toekenningen/ vierjarige subsidie
- periode 2009-2012 – sluitingsdatum: 30 december 2008
muziek / theater / muziektheater / dans
Acteursgroep Wunderbaum
Wunderbaum
Inleiding
Wunderbaum is een collectief opererend theatergezelschap dat bestaat uit zes leden: de acteurs Maartje Remmers, Marleen Scholten, Matijs Jansen, Walter Bart en Wine Dierickx, en vormgever Maarten van Otterdijk.
Na het afstuderen in 2001 aan de Toneelacademie Maastricht bood Johan Simons hen de gelegenheid zich te ontwikkelen onder de vleugels van ZT Hollandia en vanaf 2005 bij
NTGent als acteurscollectief dat locatievoorstellingen maakt over brandende maatschappelijke
kwesties. In 2005 deden Productiehuis Rotterdam en de Rotterdamse Schouwburg hun het aanbod de locatievoorstellingen niet alleen in Gent maar ook in Rotterdam te produceren
en te spelen. Vanaf 2001 heeft Wunderbaum een film en twaalf theaterproducties gemaakt, waarvan negen op locatie.
Wunderbaum presenteert zich in het plan als een Nederlandse, internationaal georiënteerde
acteursgroep met Rotterdam als thuishaven, maar met de bedoeling om van daaruit te reizen, naar Amsterdam, Gent, Antwerpen en verschillende Europese steden. Een voorstelling
van Wunderbaum ontstaat meestal vanuit een grote nieuwsgierigheid naar opkomende fenomenen in de maatschappij. De groep probeert tendensen aan te voelen en het onderliggende
thema bloot te leggen. In de keuze van de thematiek acht ze twee dingen belangrijk: de maatschappelijke relevantie van de thema’s en de persoonlijke betrokkenheid daarbij van de acteurs zelf.
Als uitgangspunten voor haar beleid in de komende periode noemt Wunderbaum onder andere de keuze van en de omgang met maatschappelijk geïnspireerde thema’s, vormkeuzes die de energie van een rockconcert beogen, een hernieuwde keuze voor locatietheater aangevuld
met de ambitie om te werken voor de grote zaal, een weloverwogen stedelijk, Nederlandstalig
en internationaal speelbeleid, een intensief doelgericht publiekswervings- en communicatiebeleid en een evenwichtig projectenplan.
De groep is van plan in de komende periode zes nieuwe locatievoorstellingen te maken en twee nieuwe grotezaalproducties. Locatieprojecten die concreet genoemd worden in de aanvraag,
zijn een samenwerking met de Hongaarse groep Kretakör, een project in Linz over depressiviteit en het gevoel dat de belangrijke gebeurtenissen zich ergens anders afspelen, en een voorstelling in Vinex-wijken over de dubbelzinnige sfeer van de veilige buitenwijk. Johan Simons zal in 2010 betrokken zijn bij een grotezaalvoorstelling. De groep onderzoekt de mogelijkheid Tom Lanoye de tekst voor de tweede grotezaalvoorstelling te laten schrijven op basis van improvisaties van de groep. Daarnaast maken individuele leden ook enkele kleinere Wunderbaum-projecten.
De groep houdt vast aan het concept om de locatievoorstellingen alleen in de vier genoemde steden te spelen, en dat overal minimaal twee weken. De groep wil de publiekscapaciteit op locatie vergroten, en aan de hand van het thema gerichte publiekswerving verzorgen. Het plan spreekt van meer dan een verdubbeling van het publieksbereik. Wunderbaum vraagt voor de periode 2009-2012 € 405.683 per jaar aan het NFPK+ .
Wunderbaum heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd en werd in de afgelopen periode incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Wunderbaum heeft in de afgelopen jaren een aantal bijzondere projecten gerealiseerd. De voorstellingen zijn in hun vorm onderling onderscheidend maar tegelijk is er steeds een Wunderbaum-signatuur waarneembaar. De muziek in de voorstellingen zorgt bijna altijd voor een extra laag. De groep heeft naam gemaakt onder de hoede van ZT Hollandia en NTGent, de afgelopen periode zetelde ze bij Productiehuis Rotterdam. De lijn naar een zelfstandige
organisatie beoordeelt de commissie als positief. Sterker nog, de commissie had verwacht dat Wunderbaum nu reeds voor een zelfstandiger bestaan zou opteren.
De kwaliteit van de aanvraag blijft achter bij de verwachtingen die de groep de afgelopen jaren op artistiek terrein heeft geschapen. Een heldere plaatsbepaling ontbreekt en concrete thema’s voor de komende periode zijn voor een groot deel nog niet bekend. De commissie is verheugd dat de groep inzet op het werken met regisseurs en schrijvers; deze kunnen acteurs prikkelen en stimuleren nieuwe registers aan te slaan en een gerichte dramaturgie van de voorstellingen bewerkstelligen.
De vooronderstellingen over het publieksbereik zijn ambitieus. Zo heeft de groep plannen specifieke doelgroepen te benaderen die een relatie hebben met het thema van de voorstellingen.
De producties van Wunderbaum kunnen vanwege hun actuele inhoud en de redelijk toegankelijke vorm een breed publiek aanspreken. De commissie verwacht hierdoor en door de samenwerking met een aantal theaters en de inbedding bij Productiehuis Rotterdam dat de ambitieuze plannen met betrekking tot publieksbereik gerealiseerd kunnen worden. Wunderbaum stelt zich te willen verhouden tot de Rotterdamse samenleving. In dit licht beschouwt de commissie het ontbreken van een concrete visie met betrekking tot culturele diversiteit als een gemis. Op basis van de contacten in de afgelopen jaren heeft Wunderbaum
een internationaal netwerk opgebouwd, dat het de komende jaren kan benutten en verder uitbouwen. Ongeveer de helft van de activiteiten van het gezelschap vindt plaats in het buitenland, grotendeels in België. Het is onduidelijk hoe de relatie van Wunderbaum met NTGent wordt na het vertrek van Johan Simons en welke (financiële) consequenties daaraan verbonden zijn.
Conclusie en advies
Wunderbaum heeft in de afgelopen jaren naam gemaakt met bijzondere voorstellingen. De commissie heeft voldoende vertrouwen in de te verwachten kwaliteit en de ontwikkelingspotentie
van Wunderbaum in de komende periode. De commissie is daarbij benieuwd hoe het gezelschap zich wat betreft bedrijfsvoering en op het gebied van internationale contacten
in zelfstandigheid gaat ontwikkelen. De commissie adviseert Wunderbaum op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Wunderbaum is een collectief opererend theatergezelschap dat bestaat uit zes leden: de acteurs Maartje Remmers, Marleen Scholten, Matijs Jansen, Walter Bart en Wine Dierickx, en vormgever Maarten van Otterdijk.
Na het afstuderen in 2001 aan de Toneelacademie Maastricht bood Johan Simons hen de gelegenheid zich te ontwikkelen onder de vleugels van ZT Hollandia en vanaf 2005 bij
NTGent als acteurscollectief dat locatievoorstellingen maakt over brandende maatschappelijke
kwesties. In 2005 deden Productiehuis Rotterdam en de Rotterdamse Schouwburg hun het aanbod de locatievoorstellingen niet alleen in Gent maar ook in Rotterdam te produceren
en te spelen. Vanaf 2001 heeft Wunderbaum een film en twaalf theaterproducties gemaakt, waarvan negen op locatie.
Wunderbaum presenteert zich in het plan als een Nederlandse, internationaal georiënteerde
acteursgroep met Rotterdam als thuishaven, maar met de bedoeling om van daaruit te reizen, naar Amsterdam, Gent, Antwerpen en verschillende Europese steden. Een voorstelling
van Wunderbaum ontstaat meestal vanuit een grote nieuwsgierigheid naar opkomende fenomenen in de maatschappij. De groep probeert tendensen aan te voelen en het onderliggende
thema bloot te leggen. In de keuze van de thematiek acht ze twee dingen belangrijk: de maatschappelijke relevantie van de thema’s en de persoonlijke betrokkenheid daarbij van de acteurs zelf.
Als uitgangspunten voor haar beleid in de komende periode noemt Wunderbaum onder andere de keuze van en de omgang met maatschappelijk geïnspireerde thema’s, vormkeuzes die de energie van een rockconcert beogen, een hernieuwde keuze voor locatietheater aangevuld
met de ambitie om te werken voor de grote zaal, een weloverwogen stedelijk, Nederlandstalig
en internationaal speelbeleid, een intensief doelgericht publiekswervings- en communicatiebeleid en een evenwichtig projectenplan.
De groep is van plan in de komende periode zes nieuwe locatievoorstellingen te maken en twee nieuwe grotezaalproducties. Locatieprojecten die concreet genoemd worden in de aanvraag,
zijn een samenwerking met de Hongaarse groep Kretakör, een project in Linz over depressiviteit en het gevoel dat de belangrijke gebeurtenissen zich ergens anders afspelen, en een voorstelling in Vinex-wijken over de dubbelzinnige sfeer van de veilige buitenwijk. Johan Simons zal in 2010 betrokken zijn bij een grotezaalvoorstelling. De groep onderzoekt de mogelijkheid Tom Lanoye de tekst voor de tweede grotezaalvoorstelling te laten schrijven op basis van improvisaties van de groep. Daarnaast maken individuele leden ook enkele kleinere Wunderbaum-projecten.
De groep houdt vast aan het concept om de locatievoorstellingen alleen in de vier genoemde steden te spelen, en dat overal minimaal twee weken. De groep wil de publiekscapaciteit op locatie vergroten, en aan de hand van het thema gerichte publiekswerving verzorgen. Het plan spreekt van meer dan een verdubbeling van het publieksbereik. Wunderbaum vraagt voor de periode 2009-2012 € 405.683 per jaar aan het NFPK+ .
Wunderbaum heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd en werd in de afgelopen periode incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Wunderbaum heeft in de afgelopen jaren een aantal bijzondere projecten gerealiseerd. De voorstellingen zijn in hun vorm onderling onderscheidend maar tegelijk is er steeds een Wunderbaum-signatuur waarneembaar. De muziek in de voorstellingen zorgt bijna altijd voor een extra laag. De groep heeft naam gemaakt onder de hoede van ZT Hollandia en NTGent, de afgelopen periode zetelde ze bij Productiehuis Rotterdam. De lijn naar een zelfstandige
organisatie beoordeelt de commissie als positief. Sterker nog, de commissie had verwacht dat Wunderbaum nu reeds voor een zelfstandiger bestaan zou opteren.
De kwaliteit van de aanvraag blijft achter bij de verwachtingen die de groep de afgelopen jaren op artistiek terrein heeft geschapen. Een heldere plaatsbepaling ontbreekt en concrete thema’s voor de komende periode zijn voor een groot deel nog niet bekend. De commissie is verheugd dat de groep inzet op het werken met regisseurs en schrijvers; deze kunnen acteurs prikkelen en stimuleren nieuwe registers aan te slaan en een gerichte dramaturgie van de voorstellingen bewerkstelligen.
De vooronderstellingen over het publieksbereik zijn ambitieus. Zo heeft de groep plannen specifieke doelgroepen te benaderen die een relatie hebben met het thema van de voorstellingen.
De producties van Wunderbaum kunnen vanwege hun actuele inhoud en de redelijk toegankelijke vorm een breed publiek aanspreken. De commissie verwacht hierdoor en door de samenwerking met een aantal theaters en de inbedding bij Productiehuis Rotterdam dat de ambitieuze plannen met betrekking tot publieksbereik gerealiseerd kunnen worden. Wunderbaum stelt zich te willen verhouden tot de Rotterdamse samenleving. In dit licht beschouwt de commissie het ontbreken van een concrete visie met betrekking tot culturele diversiteit als een gemis. Op basis van de contacten in de afgelopen jaren heeft Wunderbaum
een internationaal netwerk opgebouwd, dat het de komende jaren kan benutten en verder uitbouwen. Ongeveer de helft van de activiteiten van het gezelschap vindt plaats in het buitenland, grotendeels in België. Het is onduidelijk hoe de relatie van Wunderbaum met NTGent wordt na het vertrek van Johan Simons en welke (financiële) consequenties daaraan verbonden zijn.
Conclusie en advies
Wunderbaum heeft in de afgelopen jaren naam gemaakt met bijzondere voorstellingen. De commissie heeft voldoende vertrouwen in de te verwachten kwaliteit en de ontwikkelingspotentie
van Wunderbaum in de komende periode. De commissie is daarbij benieuwd hoe het gezelschap zich wat betreft bedrijfsvoering en op het gebied van internationale contacten
in zelfstandigheid gaat ontwikkelen. De commissie adviseert Wunderbaum op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 396.839,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 396.839,- (per jaar)
Asko|Schönberg
Inleiding
Asko|Schönberg omschrijft zich als volgt: ‘geen Ensemble, geen Orkest, maar een flexibel apparaat dat in elke gewenste grootte elke gewenste partituur kan spelen, zowel op het podium als in de orkestbak van de muziektheaters’. Met oog voor de historie wordt, zo stelt de instelling, ‘per productie een bezetting samengesteld waarbij van individuele kwaliteiten en ervaring van musici optimaal gebruik wordt gemaakt’. Asko|Schönberg wil ‘hét instituut zijn voor de niet-symfonische 20e- en 21e-eeuwse muziek in al haar facetten: van kamermuziek tot groot bezette werken, van zes tot zestig musici’. De organisatie kent zichzelf ‘een unieke plaats in het Nederlandse muziekleven’ toe. De instelling wil ‘informeren over en staan voor de nieuwe klassieken van de 20e tot en met de nieuwste muziek van de 21e eeuw, op concertpodia, in operahuizen en (muziek)theaters, op scholen en alle andere in aanmerking komende locaties, in op verschillende publieksgroepen afgestemde vormen van concertpresentatie’. Asko|Schönberg wil samenwerking met componisten, belangrijke Nederlandse operagezelschappen en andere Nederlandse kunstinstellingen intensiveren. Door de uitbouw van de in 2007 opgerichte György Ligeti Academy wil de instelling de interesse in en aandacht voor nieuwe muziek bij tweede fase (masterfase) conservatoriumstudenten vergroten. Het Asko|Schönberg wil onder meer ten minste per seizoen 20 concerten realiseren in met name een vijftiental grotere steden in het land, 15 concerten per seizoen in het Muziekgebouw aan ’t IJ, 8 concerten in series in het Concertgebouw. Daarnaast biedt het ensemble aan afnemers in de rest van Nederland ‘op maat samengestelde programma’s’. Het streven is om elk concertprogramma gemiddeld drie keer uit te voeren.
Beide fusiepartners van het Asko|Schönberg, het Asko Ensemble en het Schönberg Ensemble, ontvangen subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Beide fusiepartners hebben incidenteel subsidie ontvangen van het voormalige FAPK.
Naar aanleiding van het beleidsplan is op 9 april 2008 een nadere uitwerking van de begroting opgevraagd bij de aanvragers.
Beoordeling
Zowel het Asko Ensemble als het Schönberg Ensemble, twee zichzelf tot nu toe autonoom presenterende ensembles, kan volgens de commissie bogen op een uitstekende uitvoeringskwaliteit en een onderscheidende programmering. Bezwaarlijk vindt zij echter dat het beleidsplan over hun fusie tot het Asko|Schönberg niet overtuigend beschrijft hoe de nieuwe situatie artistiek inhoudelijk zal worden ingevuld. Hierdoor kan de commissie zich geen goede voorstelling maken van de verdergaande samenwerking, die behalve een functionele betekenis nu ook een artistiek-inhoudelijke betekenis krijgt. De voorgestelde werkwijze beoogt één ‘merknaam’ waaronder het repertoire van beide fusiepartners wordt gepresenteerd. Hoe dat zal gebeuren en hoe het specifieke repertoire van de twee ensembles zich vanaf 2009 tot elkaar verhoudt, laat de subsidieaanvraag volgens de commissie ten onrechte in het midden.
De bezielende wijze waarop Reinbert de Leeuw artistiek vorm heeft gegeven aan het Schönberg Ensemble en aan de samenwerkingsprojecten van de twee afzonderlijke ensembles is onmiskenbaar. De commissie vindt het echter bezwaarlijk en onbegrijpelijk dat het beleidsplan niet duidelijk benoemt wie op artistiek gebied het leiderschap en de eindverantwoordelijkheid van het Asko|Schönberg zal vervullen, en op welke wijze. Het beleidsplan maakt melding van een nieuw aan te stellen éénhoofdige directie en het delegeren van de concertprogrammering aan een artistiek leider. In de ogen van de commissie had een duidelijk profiel van deze functies in de aanvraag niet mogen ontbreken. Uit de genoemde projecten en samenwerkingsverbanden komt voor de commissie geen heldere lijn naar voren. In haar ogen laat het ‘nieuwe’ ensemble geen duidelijke artistieke signatuur zien, en ontbreekt een langetermijnvisie op de artistieke ontwikkeling.
Met de oprichting van de György Ligeti Academy wenst het Asko|Schönberg zich te bekommeren om de continuïteit van een unieke hedendaagse muziekpraktijk in Nederland. De commissie vindt echter dat de talentontwikkeling die het Asko|Schönberg hiermee nastreeft, in de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van de kunstvakopleidingen en niet dient te worden bekostigd door gesubsidieerde producerende podiumkunstinstellingen. Verder is de commissie van mening dat uit de aanvraag een uiterst gering gevoel van urgentie met betrekking tot publieksbereik en -ontwikkeling blijkt. Het Asko|Schönberg biedt weliswaar bijzondere educatieve programma’s, maar zeker als het gaat om de positie van het ensemble buiten de standplaats is volgens de commissie een effectief beleid noodzakelijk. Het Asko|Schönberg meldt hierover slechts dat een marketingplan is opgesteld in samenwerking met een gespecialiseerd bureau en dat de uitvoering afhankelijk is van de beschikbare middelen.
Een ander kritiekpunt betreft het cultureel ondernemerschap en de bedrijfsvoering van het Asko|Schönberg. Beide laten volgens de commissie veel te wensen over. Hoewel de geformuleerde ambities lovenswaardig zijn, roept de wijze waarop het Asko|Schönberg deze wil realiseren veel vraagtekens op. Zo wenst het Asko|Schönberg, ook om musici meer te kunnen binden aan het ensemble, een toename van het aantal concerten in en buiten de standplaats. Maar de extra kosten die het ensemble bijvoorbeeld opvoert voor zijn ambitie meer te spelen in het Muziekgebouw aan ’t IJ bedragen gemiddeld € 38.000 per concert. Daarbij zijn de extra kosten voor de huur van repetitieruimte in genoemd gebouw nog niet eens inbegrepen. De extra kosten voor concerten buiten de standplaats zijn gemiddeld € 10.000 per concert, omdat volgens het Asko|Schönberg afnemers steeds minder in staat zijn uitkoop-
sommen te betalen die kostendekkend zijn.
De extra kosten die het Asko|Schönberg begroot om meer te kunnen spelen, getuigen in de ogen van de commissie van een weinig realistische visie op cultureel ondernemerschap. Temeer als in ogenschouw wordt genomen dat de gemiddelde lasten (uitgaande van de begrote 85 activiteiten per jaar) ruim € 50.000 per activiteit bedragen. Volgens de commissie is dit bedrag onwenselijk hoog en in geen verhouding tot de kosten hiervan bij gelijksoortige instellingen, zelfs niet als de aard en omvang van het Asko|Schönberg daarbij in aanmerking wordt genomen. Om de kosten te verlagen, zou het Asko|Schönberg allereerst veel minder verschillende producties moeten willen realiseren. Dat maakt het in de ogen van de commissie ook aannemelijker dat het Asko|Schönberg er daadwerkelijk in zal slagen elke productie ten minste drie keer uit te voeren. Nu constateert de commissie op grond van het beleidsplan dat het ensemble alleen in zijn standplaats al minstens 25 verschillende producties wenst uit te voeren. Dit acht zij niet in verhouding met de betekenis van het Asko|Schönberg voor de muzieksector. De commissie meent dat het ensemble er veel meer dan nu het geval is naar moet streven een beperkter aantal producties veel vaker op verschillende podia in Nederland en daarbuiten uit te voeren. Om die reden adviseert de commissie de subsidie aan het Asko|Schönberg ten opzichte van het huidige bedrag te verlagen.
Ten slotte merkt de commissie op dat het Asko|Schönberg verwacht vanaf 2009 ruim een half miljoen euro aan projectsubsidies en sponsoring te zullen werven. Ten opzichte van 2006 is dat een toename van ruim 900%. Het ensemble heeft in de reactie op het conceptadvies te kennen gegeven dat in 2006 een bedrag van € 300.000 aan eigen inkomsten is gerealiseerd, voor de productie van een cd-box. Dit bedrag blijkt niet uit de door Asko|Schönberg bij de aanvraag gepresenteerde Jaarrekening 2006. Bovendien doet dit argument van het Asko|Schönberg niet af aan de vaststelling dat sprake is van bovenbedoelde toename van 900% aan eigen inkomsten. Een dergelijke toename acht de commissie niet realistisch, temeer daar het ensemble in de aanvraag geen enkel gefundeerd beleid formuleert.
Gezien bovenstaande kritiekpunten acht de commissie het noodzakelijk dat het beleidsplan en de bijbehorende begroting worden herzien.
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit van zowel het Asko Ensemble als het Schönberg Ensemble verwacht de commissie dat hun fusie tot het Asko|Schönberg opnieuw garant staat voor een hoogwaardige spelkwaliteit. De commissie is echter onvoldoende overtuigd van de toegevoegde waarde van het samengaan van deze twee gerespecteerde ensembles. Zo spreken uit het beleidsplan geen duidelijke artistieke visie en leiderschap, en ontbreekt een vertrouwenwekkende toelichting op de artistiek-inhoudelijke samenwerking. Bovendien vindt de commissie het huidige en beoogde cultureel ondernemerschap zeer teleurstellend en weinig realistisch. Daarnaast vormen het zeer hoge aantal producties en de onvoldoende overtuigende inspanning om deze ook buiten de standplaats vaker te herhalen aanleiding voor de commissie een lager dan gevraagd subsidiebedrag te adviseren. De commissie adviseert het Asko|Schönberg op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie vraagt aandacht voor een herziening van het beleidsplan op het gebied van bedrijfsvoering en zakelijk beleid, mede gezien het grote verschil tussen het gevraagde en geadviseerde subsidiebedrag. Daarbij rekent de commissie de activiteiten die voortvloeien uit György Ligeti Academy niet tot de subsidiabele activiteiten.
Asko|Schönberg omschrijft zich als volgt: ‘geen Ensemble, geen Orkest, maar een flexibel apparaat dat in elke gewenste grootte elke gewenste partituur kan spelen, zowel op het podium als in de orkestbak van de muziektheaters’. Met oog voor de historie wordt, zo stelt de instelling, ‘per productie een bezetting samengesteld waarbij van individuele kwaliteiten en ervaring van musici optimaal gebruik wordt gemaakt’. Asko|Schönberg wil ‘hét instituut zijn voor de niet-symfonische 20e- en 21e-eeuwse muziek in al haar facetten: van kamermuziek tot groot bezette werken, van zes tot zestig musici’. De organisatie kent zichzelf ‘een unieke plaats in het Nederlandse muziekleven’ toe. De instelling wil ‘informeren over en staan voor de nieuwe klassieken van de 20e tot en met de nieuwste muziek van de 21e eeuw, op concertpodia, in operahuizen en (muziek)theaters, op scholen en alle andere in aanmerking komende locaties, in op verschillende publieksgroepen afgestemde vormen van concertpresentatie’. Asko|Schönberg wil samenwerking met componisten, belangrijke Nederlandse operagezelschappen en andere Nederlandse kunstinstellingen intensiveren. Door de uitbouw van de in 2007 opgerichte György Ligeti Academy wil de instelling de interesse in en aandacht voor nieuwe muziek bij tweede fase (masterfase) conservatoriumstudenten vergroten. Het Asko|Schönberg wil onder meer ten minste per seizoen 20 concerten realiseren in met name een vijftiental grotere steden in het land, 15 concerten per seizoen in het Muziekgebouw aan ’t IJ, 8 concerten in series in het Concertgebouw. Daarnaast biedt het ensemble aan afnemers in de rest van Nederland ‘op maat samengestelde programma’s’. Het streven is om elk concertprogramma gemiddeld drie keer uit te voeren.
Beide fusiepartners van het Asko|Schönberg, het Asko Ensemble en het Schönberg Ensemble, ontvangen subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Beide fusiepartners hebben incidenteel subsidie ontvangen van het voormalige FAPK.
Naar aanleiding van het beleidsplan is op 9 april 2008 een nadere uitwerking van de begroting opgevraagd bij de aanvragers.
Beoordeling
Zowel het Asko Ensemble als het Schönberg Ensemble, twee zichzelf tot nu toe autonoom presenterende ensembles, kan volgens de commissie bogen op een uitstekende uitvoeringskwaliteit en een onderscheidende programmering. Bezwaarlijk vindt zij echter dat het beleidsplan over hun fusie tot het Asko|Schönberg niet overtuigend beschrijft hoe de nieuwe situatie artistiek inhoudelijk zal worden ingevuld. Hierdoor kan de commissie zich geen goede voorstelling maken van de verdergaande samenwerking, die behalve een functionele betekenis nu ook een artistiek-inhoudelijke betekenis krijgt. De voorgestelde werkwijze beoogt één ‘merknaam’ waaronder het repertoire van beide fusiepartners wordt gepresenteerd. Hoe dat zal gebeuren en hoe het specifieke repertoire van de twee ensembles zich vanaf 2009 tot elkaar verhoudt, laat de subsidieaanvraag volgens de commissie ten onrechte in het midden.
De bezielende wijze waarop Reinbert de Leeuw artistiek vorm heeft gegeven aan het Schönberg Ensemble en aan de samenwerkingsprojecten van de twee afzonderlijke ensembles is onmiskenbaar. De commissie vindt het echter bezwaarlijk en onbegrijpelijk dat het beleidsplan niet duidelijk benoemt wie op artistiek gebied het leiderschap en de eindverantwoordelijkheid van het Asko|Schönberg zal vervullen, en op welke wijze. Het beleidsplan maakt melding van een nieuw aan te stellen éénhoofdige directie en het delegeren van de concertprogrammering aan een artistiek leider. In de ogen van de commissie had een duidelijk profiel van deze functies in de aanvraag niet mogen ontbreken. Uit de genoemde projecten en samenwerkingsverbanden komt voor de commissie geen heldere lijn naar voren. In haar ogen laat het ‘nieuwe’ ensemble geen duidelijke artistieke signatuur zien, en ontbreekt een langetermijnvisie op de artistieke ontwikkeling.
Met de oprichting van de György Ligeti Academy wenst het Asko|Schönberg zich te bekommeren om de continuïteit van een unieke hedendaagse muziekpraktijk in Nederland. De commissie vindt echter dat de talentontwikkeling die het Asko|Schönberg hiermee nastreeft, in de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van de kunstvakopleidingen en niet dient te worden bekostigd door gesubsidieerde producerende podiumkunstinstellingen. Verder is de commissie van mening dat uit de aanvraag een uiterst gering gevoel van urgentie met betrekking tot publieksbereik en -ontwikkeling blijkt. Het Asko|Schönberg biedt weliswaar bijzondere educatieve programma’s, maar zeker als het gaat om de positie van het ensemble buiten de standplaats is volgens de commissie een effectief beleid noodzakelijk. Het Asko|Schönberg meldt hierover slechts dat een marketingplan is opgesteld in samenwerking met een gespecialiseerd bureau en dat de uitvoering afhankelijk is van de beschikbare middelen.
Een ander kritiekpunt betreft het cultureel ondernemerschap en de bedrijfsvoering van het Asko|Schönberg. Beide laten volgens de commissie veel te wensen over. Hoewel de geformuleerde ambities lovenswaardig zijn, roept de wijze waarop het Asko|Schönberg deze wil realiseren veel vraagtekens op. Zo wenst het Asko|Schönberg, ook om musici meer te kunnen binden aan het ensemble, een toename van het aantal concerten in en buiten de standplaats. Maar de extra kosten die het ensemble bijvoorbeeld opvoert voor zijn ambitie meer te spelen in het Muziekgebouw aan ’t IJ bedragen gemiddeld € 38.000 per concert. Daarbij zijn de extra kosten voor de huur van repetitieruimte in genoemd gebouw nog niet eens inbegrepen. De extra kosten voor concerten buiten de standplaats zijn gemiddeld € 10.000 per concert, omdat volgens het Asko|Schönberg afnemers steeds minder in staat zijn uitkoop-
sommen te betalen die kostendekkend zijn.
De extra kosten die het Asko|Schönberg begroot om meer te kunnen spelen, getuigen in de ogen van de commissie van een weinig realistische visie op cultureel ondernemerschap. Temeer als in ogenschouw wordt genomen dat de gemiddelde lasten (uitgaande van de begrote 85 activiteiten per jaar) ruim € 50.000 per activiteit bedragen. Volgens de commissie is dit bedrag onwenselijk hoog en in geen verhouding tot de kosten hiervan bij gelijksoortige instellingen, zelfs niet als de aard en omvang van het Asko|Schönberg daarbij in aanmerking wordt genomen. Om de kosten te verlagen, zou het Asko|Schönberg allereerst veel minder verschillende producties moeten willen realiseren. Dat maakt het in de ogen van de commissie ook aannemelijker dat het Asko|Schönberg er daadwerkelijk in zal slagen elke productie ten minste drie keer uit te voeren. Nu constateert de commissie op grond van het beleidsplan dat het ensemble alleen in zijn standplaats al minstens 25 verschillende producties wenst uit te voeren. Dit acht zij niet in verhouding met de betekenis van het Asko|Schönberg voor de muzieksector. De commissie meent dat het ensemble er veel meer dan nu het geval is naar moet streven een beperkter aantal producties veel vaker op verschillende podia in Nederland en daarbuiten uit te voeren. Om die reden adviseert de commissie de subsidie aan het Asko|Schönberg ten opzichte van het huidige bedrag te verlagen.
Ten slotte merkt de commissie op dat het Asko|Schönberg verwacht vanaf 2009 ruim een half miljoen euro aan projectsubsidies en sponsoring te zullen werven. Ten opzichte van 2006 is dat een toename van ruim 900%. Het ensemble heeft in de reactie op het conceptadvies te kennen gegeven dat in 2006 een bedrag van € 300.000 aan eigen inkomsten is gerealiseerd, voor de productie van een cd-box. Dit bedrag blijkt niet uit de door Asko|Schönberg bij de aanvraag gepresenteerde Jaarrekening 2006. Bovendien doet dit argument van het Asko|Schönberg niet af aan de vaststelling dat sprake is van bovenbedoelde toename van 900% aan eigen inkomsten. Een dergelijke toename acht de commissie niet realistisch, temeer daar het ensemble in de aanvraag geen enkel gefundeerd beleid formuleert.
Gezien bovenstaande kritiekpunten acht de commissie het noodzakelijk dat het beleidsplan en de bijbehorende begroting worden herzien.
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit van zowel het Asko Ensemble als het Schönberg Ensemble verwacht de commissie dat hun fusie tot het Asko|Schönberg opnieuw garant staat voor een hoogwaardige spelkwaliteit. De commissie is echter onvoldoende overtuigd van de toegevoegde waarde van het samengaan van deze twee gerespecteerde ensembles. Zo spreken uit het beleidsplan geen duidelijke artistieke visie en leiderschap, en ontbreekt een vertrouwenwekkende toelichting op de artistiek-inhoudelijke samenwerking. Bovendien vindt de commissie het huidige en beoogde cultureel ondernemerschap zeer teleurstellend en weinig realistisch. Daarnaast vormen het zeer hoge aantal producties en de onvoldoende overtuigende inspanning om deze ook buiten de standplaats vaker te herhalen aanleiding voor de commissie een lager dan gevraagd subsidiebedrag te adviseren. De commissie adviseert het Asko|Schönberg op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie vraagt aandacht voor een herziening van het beleidsplan op het gebied van bedrijfsvoering en zakelijk beleid, mede gezien het grote verschil tussen het gevraagde en geadviseerde subsidiebedrag. Daarbij rekent de commissie de activiteiten die voortvloeien uit György Ligeti Academy niet tot de subsidiabele activiteiten.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 1.155.563,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 1.155.563,- (per jaar)
Coöperatieve Vereniging Onafhankelijk Toneel U.A.
Onafhankelijk Toneel / Opera O.T.
Inleiding
Het Onafhankelijk Toneel / Opera O.T. (O.T.), sinds 1973 gevestigd in Rotterdam, staat onder de artistieke leiding van het driemanschap Gerrit Timmers, Ton Lutgerink en Mirjam Koen en de zakelijke leiding van Corry Prinsen. Ooit begonnen als een experimenteel toneelgezelschap,
brengt O.T. sinds een tiental jaren repertoiretoneel, Arabischtalige voorstellingen, familievoorstellingen, dansvoorstellingen, voorstellingen met jonge amateurs, beeldende voorstellingen en opera. O.T. heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een middelgroot theatergezelschap met een ondersteunend team van 15 vaste medewerkers en een mooi eigen huis: het multifunctionele O.T. Theater met 150-180 zitplaatsen.
O.T. vindt dat de tijd aangebroken is om structureel te investeren in doorstroming. In de nieuwe periode stelt O.T. zich ten doel om zich te profileren als een multidisciplinair tweede stadsgezelschap, met een jong ensemble, dat zoals steeds bij alle activiteiten betrokken wordt, werkend vanuit het eigen huis. Op termijn zou er een opvolger uit het ensemble moeten
voortkomen. O.T. wil een plek zijn met een duidelijk herkenbare identiteit, die openheid, dynamiek, betrokkenheid en toegankelijkheid uitstraalt; een gezelschap en een theaterhuis dat zich qua omvang bevindt tussen de vlakkevloergezelschappen en de grote voorzieningen.
