Het Veem Theater€ 90.000€ 75.000 per jaar
De Veenfabriek€ 765.900€ 638.250 per jaar
Via Rudolphi Theaterproducties€ 288.000€ 288.000 per jaar
De Viooldagen€ 50.0000 *
Vis á  Vis€ 412.500€ 412.500 per jaar
Visisonor€ 61.0000
Vloeistof€ 120.0000 *
VocaalLAB€ 570.600€ 475.500 per jaar
Het Volksoperahuis€ 255.000€ 255.000 per jaar
De Voortzetting€ 225.0000
Vrije Val€ 397.5000
WArd/waRD (Ann van den Broek)€ 345.600€ 288.000 per jaar
De Warme Winkel€ 401.400€ 334.500 per jaar
Wunderbaum€ 486.000€ 486.000 per jaar
ZEP€ 288.000€ 240.000 per jaar
Zijlstra€ 103.7500

*positief advies, beschikbaar budget niet toereikend om subsidie toe te kennen

**positief advies, beschikbaar budget niet toereikend om volledig bedrag toe te kennen