O.T wil zes producties per jaar gaan maken. De theatervoorstellingen spelen thuis of gaan op tournee in de grote(re) zalen van het vlakkevloercircuit en langs schouwburgen. De opera’s gaan op tournee langs schouwburgen. O.T. vraagt € 1.567.414 aan bij het Fonds.
O.T. ontvangt momenteel subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
O.T. wordt geleid door gerespecteerde makers, die regelmatig belangwekkende producties de wereld inbrengen, nog steeds ambitieus zijn en een oprechte interesse tonen in de Arabische
cultuur. De commissie vindt het meerkantige artistieke profiel van het gezelschap interessant
en denkt dat O.T. een goede weg gevonden heeft om zich gedifferentieerd te positioneren en profileren. Het eigen theaterhuis beschouwt zij als een aanwinst voor de lokale en landelijke infrastructuur.
In het beleidsplan 2005-2008 geeft O.T. op heldere en samenhangende wijze zijn toekomstvisie
weer. De commissie juicht het toe dat O.T. zich nadrukkelijker richt op in- en doorstroming,
maar verbaast zich over het feit dat het nieuwe jonge ensemble zonder enige vernoeming van acteurs gelanceerd wordt. Omdat deze beleidswending toch een plotselinge breuk met de geschiedenis van O.T. betekent, is een inhoudelijke motivering wenselijk. Deze wordt node gemist. De artistieke generatiekloof tussen leiding en ensemble, die door deze wending ontstaat, wordt ook niet in relatie gebracht tot een eventueel andere repertoirekeuze
of werkwijze, die de signatuur van het gezelschap mogelijk zal veranderen. De constructie om aan deze wending een opvolgingstraject te koppelen komt op de commissie geforceerd over. Dat het jonge ensemble op basis van de samenstelling en in samenwerking met de afdeling educatie voor de lokale interculturele dwarsverbanden moet gaan zorgen, lijkt een interessant experiment. De commissie vindt dit in het plan echter nog niet concreet uitgewerkt.
Omdat O.T. zich werkelijk wenst te onderscheiden van gezelschappen die inmiddels tot de basisinfrastructuur behoren, of daaraan minstens complementair wil en moet zijn, vindt de commissie het niet raadzaam dat O.T. met boekbewerkingen het schouwburgcircuit opzoekt. Zij geeft dan ook geen prioriteit aan dit beleidsvoornemen. De (inter)nationale activiteiten van Opera O.T. zijn volgens de commissie wel aanvullend; een bijdrage aan de ontwikkeling daarvan acht zij dan ook gerechtvaardigd.
O.T heeft zoals steeds een goed oog voor de ketengedachte: de groep gaat met alle voorstellingen
op tournee, in de diverse circuits en op maat, uitgezonderd de jongerenvoorstellingen en de presentaties van het Amicifestival. De laatste jaren behaalt men goede publiekscijfers; de speellijsten hebben niveau. De activiteiten op het terrein van educatie, randprogrammering
en doelgroepenbeleid wil O.T. in aangepaste vorm ook laten plaatsvinden in de tourneetheaters.
Er is besloten om er een traditie van te maken om het seizoen te openen met het brengen van een reprise van een succes. De commissie ziet hierin genoeg bewijzen voor goed ondernemerschap.
Conclusie en advies
De commissie is enthousiast over het veelkantige artistieke profiel van O.T. en over de kwaliteit
van haar producties. Het beleidsplan schetst een aantal interessante nieuwe wegen die de leiding de komende jaren wil inslaan. Over de invulling van het nieuwe ensemble is de commissie kritisch. Zij geeft geen prioriteit aan de plannen voor de grote zaal omdat zij deze te weinig complementair acht aan wat zich in de basisinfrastructuur ontwikkelt. Wel acht zij een financiële impuls voor de opera-ambities gerechtvaardigd. De commissie adviseert om O.T. op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Onafhankelijk Toneel / Opera O.T. (O.T.), sinds 1973 gevestigd in Rotterdam, staat onder de artistieke leiding van het driemanschap Gerrit Timmers, Ton Lutgerink en Mirjam Koen en de zakelijke leiding van Corry Prinsen. Ooit begonnen als een experimenteel toneelgezelschap,
brengt O.T. sinds een tiental jaren repertoiretoneel, Arabischtalige voorstellingen, familievoorstellingen, dansvoorstellingen, voorstellingen met jonge amateurs, beeldende voorstellingen en opera. O.T. heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een middelgroot theatergezelschap met een ondersteunend team van 15 vaste medewerkers en een mooi eigen huis: het multifunctionele O.T. Theater met 150-180 zitplaatsen.
O.T. vindt dat de tijd aangebroken is om structureel te investeren in doorstroming. In de nieuwe periode stelt O.T. zich ten doel om zich te profileren als een multidisciplinair tweede stadsgezelschap, met een jong ensemble, dat zoals steeds bij alle activiteiten betrokken wordt, werkend vanuit het eigen huis. Op termijn zou er een opvolger uit het ensemble moeten
voortkomen. O.T. wil een plek zijn met een duidelijk herkenbare identiteit, die openheid, dynamiek, betrokkenheid en toegankelijkheid uitstraalt; een gezelschap en een theaterhuis dat zich qua omvang bevindt tussen de vlakkevloergezelschappen en de grote voorzieningen.
O.T wil zes producties per jaar gaan maken. De theatervoorstellingen spelen thuis of gaan op tournee in de grote(re) zalen van het vlakkevloercircuit en langs schouwburgen. De opera’s gaan op tournee langs schouwburgen. O.T. vraagt € 1.567.414 aan bij het Fonds.
O.T. ontvangt momenteel subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
O.T. wordt geleid door gerespecteerde makers, die regelmatig belangwekkende producties de wereld inbrengen, nog steeds ambitieus zijn en een oprechte interesse tonen in de Arabische
cultuur. De commissie vindt het meerkantige artistieke profiel van het gezelschap interessant
en denkt dat O.T. een goede weg gevonden heeft om zich gedifferentieerd te positioneren en profileren. Het eigen theaterhuis beschouwt zij als een aanwinst voor de lokale en landelijke infrastructuur.
In het beleidsplan 2005-2008 geeft O.T. op heldere en samenhangende wijze zijn toekomstvisie
weer. De commissie juicht het toe dat O.T. zich nadrukkelijker richt op in- en doorstroming,
maar verbaast zich over het feit dat het nieuwe jonge ensemble zonder enige vernoeming van acteurs gelanceerd wordt. Omdat deze beleidswending toch een plotselinge breuk met de geschiedenis van O.T. betekent, is een inhoudelijke motivering wenselijk. Deze wordt node gemist. De artistieke generatiekloof tussen leiding en ensemble, die door deze wending ontstaat, wordt ook niet in relatie gebracht tot een eventueel andere repertoirekeuze
of werkwijze, die de signatuur van het gezelschap mogelijk zal veranderen. De constructie om aan deze wending een opvolgingstraject te koppelen komt op de commissie geforceerd over. Dat het jonge ensemble op basis van de samenstelling en in samenwerking met de afdeling educatie voor de lokale interculturele dwarsverbanden moet gaan zorgen, lijkt een interessant experiment. De commissie vindt dit in het plan echter nog niet concreet uitgewerkt.
Omdat O.T. zich werkelijk wenst te onderscheiden van gezelschappen die inmiddels tot de basisinfrastructuur behoren, of daaraan minstens complementair wil en moet zijn, vindt de commissie het niet raadzaam dat O.T. met boekbewerkingen het schouwburgcircuit opzoekt. Zij geeft dan ook geen prioriteit aan dit beleidsvoornemen. De (inter)nationale activiteiten van Opera O.T. zijn volgens de commissie wel aanvullend; een bijdrage aan de ontwikkeling daarvan acht zij dan ook gerechtvaardigd.
O.T heeft zoals steeds een goed oog voor de ketengedachte: de groep gaat met alle voorstellingen
op tournee, in de diverse circuits en op maat, uitgezonderd de jongerenvoorstellingen en de presentaties van het Amicifestival. De laatste jaren behaalt men goede publiekscijfers; de speellijsten hebben niveau. De activiteiten op het terrein van educatie, randprogrammering
en doelgroepenbeleid wil O.T. in aangepaste vorm ook laten plaatsvinden in de tourneetheaters.
Er is besloten om er een traditie van te maken om het seizoen te openen met het brengen van een reprise van een succes. De commissie ziet hierin genoeg bewijzen voor goed ondernemerschap.
Conclusie en advies
De commissie is enthousiast over het veelkantige artistieke profiel van O.T. en over de kwaliteit
van haar producties. Het beleidsplan schetst een aantal interessante nieuwe wegen die de leiding de komende jaren wil inslaan. Over de invulling van het nieuwe ensemble is de commissie kritisch. Zij geeft geen prioriteit aan de plannen voor de grote zaal omdat zij deze te weinig complementair acht aan wat zich in de basisinfrastructuur ontwikkelt. Wel acht zij een financiële impuls voor de opera-ambities gerechtvaardigd. De commissie adviseert om O.T. op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 1.260.702,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 1.260.702,- (per jaar)
Female Economy
Inleiding
Female Economy is twee jaar geleden opgericht door theatermaker Adelheid Roosen en zakelijk leider Mieke Baars. Adelheid Roosen maakt actueel theater over de relatie tussen de Nederlandse (westerse) cultuur en die van de niet-westerse, veelal moslimcultuur. Het bekendste werk van haar hand is de ‘Gesluierde Monologen’. Deze voorstelling heeft landelijk
maar ook internationaal veel aandacht gekregen en werd, verspreid over verschillende werelddelen, in het Engels, Turks, Frans en Duits gespeeld. Het doel van Adelheid Roosen is het publiek zijn perceptie te doen kantelen en te laten kijken via een andere invalshoek. “Ik wil dat het westen niet alleen haar eigen kennis en producten over de wereld verspreidt, ik wil dat het westen ook het Arabische, het Turkse en Koerdische ontvangt.” Verder is Adelheid
Roosen initiator en eindredacteur van het Zina Platform, een ‘Kunst en Cultuur Platform
voor Zachtmoedige Confrontatie van het Dagelijkse soms Rauwe maar Wonderschone Leven’. Thema’s in het werk van Female Economy zijn: identiteit, religie, traditie en cultuur. Alle projecten worden gemaakt en gespeeld door een combinatie van amateurs en professionals,
van Nederlanders en moslim-Nederlanders, soms aangevuld met een ‘gastspeler’ zoals Ayaan Hirsi Ali of Naema Tahir.
Adelheid Roosen wil met Female Economy de komende periode doorgaan op dezelfde weg, in dialoog met de moslim-Nederlander: “Research doen. Voorstellingen en concepten ontwikkelen.
In fel, intens contact met de migranten. Instant. Uitgaand van de noodzakelijk in het moment, met dat, wat natuurlijk voor handen is. […] Reagerend op mijn instinct. Achtervolgend
wat er gebeurt in de wijken.” Zij geeft aan niet te kunnen voorspellen wat ze gaat maken over twee jaar, omdat dat afhankelijk is van de ontwikkelingen in de maatschappij.
Op het programma staan in ieder geval een Turks-Koerdisch Concert, een toneelvoorstelling over de inburgering van een westerling in de Arabische gemeenschap in Nederland, een project over reinigingsprincipes, een film, een performance-evenement en voorstellingen op maat, gebaseerd op reeds gemaakte voorstellingen.
In 2008 is Female Economy een alliantie aangegaan met Toneelgroep Amsterdam. Dankzij zakelijke en publicitaire diensten van dat gezelschap kan Female Economy haar artistieke medewerkers arrangeren.
Female Economy vraagt € 447.047 subsidie aan het Fonds.
Female Economy heeft geen subsidie aangevraagd in het kader van de Cultuurnota
2005-2008.
Adelheid Roosen is in de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Female Economy geeft blijk van een intense urgentie om haar voorstellingen en alle daaraan
gelieerde activiteiten te ontplooien, omdat zij de noodzaak ervan voor de samenleving hoog acht en omdat zij hierin een persoonlijk getinte verantwoordelijkheid neemt. De behoefte aan dit soort engagement is evident, niet alleen in Nederland maar ook internationaal.
Kunst wordt door Female Economy direct teruggekoppeld naar de maatschappij en herbevestigt zo een deel van haar functie en relevantie.
De commissie is overtuigd van Female Economy. De voorstellingen ‘Gesluierde Monologen’ en ‘Is.man’ spreken tot de verbeelding, zijn vakkundig gemaakt en getuigen van oorspronkelijkheid
en noodzaak. Adelheid Roosen heeft via Female Economy een belangwekkende positie verworven in het theaterlandschap. Zij heeft een eigen ’toon’ ontwikkeld waarmee ze een breed publiek weet te bereiken, zowel ‘wit’ Hollands als Marrokaans en Turks. Mede door haar landelijke bekendheid weet ze veel (media)aandacht te genereren voor haar
actueel maatschappelijke en relevante onderwerpen.
Roosen bereikt met Female Economy een nieuw cultureel divers publiek, niet alleen als toeschouwer
in de zaal, maar ook als participant in het onderzoeksproces, in de maakfase en tijdens de discussies en aanverwante activiteiten.
De theaters zien bij de voorstellingen van Female Economy nieuw publiek binnen komen. De commissie stelt dan ook vast dat Female Economy de spreiding van de Nederlandse podiumkunsten verbreedt. Veel van de voorstellingen van het gezelschap worden gespeeld in niet-theatrale omgevingen: moskeeën, buurthuizen, blijf-van-mijn-lijfhuizen, gevangenissen,
op congressen, maar ook gewoon in de (kleinere) theaters en op theaterfestivals, zowel nationaal als internationaal.
Female Economy wil inhoudelijk voort op de ingeslagen weg, maar heeft een professionaliseringsslag
te maken op het gebied van productie en bedrijfsvoering.
De commissie ziet in de veelheid en verscheidenheid van activiteiten ook enig risico. Female Economy zal de komende jaren haar evenwicht moeten zien te vinden in de verdeling van energie. De commissie is van mening dat Female Economy juist vanwege de grote arbeidsintensiviteit
wellicht iets minder hooi op de vork zou moeten nemen.
Wat betreft de verdeling van middelen valt het de commissie op dat het Turks-Koerdisch Concert onevenredig veel beslag legt op het budget.
Conclusie en advies
De commissie acht Female Economy een aanwinst voor het theaterbestel. De groep heeft kwaliteit en maakt geëngageerd actueel theater over onderwerpen die het maatschappelijke debat bepalen en aandacht verdienen. Female Economy boort nieuwe onderwerpen en
vormen aan die nog niet of niet voldoende structureel vertegenwoordigd zijn in het huidige theateraanbod. Zij bereikt daarmee bovendien een aanzienlijk en nieuw publiek van zeer diverse samenstelling. Daarom adviseert de commissie Female Economy op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Female Economy is twee jaar geleden opgericht door theatermaker Adelheid Roosen en zakelijk leider Mieke Baars. Adelheid Roosen maakt actueel theater over de relatie tussen de Nederlandse (westerse) cultuur en die van de niet-westerse, veelal moslimcultuur. Het bekendste werk van haar hand is de ‘Gesluierde Monologen’. Deze voorstelling heeft landelijk
maar ook internationaal veel aandacht gekregen en werd, verspreid over verschillende werelddelen, in het Engels, Turks, Frans en Duits gespeeld. Het doel van Adelheid Roosen is het publiek zijn perceptie te doen kantelen en te laten kijken via een andere invalshoek. “Ik wil dat het westen niet alleen haar eigen kennis en producten over de wereld verspreidt, ik wil dat het westen ook het Arabische, het Turkse en Koerdische ontvangt.” Verder is Adelheid
Roosen initiator en eindredacteur van het Zina Platform, een ‘Kunst en Cultuur Platform
voor Zachtmoedige Confrontatie van het Dagelijkse soms Rauwe maar Wonderschone Leven’. Thema’s in het werk van Female Economy zijn: identiteit, religie, traditie en cultuur. Alle projecten worden gemaakt en gespeeld door een combinatie van amateurs en professionals,
van Nederlanders en moslim-Nederlanders, soms aangevuld met een ‘gastspeler’ zoals Ayaan Hirsi Ali of Naema Tahir.
Adelheid Roosen wil met Female Economy de komende periode doorgaan op dezelfde weg, in dialoog met de moslim-Nederlander: “Research doen. Voorstellingen en concepten ontwikkelen.
In fel, intens contact met de migranten. Instant. Uitgaand van de noodzakelijk in het moment, met dat, wat natuurlijk voor handen is. […] Reagerend op mijn instinct. Achtervolgend
wat er gebeurt in de wijken.” Zij geeft aan niet te kunnen voorspellen wat ze gaat maken over twee jaar, omdat dat afhankelijk is van de ontwikkelingen in de maatschappij.
Op het programma staan in ieder geval een Turks-Koerdisch Concert, een toneelvoorstelling over de inburgering van een westerling in de Arabische gemeenschap in Nederland, een project over reinigingsprincipes, een film, een performance-evenement en voorstellingen op maat, gebaseerd op reeds gemaakte voorstellingen.
In 2008 is Female Economy een alliantie aangegaan met Toneelgroep Amsterdam. Dankzij zakelijke en publicitaire diensten van dat gezelschap kan Female Economy haar artistieke medewerkers arrangeren.
Female Economy vraagt € 447.047 subsidie aan het Fonds.
Female Economy heeft geen subsidie aangevraagd in het kader van de Cultuurnota
2005-2008.
Adelheid Roosen is in de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Female Economy geeft blijk van een intense urgentie om haar voorstellingen en alle daaraan
gelieerde activiteiten te ontplooien, omdat zij de noodzaak ervan voor de samenleving hoog acht en omdat zij hierin een persoonlijk getinte verantwoordelijkheid neemt. De behoefte aan dit soort engagement is evident, niet alleen in Nederland maar ook internationaal.
Kunst wordt door Female Economy direct teruggekoppeld naar de maatschappij en herbevestigt zo een deel van haar functie en relevantie.
De commissie is overtuigd van Female Economy. De voorstellingen ‘Gesluierde Monologen’ en ‘Is.man’ spreken tot de verbeelding, zijn vakkundig gemaakt en getuigen van oorspronkelijkheid
en noodzaak. Adelheid Roosen heeft via Female Economy een belangwekkende positie verworven in het theaterlandschap. Zij heeft een eigen ’toon’ ontwikkeld waarmee ze een breed publiek weet te bereiken, zowel ‘wit’ Hollands als Marrokaans en Turks. Mede door haar landelijke bekendheid weet ze veel (media)aandacht te genereren voor haar
actueel maatschappelijke en relevante onderwerpen.
Roosen bereikt met Female Economy een nieuw cultureel divers publiek, niet alleen als toeschouwer
in de zaal, maar ook als participant in het onderzoeksproces, in de maakfase en tijdens de discussies en aanverwante activiteiten.
De theaters zien bij de voorstellingen van Female Economy nieuw publiek binnen komen. De commissie stelt dan ook vast dat Female Economy de spreiding van de Nederlandse podiumkunsten verbreedt. Veel van de voorstellingen van het gezelschap worden gespeeld in niet-theatrale omgevingen: moskeeën, buurthuizen, blijf-van-mijn-lijfhuizen, gevangenissen,
op congressen, maar ook gewoon in de (kleinere) theaters en op theaterfestivals, zowel nationaal als internationaal.
Female Economy wil inhoudelijk voort op de ingeslagen weg, maar heeft een professionaliseringsslag
te maken op het gebied van productie en bedrijfsvoering.
De commissie ziet in de veelheid en verscheidenheid van activiteiten ook enig risico. Female Economy zal de komende jaren haar evenwicht moeten zien te vinden in de verdeling van energie. De commissie is van mening dat Female Economy juist vanwege de grote arbeidsintensiviteit
wellicht iets minder hooi op de vork zou moeten nemen.
Wat betreft de verdeling van middelen valt het de commissie op dat het Turks-Koerdisch Concert onevenredig veel beslag legt op het budget.
Conclusie en advies
De commissie acht Female Economy een aanwinst voor het theaterbestel. De groep heeft kwaliteit en maakt geëngageerd actueel theater over onderwerpen die het maatschappelijke debat bepalen en aandacht verdienen. Female Economy boort nieuwe onderwerpen en
vormen aan die nog niet of niet voldoende structureel vertegenwoordigd zijn in het huidige theateraanbod. Zij bereikt daarmee bovendien een aanzienlijk en nieuw publiek van zeer diverse samenstelling. Daarom adviseert de commissie Female Economy op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 367.503,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 367.503,- (per jaar)
Het Internationaal Danstheater
Inleiding
Het Internationaal Danstheater (IDT) uit Amsterdam neemt folkloredans uit de hele wereld als uitgangspunt voor zijn producties. Het repertoire van het gezelschap is daarmee naar eigen zeggen uniek voor Nederland en Europa. Het IDT werkt met een vast ensemble van dansers en een kleine kern van musici in vaste dienst. Het gezelschap bestaat in 2011 vijftig jaar.
Volgens het beleidsplan maakt het IDT voorstellingen voor een breed publiek, ‘waarbij de theatrale, eigentijdse thematische vormgeving, met aandacht voor authenticiteit in dans, muziek en aankleding, van zowel traditionele als van nieuw ontstane (volks)dansvormen uit de hele wereld centraal staat’. Op die manier wil het gezelschap een brug slaan tussen de culturen van verschillende bevolkingsgroepen en begrip en respect kweken voor mensen en tradities die een andere achtergrond hebben. Vanuit deze doelstelling richt het IDT zich met ‘Het Internationaal Danstheater voor de Jeugd’ (het tweede gezelschap van de instelling) specifiek op kinderen en jongeren. Het beleidsplan vermeldt dat het bereiken (en onderwijzen)
van kinderen een centrale plek heeft in het beleid van het IDT.
In de periode 2009-2012 wil het IDT zich richten op de continuering van het tot dusver gevoerde beleid. Om de continuïteit van het artistieke beleid te waarborgen zet het gezelschap
de komende jaren stappen om een opvolger te vinden voor de huidige artistiek leider Maurits van Geel. Het IDT wil jaarlijks minstens één avondvullende productie uitbrengen, die in Amsterdam in première gaat en in het hele land te zien is. Voor de jeugd wil het gezelschap
ook één nieuwe productie per jaar realiseren, die zowel in theaters als op scholen gespeeld wordt. Met deze producties wil het gezelschap 200 voorstellingen per jaar realiseren
en 65.000 bezoekers trekken: 80 avondvullende publieksvoorstellingen met gemiddeld 465 bezoekers en 100 jeugdvoorstellingen met gemiddeld 270 bezoekers.
Het IDT hecht veel belang aan de spreiding van de voorstellingen over het hele land en het vergroten van zijn publiek. In de komende jaren wil het IDT zijn marketingafdeling versterken
om daarnaast ook actiever te werken aan de afzet van het werk in het buitenland, met name in België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Vanuit zijn jeugdactiviteiten
wil het IDT de komende jaren daarnaast een bijdrage leveren aan de ontwikkeling en opbouw van een ‘stevig, samenhangend en veelzijdig jeugddansbestel.
Naast het uitbrengen van producties wil het IDT zich tevens (blijven) richten op zijn contacten
met het amateurveld, die onder andere bestaan uit advisering, bemiddeling en het uitlenen
van kostuums. Ook zijn er contacten gelegd met het World Music and Dance Centre (WMDC) in Rotterdam, waarbij de mogelijkheid wordt onderzocht om samen projecten te realiseren die de, veelal allochtone, cursisten en kunstenaars van WMDC een mogelijkheid bieden om zich verder te ontwikkelen. Naast de reguliere school- en theatervoorstellingen wil het IDT op commerciële basis activiteiten ontwikkelen en afzetten. Volgens het gezelschap
kan dit een aantrekkelijke bron van inkomsten vormen en wordt hiermee een nieuw publiek bereikt.
Traditionele kostuums uit de hele wereld vormen volgens het IDT een essentieel onderdeel van de meeste producties. In het beleidsplan wordt gesteld dat het gezelschap onvoldoende middelen heeft om zijn jaarlijks groeiende collectie van kostuums, waarvan het een deel beschouwt als werelderfgoed, zorgvuldig te beheren.
Het IDT wordt gesubsidieerd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Het IDT bekleedt volgens de commissie een unieke positie in het Nederlandse dansbestel. Het is het enige gezelschap dat zich richt op ‘folkloristische dans van over de hele wereld’, hoewel de commissie in dit verband liever spreekt van ‘werelddans gebaseerd op traditie’.
Het IDT is goed uitgerust voor zijn taak en heeft de beschikking over een omvangrijk ensemble van goede dansers. De laagdrempelige en kwalitatief goed verzorgde voorstellingen
brengen volgens de commissie vooral een groot, autochtoon publiek in aanraking met een breed begrip van dans. De voorstellingen van het jeugdgezelschap vormen voor een grote,
cultureel gemêleerde groep kinderen een aansprekende eerste kennismaking met dans en het theater.
De commissie plaatst evenwel kanttekeningen bij de zeggingskracht van het repertoire van het IDT. Dit wordt bij tijd en wijle gekenmerkt door een potpourri van stijlen met een gebrek aan dramatische samenhang. Daarnaast roept de manier waarop het IDT traditionele folkloredans
‘verpakt’ in een, naar eigen zeggen, ‘eigentijdse, thematische vormgeving’ vragen op. Deze leunt volgens de commissie op een nogal gedateerde en eenzijdige opvatting over het tonen van dansvormen uit andere culturen, zonder dat daarbij sprake is van een interessante
vertaling naar de wereld van vandaag. Kortgezegd ontbeert het IDT een visie op traditie en vernieuwing van dans buiten het eigen cultuurterrein in een theatraal concept. Daarbij wordt het onderzoek van het gezelschap te weinig vertaald naar een meer gelaagde, eigentijdse
danscultuur.
De commissie heeft de functie en positie die het gezelschap inneemt in het hedendaagse danslandschap kritisch beschouwd. Zij stelt vast dat de publieksfunctie van het IDT onbetwist
is, gezien de grote en trouwe eigen achterban, die blijkens het plan ook nog groeit, en een aanzienlijk aandeel bezoekers dat verder weinig naar dans gaat. Voor de diversiteit van het landschap en de beeldvorming van dans in het algemeen, is het IDT daarmee van grote betekenis.
Gezien zijn doelstelling zou het IDT volgens de commissie feitelijk een voortrekkersfunctie dienen te vervullen op het gebied van culturele diversiteit. Zij constateert echter dat het gezelschap zijn ambities op dit gebied in de praktijk nog onvoldoende weet waar te maken. De plannen voor de periode 2009-2012 zijn in dit opzicht weinig specifiek; noch op artistiek-inhoudelijk gebied, noch op het gebied van marketing en publieksbereik. Het feit dat het IDT zich in dit opzicht uitsluitend vergelijkt met andere Nederlandse gezelschappen en daarbij niet over de landsgrenzen heen kijkt is in de ogen van de commissie te gemakkelijk.
Dat geldt wat de commissie betreft nog meer voor de verbinding met makers en dansers van niet-westerse afkomst, en met eigentijdse (internationale) ontwikkelingen vanuit niet-westerse
dansvormen en cross-overs. Het gezelschap zou in dit opzicht een stimulerende en ontwikkelende rol kunnen vervullen, door te investeren in het onderzoek naar eigentijdse dansvormen die gebaseerd zijn op traditie. Hierdoor kan volgens de commissie een betere verbinding ontstaan met een breed en tegelijkertijd meer cultureel divers Nederlands publiek. Het IDT heeft hierdoor de mogelijkheid om zich op een uitzonderlijke manier te profileren in zowel nationale als internationale zin.
De commissie heeft waardering voor het feit dat het IDT met zijn jeugdgezelschap veel voorstellingen speelt en daarbij grote groepen jongeren bereikt. Desondanks vindt zij het jammer dat in het beleidsplan 2009-2012 geen overtuigende artistiek-inhoudelijke verbinding
wordt uitgewerkt tussen Het Internationaal Danstheater voor de Jeugd en het reguliere gezelschap. Daarnaast ontbreekt in het plan een heldere uitwerking van de doelstellingen die het gezelschap heeft op het gebied van zijn jeugdvoorstellingen en educatie.
Het beleidsplan geeft naar de mening van de commissie weinig houvast voor toekomstige producties en daaraan verbonden publieksstrategieën. Behalve het noemen van een aantal voorbeelden, wordt hierover weinig concreets gemeld. Hoewel het IDT zegt zijn marketinginspanningen
verder te willen versterken om de bezoekcijfers verder te verhogen, gaat het beleidsplan op dit gebied niet verder dan het noemen van het belang van publieksonderzoek
in de komende jaren en de samenwerking met de Collectieve Danspromotie. Voor een organisatie met een marktpositie als het IDT vindt de commissie dit een weinig ondernemende
houding.
Hetzelfde geldt volgens de commissie voor de internationale ambities van het IDT. Hoewel het gezelschap te kennen geeft het spelen op buitenlandse podia van groot belang te vinden, wordt hiervoor geen gemotiveerd, specifiek internationaal beleid overlegd. Een plan van aanpak voor de gewenste uitbreiding van 1,5 fte voor onder meer de versterking van het internationale beleid ontbreekt.
Gezien de kwaliteit en de commerciële waarde van de laagdrempelige voorstellingen waarmee
het IDT een aanzienlijk publiek weet te bereiken, vindt de commissie het onbegrijpelijk dat de instelling zich in de afgelopen jaren niet meer moeite heeft getroost om minder afhankelijk te worden van uitsluitend rijkssubsidiëring. Ook uit de begroting voor 2009-2012 spreekt weinig financiële ambitie Een gezelschap dat zich in zijn beleidsplan profileert met hoge bezoekcijfers en een gemiddelde zaalbezetting van 76%, zou er naar de mening van de commissie tenminste in moeten slagen om 20% cultuurprofijt te realiseren.
Meer ambitie en ondernemerschap van de zijde van het IDT zouden volgens de commissie in dit verband kunnen leiden tot het zelfstandig kunnen opvangen van de wensen als het gaat om het op peil houden van het dansersensemble, de versterking van het internationale beleid, de uitbreiding van de ondersteunende afdelingen en de kostuumerfgoedfunctie.
Op grond van het bovenstaande acht de commissie huidige subsidievolume van het IDT niet langer in verhouding staan tot de zeggingskracht van het repertoire en de weinig ondernemende
houding van het gezelschap.
Conclusie en advies
Het IDT bekleedt met zijn gerichtheid op werelddans gebaseerd op traditie volgens de commissie
een unieke positie in het Nederlandse dansbestel. Met zijn laagdrempelige en kwalitatief
goed verzorgde voorstellingen weet het gezelschap een groot publiek te bereiken. De voorstellingen van het jeugdgezelschap van het IDT vormen voor een grote, cultureel gemêleerde
groep kinderen een aansprekende eerste kennismaking met dans en het theater. Voor de diversiteit van het landschap en de beeldvorming van dans in het algemeen, is het IDT daarmee van grote betekenis.
De commissie plaatst evenwel kanttekeningen bij de artistieke zeggingskracht van het IDT, die naar haar mening een heldere, gelaagde eigentijdse visie op de dans van buiten het eigen cultuurgebied ontbeert.
Gezien zijn doelstelling zou het IDT volgens de commissie een voortrekkersfunctie dienen te vervullen op het gebied van culturele diversiteit. Zij constateert echter dat het gezelschap zijn ambities op dit gebied in de praktijk nog te weinig weet waar te maken en onvoldoende aansluiting vindt bij het nationale en internationale debat over traditie en vernieuwing met betrekking tot dansvormen buiten de eigen entiteit. Vooral in het geval van niet-westerse dansvormen zou er naar haar mening een actuele aanpak van theatraliteit op het gebied van dans en muziek ontwikkeld kunnen worden.
Op grond van het bovenstaande ziet de commissie voldoende aanknopingspunten om deze aanvraag in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 ter honorering voor te dragen. Op basis van de resultaten van het gezelschap tot nu toe op het gebied van zeggingskracht en ondernemerschap, adviseert zij om voor een periode van twee jaar een bedrag van maximaal € 2.700.000 te verlenen en de subsidie voor de jaren daarna vooralsnog te reserveren, in afwachting van een herzien plan en concrete resultaten, met inachtneming van het bovenstaande.
Het Internationaal Danstheater (IDT) uit Amsterdam neemt folkloredans uit de hele wereld als uitgangspunt voor zijn producties. Het repertoire van het gezelschap is daarmee naar eigen zeggen uniek voor Nederland en Europa. Het IDT werkt met een vast ensemble van dansers en een kleine kern van musici in vaste dienst. Het gezelschap bestaat in 2011 vijftig jaar.
Volgens het beleidsplan maakt het IDT voorstellingen voor een breed publiek, ‘waarbij de theatrale, eigentijdse thematische vormgeving, met aandacht voor authenticiteit in dans, muziek en aankleding, van zowel traditionele als van nieuw ontstane (volks)dansvormen uit de hele wereld centraal staat’. Op die manier wil het gezelschap een brug slaan tussen de culturen van verschillende bevolkingsgroepen en begrip en respect kweken voor mensen en tradities die een andere achtergrond hebben. Vanuit deze doelstelling richt het IDT zich met ‘Het Internationaal Danstheater voor de Jeugd’ (het tweede gezelschap van de instelling) specifiek op kinderen en jongeren. Het beleidsplan vermeldt dat het bereiken (en onderwijzen)
van kinderen een centrale plek heeft in het beleid van het IDT.
In de periode 2009-2012 wil het IDT zich richten op de continuering van het tot dusver gevoerde beleid. Om de continuïteit van het artistieke beleid te waarborgen zet het gezelschap
de komende jaren stappen om een opvolger te vinden voor de huidige artistiek leider Maurits van Geel. Het IDT wil jaarlijks minstens één avondvullende productie uitbrengen, die in Amsterdam in première gaat en in het hele land te zien is. Voor de jeugd wil het gezelschap
ook één nieuwe productie per jaar realiseren, die zowel in theaters als op scholen gespeeld wordt. Met deze producties wil het gezelschap 200 voorstellingen per jaar realiseren
en 65.000 bezoekers trekken: 80 avondvullende publieksvoorstellingen met gemiddeld 465 bezoekers en 100 jeugdvoorstellingen met gemiddeld 270 bezoekers.
Het IDT hecht veel belang aan de spreiding van de voorstellingen over het hele land en het vergroten van zijn publiek. In de komende jaren wil het IDT zijn marketingafdeling versterken
om daarnaast ook actiever te werken aan de afzet van het werk in het buitenland, met name in België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Vanuit zijn jeugdactiviteiten
wil het IDT de komende jaren daarnaast een bijdrage leveren aan de ontwikkeling en opbouw van een ‘stevig, samenhangend en veelzijdig jeugddansbestel.
Naast het uitbrengen van producties wil het IDT zich tevens (blijven) richten op zijn contacten
met het amateurveld, die onder andere bestaan uit advisering, bemiddeling en het uitlenen
van kostuums. Ook zijn er contacten gelegd met het World Music and Dance Centre (WMDC) in Rotterdam, waarbij de mogelijkheid wordt onderzocht om samen projecten te realiseren die de, veelal allochtone, cursisten en kunstenaars van WMDC een mogelijkheid bieden om zich verder te ontwikkelen. Naast de reguliere school- en theatervoorstellingen wil het IDT op commerciële basis activiteiten ontwikkelen en afzetten. Volgens het gezelschap
kan dit een aantrekkelijke bron van inkomsten vormen en wordt hiermee een nieuw publiek bereikt.
Traditionele kostuums uit de hele wereld vormen volgens het IDT een essentieel onderdeel van de meeste producties. In het beleidsplan wordt gesteld dat het gezelschap onvoldoende middelen heeft om zijn jaarlijks groeiende collectie van kostuums, waarvan het een deel beschouwt als werelderfgoed, zorgvuldig te beheren.
Het IDT wordt gesubsidieerd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Het IDT bekleedt volgens de commissie een unieke positie in het Nederlandse dansbestel. Het is het enige gezelschap dat zich richt op ‘folkloristische dans van over de hele wereld’, hoewel de commissie in dit verband liever spreekt van ‘werelddans gebaseerd op traditie’.
Het IDT is goed uitgerust voor zijn taak en heeft de beschikking over een omvangrijk ensemble van goede dansers. De laagdrempelige en kwalitatief goed verzorgde voorstellingen
brengen volgens de commissie vooral een groot, autochtoon publiek in aanraking met een breed begrip van dans. De voorstellingen van het jeugdgezelschap vormen voor een grote,
cultureel gemêleerde groep kinderen een aansprekende eerste kennismaking met dans en het theater.
De commissie plaatst evenwel kanttekeningen bij de zeggingskracht van het repertoire van het IDT. Dit wordt bij tijd en wijle gekenmerkt door een potpourri van stijlen met een gebrek aan dramatische samenhang. Daarnaast roept de manier waarop het IDT traditionele folkloredans
‘verpakt’ in een, naar eigen zeggen, ‘eigentijdse, thematische vormgeving’ vragen op. Deze leunt volgens de commissie op een nogal gedateerde en eenzijdige opvatting over het tonen van dansvormen uit andere culturen, zonder dat daarbij sprake is van een interessante
vertaling naar de wereld van vandaag. Kortgezegd ontbeert het IDT een visie op traditie en vernieuwing van dans buiten het eigen cultuurterrein in een theatraal concept. Daarbij wordt het onderzoek van het gezelschap te weinig vertaald naar een meer gelaagde, eigentijdse
danscultuur.
De commissie heeft de functie en positie die het gezelschap inneemt in het hedendaagse danslandschap kritisch beschouwd. Zij stelt vast dat de publieksfunctie van het IDT onbetwist
is, gezien de grote en trouwe eigen achterban, die blijkens het plan ook nog groeit, en een aanzienlijk aandeel bezoekers dat verder weinig naar dans gaat. Voor de diversiteit van het landschap en de beeldvorming van dans in het algemeen, is het IDT daarmee van grote betekenis.
Gezien zijn doelstelling zou het IDT volgens de commissie feitelijk een voortrekkersfunctie dienen te vervullen op het gebied van culturele diversiteit. Zij constateert echter dat het gezelschap zijn ambities op dit gebied in de praktijk nog onvoldoende weet waar te maken. De plannen voor de periode 2009-2012 zijn in dit opzicht weinig specifiek; noch op artistiek-inhoudelijk gebied, noch op het gebied van marketing en publieksbereik. Het feit dat het IDT zich in dit opzicht uitsluitend vergelijkt met andere Nederlandse gezelschappen en daarbij niet over de landsgrenzen heen kijkt is in de ogen van de commissie te gemakkelijk.
Dat geldt wat de commissie betreft nog meer voor de verbinding met makers en dansers van niet-westerse afkomst, en met eigentijdse (internationale) ontwikkelingen vanuit niet-westerse
dansvormen en cross-overs. Het gezelschap zou in dit opzicht een stimulerende en ontwikkelende rol kunnen vervullen, door te investeren in het onderzoek naar eigentijdse dansvormen die gebaseerd zijn op traditie. Hierdoor kan volgens de commissie een betere verbinding ontstaan met een breed en tegelijkertijd meer cultureel divers Nederlands publiek. Het IDT heeft hierdoor de mogelijkheid om zich op een uitzonderlijke manier te profileren in zowel nationale als internationale zin.
De commissie heeft waardering voor het feit dat het IDT met zijn jeugdgezelschap veel voorstellingen speelt en daarbij grote groepen jongeren bereikt. Desondanks vindt zij het jammer dat in het beleidsplan 2009-2012 geen overtuigende artistiek-inhoudelijke verbinding
wordt uitgewerkt tussen Het Internationaal Danstheater voor de Jeugd en het reguliere gezelschap. Daarnaast ontbreekt in het plan een heldere uitwerking van de doelstellingen die het gezelschap heeft op het gebied van zijn jeugdvoorstellingen en educatie.
Het beleidsplan geeft naar de mening van de commissie weinig houvast voor toekomstige producties en daaraan verbonden publieksstrategieën. Behalve het noemen van een aantal voorbeelden, wordt hierover weinig concreets gemeld. Hoewel het IDT zegt zijn marketinginspanningen
verder te willen versterken om de bezoekcijfers verder te verhogen, gaat het beleidsplan op dit gebied niet verder dan het noemen van het belang van publieksonderzoek
in de komende jaren en de samenwerking met de Collectieve Danspromotie. Voor een organisatie met een marktpositie als het IDT vindt de commissie dit een weinig ondernemende
houding.
Hetzelfde geldt volgens de commissie voor de internationale ambities van het IDT. Hoewel het gezelschap te kennen geeft het spelen op buitenlandse podia van groot belang te vinden, wordt hiervoor geen gemotiveerd, specifiek internationaal beleid overlegd. Een plan van aanpak voor de gewenste uitbreiding van 1,5 fte voor onder meer de versterking van het internationale beleid ontbreekt.
Gezien de kwaliteit en de commerciële waarde van de laagdrempelige voorstellingen waarmee
het IDT een aanzienlijk publiek weet te bereiken, vindt de commissie het onbegrijpelijk dat de instelling zich in de afgelopen jaren niet meer moeite heeft getroost om minder afhankelijk te worden van uitsluitend rijkssubsidiëring. Ook uit de begroting voor 2009-2012 spreekt weinig financiële ambitie Een gezelschap dat zich in zijn beleidsplan profileert met hoge bezoekcijfers en een gemiddelde zaalbezetting van 76%, zou er naar de mening van de commissie tenminste in moeten slagen om 20% cultuurprofijt te realiseren.
Meer ambitie en ondernemerschap van de zijde van het IDT zouden volgens de commissie in dit verband kunnen leiden tot het zelfstandig kunnen opvangen van de wensen als het gaat om het op peil houden van het dansersensemble, de versterking van het internationale beleid, de uitbreiding van de ondersteunende afdelingen en de kostuumerfgoedfunctie.
Op grond van het bovenstaande acht de commissie huidige subsidievolume van het IDT niet langer in verhouding staan tot de zeggingskracht van het repertoire en de weinig ondernemende
houding van het gezelschap.
Conclusie en advies
Het IDT bekleedt met zijn gerichtheid op werelddans gebaseerd op traditie volgens de commissie
een unieke positie in het Nederlandse dansbestel. Met zijn laagdrempelige en kwalitatief
goed verzorgde voorstellingen weet het gezelschap een groot publiek te bereiken. De voorstellingen van het jeugdgezelschap van het IDT vormen voor een grote, cultureel gemêleerde
groep kinderen een aansprekende eerste kennismaking met dans en het theater. Voor de diversiteit van het landschap en de beeldvorming van dans in het algemeen, is het IDT daarmee van grote betekenis.
De commissie plaatst evenwel kanttekeningen bij de artistieke zeggingskracht van het IDT, die naar haar mening een heldere, gelaagde eigentijdse visie op de dans van buiten het eigen cultuurgebied ontbeert.
Gezien zijn doelstelling zou het IDT volgens de commissie een voortrekkersfunctie dienen te vervullen op het gebied van culturele diversiteit. Zij constateert echter dat het gezelschap zijn ambities op dit gebied in de praktijk nog te weinig weet waar te maken en onvoldoende aansluiting vindt bij het nationale en internationale debat over traditie en vernieuwing met betrekking tot dansvormen buiten de eigen entiteit. Vooral in het geval van niet-westerse dansvormen zou er naar haar mening een actuele aanpak van theatraliteit op het gebied van dans en muziek ontwikkeld kunnen worden.
Op grond van het bovenstaande ziet de commissie voldoende aanknopingspunten om deze aanvraag in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 ter honorering voor te dragen. Op basis van de resultaten van het gezelschap tot nu toe op het gebied van zeggingskracht en ondernemerschap, adviseert zij om voor een periode van twee jaar een bedrag van maximaal € 2.700.000 te verlenen en de subsidie voor de jaren daarna vooralsnog te reserveren, in afwachting van een herzien plan en concrete resultaten, met inachtneming van het bovenstaande.
dans
Toegekend bedrag:
€ 2.845.652,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 2.845.652,- (per jaar)
Internationaal Orgelfestival Haarlem
Inleiding
Het Internationaal Orgelfestival Haarlem (IOH) heeft als doel ‘de orgelcultuur in binnen- en buitenland te stimuleren door het organiseren van een internationaal Improvisatieconcours, het aanbieden van masterclasses in de vorm van een Zomeracademie en het programmeren van aansprekende concerten’.Tijdens de Zomeracademie vindt een compositieworkshop plaats. Er wordt een compositieopdracht verstrekt aan een Nederlandse componist voor een thema dat tijdens de finale door de deelnemers van het Orgelimprovisatieconcours als uitgangswerk
dient. De instelling vraagt bijzondere aandacht voor ‘de specifieke Haarlemse orgelcultuur: door de vele bijzondere instrumenten en hun prominente bespelers is deze al generaties lang van veel meer dan plaatselijke betekenis geweest’.Tijdens het concours is er naast masterclasses met moderne improvisatie ‘ruime aandacht voor nieuwe muziek in de cursussen en concerten, aandacht die in de toekomst alleen maar groter zal worden’. Het IOH wil de ‘rol van Nederland als pionier in de internationale orgelwereld vasthouden en uitdragen’. De instelling ziet het als haar taak ‘jong Nederlands orgeltalent (tot 18jaar) te stimuleren’
en vormt daarom in 2010 voor het eerst in de Zomeracademie een ‘Jong-talentklas’.
Het Internationaal Orgelconcours ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Ook de Gemeente Haarlem draagt substantieel bij.
Beoordeling
De commissie is van mening dat de activiteiten van het IOH een onderscheidende bijdrage leveren aan het Nederlandse podiumkunstenbestel. Door zijn inspanningen weet de Nederlandse
orgeltraditie zich verzekerd van continuïteit. De commissie is vooral te spreken over het internationale Orgelimprovisatieconcours en de Zomeracademie, en in veel mindere mate over de concertprogrammering daar omheen. Zij vindt de repertoirekeuze voor deze aanvullende concerten artistiek niet echt bijzonder en te behoudend. Hierdoor plaatst het IOH zich volgens de commissie te weinig in een hedendaagse context en boet zijn hoofdactiviteit,
het Orgelimprovisatieconcours, sterk aan kracht in.
Hoewel de commissie het IOH een grote betekenis voor de orgelcultuur toedicht, vindt zij het beleidsplan voor de komende periode veel te fragmentarisch opgebouwd en onvoldoende
vertrouwenwekkend. In de gepresenteerde artistieke visie ontbreekt een heldere lijn. Daarnaast valt het de commissie op dat het IOH, ondanks de aanwezigheid van een artistiek uitermate deskundig bestuur, geen duidelijkheid verschaft over de totstandkoming van de artistieke keuzes en de werving/selectie van de deelnemers aan het Orgelimprovisatieconcours.
In de aanvraag mist de commissie eveneens een reflectie op de – op zich waardevol geachte - compositieopdracht voor een Nederlandse componist en de compositieworkshop tijdens de Zomeracademie. Zij had graag vernomen op welke manier ook hier keuzes tot stand komen die een doeltreffende bijdrage garanderen aan de ontwikkeling van het orgelrepertoire
en de uitvoeringskwaliteit, temeer daar het zichzelf ten doel stelt de orgelcultuur te stimuleren. De commissie acht de plannen van het IOH om in 2010 te starten met een Jong Talentklas te prematuur om hierover een oordeel te kunnen geven.
Behalve in artistiek opzicht vindt de commissie het beleidsplan van het IOH ook in bedrijfsmatig
opzicht van onvoldoende kwaliteit voor een organisatie met zo’n grote staat van dienst. Al zeer lang weet men een relatief groot aantal kandidaten uit het buitenland te interesseren
voor het Orgelimprovisatieconcours en de Zomeracademie. De commissie is van mening dat de gebundelde presentatie van beide activiteiten in potentie ook een sterke meerwaarde heeft voor het publiek. Waar het IOH in zijn beleidsplan spreekt van een ‘groot festival’ constateert de commissie tegelijkertijd dat er sprake is van jarenlange marginale bezoekcijfers. In de aanvraag is het besef aanwezig dat activiteiten moeten worden ontwikkeld
om het publieksbereik van het Orgelimprovisatieconcours te vergroten, maar van een effectief beleid is volgens de commissie onvoldoende sprake. Mede hierdoor maakt het IOH op de commissie de indruk van een naar binnen gekeerde organisatie, die zeer welwillend is en veel potentie heeft, maar voldoende realiteitszin ontbeert.
Op grond van het bovenstaande acht de commissie het noodzakelijk dat het IOH binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds zijn activiteiten worden geëvalueerd.
Naast een betere onderbouwing van de artistieke visie en bijbehorende plannen dient het IOH ook zijn zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van publieksbereik en –ontwikkeling.
Conclusie en advies
De commissie vindt met name het internationale Orgelimprovisatieconcours en de Zomeracademie
van het IOH van belang voor de Nederlandse orgelcultuur. Het beleidsplan stelt echter zowel in artistiek als zakelijk opzicht teleur. De commissie acht het noodzakelijk dat het IOH binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds zijn activiteiten worden geëvalueerd. Naast een betere onderbouwing van de artistieke visie en bijbehorende
plannen dient het IOH ook zijn zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van publieksbereik en –ontwikkeling.
Onder die voorwaarde adviseert de commissie het IOH op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Internationaal Orgelfestival Haarlem (IOH) heeft als doel ‘de orgelcultuur in binnen- en buitenland te stimuleren door het organiseren van een internationaal Improvisatieconcours, het aanbieden van masterclasses in de vorm van een Zomeracademie en het programmeren van aansprekende concerten’.Tijdens de Zomeracademie vindt een compositieworkshop plaats. Er wordt een compositieopdracht verstrekt aan een Nederlandse componist voor een thema dat tijdens de finale door de deelnemers van het Orgelimprovisatieconcours als uitgangswerk
dient. De instelling vraagt bijzondere aandacht voor ‘de specifieke Haarlemse orgelcultuur: door de vele bijzondere instrumenten en hun prominente bespelers is deze al generaties lang van veel meer dan plaatselijke betekenis geweest’.Tijdens het concours is er naast masterclasses met moderne improvisatie ‘ruime aandacht voor nieuwe muziek in de cursussen en concerten, aandacht die in de toekomst alleen maar groter zal worden’. Het IOH wil de ‘rol van Nederland als pionier in de internationale orgelwereld vasthouden en uitdragen’. De instelling ziet het als haar taak ‘jong Nederlands orgeltalent (tot 18jaar) te stimuleren’
en vormt daarom in 2010 voor het eerst in de Zomeracademie een ‘Jong-talentklas’.
Het Internationaal Orgelconcours ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Ook de Gemeente Haarlem draagt substantieel bij.
Beoordeling
De commissie is van mening dat de activiteiten van het IOH een onderscheidende bijdrage leveren aan het Nederlandse podiumkunstenbestel. Door zijn inspanningen weet de Nederlandse
orgeltraditie zich verzekerd van continuïteit. De commissie is vooral te spreken over het internationale Orgelimprovisatieconcours en de Zomeracademie, en in veel mindere mate over de concertprogrammering daar omheen. Zij vindt de repertoirekeuze voor deze aanvullende concerten artistiek niet echt bijzonder en te behoudend. Hierdoor plaatst het IOH zich volgens de commissie te weinig in een hedendaagse context en boet zijn hoofdactiviteit,
het Orgelimprovisatieconcours, sterk aan kracht in.
Hoewel de commissie het IOH een grote betekenis voor de orgelcultuur toedicht, vindt zij het beleidsplan voor de komende periode veel te fragmentarisch opgebouwd en onvoldoende
vertrouwenwekkend. In de gepresenteerde artistieke visie ontbreekt een heldere lijn. Daarnaast valt het de commissie op dat het IOH, ondanks de aanwezigheid van een artistiek uitermate deskundig bestuur, geen duidelijkheid verschaft over de totstandkoming van de artistieke keuzes en de werving/selectie van de deelnemers aan het Orgelimprovisatieconcours.
In de aanvraag mist de commissie eveneens een reflectie op de – op zich waardevol geachte - compositieopdracht voor een Nederlandse componist en de compositieworkshop tijdens de Zomeracademie. Zij had graag vernomen op welke manier ook hier keuzes tot stand komen die een doeltreffende bijdrage garanderen aan de ontwikkeling van het orgelrepertoire
en de uitvoeringskwaliteit, temeer daar het zichzelf ten doel stelt de orgelcultuur te stimuleren. De commissie acht de plannen van het IOH om in 2010 te starten met een Jong Talentklas te prematuur om hierover een oordeel te kunnen geven.
Behalve in artistiek opzicht vindt de commissie het beleidsplan van het IOH ook in bedrijfsmatig
opzicht van onvoldoende kwaliteit voor een organisatie met zo’n grote staat van dienst. Al zeer lang weet men een relatief groot aantal kandidaten uit het buitenland te interesseren
voor het Orgelimprovisatieconcours en de Zomeracademie. De commissie is van mening dat de gebundelde presentatie van beide activiteiten in potentie ook een sterke meerwaarde heeft voor het publiek. Waar het IOH in zijn beleidsplan spreekt van een ‘groot festival’ constateert de commissie tegelijkertijd dat er sprake is van jarenlange marginale bezoekcijfers. In de aanvraag is het besef aanwezig dat activiteiten moeten worden ontwikkeld
om het publieksbereik van het Orgelimprovisatieconcours te vergroten, maar van een effectief beleid is volgens de commissie onvoldoende sprake. Mede hierdoor maakt het IOH op de commissie de indruk van een naar binnen gekeerde organisatie, die zeer welwillend is en veel potentie heeft, maar voldoende realiteitszin ontbeert.
Op grond van het bovenstaande acht de commissie het noodzakelijk dat het IOH binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds zijn activiteiten worden geëvalueerd.
Naast een betere onderbouwing van de artistieke visie en bijbehorende plannen dient het IOH ook zijn zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van publieksbereik en –ontwikkeling.
Conclusie en advies
De commissie vindt met name het internationale Orgelimprovisatieconcours en de Zomeracademie
van het IOH van belang voor de Nederlandse orgelcultuur. Het beleidsplan stelt echter zowel in artistiek als zakelijk opzicht teleur. De commissie acht het noodzakelijk dat het IOH binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds zijn activiteiten worden geëvalueerd. Naast een betere onderbouwing van de artistieke visie en bijbehorende
plannen dient het IOH ook zijn zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van publieksbereik en –ontwikkeling.
Onder die voorwaarde adviseert de commissie het IOH op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 47.277,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 47.277,- (per jaar)
Kameropera Stichting Trionfo
Opera Trionfo
Inleiding
Opera Trionfo werd in 1998 door Jeanne Companjen opgericht. Met repertoire uit alle stijlperiodes,
veelal begeleid door een gereduceerd orkest, gaf het operagezelschap jonge zangers
de mogelijkheid praktijkervaring in het operavak op te doen. Doel hiervan was de lacune tussen opleiding en carrière te verkleinen. Begonnen als kameroperagezelschap richt Opera Trionfo zich de laatste jaren op de middelgrote zalen in Nederland. De jonge zangers staan nog steeds centraal en het gezelschap onderscheidt zich naar eigen zeggen met verrassend, vaak bijzonder en origineel repertoire.
In het beleidsplan beschrijft Opera Trionfo de pijlers van het artistieke beleid: het selecteren en begeleiden van jong (zang)talent; het samenwerken met professionele orkesten en ensembles en met bekende regisseurs; het brengen van bijzonder repertoire dat zelden of nooit ten gehore wordt gebracht; het per cultuurnotaperiode verstrekken van een compositieopdracht
aan een Nederlandse componist.
Voor de komende periode formuleert Opera Trionfo plannen voor één productie per jaar. Het gezelschap vraagt op jaarbasis € 229.899 subsidie aan. Dit bedrag is opgebouwd uit
€ 95.899 (de huidige subsidie van OCW), € 50.000 (de gemiddelde jaarlijkse bijdrage van
het voormalige FAPK) en een subsidieverhoging van € 35.000 voor uitbreiding van de staf,
€ 25.000 voor een kwaliteitsimpuls en € 24.000 voor een betere marketing van de voorstellingen.
Volgens Opera Trionfo zou de staf moeten worden uitgebreid om zijn activiteiten te kunnen waarborgen. De continuïteit is namelijk niet verzekerd doordat er slechts één vaste medewerker,
de directeur, in dienst is. Het beleidsplan meldt dat het bestuur van Opera Trionfo voortdurend monitort in hoeverre het nog verantwoord is om zijn directeur zo te belasten. Tevens wil Opera Trionfo een marketingconsultant aantrekken om op een creatieve manier de theaters meer te ondersteunen bij de marketing van zijn producties.
Opera Trionfo ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het gezelschap werd de afgelopen periode incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De aanvraag van Opera Trionfo wordt door de commissie gezien als bevlogen en getuigend van realiteitszin. Het bijzondere repertoire, de hoge muzikale kwaliteit van de voorstellingen en de manier waarop Opera Trionfo voortdurend en ongeforceerd jong zangtalent begeleidt, zijn overtuigend. Directeur Jeanne Companjen is de drijvende kracht, heeft de repertoirekennis
en weet uitdagende artistieke teams samen te stellen. Wel signaleert de commissie dat de theatrale kwaliteit van de producties minder constant is dan de muzikale kwaliteit.
De toekomstige projecten van Opera Trionfo zijn in de ogen van de commissie intrigerend. Namen van regisseurs worden nog niet genoemd en alleen de dirigent en het ensemble voor de productie in 2012 zijn bekend, maar er is vertrouwen in de keuzes die hierin gemaakt zullen
worden.
Het gezelschap heeft naar de mening van de commissie de potentie om zich dankzij de bijzondere
programmering en de kleinschaligheid nog beter te positioneren, ook ten opzichte van de operagezelschappen in de basisinfrastructuur.
Opera Trionfo bereikt via de theaters een publiek in heel Nederland. Binnen de organisatie wordt nagedacht over de toekomst en de beoogde uitbreiding van de staf lijkt de commissie een terechte wens. Zij juicht daarom de aanstelling van een zakelijk leider toe en heeft er vertrouwen in dat de extra marketinginspanning zal leiden tot meer voorstellingen en een groter publieksbereik. De commissie adviseert de aanvraag van Opera Trionfo te honoreren, maar vraagt er uitdrukkelijk aandacht voor dat Opera Trionfo met de geboden middelen op afzienbare termijn een professionele organisatie zal opbouwen rondom een artistiek en een zakelijk leider, waarbij ook een betere marketing van de voorstellingen gestalte krijgt. Verder vindt de commissie het van groot belang dat Opera Trionfo de samenwerking met de conservatoria
en mogelijk met instellingen als Opera Studio Nederland of bijvoorbeeld VocaalLAB concreter maakt.
Conclusie en advies
Op grond van zijn uitdagende programmering, de effectieve begeleiding van jong zangtalent en de muzikale kwaliteit van de producties adviseert de commissie om Opera Trionfo op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012, met inachtneming
van de hierboven geformuleerde aandachtspunten.
Opera Trionfo werd in 1998 door Jeanne Companjen opgericht. Met repertoire uit alle stijlperiodes,
veelal begeleid door een gereduceerd orkest, gaf het operagezelschap jonge zangers
de mogelijkheid praktijkervaring in het operavak op te doen. Doel hiervan was de lacune tussen opleiding en carrière te verkleinen. Begonnen als kameroperagezelschap richt Opera Trionfo zich de laatste jaren op de middelgrote zalen in Nederland. De jonge zangers staan nog steeds centraal en het gezelschap onderscheidt zich naar eigen zeggen met verrassend, vaak bijzonder en origineel repertoire.
In het beleidsplan beschrijft Opera Trionfo de pijlers van het artistieke beleid: het selecteren en begeleiden van jong (zang)talent; het samenwerken met professionele orkesten en ensembles en met bekende regisseurs; het brengen van bijzonder repertoire dat zelden of nooit ten gehore wordt gebracht; het per cultuurnotaperiode verstrekken van een compositieopdracht
aan een Nederlandse componist.
Voor de komende periode formuleert Opera Trionfo plannen voor één productie per jaar. Het gezelschap vraagt op jaarbasis € 229.899 subsidie aan. Dit bedrag is opgebouwd uit
€ 95.899 (de huidige subsidie van OCW), € 50.000 (de gemiddelde jaarlijkse bijdrage van
het voormalige FAPK) en een subsidieverhoging van € 35.000 voor uitbreiding van de staf,
€ 25.000 voor een kwaliteitsimpuls en € 24.000 voor een betere marketing van de voorstellingen.
Volgens Opera Trionfo zou de staf moeten worden uitgebreid om zijn activiteiten te kunnen waarborgen. De continuïteit is namelijk niet verzekerd doordat er slechts één vaste medewerker,
de directeur, in dienst is. Het beleidsplan meldt dat het bestuur van Opera Trionfo voortdurend monitort in hoeverre het nog verantwoord is om zijn directeur zo te belasten. Tevens wil Opera Trionfo een marketingconsultant aantrekken om op een creatieve manier de theaters meer te ondersteunen bij de marketing van zijn producties.
Opera Trionfo ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het gezelschap werd de afgelopen periode incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De aanvraag van Opera Trionfo wordt door de commissie gezien als bevlogen en getuigend van realiteitszin. Het bijzondere repertoire, de hoge muzikale kwaliteit van de voorstellingen en de manier waarop Opera Trionfo voortdurend en ongeforceerd jong zangtalent begeleidt, zijn overtuigend. Directeur Jeanne Companjen is de drijvende kracht, heeft de repertoirekennis
en weet uitdagende artistieke teams samen te stellen. Wel signaleert de commissie dat de theatrale kwaliteit van de producties minder constant is dan de muzikale kwaliteit.
De toekomstige projecten van Opera Trionfo zijn in de ogen van de commissie intrigerend. Namen van regisseurs worden nog niet genoemd en alleen de dirigent en het ensemble voor de productie in 2012 zijn bekend, maar er is vertrouwen in de keuzes die hierin gemaakt zullen
worden.
Het gezelschap heeft naar de mening van de commissie de potentie om zich dankzij de bijzondere
programmering en de kleinschaligheid nog beter te positioneren, ook ten opzichte van de operagezelschappen in de basisinfrastructuur.
Opera Trionfo bereikt via de theaters een publiek in heel Nederland. Binnen de organisatie wordt nagedacht over de toekomst en de beoogde uitbreiding van de staf lijkt de commissie een terechte wens. Zij juicht daarom de aanstelling van een zakelijk leider toe en heeft er vertrouwen in dat de extra marketinginspanning zal leiden tot meer voorstellingen en een groter publieksbereik. De commissie adviseert de aanvraag van Opera Trionfo te honoreren, maar vraagt er uitdrukkelijk aandacht voor dat Opera Trionfo met de geboden middelen op afzienbare termijn een professionele organisatie zal opbouwen rondom een artistiek en een zakelijk leider, waarbij ook een betere marketing van de voorstellingen gestalte krijgt. Verder vindt de commissie het van groot belang dat Opera Trionfo de samenwerking met de conservatoria
en mogelijk met instellingen als Opera Studio Nederland of bijvoorbeeld VocaalLAB concreter maakt.
Conclusie en advies
Op grond van zijn uitdagende programmering, de effectieve begeleiding van jong zangtalent en de muzikale kwaliteit van de producties adviseert de commissie om Opera Trionfo op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012, met inachtneming
van de hierboven geformuleerde aandachtspunten.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 242.235,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 242.235,- (per jaar)
Matangi Strijkkwartet
Matangi Quartet
Inleiding
Het Matangi Quartet omschrijft zichzelf als ‘gedreven ambassadeur voor de klassieke muziek en brengt in die rol het rijke strijkkwartetrepertoire met nieuw élan tot leven, waarbij
het een zo groot mogelijk publiek probeert te bereiken’. De artistieke uitgangspunten van het Matangi Quartet zijn: spelkwaliteit; brede, uitdagende programmering en vlotte presentatie;
inbedden van nieuwe muziek in het strijkkwartetrepertoire; en aandacht voor Nederlandse
muziek. Het kwartet brengt zijn artistieke uitgangspunten in de praktijk door concerten en concertseries op nationale en internationale podia, samenwerking met gerenommeerde
musici en participatie in festivals, muziektheater en andere cross-over projecten,
cd-producties en educatieve projecten.
Het Matangi Quartet verstaat onder gedegen studie niet alleen het instuderen en repeteren van de muziek zelf, maar ook het verrichten van onderzoek naar de achtergronden van het repertoire. Verder worden in het programma uiteenlopende verbindingen tussen de composities
gelegd die zowel thematisch, historisch, geografisch, muzikaal als ‘buitenmuzikaal’ kunnen zijn. Matangi zegt de nieuwe muziek juist te willen emanciperen door modern repertoire uit te voeren in programmatisch verband met ‘klassieke’ werken en op die manier bij te dragen aan inbedding van nieuwe composities in de strijkkwartettraditie. Bovendien ziet men het als een belangrijke taak om de Nederlandse muziekproductie en uitvoering te bevorderen. Daarom voert het Matangi Quartet met regelmaat Nederlands werk uit. Jaarlijks verstrekt het kwartet één compositieopdracht.
Het Matangi Quartet heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend.
Beoordeling
De commissie heeft waardering voor de goede uitvoeringskwaliteit van het Matangi Quartet en is met name ook positief over zijn brugfunctie: met een breed georiënteerd repertoire weet het kwartet nieuwe publieksgroepen te bereiken. Ook de samenwerkingverbanden met andere kunstdisciplines worden door de commissie gewaardeerd.
De breedte van het vertolkte muzikale spectrum – van de meest complexe strijkkwartetten tot de muzikale begeleiding van Youp van ’t Hek – maakt het Matangi Quartet voor het publiek in principe uiterst ‘benaderbaar’. Relatief laagdrempelige optredens met bekende artiesten als Herman van Veen resulteren vaak in een nieuw en relatief jong publiek, waarbij
geen afbreuk wordt gedaan aan de speelkwaliteit. Daarbij kiest het Matangi Quartet altijd voor een aanstekelijke presentatie.
Ondanks de relatief jonge leeftijd kan het kwartet op een ruime speelpraktijk bogen en heeft het zich een eigen positie op de Nederlandse kamermuziekpodia weten te verwerven. De commissie ziet in dit alles nog voldoende groeimogelijkheden voor de komende vier jaar, zowel in binnen- als buitenland. Dat het Matangi Quartet het tot zijn taken rekent om naast het instuderen en repeteren van muziek onderzoek te verrichten naar de achtergronden van diezelfde muziek, wordt door de commissie toegejuicht. Dat sluit bovendien goed aan op de educatieve activiteiten van het kwartet.
Ondanks de aanwezige focus op presentatie en het geven van drempelverlagende concerten, is het in de ogen van de commissie wenselijk dat het Matangi Quartet zijn marketing(visie) en beleid ten aanzien van publieksontwikkeling nog verder zal aanscherpen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat het Matangi Quartet vanwege zijn brede artistieke oriëntatie
en aanstekelijke presentatie in combinatie met een goede uitvoeringskwaliteit in aanmerking
komt voor structurele ondersteuning. Zij ziet deze bijdrage als een stimulans, zodat het Matangi Quartet in de gelegenheid is om de groeimogelijkheden, zowel op de nationale als internationale markt, vorm te geven. De commissie adviseert het Matangi Quartet op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunsten 2009-2012
Het Matangi Quartet omschrijft zichzelf als ‘gedreven ambassadeur voor de klassieke muziek en brengt in die rol het rijke strijkkwartetrepertoire met nieuw élan tot leven, waarbij
het een zo groot mogelijk publiek probeert te bereiken’. De artistieke uitgangspunten van het Matangi Quartet zijn: spelkwaliteit; brede, uitdagende programmering en vlotte presentatie;
inbedden van nieuwe muziek in het strijkkwartetrepertoire; en aandacht voor Nederlandse
muziek. Het kwartet brengt zijn artistieke uitgangspunten in de praktijk door concerten en concertseries op nationale en internationale podia, samenwerking met gerenommeerde
musici en participatie in festivals, muziektheater en andere cross-over projecten,
cd-producties en educatieve projecten.
Het Matangi Quartet verstaat onder gedegen studie niet alleen het instuderen en repeteren van de muziek zelf, maar ook het verrichten van onderzoek naar de achtergronden van het repertoire. Verder worden in het programma uiteenlopende verbindingen tussen de composities
gelegd die zowel thematisch, historisch, geografisch, muzikaal als ‘buitenmuzikaal’ kunnen zijn. Matangi zegt de nieuwe muziek juist te willen emanciperen door modern repertoire uit te voeren in programmatisch verband met ‘klassieke’ werken en op die manier bij te dragen aan inbedding van nieuwe composities in de strijkkwartettraditie. Bovendien ziet men het als een belangrijke taak om de Nederlandse muziekproductie en uitvoering te bevorderen. Daarom voert het Matangi Quartet met regelmaat Nederlands werk uit. Jaarlijks verstrekt het kwartet één compositieopdracht.
Het Matangi Quartet heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend.
Beoordeling
De commissie heeft waardering voor de goede uitvoeringskwaliteit van het Matangi Quartet en is met name ook positief over zijn brugfunctie: met een breed georiënteerd repertoire weet het kwartet nieuwe publieksgroepen te bereiken. Ook de samenwerkingverbanden met andere kunstdisciplines worden door de commissie gewaardeerd.
De breedte van het vertolkte muzikale spectrum – van de meest complexe strijkkwartetten tot de muzikale begeleiding van Youp van ’t Hek – maakt het Matangi Quartet voor het publiek in principe uiterst ‘benaderbaar’. Relatief laagdrempelige optredens met bekende artiesten als Herman van Veen resulteren vaak in een nieuw en relatief jong publiek, waarbij
geen afbreuk wordt gedaan aan de speelkwaliteit. Daarbij kiest het Matangi Quartet altijd voor een aanstekelijke presentatie.
Ondanks de relatief jonge leeftijd kan het kwartet op een ruime speelpraktijk bogen en heeft het zich een eigen positie op de Nederlandse kamermuziekpodia weten te verwerven. De commissie ziet in dit alles nog voldoende groeimogelijkheden voor de komende vier jaar, zowel in binnen- als buitenland. Dat het Matangi Quartet het tot zijn taken rekent om naast het instuderen en repeteren van muziek onderzoek te verrichten naar de achtergronden van diezelfde muziek, wordt door de commissie toegejuicht. Dat sluit bovendien goed aan op de educatieve activiteiten van het kwartet.
Ondanks de aanwezige focus op presentatie en het geven van drempelverlagende concerten, is het in de ogen van de commissie wenselijk dat het Matangi Quartet zijn marketing(visie) en beleid ten aanzien van publieksontwikkeling nog verder zal aanscherpen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat het Matangi Quartet vanwege zijn brede artistieke oriëntatie
en aanstekelijke presentatie in combinatie met een goede uitvoeringskwaliteit in aanmerking
komt voor structurele ondersteuning. Zij ziet deze bijdrage als een stimulans, zodat het Matangi Quartet in de gelegenheid is om de groeimogelijkheden, zowel op de nationale als internationale markt, vorm te geven. De commissie adviseert het Matangi Quartet op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunsten 2009-2012
muziek
Toegekend bedrag:
€ 31.477,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 31.477,- (per jaar)
Stichting A3ana
anoukvandijk dc
Inleiding
Anoukvandijk dc is een kleine instelling rond choreografe Anouk van Dijk. Met haar voorstellingen
wil zij naar eigen zeggen ‘het publiek de wereld in al zijn veelvormigheid en gelaagdheid laten ervaren’. Verdieping en nuancering in haar werk zoekt zij in het uitdiepen van de fysieke mogelijkheden van dans. Met haar ‘Countertechniek’ heeft Anouk van Dijk een eigen bewegingssysteem ontwikkeld. Deze techniek biedt dansers volgens Anouk van Dijk de instrumenten om zich verder te kunnen ontwikkelen in hun mogelijkheden als performer.
De techniek wordt niet alleen in het eigen werk toegepast, maar ook binnen verschillende
dansacademies.
De activiteiten van anoukvandijk dc in de periode 2009-2012 vinden hun basis in de productie
van nieuw choreografisch werk en de verdere ontwikkeling van de Countertechniek. De inhoudelijke leidraad in deze periode wordt gevormd door het begrip ‘Encounters’. Deze benadering, waarin ontmoeting en samenwerking op persoonlijke basis centraal staan, zal op alle terreinen van de organisatie worden doorgevoerd.
Volgens het beleidsplan zal het onderzoeken en ontwikkelen van artistieke ideeën een opener
karakter krijgen en de dialoog met andere kunstenaars en kunstorganisaties meer centraal
staan. De samenwerking met de dansacademies in Amsterdam, Rotterdam en Arnhem, die gericht is op het onderwijzen van de Countertechniek, zal een vorm krijgen waarin de aansluiting van de vakopleiding op de beroepspraktijk wordt verbeterd. De samenwerking van anoukvandijk dc met de verschillende partners in het Danshuis Amsterdam is mede gericht op het realiseren van een activiteitenprogramma dat deze plek (inter)nationaal op de kaart zet. Daarnaast zal de communicatie met het publiek van het gezelschap doelgerichter
worden en door het ontwikkelen van een ‘Customer Relationship Marketing-beleid’ een persoonlijke, structurele band tussen het gezelschap en de individuele bezoekers bewerkstelligen.
Anoukvandijk dc wil in de periode 2009-2012 drie producties per jaar realiseren, waarvan er één zal reizen in het theatercircuit. Daarbij concentreert het gezelschap zich op een selecte groep van twintig theaters met een stevig dansportfolio en een goed geïnformeerd publiek. Gestreefd wordt naar een stijging van het gemiddelde bezoekersaantal in deze theaters met vijftig procent.
Met twee producties per jaar wil het gezelschap zich richten op het ontwikkelen van projecten
voor bijzondere ‘situaties en locaties’, waarbij met andere organisaties wordt samengewerkt.
Met deze projecten wil anoukvandijk dc een breder publiek bereiken dan alleen het reguliere danspubliek.
De internationale activiteiten, die een belangrijke plek innemen binnen het beleid van anoukvandijk dc zullen verder worden uitgebreid. Ook hierbij wordt gekozen voor een aanpak
die zich richt op een beperkt aantal theaters en festivals in Europa en de Verenigde Staten.
De plannen vragen om een verandering van de bedrijfsvoering van anoukvandijk dc, waardoor
uitbreiding is gewenst van zowel de zakelijke als de artistieke organisatie. Voor de komende periode wordt daarom een subsidieverhoging aangevraagd.
Anoukvandijk dc wordt structureel gesubsidieerd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het gezelschap ontving in de afgelopen vier jaar meerdere malen een bijdrage van het voormalige FAPK voor internationale activiteiten.
Beoordeling
Het werk van Anouk van Dijk wordt volgens de commissie gekenmerkt door zijn herkenbare stijl en aansprekende vormgeving. De kwaliteit van het autonome werk van deze choreografe
is in haar ogen echter wisselend en weet in het geval van avondvullende voorstellingen slechts bij vlagen te overtuigen. Dit in tegenstelling tot het werk dat Anouk van Dijk maakt binnen meer afgekaderde samenwerkingsverbanden met (internationale) coproducenten en festivals, zoals The Beijing Modern Dance Company en het project ‘Cover’ van de Nederlandse Dansdagen.
De commissie stelt vast dat in de aanvraag van anoukvandijk dc veel aandacht wordt besteed aan de eigen Countertechniek. De commissie begrijpt dat de ontwikkeling van deze techniek voor Anouk van Dijk niet los staat van het eigen choreografische werk. Of aan de Countertechniek een dermate groot belang moet worden toegedicht zoals in de aanvraag wordt gesteld, is volgens de commissie aan discussie onderhevig. Zij verbindt overigens geen conclusies aan haar bevindingen over de Countertechniek en heeft de artistieke kwaliteit
van het choreografische werk van Anouk van Dijk op zichzelf beoordeeld.
Het beleidsplan voor de periode 2009-2012 is volgens de commissie helder, uitgewogen en maakt bovenal een professionele indruk die gepaard gaat met een uitstekend besef van de eigen positie binnen het Nederlandse en internationale dansveld. De commissie stelt evenwel
vast dat het plan met name indruk maakt op het gebied van bedrijfsvoering en cultureel ondernemerschap. De artistieke overtuigingskracht van het kunstenaarschap van Anouk van Dijk wordt in het plan helaas node gemist.
Anoukvandijk dc is er de afgelopen vier jaar in geslaagd om met beperkte middelen zowel artistiek als zakelijk een heldere structuur op te bouwen, die ervoor heeft gezorgd dat het gezelschap zich in continuïteit heeft kunnen ontwikkelen. Het gezelschap kent volgens de commissie een gezonde bedrijfsvoering en weet een bovengemiddeld percentage eigen inkomsten te realiseren.
In het beleidsplan van anoukvandijk dc wordt op een overtuigende manier ingezet op verdieping
van de schakels tussen ontwikkeling, aanbod en afname. De persoonlijke benadering
van een twintigtal theaters dat bereid is om zich te committeren aan het werk van het gezelschap en de ontwikkeling van het zogenaamde ‘Customer Relation Marketing-beleid’ dat uitgaat van maatwerk per publieksdoelgroep, getuigen van een goede analyse van de gesignaleerde knelpunten op het gebied van vraag en aanbod binnen de Nederlandse podiumkunsten.
Het feit dat de groep daarbinnen kansen ziet en een eigen aanpak weet te formuleren
verdient bewondering, aldus de commissie.
Het feit dat anoukvandijk dc niet inzet op ensemblevorming, maar streeft naar langere dienstverbanden van de groep dansers waarmee regelmatig wordt gewerkt, getuigt naar de mening van de commissie van realiteitszin en sluit goed aan op zowel de flexibele werkwijze van de groep als de ontwikkeling waarbij dansers op freelance basis, zelfstandig invulling geven aan hun carrière.
Anoukvandijk dc heeft een goede internationale reputatie en een uitgebreid netwerk. De plannen voor de komende vier jaar op dit gebied zijn volgens de commissie realistisch en bouwen voort op de prestaties van de afgelopen jaren. De daarbij gehanteerde differentiatie naar landen, samenwerkings- en coproductiepartners geeft blijk van een nuchtere kijk op de eigen ambities en mogelijkheden.
Conclusie en advies
Het werk van Anouk van Dijk heeft volgens de commissie een herkenbare stijl en een aansprekende
vormgeving. De kwaliteit van het autonome werk van Anouk van Dijk beoordeelt zij echter als wisselend en minder constant dan het werk dat deze choreografe maakt binnen
de samenwerkingsverbanden die zij aangaat met (internationale) coproducenten en festivals.
Het beleidsplan van anoukvandijk dc blinkt uit op het gebied van bedrijfsvoering en cultureel
ondernemerschap in binnen- en buitenland, maar biedt in artistiek opzicht minder overtuigingskracht. Op grond hiervan kent de commissie, ondanks een per saldo positief oordeel over de kwaliteit, aan deze aanvraag een lage prioriteit toe. Indien het budget van het Fonds hiervoor de ruimte biedt, acht de commissie het wenselijk dat anoukvandijk dc wordt opgenomen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Anoukvandijk dc is een kleine instelling rond choreografe Anouk van Dijk. Met haar voorstellingen
wil zij naar eigen zeggen ‘het publiek de wereld in al zijn veelvormigheid en gelaagdheid laten ervaren’. Verdieping en nuancering in haar werk zoekt zij in het uitdiepen van de fysieke mogelijkheden van dans. Met haar ‘Countertechniek’ heeft Anouk van Dijk een eigen bewegingssysteem ontwikkeld. Deze techniek biedt dansers volgens Anouk van Dijk de instrumenten om zich verder te kunnen ontwikkelen in hun mogelijkheden als performer.
De techniek wordt niet alleen in het eigen werk toegepast, maar ook binnen verschillende
dansacademies.
De activiteiten van anoukvandijk dc in de periode 2009-2012 vinden hun basis in de productie
van nieuw choreografisch werk en de verdere ontwikkeling van de Countertechniek. De inhoudelijke leidraad in deze periode wordt gevormd door het begrip ‘Encounters’. Deze benadering, waarin ontmoeting en samenwerking op persoonlijke basis centraal staan, zal op alle terreinen van de organisatie worden doorgevoerd.
Volgens het beleidsplan zal het onderzoeken en ontwikkelen van artistieke ideeën een opener
karakter krijgen en de dialoog met andere kunstenaars en kunstorganisaties meer centraal
staan. De samenwerking met de dansacademies in Amsterdam, Rotterdam en Arnhem, die gericht is op het onderwijzen van de Countertechniek, zal een vorm krijgen waarin de aansluiting van de vakopleiding op de beroepspraktijk wordt verbeterd. De samenwerking van anoukvandijk dc met de verschillende partners in het Danshuis Amsterdam is mede gericht op het realiseren van een activiteitenprogramma dat deze plek (inter)nationaal op de kaart zet. Daarnaast zal de communicatie met het publiek van het gezelschap doelgerichter
worden en door het ontwikkelen van een ‘Customer Relationship Marketing-beleid’ een persoonlijke, structurele band tussen het gezelschap en de individuele bezoekers bewerkstelligen.
Anoukvandijk dc wil in de periode 2009-2012 drie producties per jaar realiseren, waarvan er één zal reizen in het theatercircuit. Daarbij concentreert het gezelschap zich op een selecte groep van twintig theaters met een stevig dansportfolio en een goed geïnformeerd publiek. Gestreefd wordt naar een stijging van het gemiddelde bezoekersaantal in deze theaters met vijftig procent.
Met twee producties per jaar wil het gezelschap zich richten op het ontwikkelen van projecten
voor bijzondere ‘situaties en locaties’, waarbij met andere organisaties wordt samengewerkt.
Met deze projecten wil anoukvandijk dc een breder publiek bereiken dan alleen het reguliere danspubliek.
De internationale activiteiten, die een belangrijke plek innemen binnen het beleid van anoukvandijk dc zullen verder worden uitgebreid. Ook hierbij wordt gekozen voor een aanpak
die zich richt op een beperkt aantal theaters en festivals in Europa en de Verenigde Staten.
De plannen vragen om een verandering van de bedrijfsvoering van anoukvandijk dc, waardoor
uitbreiding is gewenst van zowel de zakelijke als de artistieke organisatie. Voor de komende periode wordt daarom een subsidieverhoging aangevraagd.
Anoukvandijk dc wordt structureel gesubsidieerd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het gezelschap ontving in de afgelopen vier jaar meerdere malen een bijdrage van het voormalige FAPK voor internationale activiteiten.
Beoordeling
Het werk van Anouk van Dijk wordt volgens de commissie gekenmerkt door zijn herkenbare stijl en aansprekende vormgeving. De kwaliteit van het autonome werk van deze choreografe
is in haar ogen echter wisselend en weet in het geval van avondvullende voorstellingen slechts bij vlagen te overtuigen. Dit in tegenstelling tot het werk dat Anouk van Dijk maakt binnen meer afgekaderde samenwerkingsverbanden met (internationale) coproducenten en festivals, zoals The Beijing Modern Dance Company en het project ‘Cover’ van de Nederlandse Dansdagen.
De commissie stelt vast dat in de aanvraag van anoukvandijk dc veel aandacht wordt besteed aan de eigen Countertechniek. De commissie begrijpt dat de ontwikkeling van deze techniek voor Anouk van Dijk niet los staat van het eigen choreografische werk. Of aan de Countertechniek een dermate groot belang moet worden toegedicht zoals in de aanvraag wordt gesteld, is volgens de commissie aan discussie onderhevig. Zij verbindt overigens geen conclusies aan haar bevindingen over de Countertechniek en heeft de artistieke kwaliteit
van het choreografische werk van Anouk van Dijk op zichzelf beoordeeld.
Het beleidsplan voor de periode 2009-2012 is volgens de commissie helder, uitgewogen en maakt bovenal een professionele indruk die gepaard gaat met een uitstekend besef van de eigen positie binnen het Nederlandse en internationale dansveld. De commissie stelt evenwel
vast dat het plan met name indruk maakt op het gebied van bedrijfsvoering en cultureel ondernemerschap. De artistieke overtuigingskracht van het kunstenaarschap van Anouk van Dijk wordt in het plan helaas node gemist.
Anoukvandijk dc is er de afgelopen vier jaar in geslaagd om met beperkte middelen zowel artistiek als zakelijk een heldere structuur op te bouwen, die ervoor heeft gezorgd dat het gezelschap zich in continuïteit heeft kunnen ontwikkelen. Het gezelschap kent volgens de commissie een gezonde bedrijfsvoering en weet een bovengemiddeld percentage eigen inkomsten te realiseren.
In het beleidsplan van anoukvandijk dc wordt op een overtuigende manier ingezet op verdieping
van de schakels tussen ontwikkeling, aanbod en afname. De persoonlijke benadering
van een twintigtal theaters dat bereid is om zich te committeren aan het werk van het gezelschap en de ontwikkeling van het zogenaamde ‘Customer Relation Marketing-beleid’ dat uitgaat van maatwerk per publieksdoelgroep, getuigen van een goede analyse van de gesignaleerde knelpunten op het gebied van vraag en aanbod binnen de Nederlandse podiumkunsten.
Het feit dat de groep daarbinnen kansen ziet en een eigen aanpak weet te formuleren
verdient bewondering, aldus de commissie.
Het feit dat anoukvandijk dc niet inzet op ensemblevorming, maar streeft naar langere dienstverbanden van de groep dansers waarmee regelmatig wordt gewerkt, getuigt naar de mening van de commissie van realiteitszin en sluit goed aan op zowel de flexibele werkwijze van de groep als de ontwikkeling waarbij dansers op freelance basis, zelfstandig invulling geven aan hun carrière.
Anoukvandijk dc heeft een goede internationale reputatie en een uitgebreid netwerk. De plannen voor de komende vier jaar op dit gebied zijn volgens de commissie realistisch en bouwen voort op de prestaties van de afgelopen jaren. De daarbij gehanteerde differentiatie naar landen, samenwerkings- en coproductiepartners geeft blijk van een nuchtere kijk op de eigen ambities en mogelijkheden.
Conclusie en advies
Het werk van Anouk van Dijk heeft volgens de commissie een herkenbare stijl en een aansprekende
vormgeving. De kwaliteit van het autonome werk van Anouk van Dijk beoordeelt zij echter als wisselend en minder constant dan het werk dat deze choreografe maakt binnen
de samenwerkingsverbanden die zij aangaat met (internationale) coproducenten en festivals.
Het beleidsplan van anoukvandijk dc blinkt uit op het gebied van bedrijfsvoering en cultureel
ondernemerschap in binnen- en buitenland, maar biedt in artistiek opzicht minder overtuigingskracht. Op grond hiervan kent de commissie, ondanks een per saldo positief oordeel over de kwaliteit, aan deze aanvraag een lage prioriteit toe. Indien het budget van het Fonds hiervoor de ruimte biedt, acht de commissie het wenselijk dat anoukvandijk dc wordt opgenomen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
dans
Toegekend bedrag:
€ 300.000,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 300.000,- (per jaar)
Stichting Alfa
International Gipsyfestival
Inleiding
Het International Gipsyfestival bestaat sinds 1997 en is ontstaan uit belangstelling voor de zigeunercultuur in het algemeen en de historie en maatschappelijke positie van Roma en Sinti in Nederland in het bijzonder. Het meerdaagse festival in Tilburg wil de invloed van zigeuners op onze muziekcultuur onderzoeken, stimuleren en presenteren. Dit gebeurt via de programmering, het zelf initiëren van projecten, het samenwerken met internationale partners en via exposities en educatie. Het International Gipsyfestival programmeert gedurende
vier dagen muziek, dans, theater, circus, poëzie en vertellingen en presenteert een randprogramma. Voor een deel zijn de concerten in 013 en in Paradox, voor een deel zijn ze in de open lucht. Voorafgaand aan het festival zijn er onder meer debatten, exposities en workshops. Na afloop van het festival worden de ontwikkelde projecten aangeboden aan andere podia. In samenwerking met een aantal conservatoria worden masterclasses georganiseerd.
In de zomer reist de Gipsy Road Show met een tent door het land.
Er treden veel buitenlandse artiesten op het festival op. Een deel participeert actief binnen de door het festival geïnitieerde projecten. Voor een ander deel gaat het enkel om programmering
van de artiesten en orkesten. Ook zijn er exposities van buitenlandse fotografen. Van de bezoekers aan het festival komt 9% van buiten Nederland.
Het publiek is divers qua inkomen, leeftijd en sekse. In haar marketingstrategie zegt de organisatie haar unieke positie in het Nederlands festivalcircuit uit te buiten. Vooral de programmering
moet zorgen voor nieuw en extra publiek. De organisatie heeft contacten met diverse media en zet verder flyers, posters en advertenties in. Ook de digitale informatievoorziening
krijgt aandacht.
Het International Gipsyfestival heeft in 2007 een onderzoek laten doen onder nieuwsbrief-abonnees, onder meer om na te gaan of er draagvlak bestaat voor een vriendenstichting. Deze stichting is inmiddels opgericht. Er bestaan plannen voor het creëren van een fonds ten behoeve van donaties uit het bedrijfsleven en particulieren.
De begroting groeit van € 229.675 in 2006 naar € 509.750 in 2009. De organisatie vraagt voor de periode 2009–2012 € 100.000 aan bij het Fonds; € 35.000 bij de provincie Noord-Brabant
€ 25.000 bij de gemeente Tilburg.
Het International Gipsyfestival ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De afgelopen jaren ontving het festival bovendien jaarlijkse bijdragen vanuit de Festivalregeling
van het voormalige FPPM en subsidie van het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is ingenomen met de artistieke plannen van het International Gipsyfestival: zij vindt de plannen interessant en een waardevolle aanvulling op het reguliere aanbod in Nederland. Het internationale netwerk betekent niet alleen dat op termijn wellicht meer ‘afzetmogelijkheden’ ontstaan, maar het levert ook een duidelijk artistieke meerwaarde op. Dankzij de interculturele producties en programmering levert het Gipsyfestival een belangrijke
bijdrage aan de culturele diversiteit van het festivallandschap.
Het International Gipsyfestival verstevigde in de afgelopen jaren zijn positie in Nederland als uniek festival voor de zigeunermuziek. Het festival produceert en presenteert een genre dat elders weinig te horen is in een bijzondere context. Bovendien zet de organisatie deze producties ook buiten het festival af.
Tegelijkertijd merkt de commissie op dat het ondernemerschap in de plannen mager is verwoord.
De strategie op het gebied van marketing, bedrijfsvoering en sponsoring is onvoldoende
helder. De commissie meent dat dit een gemiste kans is, omdat het festival naar haar overtuiging een potentieel groot publiek kan trekken. De beoogde groei van de eigen inkomsten
en organisatie wordt in het plan onvoldoende onderbouwd. Het plan beperkt zich tot een opsomming van geïnteresseerde media en een aantal communicatiemiddelen, maar een beschrijving van mogelijke doelgroepen of een marketingstrategie ontbreekt. Op het gebied van de internationale programmering vanaf 2009 mist de commissie concrete invulling.
Ondanks deze kanttekeningen heeft de commissie het vertrouwen dat het International Gipsyfestival in samenwerking met zijn talrijke partners voor interessante festivaledities zorg zal dragen, zowel op de podia als in de randprogrammering.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het International Gipsyfestival en vindt het evenement een verrijking voor het bestaande culturele aanbod. Wel is ze van mening dat de kwaliteit van het cultureel ondernemerschap verbetering behoeft. De verdubbeling
van de begroting wordt nauwelijks onderbouwd. Op grond hiervan adviseert de commissie het International Gipsyfestival op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 voor een deel van het aangevraagde bedrag.
Het International Gipsyfestival bestaat sinds 1997 en is ontstaan uit belangstelling voor de zigeunercultuur in het algemeen en de historie en maatschappelijke positie van Roma en Sinti in Nederland in het bijzonder. Het meerdaagse festival in Tilburg wil de invloed van zigeuners op onze muziekcultuur onderzoeken, stimuleren en presenteren. Dit gebeurt via de programmering, het zelf initiëren van projecten, het samenwerken met internationale partners en via exposities en educatie. Het International Gipsyfestival programmeert gedurende
vier dagen muziek, dans, theater, circus, poëzie en vertellingen en presenteert een randprogramma. Voor een deel zijn de concerten in 013 en in Paradox, voor een deel zijn ze in de open lucht. Voorafgaand aan het festival zijn er onder meer debatten, exposities en workshops. Na afloop van het festival worden de ontwikkelde projecten aangeboden aan andere podia. In samenwerking met een aantal conservatoria worden masterclasses georganiseerd.
In de zomer reist de Gipsy Road Show met een tent door het land.
Er treden veel buitenlandse artiesten op het festival op. Een deel participeert actief binnen de door het festival geïnitieerde projecten. Voor een ander deel gaat het enkel om programmering
van de artiesten en orkesten. Ook zijn er exposities van buitenlandse fotografen. Van de bezoekers aan het festival komt 9% van buiten Nederland.
Het publiek is divers qua inkomen, leeftijd en sekse. In haar marketingstrategie zegt de organisatie haar unieke positie in het Nederlands festivalcircuit uit te buiten. Vooral de programmering
moet zorgen voor nieuw en extra publiek. De organisatie heeft contacten met diverse media en zet verder flyers, posters en advertenties in. Ook de digitale informatievoorziening
krijgt aandacht.
Het International Gipsyfestival heeft in 2007 een onderzoek laten doen onder nieuwsbrief-abonnees, onder meer om na te gaan of er draagvlak bestaat voor een vriendenstichting. Deze stichting is inmiddels opgericht. Er bestaan plannen voor het creëren van een fonds ten behoeve van donaties uit het bedrijfsleven en particulieren.
De begroting groeit van € 229.675 in 2006 naar € 509.750 in 2009. De organisatie vraagt voor de periode 2009–2012 € 100.000 aan bij het Fonds; € 35.000 bij de provincie Noord-Brabant
€ 25.000 bij de gemeente Tilburg.
Het International Gipsyfestival ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De afgelopen jaren ontving het festival bovendien jaarlijkse bijdragen vanuit de Festivalregeling
van het voormalige FPPM en subsidie van het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is ingenomen met de artistieke plannen van het International Gipsyfestival: zij vindt de plannen interessant en een waardevolle aanvulling op het reguliere aanbod in Nederland. Het internationale netwerk betekent niet alleen dat op termijn wellicht meer ‘afzetmogelijkheden’ ontstaan, maar het levert ook een duidelijk artistieke meerwaarde op. Dankzij de interculturele producties en programmering levert het Gipsyfestival een belangrijke
bijdrage aan de culturele diversiteit van het festivallandschap.
Het International Gipsyfestival verstevigde in de afgelopen jaren zijn positie in Nederland als uniek festival voor de zigeunermuziek. Het festival produceert en presenteert een genre dat elders weinig te horen is in een bijzondere context. Bovendien zet de organisatie deze producties ook buiten het festival af.
Tegelijkertijd merkt de commissie op dat het ondernemerschap in de plannen mager is verwoord.
De strategie op het gebied van marketing, bedrijfsvoering en sponsoring is onvoldoende
helder. De commissie meent dat dit een gemiste kans is, omdat het festival naar haar overtuiging een potentieel groot publiek kan trekken. De beoogde groei van de eigen inkomsten
en organisatie wordt in het plan onvoldoende onderbouwd. Het plan beperkt zich tot een opsomming van geïnteresseerde media en een aantal communicatiemiddelen, maar een beschrijving van mogelijke doelgroepen of een marketingstrategie ontbreekt. Op het gebied van de internationale programmering vanaf 2009 mist de commissie concrete invulling.
Ondanks deze kanttekeningen heeft de commissie het vertrouwen dat het International Gipsyfestival in samenwerking met zijn talrijke partners voor interessante festivaledities zorg zal dragen, zowel op de podia als in de randprogrammering.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het International Gipsyfestival en vindt het evenement een verrijking voor het bestaande culturele aanbod. Wel is ze van mening dat de kwaliteit van het cultureel ondernemerschap verbetering behoeft. De verdubbeling
van de begroting wordt nauwelijks onderbouwd. Op grond hiervan adviseert de commissie het International Gipsyfestival op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 voor een deel van het aangevraagde bedrag.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 47.224,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 47.224,- (per jaar)
Stichting Amstel Saxofoon Kwartet
Amstel Saxofoon Kwartet
Inleiding
Het Amstel Saxofoon Kwartet is een ensemble dat zich volgens het activiteitenplan breed profileert ‘met muziek die reikt van zeer oud tot zeer nieuw, met optredens die variëren van ‘klassieke’ kamermuziekconcerten tot theatervoorstellingen op buitenlocaties’. Het kwartet won de afgelopen jaren vele prijzen en heeft het prijzengeld kunnen investeren in de ontwikkeling van het kwartet en zijn musici. Het repertoire van het ensemble kenmerkt zich door veel nieuw werk van Nederlandse componisten, veelal generatiegenoten van de saxofonisten, maar ook door eigen bewerkingen van de kwartetleden van composities uit uiteenlopende stijlperioden. Daarbij streeft het kwartet ernaar bewerkingen van composities van nog levende componisten te laten autoriseren.
Het Amstel Saxofoon Kwartet wil de ontwikkeling van de afgelopen jaren kunnen voortzetten. Men vraagt een vierjarige subsidie aan om ook in de toekomst risicovolle projecten mogelijk te maken, om de buitenlandse ambities te verwezenlijken, om opdrachten aan grote componisten te kunnen geven, en om de succesvolle benadering van de ‘markt’ en het publiek naar een hoger plan te kunnen tillen, aldus het beleidsplan. In kwantitatief opzicht streeft het ensemble naar gemiddeld 35 concerten per jaar, waarvan 15 in het buitenland.
Het Amstel Saxofoon Kwartet heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd.
Beoordeling
De commissie vindt de uitvoeringskwaliteit van het Amstel Saxofoon Kwartet hoog. Bovendien vindt zij dat de door het kwartet gemaakte bewerkingen van muziek die oorspronkelijk niet voor saxofoonkwartet is geschreven, een waardevolle aanvulling op het bestaande repertoire vormen. Dat het kwartet voortdurend zorg besteedt aan een verfrissende podiumpresentatie, wordt door de commissie eveneens gewaardeerd.
Uit de grote lijn van het beleidsplan spreekt zowel een oorspronkelijke artistieke visie als een zelfbewustzijn over een doordachte opmars van het Amstel Saxofoon Kwartet. Over de afzonderlijke projecten van het kwartet is de commissie minder enthousiast. Weliswaar worden er veel projectideeën opgesomd, maar de commissie vindt deze onvoldoende uitgewerkt. Ook vindt de commissie de marketingvisie in het plan mager, terwijl het kwartet kan bogen op een vierjarige ondersteuning van het Amerikaanse Concert Artists Guild, ook op marketinggebied.
De educatieve activiteiten van het kwartet worden door de commissie wel gewaardeerd. Hoewel zij vindt dat er sprake is van een te optimistische kijk op het te realiseren bezoek van jongeren aan concertzalen, ziet de commissie wel een meerwaarde in de concerten die het kwartet geeft op plekken waar jongeren al om andere redenen aanwezig zijn.
Het Amstel Saxofoon Kwartet geeft er duidelijk blijk van veel te willen spelen. Daarbij acht de commissie het noodzakelijk dat het kwartet een organisatorische professionalisering ondergaat. Zo is het gegeven dat er twee familieleden in het bestuur zitten, in strijd met de Code Cultural Governance. De professionalisering van het kwartet zal erin moeten resulteren de huidige positie in het binnen- en buitenlandse muzieklandschap te verstevigen.
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit en de oorspronkelijke artistieke visie van het Amstel Saxofoon Kwartet is de commissie van mening dat het ensemble in aanmerking komt voor een structurele ondersteuning. De commissie beschouwt de bijdrage als stimulans voor het ensemble om de bedrijfsvoering te professionaliseren en zijn nationale en internationale positie verder te verstevigen. De commissie adviseert het Amstel Saxofoon Kwartet op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Amstel Saxofoon Kwartet is een ensemble dat zich volgens het activiteitenplan breed profileert ‘met muziek die reikt van zeer oud tot zeer nieuw, met optredens die variëren van ‘klassieke’ kamermuziekconcerten tot theatervoorstellingen op buitenlocaties’. Het kwartet won de afgelopen jaren vele prijzen en heeft het prijzengeld kunnen investeren in de ontwikkeling van het kwartet en zijn musici. Het repertoire van het ensemble kenmerkt zich door veel nieuw werk van Nederlandse componisten, veelal generatiegenoten van de saxofonisten, maar ook door eigen bewerkingen van de kwartetleden van composities uit uiteenlopende stijlperioden. Daarbij streeft het kwartet ernaar bewerkingen van composities van nog levende componisten te laten autoriseren.
Het Amstel Saxofoon Kwartet wil de ontwikkeling van de afgelopen jaren kunnen voortzetten. Men vraagt een vierjarige subsidie aan om ook in de toekomst risicovolle projecten mogelijk te maken, om de buitenlandse ambities te verwezenlijken, om opdrachten aan grote componisten te kunnen geven, en om de succesvolle benadering van de ‘markt’ en het publiek naar een hoger plan te kunnen tillen, aldus het beleidsplan. In kwantitatief opzicht streeft het ensemble naar gemiddeld 35 concerten per jaar, waarvan 15 in het buitenland.
Het Amstel Saxofoon Kwartet heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd.
Beoordeling
De commissie vindt de uitvoeringskwaliteit van het Amstel Saxofoon Kwartet hoog. Bovendien vindt zij dat de door het kwartet gemaakte bewerkingen van muziek die oorspronkelijk niet voor saxofoonkwartet is geschreven, een waardevolle aanvulling op het bestaande repertoire vormen. Dat het kwartet voortdurend zorg besteedt aan een verfrissende podiumpresentatie, wordt door de commissie eveneens gewaardeerd.
Uit de grote lijn van het beleidsplan spreekt zowel een oorspronkelijke artistieke visie als een zelfbewustzijn over een doordachte opmars van het Amstel Saxofoon Kwartet. Over de afzonderlijke projecten van het kwartet is de commissie minder enthousiast. Weliswaar worden er veel projectideeën opgesomd, maar de commissie vindt deze onvoldoende uitgewerkt. Ook vindt de commissie de marketingvisie in het plan mager, terwijl het kwartet kan bogen op een vierjarige ondersteuning van het Amerikaanse Concert Artists Guild, ook op marketinggebied.
De educatieve activiteiten van het kwartet worden door de commissie wel gewaardeerd. Hoewel zij vindt dat er sprake is van een te optimistische kijk op het te realiseren bezoek van jongeren aan concertzalen, ziet de commissie wel een meerwaarde in de concerten die het kwartet geeft op plekken waar jongeren al om andere redenen aanwezig zijn.
Het Amstel Saxofoon Kwartet geeft er duidelijk blijk van veel te willen spelen. Daarbij acht de commissie het noodzakelijk dat het kwartet een organisatorische professionalisering ondergaat. Zo is het gegeven dat er twee familieleden in het bestuur zitten, in strijd met de Code Cultural Governance. De professionalisering van het kwartet zal erin moeten resulteren de huidige positie in het binnen- en buitenlandse muzieklandschap te verstevigen.
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit en de oorspronkelijke artistieke visie van het Amstel Saxofoon Kwartet is de commissie van mening dat het ensemble in aanmerking komt voor een structurele ondersteuning. De commissie beschouwt de bijdrage als stimulans voor het ensemble om de bedrijfsvoering te professionaliseren en zijn nationale en internationale positie verder te verstevigen. De commissie adviseert het Amstel Saxofoon Kwartet op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 33.414,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 33.414,- (per jaar)
Stichting Amsterdam Dance Event
Amsterdam Dance Event
Inleiding
Het Amsterdam Dance Event (ADE) is een driedaags muziekfestival verspreid over een groot aantal podia. Het wordt gecombineerd met een internationale conferentie voor professionals
op het gehele terrein van de elektronische en dancemuziek. Het ADE zegt binnen het kader van de dance nieuwe muziekinhoudelijke ontwikkelingen op internationaal niveau te willen signaleren en op diverse podia aan een publiek te presenteren. Daarbij streeft het festival naar een zo groot mogelijke artistieke bandbreedte en diversiteit. Tegelijkertijd
wil het ADE een platform zijn voor de internationale muziekindustrie, met als doel het bevorderen van talentontwikkeling, kennisoverdracht en de verkoop van dance. Een nevengeschikt doel is het stimuleren en promoten van Nederlands talent in deze internationale
context. Daarnaast wordt meer en meer gestreefd een brug te slaan naar andere creatieve
sectoren.
Het ADE komt tot stand in samenwerking met de artiesten, de industrie, de gemeente, de rechtenorganisaties (Buma Cultuur en SENA) en de podia en clubs. Het ADE omschrijft zichzelf als een mondiaal platform voor de gehele keten van dance en als een belangrijke speler in de internationalisering van de dance in het algemeen en de Nederlandse dance in het bijzonder. Het ADE streeft in zijn programmering naar een ruim publieksbereik en geeft aan in de afgelopen jaren een sterke groei te hebben doorgemaakt. Binnen Nederland is het ADE het festival met het hoogst aantal internationale bezoekers.
Het ADE geldt naar eigen zeggen als een van de belangrijkste evenementen binnen de dance. De ambitie is deze positie te behouden, te versterken en verder uit te bouwen. Groei van het festival valt vooral te verwachten door toename van het aantal internationale bezoekers
en de inzet van meer podia en clubs. Ook de conferentie heeft potentie verder te groeien
als internationaal platform. Om dit te bewerkstelligen moet de organisatie op zoek naar een grotere locatie en zijn er op het gebied van logistiek investeringen nodig. Tegelijkertijd wil ADE het programma versterken, verbreden en inhoudelijk en artistiek intensiveren. Ook wil het festival het muziekgebruik in internettoepassingen, games en mobiele telefonie in het programma integreren en de programmering op het gebied van de combinatie van beeld en geluid intensiveren. Ten slotte wil het ADE zowel de conferentie als het internationaal platform als de talentprogramma’s verder ontwikkelen.
De totale begroting stijgt van € 562.000 in 2006 naar € 1.075.000 in 2009.
Het ADE werd tot vorig jaar onder de hoede van Conamus georganiseerd. Deze heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd. De Raad voor Cultuur adviseerde
positief over één element in de aanvraag van Conamus, de versterkte programmering tijdens
het ADE. De bijdrage die het ADE in de afgelopen periode heeft ontvangen was echter niet afkomstig uit de cultuurnotagelden, maar werd verstrekt vanuit uit het programma Cultuur
en Economie.
Beoordeling
De commissie beschouwt het ADE als min of meer complementair aan Noorderslag, dat nu is opgenomen in de basisinfrastructuur. Wat Noorderslag is voor pop en rock, is het ADE voor dance. Het festival heeft een internationale platformfunctie die de commissie van groot belang acht, ook voor Nederlandse artiesten. Het ADE realiseert als een van de weinige festivals
ook buiten Nederland een effectieve marketingstrategie, heeft een hoog aantal internationale
bezoekers en speelt een belangrijke rol in de internationalisering van de dancewereld.
De leidende gedachte achter de programmering is het streven een overzicht te geven van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van dance. Het ADE is een conferentie en een vakfestival
waarvan vooral de randprogrammering programmeurs aantrekt. Vanuit de ketengedachte
is dit festival daarom zeker van belang omdat jonge bands uit de voorprogramma’s daadwerkelijk worden doorgeboekt. De commissie vindt in dat verband ook de voorgenomen VJ-programmering van belang voor de verdere ontwikkeling van het festival.
Sinds vorig jaar is het ADE als stichting losgemaakt van Buma Cultuur (voorheen Conamus). Een groot deel van de activiteiten, zoals de internationale promotie van dance, behoort echter
nog altijd tot de taakstelling van Buma Cultuur.
Vier jaar geleden adviseerde de Raad voor Cultuur positief over specifiek de uitbreiding van de programmering van het ADE, omdat het Nederlands publiek hierdoor op unieke wijze zou kunnen kennismaken met het Europees talent in het dancegenre, waarin Nederland een toonaangevende rol speelt. De commissie vindt dat de organisatie deze ambitie niet helemaal
heeft waargemaakt. Zij mist een centrale regie over en visie op de programmering op de verschillende podia en vindt het van essentieel belang dat het ADE het getoonde palet beter in evenwicht brengt, vooral gezien de plannen om het aantal podia uit te breiden. De commissie constateert dat enkele deelnemende podia de programmering goed afstemmen, maar dit geldt niet voor alle meewerkende podia. De commissie constateert dat de subsidie voor afzonderlijke podia wel een programmeringsimpuls heeft betekend, maar dat dat voor het geheel nog geen grote meerwaarde heeft opgeleverd. De commissie vindt dat het ADE daar een grotere verantwoordelijkheid in kan nemen. Daarom is zij positief over het plan om hiervoor een (muziekinhoudelijke) programmacoördinator aan te stellen.
De commissie is over het geheel genomen tevreden over het cultureel ondernemerschap van de organisatie, maar constateert wel dat de instelling kostenbewuster zou kunnen opereren. Ook vindt zij de verdubbeling van de begroting niet in verhouding staan tot de nieuwe activiteiten
die de organisatie wil ondernemen.
Conclusie en advies
De commissie vindt dat het ADE een belangrijke rol vervult als internationaal platform op het gebied van de dance. Een deel van de activiteiten behoort evenwel nog steeds tot de taken van Buma Cultuur. Vanuit de ketengedachte is het festival van belang omdat jonge bands uit de voorprogramma’s daadwerkelijk worden doorgeboekt. De commissie is positief over het ontwikkelen van nieuwe programmaonderdelen en het voornemen een programmacoördinator
aan te stellen om de publieksprogrammering beter in evenwicht te brengen. Zij adviseert het ADE op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
Het Amsterdam Dance Event (ADE) is een driedaags muziekfestival verspreid over een groot aantal podia. Het wordt gecombineerd met een internationale conferentie voor professionals
op het gehele terrein van de elektronische en dancemuziek. Het ADE zegt binnen het kader van de dance nieuwe muziekinhoudelijke ontwikkelingen op internationaal niveau te willen signaleren en op diverse podia aan een publiek te presenteren. Daarbij streeft het festival naar een zo groot mogelijke artistieke bandbreedte en diversiteit. Tegelijkertijd
wil het ADE een platform zijn voor de internationale muziekindustrie, met als doel het bevorderen van talentontwikkeling, kennisoverdracht en de verkoop van dance. Een nevengeschikt doel is het stimuleren en promoten van Nederlands talent in deze internationale
context. Daarnaast wordt meer en meer gestreefd een brug te slaan naar andere creatieve
sectoren.
Het ADE komt tot stand in samenwerking met de artiesten, de industrie, de gemeente, de rechtenorganisaties (Buma Cultuur en SENA) en de podia en clubs. Het ADE omschrijft zichzelf als een mondiaal platform voor de gehele keten van dance en als een belangrijke speler in de internationalisering van de dance in het algemeen en de Nederlandse dance in het bijzonder. Het ADE streeft in zijn programmering naar een ruim publieksbereik en geeft aan in de afgelopen jaren een sterke groei te hebben doorgemaakt. Binnen Nederland is het ADE het festival met het hoogst aantal internationale bezoekers.
Het ADE geldt naar eigen zeggen als een van de belangrijkste evenementen binnen de dance. De ambitie is deze positie te behouden, te versterken en verder uit te bouwen. Groei van het festival valt vooral te verwachten door toename van het aantal internationale bezoekers
en de inzet van meer podia en clubs. Ook de conferentie heeft potentie verder te groeien
als internationaal platform. Om dit te bewerkstelligen moet de organisatie op zoek naar een grotere locatie en zijn er op het gebied van logistiek investeringen nodig. Tegelijkertijd wil ADE het programma versterken, verbreden en inhoudelijk en artistiek intensiveren. Ook wil het festival het muziekgebruik in internettoepassingen, games en mobiele telefonie in het programma integreren en de programmering op het gebied van de combinatie van beeld en geluid intensiveren. Ten slotte wil het ADE zowel de conferentie als het internationaal platform als de talentprogramma’s verder ontwikkelen.
De totale begroting stijgt van € 562.000 in 2006 naar € 1.075.000 in 2009.
Het ADE werd tot vorig jaar onder de hoede van Conamus georganiseerd. Deze heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd. De Raad voor Cultuur adviseerde
positief over één element in de aanvraag van Conamus, de versterkte programmering tijdens
het ADE. De bijdrage die het ADE in de afgelopen periode heeft ontvangen was echter niet afkomstig uit de cultuurnotagelden, maar werd verstrekt vanuit uit het programma Cultuur
en Economie.
Beoordeling
De commissie beschouwt het ADE als min of meer complementair aan Noorderslag, dat nu is opgenomen in de basisinfrastructuur. Wat Noorderslag is voor pop en rock, is het ADE voor dance. Het festival heeft een internationale platformfunctie die de commissie van groot belang acht, ook voor Nederlandse artiesten. Het ADE realiseert als een van de weinige festivals
ook buiten Nederland een effectieve marketingstrategie, heeft een hoog aantal internationale
bezoekers en speelt een belangrijke rol in de internationalisering van de dancewereld.
De leidende gedachte achter de programmering is het streven een overzicht te geven van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van dance. Het ADE is een conferentie en een vakfestival
waarvan vooral de randprogrammering programmeurs aantrekt. Vanuit de ketengedachte
is dit festival daarom zeker van belang omdat jonge bands uit de voorprogramma’s daadwerkelijk worden doorgeboekt. De commissie vindt in dat verband ook de voorgenomen VJ-programmering van belang voor de verdere ontwikkeling van het festival.
Sinds vorig jaar is het ADE als stichting losgemaakt van Buma Cultuur (voorheen Conamus). Een groot deel van de activiteiten, zoals de internationale promotie van dance, behoort echter
nog altijd tot de taakstelling van Buma Cultuur.
Vier jaar geleden adviseerde de Raad voor Cultuur positief over specifiek de uitbreiding van de programmering van het ADE, omdat het Nederlands publiek hierdoor op unieke wijze zou kunnen kennismaken met het Europees talent in het dancegenre, waarin Nederland een toonaangevende rol speelt. De commissie vindt dat de organisatie deze ambitie niet helemaal
heeft waargemaakt. Zij mist een centrale regie over en visie op de programmering op de verschillende podia en vindt het van essentieel belang dat het ADE het getoonde palet beter in evenwicht brengt, vooral gezien de plannen om het aantal podia uit te breiden. De commissie constateert dat enkele deelnemende podia de programmering goed afstemmen, maar dit geldt niet voor alle meewerkende podia. De commissie constateert dat de subsidie voor afzonderlijke podia wel een programmeringsimpuls heeft betekend, maar dat dat voor het geheel nog geen grote meerwaarde heeft opgeleverd. De commissie vindt dat het ADE daar een grotere verantwoordelijkheid in kan nemen. Daarom is zij positief over het plan om hiervoor een (muziekinhoudelijke) programmacoördinator aan te stellen.
De commissie is over het geheel genomen tevreden over het cultureel ondernemerschap van de organisatie, maar constateert wel dat de instelling kostenbewuster zou kunnen opereren. Ook vindt zij de verdubbeling van de begroting niet in verhouding staan tot de nieuwe activiteiten
die de organisatie wil ondernemen.
Conclusie en advies
De commissie vindt dat het ADE een belangrijke rol vervult als internationaal platform op het gebied van de dance. Een deel van de activiteiten behoort evenwel nog steeds tot de taken van Buma Cultuur. Vanuit de ketengedachte is het festival van belang omdat jonge bands uit de voorprogramma’s daadwerkelijk worden doorgeboekt. De commissie is positief over het ontwikkelen van nieuwe programmaonderdelen en het voornemen een programmacoördinator
aan te stellen om de publieksprogrammering beter in evenwicht te brengen. Zij adviseert het ADE op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 51.950,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 51.950,- (per jaar)
Stichting Amsterdam Sinfonietta
Amsterdam Sinfonietta
Inleiding
Amsterdam Sinfonietta omschrijft zichzelf als ‘een strijkorkest zonder dirigent, dat zich kan en wil blijven meten met de beste strijkorkesten in de wereld’. Het repertoire van het orkest is breed: van barok tot en met hedendaagse muziek. Amsterdam Sinfonietta heeft volgens het beleidsplan ‘een unieke plaats binnen het Nederlandse muziekleven door zich te onderscheiden met een concentratie op het strijkrepertoire, door de mentaliteit van de kamermusicus centraal te stellen, door onder leiding van de concertmeester op te treden, door de hieruit resulterende podiumpresentatie, door de flexibiliteit en door de unieke programmering’. Het orkest geeft reguliere concerten, verstrekt compositieopdrachten en heeft ‘veel aandacht voor repertoireverruiming en bijzondere gastartiesten’.
Amsterdam Sinfonietta wil in de periode 2009-2012 zowel het artistieke niveau als de unieke plaats die zij inneemt in het Nederlandse muziekleven handhaven. De concertpraktijk is daarbij voor het orkest de primaire activiteit. Daarnaast wil de instelling aandacht besteden aan educatieve activiteiten en workshops voor componisten organiseren’.
Amsterdam Sinfonietta ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Naar aanleiding van het beleidsplan is op 21 mei 2008 een nadere uitwerking van de begroting opgevraagd bij de aanvragers.
Beoordeling
De commissie kent Amsterdam Sinfonietta als een kwalitatief goed en levendig strijkersensemble. Door zijn brede repertoirekeuze neemt het een eminente plaats in binnen het Nederlandse muziekleven. De balans die het ensemble weet te vinden tussen toegankelijk werk en bijzondere, meer avontuurlijke stukken, is voorbeeldstellend. De programmering in de jaren 2005-2008 wordt volgens de commissie gekenmerkt door een heldere en artistiek belangwekkende visie en is daarnaast regelmatig gedurfd. Zij is er van overtuigd dat deze lijn in de komende periode wordt doorgezet, maar vindt dat dit in het plan nog wat beter had kunnen worden gearticuleerd.
De commissie is positief over het feit dat Amsterdam Sinfonietta een aantal jaren geleden welbewust heeft gekozen voor de constructie met een spelende concertmeester in plaats van het werken met een dirigent en onderschrijft dat dit niet alleen de uitstraling maar ook de artistieke kwaliteit van het ensemble ten goede komt. De commissie vindt het dan ook jammer dat juist dit onderscheidende uitgangspunt in het beleidsplan van Amsterdam Sinfonietta niet duidelijker is uitgewerkt. Hierdoor lijkt het alsof dit principe niet is verankerd binnen het artistieke beleid van het ensemble.
Amsterdam Sinfonietta investeert niet alleen in samenwerkingsverbanden met strategische partners door zich als ensemble in residence te binden aan zalen, het investeert eveneens in de publieks- ontwikkeling door tegelijkertijd de educatieve activiteiten direct te verbinden aan haar concertpraktijk. De commissie waardeert deze inspanningen en is er van overtuigd dat Amsterdam Sinfonietta op deze manier haar positie aanzienlijk weet te verstevigen. Hoewel zij er veel vertrouwen in heeft dat deze werkwijze succesvol zal worden voortgezet, constateert zij evenwel een enorme toename aan educatieve activiteiten, die haar bijna voorkomt als een verschuiving van kerntaken. Bovendien nemen de hieraan verbonden kosten onevenredig toe terwijl een noodzakelijke didactische onderbouwing ontbreekt. Dit maakt het resultaat onzeker en het risico dat subsidiemiddelen inefficiënt worden ingezet onaanvaardbaar hoog.
Hoewel Amsterdam Sinfonietta stelt dat de gehanteerde formule ten aanzien van de concerten buiten de standplaats daadwerkelijk tot gevolg heeft dat meer publiek de concerten bezoekt, vraagt zij een subsidieverhoging om zodoende de daling van de gemiddelde uitkoopsom te ‘compenseren’ en het marketingbudget te verruimen . De commissie vindt dat Amsterdam Sinfonietta hiermee onvoldoende cultureel ondernemerschap aan de dag legt. De constatering van de instelling dat steeds meer publiek haar concerten bezoekt, biedt naar haar mening naast uitkoopsommen ook andere mogelijkheden om de publieksinkomsten te verhogen, zoals bijvoorbeeld het spelen van concerten op partagebasis. De commissie vindt het dan ook teleurstellend dat hieraan in het beleidsplan geen aandacht wordt besteed.
De bij de aanvraag gepresenteerde toelichting op de begroting maakt duidelijk dat de ambities van Amsterdam Sinfonietta gepaard gaan met een enorme kostenstijging. De commissie stelt vast dat de kostenstijgingen weliswaar met redenen worden omkleed, maar dat zij deze vanwege de reeds genoemde bezwaren onwenselijk vindt. Zij is er dan ook van overtuigd dat Amsterdam Sinfonietta haar kerntaak kan uitvoeren met een lager subsidiebedrag dan gevraagd.
Gezien bovenstaande kritiekpunten acht de commissie het noodzakelijk dat het beleidsplan en de bijbehorende begroting worden herzien.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de uitvoeringskwaliteiten van Amsterdam Sinfonietta en heeft er op grond van de betekenis die het ensemble heeft voldoende vertrouwen in dat een onderscheidende bijdrage zal worden geleverd aan het Nederlandse podiumkunstenbestel. Zij is evenwel van mening dat het ensemble haar bedrijfsvoering dient te verbeteren en een evenwichtiger verhouding tussen haar kerntaak en de educatieve activiteiten kan bewerkstelligen. De commissie adviseert Amsterdam Sinfonietta op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie vraagt aandacht voor een herziening van het beleidsplan op het gebied van bedrijfsvoering en zakelijk beleid, mede gezien het grote verschil tussen het gevraagde en geadviseerde subsidiebedrag.
Amsterdam Sinfonietta omschrijft zichzelf als ‘een strijkorkest zonder dirigent, dat zich kan en wil blijven meten met de beste strijkorkesten in de wereld’. Het repertoire van het orkest is breed: van barok tot en met hedendaagse muziek. Amsterdam Sinfonietta heeft volgens het beleidsplan ‘een unieke plaats binnen het Nederlandse muziekleven door zich te onderscheiden met een concentratie op het strijkrepertoire, door de mentaliteit van de kamermusicus centraal te stellen, door onder leiding van de concertmeester op te treden, door de hieruit resulterende podiumpresentatie, door de flexibiliteit en door de unieke programmering’. Het orkest geeft reguliere concerten, verstrekt compositieopdrachten en heeft ‘veel aandacht voor repertoireverruiming en bijzondere gastartiesten’.
Amsterdam Sinfonietta wil in de periode 2009-2012 zowel het artistieke niveau als de unieke plaats die zij inneemt in het Nederlandse muziekleven handhaven. De concertpraktijk is daarbij voor het orkest de primaire activiteit. Daarnaast wil de instelling aandacht besteden aan educatieve activiteiten en workshops voor componisten organiseren’.
Amsterdam Sinfonietta ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Naar aanleiding van het beleidsplan is op 21 mei 2008 een nadere uitwerking van de begroting opgevraagd bij de aanvragers.
Beoordeling
De commissie kent Amsterdam Sinfonietta als een kwalitatief goed en levendig strijkersensemble. Door zijn brede repertoirekeuze neemt het een eminente plaats in binnen het Nederlandse muziekleven. De balans die het ensemble weet te vinden tussen toegankelijk werk en bijzondere, meer avontuurlijke stukken, is voorbeeldstellend. De programmering in de jaren 2005-2008 wordt volgens de commissie gekenmerkt door een heldere en artistiek belangwekkende visie en is daarnaast regelmatig gedurfd. Zij is er van overtuigd dat deze lijn in de komende periode wordt doorgezet, maar vindt dat dit in het plan nog wat beter had kunnen worden gearticuleerd.
De commissie is positief over het feit dat Amsterdam Sinfonietta een aantal jaren geleden welbewust heeft gekozen voor de constructie met een spelende concertmeester in plaats van het werken met een dirigent en onderschrijft dat dit niet alleen de uitstraling maar ook de artistieke kwaliteit van het ensemble ten goede komt. De commissie vindt het dan ook jammer dat juist dit onderscheidende uitgangspunt in het beleidsplan van Amsterdam Sinfonietta niet duidelijker is uitgewerkt. Hierdoor lijkt het alsof dit principe niet is verankerd binnen het artistieke beleid van het ensemble.
Amsterdam Sinfonietta investeert niet alleen in samenwerkingsverbanden met strategische partners door zich als ensemble in residence te binden aan zalen, het investeert eveneens in de publieks- ontwikkeling door tegelijkertijd de educatieve activiteiten direct te verbinden aan haar concertpraktijk. De commissie waardeert deze inspanningen en is er van overtuigd dat Amsterdam Sinfonietta op deze manier haar positie aanzienlijk weet te verstevigen. Hoewel zij er veel vertrouwen in heeft dat deze werkwijze succesvol zal worden voortgezet, constateert zij evenwel een enorme toename aan educatieve activiteiten, die haar bijna voorkomt als een verschuiving van kerntaken. Bovendien nemen de hieraan verbonden kosten onevenredig toe terwijl een noodzakelijke didactische onderbouwing ontbreekt. Dit maakt het resultaat onzeker en het risico dat subsidiemiddelen inefficiënt worden ingezet onaanvaardbaar hoog.
Hoewel Amsterdam Sinfonietta stelt dat de gehanteerde formule ten aanzien van de concerten buiten de standplaats daadwerkelijk tot gevolg heeft dat meer publiek de concerten bezoekt, vraagt zij een subsidieverhoging om zodoende de daling van de gemiddelde uitkoopsom te ‘compenseren’ en het marketingbudget te verruimen . De commissie vindt dat Amsterdam Sinfonietta hiermee onvoldoende cultureel ondernemerschap aan de dag legt. De constatering van de instelling dat steeds meer publiek haar concerten bezoekt, biedt naar haar mening naast uitkoopsommen ook andere mogelijkheden om de publieksinkomsten te verhogen, zoals bijvoorbeeld het spelen van concerten op partagebasis. De commissie vindt het dan ook teleurstellend dat hieraan in het beleidsplan geen aandacht wordt besteed.
De bij de aanvraag gepresenteerde toelichting op de begroting maakt duidelijk dat de ambities van Amsterdam Sinfonietta gepaard gaan met een enorme kostenstijging. De commissie stelt vast dat de kostenstijgingen weliswaar met redenen worden omkleed, maar dat zij deze vanwege de reeds genoemde bezwaren onwenselijk vindt. Zij is er dan ook van overtuigd dat Amsterdam Sinfonietta haar kerntaak kan uitvoeren met een lager subsidiebedrag dan gevraagd.
Gezien bovenstaande kritiekpunten acht de commissie het noodzakelijk dat het beleidsplan en de bijbehorende begroting worden herzien.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de uitvoeringskwaliteiten van Amsterdam Sinfonietta en heeft er op grond van de betekenis die het ensemble heeft voldoende vertrouwen in dat een onderscheidende bijdrage zal worden geleverd aan het Nederlandse podiumkunstenbestel. Zij is evenwel van mening dat het ensemble haar bedrijfsvoering dient te verbeteren en een evenwichtiger verhouding tussen haar kerntaak en de educatieve activiteiten kan bewerkstelligen. De commissie adviseert Amsterdam Sinfonietta op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie vraagt aandacht voor een herziening van het beleidsplan op het gebied van bedrijfsvoering en zakelijk beleid, mede gezien het grote verschil tussen het gevraagde en geadviseerde subsidiebedrag.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 651.284,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 651.284,- (per jaar)
Stichting Amsterdams Kleinkunst Festival
Amsterdams Kleinkunst Festival
Inleiding
Het Amsterdams Kleinkunst Festival is in 1988 opgericht en heeft zich volgens het beleidsplan
ontwikkeld tot een van de meest toonaangevende kleinkunstfestivals in Nederland. Alle activiteiten hebben een landelijk bereik. De meest prominente onderdelen zijn het Concours om de Wim Sonneveldprijs, de Annie M.G. Schmidtprijs en de jaarlijkse muziektheaterproductie.
Het beleidsplan geeft aan dat het festival ontmoetingen tussen jong talent, professionele makers en publiek wil scheppen, kwalitatief hoogwaardige producties wil maken, de kleinkunstcanon
levend wil houden en educatie voor jeugd en jongeren wil organiseren. Het festival
streeft ernaar een breed en divers publiek te bereiken en wil gastvrij en laagdrempelig zijn.
De komende jaren wil het Amsterdams Kleinkunst Festival zijn landelijke bereik vergroten door met een aantal theaters samen te werken om zowel de muziektheaterproductie als de finalisten van het Concours om de Wim Sonneveldprijs in het land te laten spelen. Ook wil het de educatiefunctie verder uitbouwen en als nieuw onderdeel een Slam Poetry Festival gaan organiseren.
De activiteiten zijn gericht op het ondersteunen van talent (en niet zomaar in het diepe gooien), het bekronen van kwaliteit en het levend houden van het erfgoed. Daarmee beoogt het festival bij te dragen aan de artistieke en inhoudelijke kwaliteit en professionalisering van de kleinkunstdiscipline en het vergroten van het publiek hiervoor.
Het Amsterdams Kleinkunst Festival heeft oorspronkelijk een subsidieverzoek ingediend bij het Fonds. Het ministerie van OCW heeft de aanvraag in eerste instantie ondergebracht bij de aanvraagprocedure voor de basisinfrastructuur 2009-2012 in de categorie ontwikkelfunctie.
De Raad voor Cultuur heeft vervolgens geoordeeld dat het Amsterdams Kleinkunst Festival
in essentie een festival voor professionals is en niet, zoals de door het ministerie van OCW voorgelegde aanvraag met betrekking tot de ontwikkelfunctie suggereert, op het terrein
van semi-professionele en amateurkunst. Om die reden is de aanvraag op 15 mei alsnog overgeheveld naar het Fonds voor beoordeling.
Het Amsterdams Kleinkunst Festival ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Het Amsterdams Kleinkunst Festival functioneert als overkoepeling voor tal van activiteiten die de organisatie op het gebied van kleinkunst onderneemt. De belangrijkste pijler is een landelijk concours om de Wim Sonneveldprijs met een finale in Amsterdam. Daarnaast maakt de organisatie een jaarlijkse muziektheaterproductie en organiseert het in samenwerking
met Buma Cultuur de uitreiking van de Annie M.G. Schmidtprijs en de Avond van het Nieuwe Lied, waaraan ook een workshop verbonden is. De commissie onderschrijft de zelfanalyse van aanvrager dat de uitstraling van het festival, de avonden in Amsterdam, beperkt is. Het Amsterdams Kleinkunst Festival levert een bijdrage aan het aanbod, omdat de organisatie het enige festival is dat op deze manier het Nederlandse repertoire en schrijvers,
componisten en vertolkers van het Nederlandse lied centraal stelt. De commissie waardeert
de ambitie van de organisatie om het festivaldeel te positioneren als cultureel evenement, dat moet uitgroeien tot hèt jaarlijkse evenement waar de interessante ontwikkelingen
op kleinkunstgebied plaatsvinden. De commissie ziet in het plan vooralsnog weinig aanleiding om er vertrouwen in te hebben dat dit zal lukken. De organisatie heeft voldoende eigen inzicht om van een groot aantal punten als marketing en gerichte publieksontwikkeling
te constateren dat het nog aan kundigheid op dat vlak ontbreekt, maar de commissie mist een plan van aanpak om deze punten daadwerkelijk te verbeteren.
Het belang van het Amsterdams Kleinkunst Festival is volgens de commissie primair gelegen
in de manier waarop het beginnende kleinkunstenaars begeleidt. Daarmee onderscheidt
het zich ook van soortgelijke festivals en concoursen. De commissie waardeert de wijze waarop een uitgebreid professioneel begeleidingstraject aan de finale van het Wim Sonneveldconcours in Amsterdam voorafgaat. De finalisten maken middels een uitgebreide try-out tournee door Nederland ‘vlieguren’ en worden dan begeleid door professionele coaches.
Eenzelfde zorg voor aankomende kleinkunstenaars legt aanvrager ook bij zijn overige activiteiten aan de dag. De commissie is van mening dat de organisatie een duidelijke rol vervult in de schakels tussen het stimuleren van de ontwikkeling van het aanbod en de afname hiervan. De commissie vindt de bijdrage aan de verschillende facetten van het kleinkunstvak waardevol en vindt dat het Amsterdams Kleinkunst Festival in dat opzicht een bijdrage levert aan dit genre. De commissie constateert daarbij dat het festival in de praktijk goed functioneert, maar is van mening dat deze voor de toekomst ook zorg moet dragen voor een professionaliseringstraject van de eigen organisatie.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt positief over de subsidieaanvraag van het Amsterdams Kleinkunst Festival gezien zijn bijdrage aan de ontwikkeling en professionalisering van het genre kleinkunst.
Daarmee onderscheidt het zich ook van soortgelijke festivals en concoursen. Wel acht de commissie het nodig dat aanvrager zijn eigen organisatie op een hoger professioneel niveau brengt. Op basis van het belang van de organisatie voor het genre adviseert de commissie
het Amsterdams Kleinkunst Festival op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Amsterdams Kleinkunst Festival is in 1988 opgericht en heeft zich volgens het beleidsplan
ontwikkeld tot een van de meest toonaangevende kleinkunstfestivals in Nederland. Alle activiteiten hebben een landelijk bereik. De meest prominente onderdelen zijn het Concours om de Wim Sonneveldprijs, de Annie M.G. Schmidtprijs en de jaarlijkse muziektheaterproductie.
Het beleidsplan geeft aan dat het festival ontmoetingen tussen jong talent, professionele makers en publiek wil scheppen, kwalitatief hoogwaardige producties wil maken, de kleinkunstcanon
levend wil houden en educatie voor jeugd en jongeren wil organiseren. Het festival
streeft ernaar een breed en divers publiek te bereiken en wil gastvrij en laagdrempelig zijn.
De komende jaren wil het Amsterdams Kleinkunst Festival zijn landelijke bereik vergroten door met een aantal theaters samen te werken om zowel de muziektheaterproductie als de finalisten van het Concours om de Wim Sonneveldprijs in het land te laten spelen. Ook wil het de educatiefunctie verder uitbouwen en als nieuw onderdeel een Slam Poetry Festival gaan organiseren.
De activiteiten zijn gericht op het ondersteunen van talent (en niet zomaar in het diepe gooien), het bekronen van kwaliteit en het levend houden van het erfgoed. Daarmee beoogt het festival bij te dragen aan de artistieke en inhoudelijke kwaliteit en professionalisering van de kleinkunstdiscipline en het vergroten van het publiek hiervoor.
Het Amsterdams Kleinkunst Festival heeft oorspronkelijk een subsidieverzoek ingediend bij het Fonds. Het ministerie van OCW heeft de aanvraag in eerste instantie ondergebracht bij de aanvraagprocedure voor de basisinfrastructuur 2009-2012 in de categorie ontwikkelfunctie.
De Raad voor Cultuur heeft vervolgens geoordeeld dat het Amsterdams Kleinkunst Festival
in essentie een festival voor professionals is en niet, zoals de door het ministerie van OCW voorgelegde aanvraag met betrekking tot de ontwikkelfunctie suggereert, op het terrein
van semi-professionele en amateurkunst. Om die reden is de aanvraag op 15 mei alsnog overgeheveld naar het Fonds voor beoordeling.
Het Amsterdams Kleinkunst Festival ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Het Amsterdams Kleinkunst Festival functioneert als overkoepeling voor tal van activiteiten die de organisatie op het gebied van kleinkunst onderneemt. De belangrijkste pijler is een landelijk concours om de Wim Sonneveldprijs met een finale in Amsterdam. Daarnaast maakt de organisatie een jaarlijkse muziektheaterproductie en organiseert het in samenwerking
met Buma Cultuur de uitreiking van de Annie M.G. Schmidtprijs en de Avond van het Nieuwe Lied, waaraan ook een workshop verbonden is. De commissie onderschrijft de zelfanalyse van aanvrager dat de uitstraling van het festival, de avonden in Amsterdam, beperkt is. Het Amsterdams Kleinkunst Festival levert een bijdrage aan het aanbod, omdat de organisatie het enige festival is dat op deze manier het Nederlandse repertoire en schrijvers,
componisten en vertolkers van het Nederlandse lied centraal stelt. De commissie waardeert
de ambitie van de organisatie om het festivaldeel te positioneren als cultureel evenement, dat moet uitgroeien tot hèt jaarlijkse evenement waar de interessante ontwikkelingen
op kleinkunstgebied plaatsvinden. De commissie ziet in het plan vooralsnog weinig aanleiding om er vertrouwen in te hebben dat dit zal lukken. De organisatie heeft voldoende eigen inzicht om van een groot aantal punten als marketing en gerichte publieksontwikkeling
te constateren dat het nog aan kundigheid op dat vlak ontbreekt, maar de commissie mist een plan van aanpak om deze punten daadwerkelijk te verbeteren.
Het belang van het Amsterdams Kleinkunst Festival is volgens de commissie primair gelegen
in de manier waarop het beginnende kleinkunstenaars begeleidt. Daarmee onderscheidt
het zich ook van soortgelijke festivals en concoursen. De commissie waardeert de wijze waarop een uitgebreid professioneel begeleidingstraject aan de finale van het Wim Sonneveldconcours in Amsterdam voorafgaat. De finalisten maken middels een uitgebreide try-out tournee door Nederland ‘vlieguren’ en worden dan begeleid door professionele coaches.
Eenzelfde zorg voor aankomende kleinkunstenaars legt aanvrager ook bij zijn overige activiteiten aan de dag. De commissie is van mening dat de organisatie een duidelijke rol vervult in de schakels tussen het stimuleren van de ontwikkeling van het aanbod en de afname hiervan. De commissie vindt de bijdrage aan de verschillende facetten van het kleinkunstvak waardevol en vindt dat het Amsterdams Kleinkunst Festival in dat opzicht een bijdrage levert aan dit genre. De commissie constateert daarbij dat het festival in de praktijk goed functioneert, maar is van mening dat deze voor de toekomst ook zorg moet dragen voor een professionaliseringstraject van de eigen organisatie.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt positief over de subsidieaanvraag van het Amsterdams Kleinkunst Festival gezien zijn bijdrage aan de ontwikkeling en professionalisering van het genre kleinkunst.
Daarmee onderscheidt het zich ook van soortgelijke festivals en concoursen. Wel acht de commissie het nodig dat aanvrager zijn eigen organisatie op een hoger professioneel niveau brengt. Op basis van het belang van de organisatie voor het genre adviseert de commissie
het Amsterdams Kleinkunst Festival op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 52.424,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 52.424,- (per jaar)
Stichting Asele
Boi Akih (Stichting Asele)
Inleiding
Boi Akih (prinses Akih) is een multicultureel ensemble dat zich beweegt op de grens van jazz, klassieke muziek, wereldmuziek en geïmproviseerde muziek. Centraal staan zangeres Monica Akihari en gitarist Niels Brouwer die, al naar gelang de aard van de projecten, andere musici dan wel technici of beeldend kunstenaars bij het ensemble betrekken. Boi Akih vervult naar eigen zeggen een unieke functie als ‘het enige ensemble dat jazz combineert met muziektradities
uit de Molukken (Indonesië), klassiek Indiase muziek, Afrikaanse muziek en daarbij improviseert. Bovendien vervult het gebruik van de taal van het Molukse eiland Haruku een belangrijke rol in het in stand houden van het Molukse culturele erfgoed’. Het ensemble bestaat sinds 1996, treedt regelmatig op in binnen- en buitenland en bracht meerdere cd’s uit.
Om de organisatie te professionaliseren wil Boi Akih de komende jaren investeren in de ontwikkeling van een beleidsplan, waarbij marketing en publiciteit de speerpunten vormen. Daarnaast uit Boi Akih de wens zich artistiek verder te kunnen ontwikkelen, ruimte te hebben
voor onderzoek en studie en nieuw repertoire en nieuwe muziektheaterproducties te realiseren. De subsidie zal met name worden aangewend voor beheerslasten personeel, repetitievergoeding en activiteitenlasten materieel.
Boi Akih heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Boi Akih is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige
FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van Monica Akihari en Niels Brouwer, de artistiek leiders van het ensemble Boi Akih. De concerten van het ensemble tonen eveneens
een hoge uitvoeringskwaliteit. Boi Akih weet zijn artistieke onderzoeksresultaten te vertalen in een geslaagde podiumpresentatie. De commissie is onder de indruk van de zeer zorgvuldige wijze waarop Boi Akih cultureel erfgoed een hedendaags karakter geeft. Uit de aanvraag maakt de commissie bovendien op dat de instelling een onmiskenbaar eigen artistieke
signatuur heeft. De voorgestelde projecten laten bovendien de ontwikkeling zien die Boi Akih voor ogen staat. Het ensemble neemt daarmee een onderscheidende plaats in op de Nederlandse podia.
De commissie is wel van mening dat het zakelijk beleid van Boi Akih verstevigd dient te worden. Het beleid dat het ensemble formuleert over een effectieve verdere positionering is onvoldoende uitgewerkt. Het ensemble heeft volgens de commissie met haar programmering
een middel in handen om nieuwe, divers samengestelde publieksgroepen te bereiken. Deze onderdelen verdienen in de nabije toekomst meer aandacht. Het feit dat Boi Akih met Mojo Theater samenwerkt en het ensemble een traject volgt van Kunstenaars & Co om zijn professionalisering vorm te geven is daartoe in de ogen van de commissie een eerste waardevolle
aanzet.
Conclusie en advies
Vanwege de hoge uitvoeringskwaliteit en de kwalitatief waardevolle bijdrage van Boi Akih aan een artistiek divers aanbod op de Nederlandse podia oordeelt de commissie dat het ensemble een wezenlijke rol speelt bij de ontwikkeling van het genre wereldmuziek. Wel is de commissie van mening dat verdergaande professionalisering van de instelling noodzakelijk
is. De commissie beschouwt de subsidiebijdrage als stimulans voor het ensemble om haar positie te verstevigen. Zij adviseert Boi Akih op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Boi Akih (prinses Akih) is een multicultureel ensemble dat zich beweegt op de grens van jazz, klassieke muziek, wereldmuziek en geïmproviseerde muziek. Centraal staan zangeres Monica Akihari en gitarist Niels Brouwer die, al naar gelang de aard van de projecten, andere musici dan wel technici of beeldend kunstenaars bij het ensemble betrekken. Boi Akih vervult naar eigen zeggen een unieke functie als ‘het enige ensemble dat jazz combineert met muziektradities
uit de Molukken (Indonesië), klassiek Indiase muziek, Afrikaanse muziek en daarbij improviseert. Bovendien vervult het gebruik van de taal van het Molukse eiland Haruku een belangrijke rol in het in stand houden van het Molukse culturele erfgoed’. Het ensemble bestaat sinds 1996, treedt regelmatig op in binnen- en buitenland en bracht meerdere cd’s uit.
Om de organisatie te professionaliseren wil Boi Akih de komende jaren investeren in de ontwikkeling van een beleidsplan, waarbij marketing en publiciteit de speerpunten vormen. Daarnaast uit Boi Akih de wens zich artistiek verder te kunnen ontwikkelen, ruimte te hebben
voor onderzoek en studie en nieuw repertoire en nieuwe muziektheaterproducties te realiseren. De subsidie zal met name worden aangewend voor beheerslasten personeel, repetitievergoeding en activiteitenlasten materieel.
Boi Akih heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Boi Akih is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige
FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van Monica Akihari en Niels Brouwer, de artistiek leiders van het ensemble Boi Akih. De concerten van het ensemble tonen eveneens
een hoge uitvoeringskwaliteit. Boi Akih weet zijn artistieke onderzoeksresultaten te vertalen in een geslaagde podiumpresentatie. De commissie is onder de indruk van de zeer zorgvuldige wijze waarop Boi Akih cultureel erfgoed een hedendaags karakter geeft. Uit de aanvraag maakt de commissie bovendien op dat de instelling een onmiskenbaar eigen artistieke
signatuur heeft. De voorgestelde projecten laten bovendien de ontwikkeling zien die Boi Akih voor ogen staat. Het ensemble neemt daarmee een onderscheidende plaats in op de Nederlandse podia.
De commissie is wel van mening dat het zakelijk beleid van Boi Akih verstevigd dient te worden. Het beleid dat het ensemble formuleert over een effectieve verdere positionering is onvoldoende uitgewerkt. Het ensemble heeft volgens de commissie met haar programmering
een middel in handen om nieuwe, divers samengestelde publieksgroepen te bereiken. Deze onderdelen verdienen in de nabije toekomst meer aandacht. Het feit dat Boi Akih met Mojo Theater samenwerkt en het ensemble een traject volgt van Kunstenaars & Co om zijn professionalisering vorm te geven is daartoe in de ogen van de commissie een eerste waardevolle
aanzet.
Conclusie en advies
Vanwege de hoge uitvoeringskwaliteit en de kwalitatief waardevolle bijdrage van Boi Akih aan een artistiek divers aanbod op de Nederlandse podia oordeelt de commissie dat het ensemble een wezenlijke rol speelt bij de ontwikkeling van het genre wereldmuziek. Wel is de commissie van mening dat verdergaande professionalisering van de instelling noodzakelijk
is. De commissie beschouwt de subsidiebijdrage als stimulans voor het ensemble om haar positie te verstevigen. Zij adviseert Boi Akih op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 29.075,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 29.075,- (per jaar)
Stichting ’t Barre Land
’t Barre Land
Inleiding
’t Barre Land is een Utrechts toneelgezelschap dat zichzelf toneelspelersensemble noemt. De kern bestaat uit Floortje Bakkeren, Vincent van den Berg, Margijn Bosch, Florian Diepenbrock,
Anouk Driessen, Michiel Johannes Jansen, Peter Kolpa, Ingejan Ligthart Schenk, Martijn Nieuwerf, Simone Scholts en Czeslaw de Wijs. Sinds de eerste voorstelling in 1990 opereert ’t Barre Land als collectief. Beslissingen over repertoire en organisatie worden samen genomen.
Het gezelschap heeft een voorliefde voor klassieke, complexe toneelstukken. De leden vertalen
en bewerken de meeste stukken zelf. Veel van de voorstellingen van ’t Barre Land blijven
op het repertoire. Er wordt aan doorgewerkt en de stukken worden opnieuw getoond als de gelegenheid zich voordoet.
Het atelier van ’t Barre Land is de voormalige Snijzaal Diergeneeskunde in Utrecht. Soms spelen de voorstellingen in eigen huis, maar meestal zijn de producties te zien in het vlakkevloercircuit.
’t Barre Land wil zich de komende jaren als een avant-garde gezelschap profileren.
In de tijdelijke repertoirevereniging Dertien Rijen werkt ’t Barre Land herhaaldelijk samen met verwante gezelschappen als Dood Paard, Maatschappij Discordia en Cie. Marius. Dertien
Rijen neemt voor een periode van enkele weken een schouwburg of toneelzaal ‘in bezit’.
Er zijn plannen voor twintig nieuwe stukken in de periode 2009-2012, naast de stukken die al op het repertoire staan. Om de (artistieke) ambities te realiseren wil ’t Barre Land het ensemble uitbreiden met een toneelspeler en de kantoorbezetting uitbreiden met een halve formatieplaats. Het gezelschap zegt behoefte te hebben aan realistische productiebudgetten.
’t Barre Land vraagt € 534.933 bij het NFPK+.
’t Barre Land ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie vindt het voor de veelkleurigheid van het palet van het Nederlandse theater van belang dat het repertoire waarvan ’t Barre land zich bedient, op de Nederlandse podia te zien is. ’t Barre Land neemt binnen het lokale en landelijke theateraanbod een plaats van betekenis in. Na een lastige periode, waarin de geest er een beetje uit leek te zijn, heeft de groep zich enigszins hervonden. De voorstellingen hebben een wisselende spelkwaliteit, maar zijn intellectueel nog steeds prikkelend.
Enige tijd geleden heeft de groep enkele gezichtsbepalende leden zien vertrekken. De resterende
leden zetten de artistieke koers uit voor de komende jaren. De commissie constateert dat ’t Barre Land in het beleidsplan slechts zijdelings ingaat op deze ingrijpende ontwikkelingen.
In het plan is mager uitgewerkt hoe de groep zich anno 2009 als avant-gardegezelschap wil profileren. Bovendien heeft de commissie in het plan geen artistieke motivering aangetroffen
voor de wens tot uitbereiding van de groep. De commissie heeft de indruk dat het plan wel in een richting voorziet maar dat de groep zelf nog onvoldoende zicht heeft op een helder
collectief doel. Zij vindt het nodig dat ’t Barre Land zich hiervan rekenschap geeft en een doordachte artistieke ontwikkelingsrichting kiest.
Verder vindt de commissie dat ’t Barre Land meer aandacht zou moeten besteden aan het publieksbereik. Het is evident dat de groep intieme, geëngageerde voorstellingen maakt waar geen grote mensenmassa’s op af komen. Het plan gaat er daarentegen vanuit dat het publieksbereik met ongeveer de helft zal toenemen, zonder dat de groep daar doordachte strategieën tegenover stelt. De commissie vindt juist dat de groep bij haar specifieke en niet eenvoudige repertoirekeuze moet waken voor marginalisering.
De commissie is positief over het voornemen van de groep om veel voorstellingen op het repertoire te houden en over de samenwerkingen met verwante gezelschappen.
Conclusie en advies
De commissie is van oordeel dat ’t Barre land als Utrechts toneelspelersensemble pur sang een geheel eigen plaats inneemt in het theaterbestel. Het beleidsplan geeft aanleiding tot kritiek op de geringe artistieke ontwikkeling en de beperkte zelfreflectie van de groep. Op dit vlak staat ’t Barre Land de komende periode voor de opgave zich te hervinden en te verbeteren.
De commissie adviseert ’t Barre land op te nemen in de Vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en de subsiside te handhaven op huidig niveau.
’t Barre Land is een Utrechts toneelgezelschap dat zichzelf toneelspelersensemble noemt. De kern bestaat uit Floortje Bakkeren, Vincent van den Berg, Margijn Bosch, Florian Diepenbrock,
Anouk Driessen, Michiel Johannes Jansen, Peter Kolpa, Ingejan Ligthart Schenk, Martijn Nieuwerf, Simone Scholts en Czeslaw de Wijs. Sinds de eerste voorstelling in 1990 opereert ’t Barre Land als collectief. Beslissingen over repertoire en organisatie worden samen genomen.
Het gezelschap heeft een voorliefde voor klassieke, complexe toneelstukken. De leden vertalen
en bewerken de meeste stukken zelf. Veel van de voorstellingen van ’t Barre Land blijven
op het repertoire. Er wordt aan doorgewerkt en de stukken worden opnieuw getoond als de gelegenheid zich voordoet.
Het atelier van ’t Barre Land is de voormalige Snijzaal Diergeneeskunde in Utrecht. Soms spelen de voorstellingen in eigen huis, maar meestal zijn de producties te zien in het vlakkevloercircuit.
’t Barre Land wil zich de komende jaren als een avant-garde gezelschap profileren.
In de tijdelijke repertoirevereniging Dertien Rijen werkt ’t Barre Land herhaaldelijk samen met verwante gezelschappen als Dood Paard, Maatschappij Discordia en Cie. Marius. Dertien
Rijen neemt voor een periode van enkele weken een schouwburg of toneelzaal ‘in bezit’.
Er zijn plannen voor twintig nieuwe stukken in de periode 2009-2012, naast de stukken die al op het repertoire staan. Om de (artistieke) ambities te realiseren wil ’t Barre Land het ensemble uitbreiden met een toneelspeler en de kantoorbezetting uitbreiden met een halve formatieplaats. Het gezelschap zegt behoefte te hebben aan realistische productiebudgetten.
’t Barre Land vraagt € 534.933 bij het NFPK+.
’t Barre Land ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie vindt het voor de veelkleurigheid van het palet van het Nederlandse theater van belang dat het repertoire waarvan ’t Barre land zich bedient, op de Nederlandse podia te zien is. ’t Barre Land neemt binnen het lokale en landelijke theateraanbod een plaats van betekenis in. Na een lastige periode, waarin de geest er een beetje uit leek te zijn, heeft de groep zich enigszins hervonden. De voorstellingen hebben een wisselende spelkwaliteit, maar zijn intellectueel nog steeds prikkelend.
Enige tijd geleden heeft de groep enkele gezichtsbepalende leden zien vertrekken. De resterende
leden zetten de artistieke koers uit voor de komende jaren. De commissie constateert dat ’t Barre Land in het beleidsplan slechts zijdelings ingaat op deze ingrijpende ontwikkelingen.
In het plan is mager uitgewerkt hoe de groep zich anno 2009 als avant-gardegezelschap wil profileren. Bovendien heeft de commissie in het plan geen artistieke motivering aangetroffen
voor de wens tot uitbereiding van de groep. De commissie heeft de indruk dat het plan wel in een richting voorziet maar dat de groep zelf nog onvoldoende zicht heeft op een helder
collectief doel. Zij vindt het nodig dat ’t Barre Land zich hiervan rekenschap geeft en een doordachte artistieke ontwikkelingsrichting kiest.
Verder vindt de commissie dat ’t Barre Land meer aandacht zou moeten besteden aan het publieksbereik. Het is evident dat de groep intieme, geëngageerde voorstellingen maakt waar geen grote mensenmassa’s op af komen. Het plan gaat er daarentegen vanuit dat het publieksbereik met ongeveer de helft zal toenemen, zonder dat de groep daar doordachte strategieën tegenover stelt. De commissie vindt juist dat de groep bij haar specifieke en niet eenvoudige repertoirekeuze moet waken voor marginalisering.
De commissie is positief over het voornemen van de groep om veel voorstellingen op het repertoire te houden en over de samenwerkingen met verwante gezelschappen.
Conclusie en advies
De commissie is van oordeel dat ’t Barre land als Utrechts toneelspelersensemble pur sang een geheel eigen plaats inneemt in het theaterbestel. Het beleidsplan geeft aanleiding tot kritiek op de geringe artistieke ontwikkeling en de beperkte zelfreflectie van de groep. Op dit vlak staat ’t Barre Land de komende periode voor de opgave zich te hervinden en te verbeteren.
De commissie adviseert ’t Barre land op te nemen in de Vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en de subsiside te handhaven op huidig niveau.
theater
Toegekend bedrag:
€ 478.042,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 478.042,- (per jaar)
Stichting Bambie
Bambie
Inleiding
Bambie is de in Amsterdam gevestigde mimegroep van Paul van der Laan en Jochem Stavenuiter.
Voor de verkoop werkt Bambie samen met Bureau Berbee Culturele Affaires.
De zakelijke leiding is in handen van Wernard Zilver. Bambie wil continueren, bewaken en verdiepen wat zij in de afgelopen jaren heeft opgebouwd. In de cultuurnotaperiode 2005-2008 heeft Bambie gemerkt dat er een publiek bestaat dat behoefte heeft aan haar fysieke en beeldende voorstellingen. In die behoefte wil Bambie blijvend voorzien. Bambie wil jaarlijks
één nieuwe voorstelling maken, waarbij de herkenbaarheid van ‘het merk Bambie’ voorop staat. Artistieke ontwikkeling zoekt Bambie in het voornemen van beide artistiek leiders
om zelf te gaan regisseren, in samenwerking met nieuwe acteurs/theatermakers, en in het bewuster inzetten van elementen zoals vormgeving en muziek, waarvoor specialisten worden aangezocht. Verder wil ze haar internationale activiteiten verstevigen.
Bambie stelt: “Een Bambievoorstelling kan beginnen bij een zin, maar ook bij een documentaire
of een krantenfoto. Daaruit wordt een thema gedestilleerd, waar alle spelers/makers in door Van der Laan en Stavenuiter geleide improvisatiesessies hun fantasie en intuïtie op los laten. Fysieke training en scèneontwikkeling gaan gelijk op; beeld lokt beweging uit en omgekeerd. Het verloop van de uiteindelijke voorstelling ontstaat op de vloer.”
Kenmerkend voor Bambie is de naamgeving van de producties: een nummer per keer. Voor de komende jaren staan de voorstellingen Bambie 14 tot en met Bambie 17 gepland. In de aanvraag staan de uitgangspunten voor deze voorstellingen beschreven alsmede de makers met wie Bambie ze wil ontwikkelen. Verder gaat de groep in de komende vier jaar twee edities
van De Bambierambam (het reprisefestival van Bambie) organiseren.
Voor 2009-2012 vraagt Bambie op jaarbasis € 278.831 subsidie aan bij het Fonds.
Zij programmeert jaarlijks gemiddeld 59 voorstellingen.
Bambie ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het voormalige FAPK heeft incidenteel subsidie verleend voor internationale activiteiten.
Beoordeling
De commissie is enthousiast over de ontwikkeling van Bambie in haar eerste periode als structureel gesubsidieerd gezelschap. Met haar absurdistische en poëtische stijl onderscheidt
zij zich van andere aanbieders. De groep levert naar het oordeel van de commissie een interessante bijdrage aan (de ontwikkeling van) de mime in Nederland.
Het beleidsplan 2009-2012 geeft inzicht in de drijfveren van de makers. Het gaat uit van hun sterke punten maar zij schuwen ook een kritische blik op het eigen functioneren niet. Bambie weet haar ervaringen op een heldere manier naar haar toekomstige projecten te vertalen.
Wat betreft het cultureel ondernemerschap van Bambie vindt de commissie dat het plan plichtmatig klinkt. De groep schrijft te streven naar publieksverruiming. De commissie is er weliswaar van overtuigd dat zij daartoe reële mogelijkheden heeft, zoals via ‘De Bambierambam’,
maar merkt op dat de aanvraag niet voorziet in een uitgekiende (marketing)strategie. In het verlengde hiervan stelt de commissie vast dat ook (culturele) diversiteit in de aanvraag
geen rol van betekenis speelt.
De ambitie en geschetste initiatieven om internationaal actiever te opereren beoordeelt de commissie positief. Bambie heeft hiermee in de afgelopen jaren al ervaring opgedaan en doet daarmee haar voordeel. De commissie merkt echter ook op dat het plan op dit punt nauwelijks getuigt van een structurele aanpak voor de komende jaren. Het beschrijft enkele algemene voornemens en contacten, maar een overtuigende visie hoe Bambie de wereld kan veroveren is er (nog) niet. De commissie vindt dat Bambie hieraan meer aandacht moet besteden.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Bambie zich artistiek-inhoudelijk goed ontwikkelt en een eigen en interessante bijdrage levert aan de ontwikkeling van de mime in Nederland. Wel vindt de commissie het van belang dat de groep zich gedrevener en minder plichtmatig zal bezighouden met publieksverruiming en internationalisering. De commissie adviseert Bambie
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Bambie is de in Amsterdam gevestigde mimegroep van Paul van der Laan en Jochem Stavenuiter.
Voor de verkoop werkt Bambie samen met Bureau Berbee Culturele Affaires.
De zakelijke leiding is in handen van Wernard Zilver. Bambie wil continueren, bewaken en verdiepen wat zij in de afgelopen jaren heeft opgebouwd. In de cultuurnotaperiode 2005-2008 heeft Bambie gemerkt dat er een publiek bestaat dat behoefte heeft aan haar fysieke en beeldende voorstellingen. In die behoefte wil Bambie blijvend voorzien. Bambie wil jaarlijks
één nieuwe voorstelling maken, waarbij de herkenbaarheid van ‘het merk Bambie’ voorop staat. Artistieke ontwikkeling zoekt Bambie in het voornemen van beide artistiek leiders
om zelf te gaan regisseren, in samenwerking met nieuwe acteurs/theatermakers, en in het bewuster inzetten van elementen zoals vormgeving en muziek, waarvoor specialisten worden aangezocht. Verder wil ze haar internationale activiteiten verstevigen.
Bambie stelt: “Een Bambievoorstelling kan beginnen bij een zin, maar ook bij een documentaire
of een krantenfoto. Daaruit wordt een thema gedestilleerd, waar alle spelers/makers in door Van der Laan en Stavenuiter geleide improvisatiesessies hun fantasie en intuïtie op los laten. Fysieke training en scèneontwikkeling gaan gelijk op; beeld lokt beweging uit en omgekeerd. Het verloop van de uiteindelijke voorstelling ontstaat op de vloer.”
Kenmerkend voor Bambie is de naamgeving van de producties: een nummer per keer. Voor de komende jaren staan de voorstellingen Bambie 14 tot en met Bambie 17 gepland. In de aanvraag staan de uitgangspunten voor deze voorstellingen beschreven alsmede de makers met wie Bambie ze wil ontwikkelen. Verder gaat de groep in de komende vier jaar twee edities
van De Bambierambam (het reprisefestival van Bambie) organiseren.
Voor 2009-2012 vraagt Bambie op jaarbasis € 278.831 subsidie aan bij het Fonds.
Zij programmeert jaarlijks gemiddeld 59 voorstellingen.
Bambie ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het voormalige FAPK heeft incidenteel subsidie verleend voor internationale activiteiten.
Beoordeling
De commissie is enthousiast over de ontwikkeling van Bambie in haar eerste periode als structureel gesubsidieerd gezelschap. Met haar absurdistische en poëtische stijl onderscheidt
zij zich van andere aanbieders. De groep levert naar het oordeel van de commissie een interessante bijdrage aan (de ontwikkeling van) de mime in Nederland.
Het beleidsplan 2009-2012 geeft inzicht in de drijfveren van de makers. Het gaat uit van hun sterke punten maar zij schuwen ook een kritische blik op het eigen functioneren niet. Bambie weet haar ervaringen op een heldere manier naar haar toekomstige projecten te vertalen.
Wat betreft het cultureel ondernemerschap van Bambie vindt de commissie dat het plan plichtmatig klinkt. De groep schrijft te streven naar publieksverruiming. De commissie is er weliswaar van overtuigd dat zij daartoe reële mogelijkheden heeft, zoals via ‘De Bambierambam’,
maar merkt op dat de aanvraag niet voorziet in een uitgekiende (marketing)strategie. In het verlengde hiervan stelt de commissie vast dat ook (culturele) diversiteit in de aanvraag
geen rol van betekenis speelt.
De ambitie en geschetste initiatieven om internationaal actiever te opereren beoordeelt de commissie positief. Bambie heeft hiermee in de afgelopen jaren al ervaring opgedaan en doet daarmee haar voordeel. De commissie merkt echter ook op dat het plan op dit punt nauwelijks getuigt van een structurele aanpak voor de komende jaren. Het beschrijft enkele algemene voornemens en contacten, maar een overtuigende visie hoe Bambie de wereld kan veroveren is er (nog) niet. De commissie vindt dat Bambie hieraan meer aandacht moet besteden.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Bambie zich artistiek-inhoudelijk goed ontwikkelt en een eigen en interessante bijdrage levert aan de ontwikkeling van de mime in Nederland. Wel vindt de commissie het van belang dat de groep zich gedrevener en minder plichtmatig zal bezighouden met publieksverruiming en internationalisering. De commissie adviseert Bambie
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 289.312,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 289.312,- (per jaar)
Stichting Baraná
Baraná
Inleiding
Baraná is een ‘Turks-Nederlands cross-over concept’ rond de musici/componisten Behsat Üvez (1959) en Steven Kamperman (1970). Het initiatief ontstond in 2002 vanuit een compositieopdracht
van de Music Meeting in Nijmegen en is wegens succes blijven voortbestaan. Baraná heeft als doelstelling ‘de creatie van nieuwe muziek op het grensvlak tussen Turkse traditionele muziek enerzijds en niet-Turkse (oude en nieuwe) muziek anderzijds’. Kortgezegd
bestempelt Baraná zijn muziek als contemporary folk music of ‘wereldjazz’.
Het Baraná-ensemble treedt op in verschillende formaties, overwegend als kwintet of als trio. Baraná&Co, het grootste ensemble is alleen projectmatig actief vanwege de in Istanbul wonende Cengiz Baytemür. De musici Steven Kamperman en Behsat Üvez zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor concept, compositie, organisatie en uitvoering en studiobewerking.
Doelstellingen voor de periode 2009-2012 zijn het begrip Baraná in al zijn aspecten helder in de markt zetten, de organisatie uitbouwen, de muziek onder internationale aandacht brengen
en educatieve activiteiten uitbreiden. Naast het geven van reguliere concerten wil het ensemble zeven nieuwe programma’s ontwikkelen, te weten ‘Modes et Maqams’ (reprise), ‘Gurbet’, ‘Third New’, ‘Further East’, ‘Panik Atak’, ‘Karagöz ve Hacivat’ en ‘Sarap-Wine’. In 2012 zal een Jubileumfestival plaatsvinden.
Baraná heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. Baraná is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke potentie van Baraná en acht het op deze manier gelijkwaardig samenbrengen van westerse en niet-westerse muziektradities bovendien een verrijking voor het Nederlandse muziekaanbod. Baraná beschrijft helder de artistieke uitgangspunten,
al ontbeert de aanvraag een duidelijke visie die de artistieke ambities op langere
termijn inzichtelijk maakt. Desalniettemin constateert de commissie dat Baraná een interessant initiatief is met voldoende potentie om een onderscheidende bijdrage te leveren aan het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De commissie stelt wel vast dat de zichtbaarheid van Baraná op de podia verbeterd kan worden.
Het ensemble besteedt aan dit onderwerp in de aanvraag weliswaar aandacht, maar in de ogen van de commissie is een effectiever dan geformuleerd beleid noodzakelijk. Dat het ensemble voor de afzet van concerten en de marketing samenwerkt met Stichting Kulsan is een eerste positieve aanzet. Datzelfde geldt voor publieksbereik en -ontwikkeling. Volgens de commissie heeft Baraná met haar bijzondere programmering een middel in handen om nieuwe, ook diverse publieksgroepen te bereiken.
Conclusie en advies
De commissie heeft vertrouwen in de artistieke potentie van Baraná en vindt dat het ensemble
een bijzondere bijdrage levert aan de diversiteit van het Nederlandse muziekaanbod. De commissie acht het noodzakelijk dat de instelling haar zichtbaarheid vergroot en het zakelijk
beleid verder professionaliseert. De commissie beschouwt de subsidiebijdrage als stimulans
voor Baraná om dit te bewerkstelligen. Zij adviseert Baraná op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Baraná is een ‘Turks-Nederlands cross-over concept’ rond de musici/componisten Behsat Üvez (1959) en Steven Kamperman (1970). Het initiatief ontstond in 2002 vanuit een compositieopdracht
van de Music Meeting in Nijmegen en is wegens succes blijven voortbestaan. Baraná heeft als doelstelling ‘de creatie van nieuwe muziek op het grensvlak tussen Turkse traditionele muziek enerzijds en niet-Turkse (oude en nieuwe) muziek anderzijds’. Kortgezegd
bestempelt Baraná zijn muziek als contemporary folk music of ‘wereldjazz’.
Het Baraná-ensemble treedt op in verschillende formaties, overwegend als kwintet of als trio. Baraná&Co, het grootste ensemble is alleen projectmatig actief vanwege de in Istanbul wonende Cengiz Baytemür. De musici Steven Kamperman en Behsat Üvez zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor concept, compositie, organisatie en uitvoering en studiobewerking.
Doelstellingen voor de periode 2009-2012 zijn het begrip Baraná in al zijn aspecten helder in de markt zetten, de organisatie uitbouwen, de muziek onder internationale aandacht brengen
en educatieve activiteiten uitbreiden. Naast het geven van reguliere concerten wil het ensemble zeven nieuwe programma’s ontwikkelen, te weten ‘Modes et Maqams’ (reprise), ‘Gurbet’, ‘Third New’, ‘Further East’, ‘Panik Atak’, ‘Karagöz ve Hacivat’ en ‘Sarap-Wine’. In 2012 zal een Jubileumfestival plaatsvinden.
Baraná heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. Baraná is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke potentie van Baraná en acht het op deze manier gelijkwaardig samenbrengen van westerse en niet-westerse muziektradities bovendien een verrijking voor het Nederlandse muziekaanbod. Baraná beschrijft helder de artistieke uitgangspunten,
al ontbeert de aanvraag een duidelijke visie die de artistieke ambities op langere
termijn inzichtelijk maakt. Desalniettemin constateert de commissie dat Baraná een interessant initiatief is met voldoende potentie om een onderscheidende bijdrage te leveren aan het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De commissie stelt wel vast dat de zichtbaarheid van Baraná op de podia verbeterd kan worden.
Het ensemble besteedt aan dit onderwerp in de aanvraag weliswaar aandacht, maar in de ogen van de commissie is een effectiever dan geformuleerd beleid noodzakelijk. Dat het ensemble voor de afzet van concerten en de marketing samenwerkt met Stichting Kulsan is een eerste positieve aanzet. Datzelfde geldt voor publieksbereik en -ontwikkeling. Volgens de commissie heeft Baraná met haar bijzondere programmering een middel in handen om nieuwe, ook diverse publieksgroepen te bereiken.
Conclusie en advies
De commissie heeft vertrouwen in de artistieke potentie van Baraná en vindt dat het ensemble
een bijzondere bijdrage levert aan de diversiteit van het Nederlandse muziekaanbod. De commissie acht het noodzakelijk dat de instelling haar zichtbaarheid vergroot en het zakelijk
beleid verder professionaliseert. De commissie beschouwt de subsidiebijdrage als stimulans
voor Baraná om dit te bewerkstelligen. Zij adviseert Baraná op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 79.024,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 79.024,- (per jaar)
Stichting Bewegingsalarm
Ulrike Quade
Inleiding
Stichting Bewegingsalarm produceert poppen- en objecttheater; artistiek leidster Ulrike Quade is verantwoordelijk voor idee, concept en uitvoering van de voorstellingen.
Ulrike Quade laat zich voor de inhoud van het werk veelal inspireren door actuele thematiek en door persoonlijke fascinaties. Terugkerende thema’s zijn angst voor bedreiging van de lichamelijke integriteit en de positie van personen die door de maatschappij als afwijkend worden gezien. Met haar voorstellingen wil Bewegingsalarm existentiële vragen en thema’s aanraken. In haar omgang met poppen vervagen de grenzen tussen object en subject en dit leidt tot een subtiel spel met identiteiten.
Volgens de aanvraag heeft Ulrike Quade zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot vormvernieuwer
van het beeldend theater met poppen. De vorm die zij kiest is een synthese van verschillende
theater- en kunstvormen: gesproken taal, dans, performance, muziek, beeldende kunst, video en film. Ulrike Quade werkt vanuit een sterk scenografische invulling van de ruimte en begeeft zich daarmee op het snijvlak van uitvoerende podiumkunst en scenografie.
Als doel voor de komende periode formuleert Ulrike Quade de ontwikkeling en aanscherping
van haar eigen auteurschap. Daarom initieert zij samenwerkingen met (inter)nationale kunstenaars uit andere disciplines. Zij heeft de wens om verschillende `talen’ te spreken: muziek, dans, beeldende kunst en film en wil zich verder ontwikkelen in de rol als regisseur. In het maakproces wil zij zoveel mogelijk zelf op de planken staan, om vervolgens de uitvoering
aan andere spelers en dansers over te dragen. Dit is mede het gevolg van het groter en complexer worden van voorstellingen in aantallen spelers en in scenografie.
Ulrike Quade wil elk jaar een nieuwe voorstelling maken. Eigen aan haar scheppingsproces is dat aan elke voorstelling een studie voorafgaat. Bewegingsalarm heeft als organisatie een bescheiden omvang. Capaciteit voor de zakelijke leiding, de verkoop van de voorstellingen en voor de publiciteit en marketing, wordt per project ingekocht. Vanwege de omvang van de producties wenst Bewegingsalarm een parttime productieleider aan te nemen voor organisatorische
en productionele zaken.
Ulrike Quade vindt het verder belangrijk haar kennis en ervaring te delen met andere (jonge)
poppentheatermakers. Sinds 2005 werkt ze samen met De Proeve, Werkplaats voor Poppen-
en Objecttheater.
Bewegingsalarm vraagt € 244.995 bij het NFPK+.
Bewegingsalarm heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Sinds 2005 is Bewegingsalarm incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Ulrike Quade heeft volgens de commissie de afgelopen jaren aangetoond een vernieuwende en interessante maker te zijn, die een zeer eigen idioom op het gebied van poppentheater heeft ontwikkeld. Haar voorstellingen zijn nationaal en internationaal goed ontvangen. Het werk van Ulrike Quade biedt artistiek-inhoudelijk goede ontwikkelingsmogelijkheden.
De commissie vindt de plannen voor de komende jaren bijzonder. Ze zijn veelzijdig, concreet ingevuld en getuigen van grote internationale ambities. De beoogde samenwerkingen wekken
vertrouwen en bieden goede mogelijkheden voor de verdere ontwikkeling van Ulrike Quade en Bewegingsalarm. De talentvolle artistieke leiding gaat maken èn spelen en draagt over, waarmee de groep een bijzondere invulling geeft aan de artistieke continuïteit. De commissie plaatst als kanttekening dat de reflectie op het ontbinden van de (succesvolle) samenwerking met Duda Paiva in het plan ontbreekt. Bewegingsalarm bezit de kwaliteit om voorstellingen voor een internationaal publiek te maken. Buitenlandse speelbeurten leiden vaak tot waardevolle contacten en nieuwe artistieke samenwerkingen. Hoewel het poppentheater
een ‘kleine’ discipline is, geldt dat van Ulrike Quade als een belangrijk exportprodukt
voor het Nederlandse theater. Gezien de verhouding tussen het aantal Nederlandse en het aantal buitenlandse voorstellingen, lijkt haar belang voor of rol binnen de Nederlandse podiumkunsten op het eerste gezicht beperkt. Door haar betrokkenheid bij bijvoorbeeld de poppentheaterwerkplaats De Proeve draagt ze echter op een wezenlijke manier bij aan de ontwikkeling van het (poppen)theater in Nederland. Niettemin acht de commissie versterking
wenselijk van de positie van Bewegingsalarm in termen van het aantal speelbeurten in Nederland. Er zijn genoeg gerenommeerde theaters die het gezelschap graag zouden willen programmeren. Het plan geeft echter te weinig blijk van inzet op dit punt in de komende jaren.
De commissie plaatst ten slotte kanttekeningen bij de organisatie van Bewegingsalarm. Capaciteit voor de zakelijke leiding en impresario in Nederland worden op projectbasis betrokken. De commissie vraagt zich af of dit, gezien het aantal (inter)nationale activiteiten, voldoende is. Zij acht professionalisering op dit punt wenselijk. Tevens constateert ze dat de eigen inkomsten niet realistisch begroot zijn.
Conclusie en advies
Urike Quade heeft met Bewegingsalarm de afgelopen jaren aangetoond een interessante en ook internationaal succesvolle en relevante maker te zijn van poppen- en objecttheater. De commissie heeft waardering voor haar bijzondere plannen voor de komende periode. Op het gebied van de bedrijfsvoering acht de commissie enige professionalisering wenselijk. De commissie adviseert om Bewegingsalarm op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Stichting Bewegingsalarm produceert poppen- en objecttheater; artistiek leidster Ulrike Quade is verantwoordelijk voor idee, concept en uitvoering van de voorstellingen.
Ulrike Quade laat zich voor de inhoud van het werk veelal inspireren door actuele thematiek en door persoonlijke fascinaties. Terugkerende thema’s zijn angst voor bedreiging van de lichamelijke integriteit en de positie van personen die door de maatschappij als afwijkend worden gezien. Met haar voorstellingen wil Bewegingsalarm existentiële vragen en thema’s aanraken. In haar omgang met poppen vervagen de grenzen tussen object en subject en dit leidt tot een subtiel spel met identiteiten.
Volgens de aanvraag heeft Ulrike Quade zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot vormvernieuwer
van het beeldend theater met poppen. De vorm die zij kiest is een synthese van verschillende
theater- en kunstvormen: gesproken taal, dans, performance, muziek, beeldende kunst, video en film. Ulrike Quade werkt vanuit een sterk scenografische invulling van de ruimte en begeeft zich daarmee op het snijvlak van uitvoerende podiumkunst en scenografie.
Als doel voor de komende periode formuleert Ulrike Quade de ontwikkeling en aanscherping
van haar eigen auteurschap. Daarom initieert zij samenwerkingen met (inter)nationale kunstenaars uit andere disciplines. Zij heeft de wens om verschillende `talen’ te spreken: muziek, dans, beeldende kunst en film en wil zich verder ontwikkelen in de rol als regisseur. In het maakproces wil zij zoveel mogelijk zelf op de planken staan, om vervolgens de uitvoering
aan andere spelers en dansers over te dragen. Dit is mede het gevolg van het groter en complexer worden van voorstellingen in aantallen spelers en in scenografie.
Ulrike Quade wil elk jaar een nieuwe voorstelling maken. Eigen aan haar scheppingsproces is dat aan elke voorstelling een studie voorafgaat. Bewegingsalarm heeft als organisatie een bescheiden omvang. Capaciteit voor de zakelijke leiding, de verkoop van de voorstellingen en voor de publiciteit en marketing, wordt per project ingekocht. Vanwege de omvang van de producties wenst Bewegingsalarm een parttime productieleider aan te nemen voor organisatorische
en productionele zaken.
Ulrike Quade vindt het verder belangrijk haar kennis en ervaring te delen met andere (jonge)
poppentheatermakers. Sinds 2005 werkt ze samen met De Proeve, Werkplaats voor Poppen-
en Objecttheater.
Bewegingsalarm vraagt € 244.995 bij het NFPK+.
Bewegingsalarm heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Sinds 2005 is Bewegingsalarm incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Ulrike Quade heeft volgens de commissie de afgelopen jaren aangetoond een vernieuwende en interessante maker te zijn, die een zeer eigen idioom op het gebied van poppentheater heeft ontwikkeld. Haar voorstellingen zijn nationaal en internationaal goed ontvangen. Het werk van Ulrike Quade biedt artistiek-inhoudelijk goede ontwikkelingsmogelijkheden.
De commissie vindt de plannen voor de komende jaren bijzonder. Ze zijn veelzijdig, concreet ingevuld en getuigen van grote internationale ambities. De beoogde samenwerkingen wekken
vertrouwen en bieden goede mogelijkheden voor de verdere ontwikkeling van Ulrike Quade en Bewegingsalarm. De talentvolle artistieke leiding gaat maken èn spelen en draagt over, waarmee de groep een bijzondere invulling geeft aan de artistieke continuïteit. De commissie plaatst als kanttekening dat de reflectie op het ontbinden van de (succesvolle) samenwerking met Duda Paiva in het plan ontbreekt. Bewegingsalarm bezit de kwaliteit om voorstellingen voor een internationaal publiek te maken. Buitenlandse speelbeurten leiden vaak tot waardevolle contacten en nieuwe artistieke samenwerkingen. Hoewel het poppentheater
een ‘kleine’ discipline is, geldt dat van Ulrike Quade als een belangrijk exportprodukt
voor het Nederlandse theater. Gezien de verhouding tussen het aantal Nederlandse en het aantal buitenlandse voorstellingen, lijkt haar belang voor of rol binnen de Nederlandse podiumkunsten op het eerste gezicht beperkt. Door haar betrokkenheid bij bijvoorbeeld de poppentheaterwerkplaats De Proeve draagt ze echter op een wezenlijke manier bij aan de ontwikkeling van het (poppen)theater in Nederland. Niettemin acht de commissie versterking
wenselijk van de positie van Bewegingsalarm in termen van het aantal speelbeurten in Nederland. Er zijn genoeg gerenommeerde theaters die het gezelschap graag zouden willen programmeren. Het plan geeft echter te weinig blijk van inzet op dit punt in de komende jaren.
De commissie plaatst ten slotte kanttekeningen bij de organisatie van Bewegingsalarm. Capaciteit voor de zakelijke leiding en impresario in Nederland worden op projectbasis betrokken. De commissie vraagt zich af of dit, gezien het aantal (inter)nationale activiteiten, voldoende is. Zij acht professionalisering op dit punt wenselijk. Tevens constateert ze dat de eigen inkomsten niet realistisch begroot zijn.
Conclusie en advies
Urike Quade heeft met Bewegingsalarm de afgelopen jaren aangetoond een interessante en ook internationaal succesvolle en relevante maker te zijn van poppen- en objecttheater. De commissie heeft waardering voor haar bijzondere plannen voor de komende periode. Op het gebied van de bedrijfsvoering acht de commissie enige professionalisering wenselijk. De commissie adviseert om Bewegingsalarm op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 257.935,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 257.935,- (per jaar)
Stichting Bik Bent Braam
Bik Bent Braam
Inleiding
Stichting Bik Bent Braam is opgericht in 1986 door artistiek leider Michiel Braam. Binnen de stichting opereren de ensembles Bik Bent Braam (13 musici), Trio BraamDeJoodeVatcher en verschillende andere (ad hoc) formaties. Sinds de opname in de Cultuurnota vanaf 1995 heeft de organisatie zich geprofessionaliseerd en vond een belangrijke toename van het aantal activiteiten plaats. De laatste vijf jaar vinden de meeste optredens in het buitenland plaats en heeft Michiel Braam ook op de internationale podia een reputatie opgebouwd, zo vermeldt het beleidsplan.
Braams ensembles improviseren op basis van korte composities die de bouwstenen vormen van een concert. Akkoordenschema’s, melodieën en orkestratie liggen van tevoren vast maar de volgorde van de stukken, het tempo en de dynamiek kunnen steeds veranderen. Solo’s, achtergrond en combinaties van musici worden ter plekke bepaald, door alle musici die allemaal
een gelijke verantwoordelijkheid dragen voor het verloop van het concert. Braam ontving
in 1988 de Podiumprijs gevolgd door de Boy Edgar prijs in 1997.
Plannen voor de komende jaren beschrijven nieuw werk voor Bik Bent Braam, samenwerking
van het TrioBraamDeJoodeVatcher met regionale gastspelers en een tour met ‘een hybride groep van musici, afkomstig uit de jazz, pop en klassieke muziek’ langs schouwburgen
en poppodia teneinde nieuw publiek te bereiken. In 2009/2010 is Bik Bent Braam huisensemble
van het SJU Jazzpodium in Utrecht. In samenwerking met ICP en Stichting dOeK wordt gezamenlijk geprogrammeerd op een aantal podia in Nederland en net over de grens, die tot nu toe weinig aan geïmproviseerde muziek hebben gedaan. Daarnaast wil Stichting Bik Bent Braam de internationale groeimogelijkheden verder ontwikkelen. Om het publieksbereik te vergroten wil ze samen het ICP en dOeK een marketing/publiciteitsmedewerker
aantrekken voor 0,6 fte. die voor elke organisatie voor 0,2 fte. op de begroting wordt gezet.
Stichting Bik Bent Braam ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 Stichting Bik Bent Braam is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Bik Bent Braam is een band die al jarenlang uitstekende kwaliteit biedt en zich nog steeds op eigenzinnige wijze ontwikkelt. De muziek is oorspronkelijk en heeft een duidelijke betekenis
voor de ontwikkeling van de jazz in Nederland, maar evenzeer voor het gehele muzikale
aanbod. Ook in de aanvraag wordt een artistieke visie gepresenteerd die de ontwikkeling van het ensemble helder schetst. Bijzonder is dat artistiek en bandleider Michiel Braam zichtbaar hard werkt aan de artistieke beweging van zowel zijn groep als zichzelf.
Stichting Bik Bent Braam toont zich een vitale organisatie door kritisch de eigen bedrijfsvoering
tegen het licht te houden, en actief op zoek te gaan naar nieuwe speelplekken en nieuw publiek.
De commissie is echter wel van mening dat de inspanning gericht op het publieksbereik effectiever kan. Zij vindt dat Bik Bent Braam als band nog steeds kampt met een moeizame presentatie van zichzelf en meent dat de groep slagvaardiger naar buiten moet treden. De stichting ontbeert een beleid dat de muzikale uitstraling van Bik Bent Braam als merk versterkt.
De commissie kan zich dan ook vinden in de wens van de stichting om de komende tijd vooral te investeren in bedrijfsvoering, marketing en de versteviging van het imago.
Bik Bent Braam toont zich bewust van de ketengedachte en maakt duidelijk een zinvol onderscheid tussen de eigen verantwoordelijkheid en die van de podia. De instelling opereert
in het buitenland op een even zorgvuldige wijze.
De door Stichting Bik Bent Braam gepresenteerde begroting getuigt volgens de commissie van een bijzonder efficiënte inzet van subsidie en van realiteitszin. De voorgenomen facilitaire
samenwerking met Stichting dOeK en ICP lijkt de commissie zinvol en oogt kostenbesparend.
Conclusie en advies
Op grond van de oorspronkelijke artistieke prestaties van Bik Bent Braam, die volgens de commissie niet alleen een waardevolle bijdrage betekenen voor de jazz, maar evenzeer voor het gehele muzikale aanbod, oordeelt de commissie positief over de aanvraag van de instelling.
Zij acht ook de bedrijfsvoering en het cultureel ondernemerschap van goed niveau. De commissie adviseert Bik Bent Braam op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
Stichting Bik Bent Braam is opgericht in 1986 door artistiek leider Michiel Braam. Binnen de stichting opereren de ensembles Bik Bent Braam (13 musici), Trio BraamDeJoodeVatcher en verschillende andere (ad hoc) formaties. Sinds de opname in de Cultuurnota vanaf 1995 heeft de organisatie zich geprofessionaliseerd en vond een belangrijke toename van het aantal activiteiten plaats. De laatste vijf jaar vinden de meeste optredens in het buitenland plaats en heeft Michiel Braam ook op de internationale podia een reputatie opgebouwd, zo vermeldt het beleidsplan.
Braams ensembles improviseren op basis van korte composities die de bouwstenen vormen van een concert. Akkoordenschema’s, melodieën en orkestratie liggen van tevoren vast maar de volgorde van de stukken, het tempo en de dynamiek kunnen steeds veranderen. Solo’s, achtergrond en combinaties van musici worden ter plekke bepaald, door alle musici die allemaal
een gelijke verantwoordelijkheid dragen voor het verloop van het concert. Braam ontving
in 1988 de Podiumprijs gevolgd door de Boy Edgar prijs in 1997.
Plannen voor de komende jaren beschrijven nieuw werk voor Bik Bent Braam, samenwerking
van het TrioBraamDeJoodeVatcher met regionale gastspelers en een tour met ‘een hybride groep van musici, afkomstig uit de jazz, pop en klassieke muziek’ langs schouwburgen
en poppodia teneinde nieuw publiek te bereiken. In 2009/2010 is Bik Bent Braam huisensemble
van het SJU Jazzpodium in Utrecht. In samenwerking met ICP en Stichting dOeK wordt gezamenlijk geprogrammeerd op een aantal podia in Nederland en net over de grens, die tot nu toe weinig aan geïmproviseerde muziek hebben gedaan. Daarnaast wil Stichting Bik Bent Braam de internationale groeimogelijkheden verder ontwikkelen. Om het publieksbereik te vergroten wil ze samen het ICP en dOeK een marketing/publiciteitsmedewerker
aantrekken voor 0,6 fte. die voor elke organisatie voor 0,2 fte. op de begroting wordt gezet.
Stichting Bik Bent Braam ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 Stichting Bik Bent Braam is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Bik Bent Braam is een band die al jarenlang uitstekende kwaliteit biedt en zich nog steeds op eigenzinnige wijze ontwikkelt. De muziek is oorspronkelijk en heeft een duidelijke betekenis
voor de ontwikkeling van de jazz in Nederland, maar evenzeer voor het gehele muzikale
aanbod. Ook in de aanvraag wordt een artistieke visie gepresenteerd die de ontwikkeling van het ensemble helder schetst. Bijzonder is dat artistiek en bandleider Michiel Braam zichtbaar hard werkt aan de artistieke beweging van zowel zijn groep als zichzelf.
Stichting Bik Bent Braam toont zich een vitale organisatie door kritisch de eigen bedrijfsvoering
tegen het licht te houden, en actief op zoek te gaan naar nieuwe speelplekken en nieuw publiek.
De commissie is echter wel van mening dat de inspanning gericht op het publieksbereik effectiever kan. Zij vindt dat Bik Bent Braam als band nog steeds kampt met een moeizame presentatie van zichzelf en meent dat de groep slagvaardiger naar buiten moet treden. De stichting ontbeert een beleid dat de muzikale uitstraling van Bik Bent Braam als merk versterkt.
De commissie kan zich dan ook vinden in de wens van de stichting om de komende tijd vooral te investeren in bedrijfsvoering, marketing en de versteviging van het imago.
Bik Bent Braam toont zich bewust van de ketengedachte en maakt duidelijk een zinvol onderscheid tussen de eigen verantwoordelijkheid en die van de podia. De instelling opereert
in het buitenland op een even zorgvuldige wijze.
De door Stichting Bik Bent Braam gepresenteerde begroting getuigt volgens de commissie van een bijzonder efficiënte inzet van subsidie en van realiteitszin. De voorgenomen facilitaire
samenwerking met Stichting dOeK en ICP lijkt de commissie zinvol en oogt kostenbesparend.
Conclusie en advies
Op grond van de oorspronkelijke artistieke prestaties van Bik Bent Braam, die volgens de commissie niet alleen een waardevolle bijdrage betekenen voor de jazz, maar evenzeer voor het gehele muzikale aanbod, oordeelt de commissie positief over de aanvraag van de instelling.
Zij acht ook de bedrijfsvoering en het cultureel ondernemerschap van goed niveau. De commissie adviseert Bik Bent Braam op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 185.261,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 185.261,- (per jaar)
Stichting Brokken
Brokken
Inleiding
‘Stichting Brokken initieert grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden, stimuleert kruis- bestuivende projecten en hoopt onder andere op die manier publieksgroepen uit diverse circuits te mobiliseren’, aldus het beleidsplan. Binnen de stichting zijn sinds de oprichting diverse producties gerealiseerd in samenwerking met bekende schrijvers en musici uit onder meer de popmuziek, jazzmuziek en de klassieke muziek. Oprichter Corrie van Binsbergen streeft er als componiste/bandleider naar met haar ensembles voor een zo divers mogelijk publiek op te treden in zeer verschillende circuits om zo ‘de hokjesgeest te verjagen’.
Voor de periode 2009-2012 wil Stichting Brokken naast de ontwikkeling van bestaande groepen
en projecten een aantal nieuwe initiatieven ontwikkelen. Het activiteitenplan noemt onder meer een workshop voor talentvolle jonge musici onder de naam ‘Brokkenleerorkest’, twee festivals per jaar in het Bimhuis met hoogtepunten uit de eigen serie ‘Brokkenavonden’
in Zaal 100, een opera in samenwerking met Josse de Pauw en een internationaal ensemble van musici op diverse snaarinstrumenten onder de naam ‘No strings attached’. De begroting is gebaseerd op een gemiddeld aantal concerten van 25 per jaar, waarvan acht tot twaalf met een grotere productie en gemiddeld zes in het buitenland.
Stichting Brokken ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Stichting Brokken is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is van mening dat de verschillende groepen die ressorteren onder Stichting Brokken ieder op hun eigen wijze een bijzondere bijdrage leveren aan het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De aanvraag van de instelling toont een oorspronkelijke artistieke visie die de commissie veel vertrouwen geeft in de ontwikkeling van Stichting Brokken. De projecten zijn divers en er wordt met verschillende en goede mensen samengewerkt. Bovendien hebben de projecten
een duidelijke Brokken-signatuur. Dat blijkt volgens de commissie zonneklaar uit onder andere het project Pop Kat en Twijfel, met Josse de Pauw als tekstschrijver en regisseur.
Uit de aanvraag blijkt de commissie dat de persoonlijke benadering van de Stichting Brokken
efficiënte en doeltreffende samenwerkingsverbanden oplevert met strategische partners
in de keten; de groepen worden regelmatig teruggevraagd op de plekken waar zij eerder optraden. De commissie meent dat een dergelijk beleid in de toekomst ook mogelijkheden
in het buitenland zou moeten opleveren. Zij acht Stichting Brokken een instelling die ook daar een onderscheidende bijdrage kan leveren en verwacht in die richting een hoger ambitieniveau.
De commissie is minder enthousiast over de plannen ten aanzien van het ‘Brokkenleerorkest’.
Zij meent dat het kansen bieden aan jonge musici te prijzen valt, maar vreest een versnippering
van de activiteiten die Stichting Brokken onderneemt en is tevens van mening dat de artistieke ambities van de instelling hiermee niet gediend zijn.
Het gegeven dat de artistiek leider van Stichting Brokken tot nu toe zelf een belangrijk deel van het werk heeft gedaan, heeft tot een sobere maar effectieve bedrijfsvoering geleid. Het is de wens van de commissie dat de directe betrokkenheid ook bij een verdergaande professionalisering
niet verloren zal gaan. De instelling kan haar beleid ten aanzien van publieksontwikkeling
en naamsbekendheid dan verder aanscherpen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat de uitvoeringskwaliteit van Stichting Brokken en de oorspronkelijke
artistieke visie een waardevolle bijdrage betekenen voor het Nederlandse podiumkunstenaanbod. Zij verwacht, gezien de aanwezig geachte mogelijkheden, van de instelling een grotere ambitie ten aanzien van de concerten in het buitenland. De commissie adviseert Stichting Brokken op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 met een substantiële verhoging van de subsidie.
‘Stichting Brokken initieert grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden, stimuleert kruis- bestuivende projecten en hoopt onder andere op die manier publieksgroepen uit diverse circuits te mobiliseren’, aldus het beleidsplan. Binnen de stichting zijn sinds de oprichting diverse producties gerealiseerd in samenwerking met bekende schrijvers en musici uit onder meer de popmuziek, jazzmuziek en de klassieke muziek. Oprichter Corrie van Binsbergen streeft er als componiste/bandleider naar met haar ensembles voor een zo divers mogelijk publiek op te treden in zeer verschillende circuits om zo ‘de hokjesgeest te verjagen’.
Voor de periode 2009-2012 wil Stichting Brokken naast de ontwikkeling van bestaande groepen
en projecten een aantal nieuwe initiatieven ontwikkelen. Het activiteitenplan noemt onder meer een workshop voor talentvolle jonge musici onder de naam ‘Brokkenleerorkest’, twee festivals per jaar in het Bimhuis met hoogtepunten uit de eigen serie ‘Brokkenavonden’
in Zaal 100, een opera in samenwerking met Josse de Pauw en een internationaal ensemble van musici op diverse snaarinstrumenten onder de naam ‘No strings attached’. De begroting is gebaseerd op een gemiddeld aantal concerten van 25 per jaar, waarvan acht tot twaalf met een grotere productie en gemiddeld zes in het buitenland.
Stichting Brokken ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Stichting Brokken is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is van mening dat de verschillende groepen die ressorteren onder Stichting Brokken ieder op hun eigen wijze een bijzondere bijdrage leveren aan het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De aanvraag van de instelling toont een oorspronkelijke artistieke visie die de commissie veel vertrouwen geeft in de ontwikkeling van Stichting Brokken. De projecten zijn divers en er wordt met verschillende en goede mensen samengewerkt. Bovendien hebben de projecten
een duidelijke Brokken-signatuur. Dat blijkt volgens de commissie zonneklaar uit onder andere het project Pop Kat en Twijfel, met Josse de Pauw als tekstschrijver en regisseur.
Uit de aanvraag blijkt de commissie dat de persoonlijke benadering van de Stichting Brokken
efficiënte en doeltreffende samenwerkingsverbanden oplevert met strategische partners
in de keten; de groepen worden regelmatig teruggevraagd op de plekken waar zij eerder optraden. De commissie meent dat een dergelijk beleid in de toekomst ook mogelijkheden
in het buitenland zou moeten opleveren. Zij acht Stichting Brokken een instelling die ook daar een onderscheidende bijdrage kan leveren en verwacht in die richting een hoger ambitieniveau.
De commissie is minder enthousiast over de plannen ten aanzien van het ‘Brokkenleerorkest’.
Zij meent dat het kansen bieden aan jonge musici te prijzen valt, maar vreest een versnippering
van de activiteiten die Stichting Brokken onderneemt en is tevens van mening dat de artistieke ambities van de instelling hiermee niet gediend zijn.
Het gegeven dat de artistiek leider van Stichting Brokken tot nu toe zelf een belangrijk deel van het werk heeft gedaan, heeft tot een sobere maar effectieve bedrijfsvoering geleid. Het is de wens van de commissie dat de directe betrokkenheid ook bij een verdergaande professionalisering
niet verloren zal gaan. De instelling kan haar beleid ten aanzien van publieksontwikkeling
en naamsbekendheid dan verder aanscherpen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat de uitvoeringskwaliteit van Stichting Brokken en de oorspronkelijke
artistieke visie een waardevolle bijdrage betekenen voor het Nederlandse podiumkunstenaanbod. Zij verwacht, gezien de aanwezig geachte mogelijkheden, van de instelling een grotere ambitie ten aanzien van de concerten in het buitenland. De commissie adviseert Stichting Brokken op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 met een substantiële verhoging van de subsidie.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 105.438,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 105.438,- (per jaar)
Stichting Calefax
Calefax rietkwintet
Inleiding
Calefax is een rietkwintet in een ongebruikelijke vaste bezetting van hobo, klarinet, saxofoon,
basklarinet en fagot. Sinds 1997 speelt het ensemble in de huidige personele bezetting. Calefax beschrijft zichzelf als ‘een klassiek ensemble met een popmentaliteit’. Volgens het activiteitenplan arrangeren, ‘hercomponeren’ en interpreteren de vijf musici voor hun unieke
bezetting muziek uit zes eeuwen, van renaissance tot hedendaags. Calefax heeft de afgelopen
jaren gemiddeld 75 concerten per jaar gegeven, waarvan op dit moment ongeveer 30 concerten in het buitenland plaatsvinden. Voor de periode 2009-2012 heeft het kwintet de ambitie het aantal concerten in het buitenland nog licht te laten groeien. De eigen concertseries
van Calefax in vier grote muziekcentra zullen worden gecontinueerd. Het activiteitenplan
bevat tevens plannen voor een jeugdmuziektheaterprogramma, een coproductie met het Nederlands Kamerkoor en een project met schoolvoorstellingen in samenwerking met het Concertgebouw in Amsterdam.
Voor de uitvoering van het activiteitenplan vraagt Calefax een subsidieverhoging aan ten opzichte van het huidige cultuurnotabedrag. Het extra aangevraagde bedrag is volgens de toelichting in de aanvraag bestemd voor de bekostiging van de toegenomen beheerslasten en voor de financiering van bijzondere producties, waarvoor het ensemble in de afgelopen jaren aangewezen was op projectsubsidies van fondsen.
Calefax ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Calefax is de afgelopen
jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Calefax heeft volgens de commissie een jeugdige mentaliteit die maakt dat de musici een bewonderenswaardige vernieuwingsdrang vertonen. Naar het oordeel van de commissie heeft Calefax zowel een hoge uitvoeringskwaliteit als een levendige podiumpresentatie. De projecten die het ensemble realiseert in samenwerking met derden en die vaak ook theatraal
zijn vormgegeven, dragen bovendien bij aan het artistieke profiel van Calefax.
Het rietkwintet kent een karakteristieke do-it-yourself-mentaliteit. Zo verstrekt het compositieopdrachten,
arrangeert het muziek en zorgt het voor de distributie van de arrangementen. De artistiek integere wijze waarop tijdens het arrangeren het oor bij de toehoorder te luister wordt gelegd, vindt waardering bij de commissie. Bovendien zet het kwintet de arrangeervaardigheden
effectief in; Calefax is jonge rietensembles in het buitenland uiterst behulpzaam met masterclasses, en vergroot daardoor de kans internationaal te worden uitgenodigd. De commissie
prijst die aanpak waarmee het kwintet school lijkt te maken. Is de landelijke spreiding van de concerten voorbeeldig te noemen, het aantal concerten in het buitenland én het onderhouden
van de contacten na afloop getuigen van een gezonde ondernemingszin.
Tegelijkertijd is het de commissie niet altijd duidelijk op grond waarvan de in het beleidsplan
beschreven programma’s tot stand zijn gekomen. Ook de marketingvisie is impliciet. Weliswaar neemt het kwintet educatie op actieve wijze serieus en zijn er jeugdvoorstellingen
gepland die in potentie publieksvergrotend werken, maar de commissie vindt het niet wenselijk dat een zo wezenlijk fenomeen als educatie wordt ingezet in plaats van marketing.
De commissie constateert dat de activiteiten van Calefax zich in de afgelopen jaren in stijgende
lijn bewegen. Op grond van de professionalisering die uit het beleidsplan spreekt, heeft de commissie er vertrouwen in dat die stijgende lijn doorzet. Het gegeven dat de musici
zelf alle werk hebben gedaan, heeft tot een sobere maar effectieve bedrijfsvoering geleid. Het is de wens van de commissie dat de directe betrokkenheid van de musici ook bij een verdergaande professionalisering niet verloren zal gaan.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Calefax door zijn hoge uitvoeringskwaliteit en oorspronkelijke
artistieke visie een waardevolle en onderscheidende bijdrage levert aan het Nederlandse
podiumkunstenbestel.
De commissie onderschrijft de wens van de instelling met betrekking tot een verdergaande professionalisering van de bedrijfsvoering. De commissie adviseert daarom Calefax op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Calefax is een rietkwintet in een ongebruikelijke vaste bezetting van hobo, klarinet, saxofoon,
basklarinet en fagot. Sinds 1997 speelt het ensemble in de huidige personele bezetting. Calefax beschrijft zichzelf als ‘een klassiek ensemble met een popmentaliteit’. Volgens het activiteitenplan arrangeren, ‘hercomponeren’ en interpreteren de vijf musici voor hun unieke
bezetting muziek uit zes eeuwen, van renaissance tot hedendaags. Calefax heeft de afgelopen
jaren gemiddeld 75 concerten per jaar gegeven, waarvan op dit moment ongeveer 30 concerten in het buitenland plaatsvinden. Voor de periode 2009-2012 heeft het kwintet de ambitie het aantal concerten in het buitenland nog licht te laten groeien. De eigen concertseries
van Calefax in vier grote muziekcentra zullen worden gecontinueerd. Het activiteitenplan
bevat tevens plannen voor een jeugdmuziektheaterprogramma, een coproductie met het Nederlands Kamerkoor en een project met schoolvoorstellingen in samenwerking met het Concertgebouw in Amsterdam.
Voor de uitvoering van het activiteitenplan vraagt Calefax een subsidieverhoging aan ten opzichte van het huidige cultuurnotabedrag. Het extra aangevraagde bedrag is volgens de toelichting in de aanvraag bestemd voor de bekostiging van de toegenomen beheerslasten en voor de financiering van bijzondere producties, waarvoor het ensemble in de afgelopen jaren aangewezen was op projectsubsidies van fondsen.
Calefax ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Calefax is de afgelopen
jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Calefax heeft volgens de commissie een jeugdige mentaliteit die maakt dat de musici een bewonderenswaardige vernieuwingsdrang vertonen. Naar het oordeel van de commissie heeft Calefax zowel een hoge uitvoeringskwaliteit als een levendige podiumpresentatie. De projecten die het ensemble realiseert in samenwerking met derden en die vaak ook theatraal
zijn vormgegeven, dragen bovendien bij aan het artistieke profiel van Calefax.
Het rietkwintet kent een karakteristieke do-it-yourself-mentaliteit. Zo verstrekt het compositieopdrachten,
arrangeert het muziek en zorgt het voor de distributie van de arrangementen. De artistiek integere wijze waarop tijdens het arrangeren het oor bij de toehoorder te luister wordt gelegd, vindt waardering bij de commissie. Bovendien zet het kwintet de arrangeervaardigheden
effectief in; Calefax is jonge rietensembles in het buitenland uiterst behulpzaam met masterclasses, en vergroot daardoor de kans internationaal te worden uitgenodigd. De commissie
prijst die aanpak waarmee het kwintet school lijkt te maken. Is de landelijke spreiding van de concerten voorbeeldig te noemen, het aantal concerten in het buitenland én het onderhouden
van de contacten na afloop getuigen van een gezonde ondernemingszin.
Tegelijkertijd is het de commissie niet altijd duidelijk op grond waarvan de in het beleidsplan
beschreven programma’s tot stand zijn gekomen. Ook de marketingvisie is impliciet. Weliswaar neemt het kwintet educatie op actieve wijze serieus en zijn er jeugdvoorstellingen
gepland die in potentie publieksvergrotend werken, maar de commissie vindt het niet wenselijk dat een zo wezenlijk fenomeen als educatie wordt ingezet in plaats van marketing.
De commissie constateert dat de activiteiten van Calefax zich in de afgelopen jaren in stijgende
lijn bewegen. Op grond van de professionalisering die uit het beleidsplan spreekt, heeft de commissie er vertrouwen in dat die stijgende lijn doorzet. Het gegeven dat de musici
zelf alle werk hebben gedaan, heeft tot een sobere maar effectieve bedrijfsvoering geleid. Het is de wens van de commissie dat de directe betrokkenheid van de musici ook bij een verdergaande professionalisering niet verloren zal gaan.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Calefax door zijn hoge uitvoeringskwaliteit en oorspronkelijke
artistieke visie een waardevolle en onderscheidende bijdrage levert aan het Nederlandse
podiumkunstenbestel.
De commissie onderschrijft de wens van de instelling met betrekking tot een verdergaande professionalisering van de bedrijfsvoering. De commissie adviseert daarom Calefax op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 96.849,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 96.849,- (per jaar)
Stichting Camerata Trajectina
Camerata Trajectina
Inleiding
Camerata Trajectina (CT) is een oude-muziekensemble in 1974 opgericht in kringen van Utrechtse studenten muziekwetenschap. Het ensemble opereert vanuit de overtuiging dat ‘muziek onlosmakelijk is verbonden met haar culturele en maatschappelijke context’. De doelstelling van CT is ‘deze muziek weer tot klinken te brengen, zich baserend op eigen onderzoek en ervaring met dit onvolledig overgeleverde repertoire, en om deze muziek in zijn culturele en/of maatschappelijke context te presenteren aan een hedendaags publiek, met een maximum aan speelsheid en spanning’.
Op grond van deze visie en doelstelling wil CT in de komende jaren artistiek verder met ‘het ontginnen van tot nu toe onderbelicht gebleven 17e-eeuwse muziektheater’. Naast producties
naar aanleiding van de actualiteit is er ook eigen musicologisch onderzoek van vooral Louis Grijp, waarbij de instelling stelt ‘een soort laboratoriumrol’ te vervullen. CT wil een educatieve lijn opzetten, vanwege zijn ‘repertoire dat populair blijkt bij bezorgers van educatieve
uitgaven op het gebied van Nederlandse geschiedenis en literatuur’. Het ensemble wil hiermee een vervolg geven aan een eerder internetproject voor middelbare scholieren, ‘De canon met een kleine c’.
Camerata Trajectina ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Camerata Trajectina is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
CT bekleedt volgens de commissie een bijzondere positie in het Nederlandse muziekbestel. Het ensemble heeft een belangrijke functie als het gaat om het ontsluiten en presenteren van Nederlandse muziek uit de middeleeuwen en renaissance. Als een van de weinige ensembles dat zijn uitvoeringspraktijk baseert op academisch onderzoek, slaagt CT erin een waardevolle en levendige implementatie van de research te presenteren. Het ensemble heeft daardoor een onderscheidende meerwaarde. Ook over de uitvoeringskwaliteit is de commissie positief.
CT beschrijft in zijn beleidsplan de rol die literatuur speelt bij de totstandkoming van het repertoire. De commissie onderschrijft dat belang en acht de door het ensemble voorgestelde
artistieke ontwikkeling die voorziet in het vaker programmeren van muziektheater daarom
een logische en wenselijke.
De commissie acht cultureel ondernemerschap bij CT aanwezig.
Hoewel de beheerslasten van het ensemble ook in de aanvraag laag blijven en de stijging van de activiteitenlasten sterk samenhangt met de wens meer muziektheater te produceren, ontbreekt volgens de commissie een helder beleid gericht op het vergroten van de eigen inkomsten. De aard van de activiteiten van CT maakt het in de ogen van de commissie mogelijk door middel van sponsoring extra eigen inkomsten te genereren. Daarnaast is het de commissie niet duidelijk waarom CT de repriseactiviteiten en de producties met derden waaraan het haar medewerking verleent, niet heeft opgenomen in de begroting en het activiteitenoverzicht.
De commissie krijgt hierdoor de indruk dat CT een projectmatige werkwijze
heeft. Het wel opnemen van deze activiteiten had de commissie ook beter inzicht verschaft in het werkelijke rendement van de gevraagde subsidie.
De commissie is te spreken over de organische wijze waarop CT het publieksbereik involveert
in zijn activiteiten. Het ensemble geeft vrijwel altijd acte de présence als in Nederland grote ‘vieringen’ plaatsvinden, en stelt haar repertoirekeus daarop af. Zonder dat de artistieke
kwaliteit daaronder lijdt is het ensemble daardoor aantrekkelijk voor een breed publiek.
Conclusie en advies
De commissie is van oordeel dat zowel de artistieke uitvoeringskwaliteit als de artistieke visie van CT onderscheidend is. De wijze waarop het ensemble repertoire dat is gestoeld op academisch onderzoek voor een breed publiek weet te presenteren dwingt in de ogen van de commissie respect af. De commissie adviseert daarom CT op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunsten 2009-2012.
Camerata Trajectina (CT) is een oude-muziekensemble in 1974 opgericht in kringen van Utrechtse studenten muziekwetenschap. Het ensemble opereert vanuit de overtuiging dat ‘muziek onlosmakelijk is verbonden met haar culturele en maatschappelijke context’. De doelstelling van CT is ‘deze muziek weer tot klinken te brengen, zich baserend op eigen onderzoek en ervaring met dit onvolledig overgeleverde repertoire, en om deze muziek in zijn culturele en/of maatschappelijke context te presenteren aan een hedendaags publiek, met een maximum aan speelsheid en spanning’.
Op grond van deze visie en doelstelling wil CT in de komende jaren artistiek verder met ‘het ontginnen van tot nu toe onderbelicht gebleven 17e-eeuwse muziektheater’. Naast producties
naar aanleiding van de actualiteit is er ook eigen musicologisch onderzoek van vooral Louis Grijp, waarbij de instelling stelt ‘een soort laboratoriumrol’ te vervullen. CT wil een educatieve lijn opzetten, vanwege zijn ‘repertoire dat populair blijkt bij bezorgers van educatieve
uitgaven op het gebied van Nederlandse geschiedenis en literatuur’. Het ensemble wil hiermee een vervolg geven aan een eerder internetproject voor middelbare scholieren, ‘De canon met een kleine c’.
Camerata Trajectina ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Camerata Trajectina is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
CT bekleedt volgens de commissie een bijzondere positie in het Nederlandse muziekbestel. Het ensemble heeft een belangrijke functie als het gaat om het ontsluiten en presenteren van Nederlandse muziek uit de middeleeuwen en renaissance. Als een van de weinige ensembles dat zijn uitvoeringspraktijk baseert op academisch onderzoek, slaagt CT erin een waardevolle en levendige implementatie van de research te presenteren. Het ensemble heeft daardoor een onderscheidende meerwaarde. Ook over de uitvoeringskwaliteit is de commissie positief.
CT beschrijft in zijn beleidsplan de rol die literatuur speelt bij de totstandkoming van het repertoire. De commissie onderschrijft dat belang en acht de door het ensemble voorgestelde
artistieke ontwikkeling die voorziet in het vaker programmeren van muziektheater daarom
een logische en wenselijke.
De commissie acht cultureel ondernemerschap bij CT aanwezig.
Hoewel de beheerslasten van het ensemble ook in de aanvraag laag blijven en de stijging van de activiteitenlasten sterk samenhangt met de wens meer muziektheater te produceren, ontbreekt volgens de commissie een helder beleid gericht op het vergroten van de eigen inkomsten. De aard van de activiteiten van CT maakt het in de ogen van de commissie mogelijk door middel van sponsoring extra eigen inkomsten te genereren. Daarnaast is het de commissie niet duidelijk waarom CT de repriseactiviteiten en de producties met derden waaraan het haar medewerking verleent, niet heeft opgenomen in de begroting en het activiteitenoverzicht.
De commissie krijgt hierdoor de indruk dat CT een projectmatige werkwijze
heeft. Het wel opnemen van deze activiteiten had de commissie ook beter inzicht verschaft in het werkelijke rendement van de gevraagde subsidie.
De commissie is te spreken over de organische wijze waarop CT het publieksbereik involveert
in zijn activiteiten. Het ensemble geeft vrijwel altijd acte de présence als in Nederland grote ‘vieringen’ plaatsvinden, en stelt haar repertoirekeus daarop af. Zonder dat de artistieke
kwaliteit daaronder lijdt is het ensemble daardoor aantrekkelijk voor een breed publiek.
Conclusie en advies
De commissie is van oordeel dat zowel de artistieke uitvoeringskwaliteit als de artistieke visie van CT onderscheidend is. De wijze waarop het ensemble repertoire dat is gestoeld op academisch onderzoek voor een breed publiek weet te presenteren dwingt in de ogen van de commissie respect af. De commissie adviseert daarom CT op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunsten 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 114.493,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 114.493,- (per jaar)
Stichting Cappella Amsterdam
Cappella Amsterdam
Inleiding
Cappella Amsterdam omschrijft zichzelf als een ‘professioneel kamerkoor dat zich de laatste jaren heeft ontwikkeld tot een ensemble dat zowel nationaal als Europees tot de top behoort’. Het doel van het koor, bestaande uit jonge zangers, is ‘uitvoeringen op hoog niveau te verzorgen van meerstemmige vocale muziek, zowel a capella als in samenwerking met instrumentale ensembles’. Tot het repertoire behoort hoofdzakelijk oude muziek (renaissance
en vroege barok) en muziek van de twintigste en de eenentwintigste eeuw, maar ook andere stijlperioden komen aan bod. Daarbij heeft het koor bijzondere aandacht voor hedendaags werk, vooral van Nederlandse componisten.
De missie van Cappella Amsterdam is ‘er toe bij te dragen dat de koormuziek, meer dan nu het geval is, een volwaardige plaats krijgt op de professionele concertpodia’. Hiertoe presenteert
Cappella Amsterdam zich met ‘belangwekkende eigen producties en zelfstandige optredens in concertseries en festivals, waarbij voornamelijk a capella repertoire of repertoire
met kleine instrumentale ensembles op het programma staat’.
Concrete doelstellingen van het koor zijn het aanboren van nieuwe publieksgroepen, het verlenen van compositieopdrachten, een actief internationaliseringbeleid, talentontwikkeling
en het opzetten van concertseries met andere ensembles.
Cappella Amsterdam ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Cappella Amsterdam is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Cappella Amsterdam is een kwalitatief hoogwaardig kamerkoor dat een belangrijke positie inneemt binnen het Nederlandse podiumkunstenbestel. De commissie is enthousiast over de focus op de oude en nieuwe muziek. Hier ligt duidelijk de kracht en kwaliteit van het ensemble. Ten aanzien van de andere stijlperioden is de commissie minder overtuigd van de kwaliteiten van Cappella Amsterdam.
De commissie is positief over de gepresenteerde artistieke plannen voor de toekomst. Zij is te spreken over de bevlogenheid van artistiek leider en dirigent Daniel Reuss, die is terug te vinden in de artistieke visie van het koor. Het grote aandeel Nederlands repertoire en de vele samenwerkingsprojecten met andere ensembles zijn inhoudelijk boeiend en van belang voor het landelijke en internationale muziekleven. Ook is de commissie positief over de manier waarop Cappella Amsterdam jonge zangers onder zijn hoede neemt. Dit zorgt voor de noodzakelijke dynamiek binnen het vocale bestel.
De commissie kan zich eveneens vinden in de visie om meer eigen producties te initiëren in de toekomst, maar vindt weinig terug over de wijze waarop dit gerealiseerd zal worden. De commissie vindt bovendien het aantal geplande producties per jaar erg hoog en zou vanuit een oogpunt van effectiviteit liever zien dat minder producties vaker worden gespeeld. De uitbreiding van het aantal concerten vindt alleen in Amsterdam plaats. Daarbuiten neemt het aantal concerten af. In de aanvraag wordt niet uitgelegd welke redenen hieraan ten grondslag liggen. De commissie vindt deze ontwikkeling onwenselijk voor een meerjarig gesubsidieerde instelling.
Cappella Amsterdam moet volgens de commissie bovendien een slagvaardiger beleid op het gebied van bedrijfsvoering aan de dag leggen. Een die meer past bij de intrinsieke kwaliteiten
en ambities van het koor. Want Cappella Amsterdam formuleert grote ambities, maar laat in de aanvraag na een beleid te formuleren op grond waarvan het ensemble denkt die ook te kunnen realiseren. Een visie op het aangaan van samenwerkingsverbanden met strategische
partners in de keten ontbreekt, evenals beleid gericht op publieksontwikkeling. Er zijn internationale ambities, die noch inhoudelijk noch cijfermatig worden onderbouwd. De commissie constateert dat Cappella Amsterdam er te gemakkelijk vanuit gaat dat een uitbreiding
van de organisatie garant staat voor de verwezenlijking van al zijn plannen. De commissie vindt dat te weinig getuigen van gezond cultureel ondernemerschap.
Tot slot merkt de commissie op dat zij de Tenso-dagen, die Cappella Amsterdam samen met het Nederlands Kamerkoor wil organiseren in Muziekgebouw aan ’t IJ, niet tot de subsidiabele
activiteiten van het ensemble rekent. De kosten die een dergelijke activiteit met zich meebrengt, overstijgen volgens de commissie vele malen het belang ervan voor Cappella Amsterdam.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Cappella Amsterdam door zijn hoge uitvoeringskwaliteit en oorspronkelijke artistieke visie een significante bijdrage levert aan het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De commissie adviseert Capella Amsterdam op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Cappella Amsterdam dient echter het zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van bedrijfsvoering. Daarnaast rekent de commissie de Tenso-dagen niet tot de subsidiabele activiteiten.
Cappella Amsterdam omschrijft zichzelf als een ‘professioneel kamerkoor dat zich de laatste jaren heeft ontwikkeld tot een ensemble dat zowel nationaal als Europees tot de top behoort’. Het doel van het koor, bestaande uit jonge zangers, is ‘uitvoeringen op hoog niveau te verzorgen van meerstemmige vocale muziek, zowel a capella als in samenwerking met instrumentale ensembles’. Tot het repertoire behoort hoofdzakelijk oude muziek (renaissance
en vroege barok) en muziek van de twintigste en de eenentwintigste eeuw, maar ook andere stijlperioden komen aan bod. Daarbij heeft het koor bijzondere aandacht voor hedendaags werk, vooral van Nederlandse componisten.
De missie van Cappella Amsterdam is ‘er toe bij te dragen dat de koormuziek, meer dan nu het geval is, een volwaardige plaats krijgt op de professionele concertpodia’. Hiertoe presenteert
Cappella Amsterdam zich met ‘belangwekkende eigen producties en zelfstandige optredens in concertseries en festivals, waarbij voornamelijk a capella repertoire of repertoire
met kleine instrumentale ensembles op het programma staat’.
Concrete doelstellingen van het koor zijn het aanboren van nieuwe publieksgroepen, het verlenen van compositieopdrachten, een actief internationaliseringbeleid, talentontwikkeling
en het opzetten van concertseries met andere ensembles.
Cappella Amsterdam ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Cappella Amsterdam is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Cappella Amsterdam is een kwalitatief hoogwaardig kamerkoor dat een belangrijke positie inneemt binnen het Nederlandse podiumkunstenbestel. De commissie is enthousiast over de focus op de oude en nieuwe muziek. Hier ligt duidelijk de kracht en kwaliteit van het ensemble. Ten aanzien van de andere stijlperioden is de commissie minder overtuigd van de kwaliteiten van Cappella Amsterdam.
De commissie is positief over de gepresenteerde artistieke plannen voor de toekomst. Zij is te spreken over de bevlogenheid van artistiek leider en dirigent Daniel Reuss, die is terug te vinden in de artistieke visie van het koor. Het grote aandeel Nederlands repertoire en de vele samenwerkingsprojecten met andere ensembles zijn inhoudelijk boeiend en van belang voor het landelijke en internationale muziekleven. Ook is de commissie positief over de manier waarop Cappella Amsterdam jonge zangers onder zijn hoede neemt. Dit zorgt voor de noodzakelijke dynamiek binnen het vocale bestel.
De commissie kan zich eveneens vinden in de visie om meer eigen producties te initiëren in de toekomst, maar vindt weinig terug over de wijze waarop dit gerealiseerd zal worden. De commissie vindt bovendien het aantal geplande producties per jaar erg hoog en zou vanuit een oogpunt van effectiviteit liever zien dat minder producties vaker worden gespeeld. De uitbreiding van het aantal concerten vindt alleen in Amsterdam plaats. Daarbuiten neemt het aantal concerten af. In de aanvraag wordt niet uitgelegd welke redenen hieraan ten grondslag liggen. De commissie vindt deze ontwikkeling onwenselijk voor een meerjarig gesubsidieerde instelling.
Cappella Amsterdam moet volgens de commissie bovendien een slagvaardiger beleid op het gebied van bedrijfsvoering aan de dag leggen. Een die meer past bij de intrinsieke kwaliteiten
en ambities van het koor. Want Cappella Amsterdam formuleert grote ambities, maar laat in de aanvraag na een beleid te formuleren op grond waarvan het ensemble denkt die ook te kunnen realiseren. Een visie op het aangaan van samenwerkingsverbanden met strategische
partners in de keten ontbreekt, evenals beleid gericht op publieksontwikkeling. Er zijn internationale ambities, die noch inhoudelijk noch cijfermatig worden onderbouwd. De commissie constateert dat Cappella Amsterdam er te gemakkelijk vanuit gaat dat een uitbreiding
van de organisatie garant staat voor de verwezenlijking van al zijn plannen. De commissie vindt dat te weinig getuigen van gezond cultureel ondernemerschap.
Tot slot merkt de commissie op dat zij de Tenso-dagen, die Cappella Amsterdam samen met het Nederlands Kamerkoor wil organiseren in Muziekgebouw aan ’t IJ, niet tot de subsidiabele
activiteiten van het ensemble rekent. De kosten die een dergelijke activiteit met zich meebrengt, overstijgen volgens de commissie vele malen het belang ervan voor Cappella Amsterdam.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Cappella Amsterdam door zijn hoge uitvoeringskwaliteit en oorspronkelijke artistieke visie een significante bijdrage levert aan het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De commissie adviseert Capella Amsterdam op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Cappella Amsterdam dient echter het zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van bedrijfsvoering. Daarnaast rekent de commissie de Tenso-dagen niet tot de subsidiabele activiteiten.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 420.647,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 420.647,- (per jaar)
Stichting Carver
Carver
Inleiding
Carver is een mimetheatergezelschap, opgericht in 1989 door René van ’t Hof, Beppie Melissen
en Leny Breederveld. Het gezelschap is begonnen als collectief. Sinds 2005 wordt Carver geleid door Beppie Melissen, de andere oprichters verlieten de groep. Het gezelschap begeeft zich op de grens van toneel en mime. Carver maakt voornamelijk theaterproducties op basis van improvisatie; deze worden steeds in gezamenlijk verband ontwikkeld. Terugkerende
thema’s in het werk van Carver zijn: de troosteloze absurditeit van alledag, menselijke tekortkomingen, onmacht om te communiceren en verstikkende familierelaties. In 2007 startte Beppie Melissen een experiment met een jongere generatie theatermakers onder de naam Carver Special Edition. Uniek in de afgelopen periode was het maken van een productie
op basis van een bestaande tekst ‘Wankel Evenwicht’ van Albee. De in de afgelopen jaren gestarte samenwerking met Joke Tjalsma wordt in de komende periode voortgezet. Carver Special Edition wordt gecontinueerd en uitgebreid. Het gezelschap gaat diverse nieuwe samenwerkingsverbanden aan met gastspelers en -makers en de groep wil het experiment met teksttheater verder uitdiepen.
Voor de komende periode wil Carver zes nieuwe voorstellingen realiseren: vier grote- en middelgrotezaalproducties en twee kleinere. Daarnaast worden twee producties voor de zomerfestivals gemaakt.
Voor de periode 2009-2012 vraagt Carver € 420.000 per jaar aan bij het Fonds.
Carver ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van de verrichtingen van Carver. Carver heeft in de afgelopen periode bewezen in een vernieuwde samenstelling, met Beppie Melissen
als artistiek leider, de authenticiteit en zeggingskracht van de groep te kunnen waarborgen.
De producties vormen een vaste maar enigszins voorspelbare waarde binnen het bestaande aanbod. De artistieke ontwikkeling behoeft extra aandacht.
De commissie vindt echter dat de voorgenomen beleidslijnen -nieuwe samenwerkingsverbanden,
experiment met teksttheater en verkenning van de zomerbespeling met jonge makers- getuigen van ambitie, zelfreflectie en toekomstbesef. Zij juicht het toe dat Carver alert en actief is in het bestrijden van artistieke verstarring. Overigens is zij van mening dat deze ontwikkelingen plaats moeten vinden binnen het huidige budget.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling voldoende tot uiting komt in de aanvraag. Carver heeft in de loop der jaren een dusdanige relatie opgebouwd met theaters en festivals door het hele land, dat het gezelschap geen problemen heeft bij de afzet van de voorstellingen aan de vlakkevloertheaters.
Daarmee is er sprake van een geografische spreiding over het hele land van speelbeurten
en publieksbereik.
Carver heeft een redelijk groot en trouw publiek, maar richt zich bij iedere productie ook op nieuwe doelgroepen. De groep bereikt dankzij de producties voor de zomerfestivals, op bescheiden schaal een nieuw en jonger publiek. De commissie is van mening dat Carver zich voldoende inspant om bestaand publiek te bereiken en nieuw publiek te trekken.
Verder is de commissie van mening dat Carver overtuigende inspanningen verricht als cultureel
ondernemer. Haar bedrijfsvoering is uitgekiend en van overhead is niet of nauwelijks sprake doordat dit vrijwel allemaal wordt ingekocht. Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat Carver beschikt over een professionele organisatie.
Conclusie en advies
aar artistieke reputatie en het vertrouwen in het beleidsplan. Ze denkt dat Carver erin zal slagen om nieuw elan te ontwikkelen voordat artistieke verstarring een feit is. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. Daarom adviseert zij Carver op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 op basis van het huidige niveau.
Carver is een mimetheatergezelschap, opgericht in 1989 door René van ’t Hof, Beppie Melissen
en Leny Breederveld. Het gezelschap is begonnen als collectief. Sinds 2005 wordt Carver geleid door Beppie Melissen, de andere oprichters verlieten de groep. Het gezelschap begeeft zich op de grens van toneel en mime. Carver maakt voornamelijk theaterproducties op basis van improvisatie; deze worden steeds in gezamenlijk verband ontwikkeld. Terugkerende
thema’s in het werk van Carver zijn: de troosteloze absurditeit van alledag, menselijke tekortkomingen, onmacht om te communiceren en verstikkende familierelaties. In 2007 startte Beppie Melissen een experiment met een jongere generatie theatermakers onder de naam Carver Special Edition. Uniek in de afgelopen periode was het maken van een productie
op basis van een bestaande tekst ‘Wankel Evenwicht’ van Albee. De in de afgelopen jaren gestarte samenwerking met Joke Tjalsma wordt in de komende periode voortgezet. Carver Special Edition wordt gecontinueerd en uitgebreid. Het gezelschap gaat diverse nieuwe samenwerkingsverbanden aan met gastspelers en -makers en de groep wil het experiment met teksttheater verder uitdiepen.
Voor de komende periode wil Carver zes nieuwe voorstellingen realiseren: vier grote- en middelgrotezaalproducties en twee kleinere. Daarnaast worden twee producties voor de zomerfestivals gemaakt.
Voor de periode 2009-2012 vraagt Carver € 420.000 per jaar aan bij het Fonds.
Carver ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van de verrichtingen van Carver. Carver heeft in de afgelopen periode bewezen in een vernieuwde samenstelling, met Beppie Melissen
als artistiek leider, de authenticiteit en zeggingskracht van de groep te kunnen waarborgen.
De producties vormen een vaste maar enigszins voorspelbare waarde binnen het bestaande aanbod. De artistieke ontwikkeling behoeft extra aandacht.
De commissie vindt echter dat de voorgenomen beleidslijnen -nieuwe samenwerkingsverbanden,
experiment met teksttheater en verkenning van de zomerbespeling met jonge makers- getuigen van ambitie, zelfreflectie en toekomstbesef. Zij juicht het toe dat Carver alert en actief is in het bestrijden van artistieke verstarring. Overigens is zij van mening dat deze ontwikkelingen plaats moeten vinden binnen het huidige budget.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling voldoende tot uiting komt in de aanvraag. Carver heeft in de loop der jaren een dusdanige relatie opgebouwd met theaters en festivals door het hele land, dat het gezelschap geen problemen heeft bij de afzet van de voorstellingen aan de vlakkevloertheaters.
Daarmee is er sprake van een geografische spreiding over het hele land van speelbeurten
en publieksbereik.
Carver heeft een redelijk groot en trouw publiek, maar richt zich bij iedere productie ook op nieuwe doelgroepen. De groep bereikt dankzij de producties voor de zomerfestivals, op bescheiden schaal een nieuw en jonger publiek. De commissie is van mening dat Carver zich voldoende inspant om bestaand publiek te bereiken en nieuw publiek te trekken.
Verder is de commissie van mening dat Carver overtuigende inspanningen verricht als cultureel
ondernemer. Haar bedrijfsvoering is uitgekiend en van overhead is niet of nauwelijks sprake doordat dit vrijwel allemaal wordt ingekocht. Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat Carver beschikt over een professionele organisatie.
Conclusie en advies
aar artistieke reputatie en het vertrouwen in het beleidsplan. Ze denkt dat Carver erin zal slagen om nieuw elan te ontwikkelen voordat artistieke verstarring een feit is. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. Daarom adviseert zij Carver op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 op basis van het huidige niveau.
theater
Toegekend bedrag:
€ 394.156,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 394.156,- (per jaar)
Stichting Caspar Rapak
Caspar Rapak
Inleiding
Caspar Rapak maakt theatervoorstellingen waarin beeld en geluid de betekenisdragende elementen vormen. De voorstellingen worden gemaakt voor een groot publiek. De focus is in eerste instantie gericht op het jeugdtheater, maar er worden ook voorstellingen gemaakt die meer op een volwassen publiek gericht zijn.
Artistiek leider Peter Zegveld is van origine beeldend kunstenaar en actief op het gebied van performances, geluidskunst, experimentele muziek, animatiefilm, ruimtelijke objecten, installaties en kunstprojecten in de openbare ruimte. In de theatervorm die hij heeft ontwikkeld
bundelt hij bovengenoemde disciplines.
De zakelijke leiding is in handen van Wouter Overgaauw. Rondom de artistieke kern zijn in de loop der jaren Dick Hauser en Mark Whitelaw aangetrokken.
Voor de periode 2009-2012 voorziet de aanvrager vier reguliere producties voor theaters, twee locatieprojecten en een educatieproject. De theaterprojecten zijn familievoorstellingen voor de kleine en de middenzaal. Het locatieproject wordt ontwikkeld voor scholen, gymzalen,
straatlocaties en festivals; ‘Pan’ wordt een familievoorstelling voor een groot publiek op een buitenlocatie. ‘Het reizend geluidslaboratorium’ is een educatieproject voor scholen en kan ook in theaters en op locatie gespeeld worden.
Caspar Rapak geeft aan dat de structurele subsidie in de lopende kunstenplanperiode de kwaliteit en kwantiteit van de producties gunstig heeft beïnvloed, en vervolgt dat deze groei geleid heeft tot de ambitie om een volgende stap te kunnen zetten en ook producties te maken waarbij meer acteurs betrokken worden, om op die manier tot nog meer verdieping en verbreding te kunnen komen.
Aan het NFPK+ wordt een jaarlijks subsidie gevraagd van € 315.000 om de hierboven genoemde zeven projecten te realiseren. Gemiddeld zijn 70 voorstellingen per jaar gepland voor 11.800 bezoekers.
Casper Rapak ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Ze is de afgelopen
jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK, ondermeer voor presentaties in het buitenland.
Beoordeling
De commissie beoordeelt de voorstellingen die Caspar Rapak in de afgelopen periode heeft uitgebracht als wisselend maar per saldo positief. Ze worden soms thematisch oppervlakkig uitgewerkt en de relatie tussen vorm en inhoud is soms weinig gelaagd. Maar desondanks heeft de commissie waardering voor de authenticiteit van het werk en de theaterpersoonlijkheid
van Peter Zegveld.
In de aanvraag voor de periode 2009-2012 vindt de commissie onvoldoende aanknopingspunten
om uitbreiding van de activiteiten en verbreding van de werkwijze te billijken. Er is onvoldoende visie op de ontwikkeling van de theatrale vorm en inhoud geformuleerd. De commissie is niet overtuigd dat het betrekken van meer acteurs bij de voorstellingen, leidt tot (artistieke) verdieping en verbreding. Gezien eerdere voorstellingen heeft de commissie niet het vertrouwen dat de acteurs een plaats in Peter Zegveld’s eigen universum zullen vinden
of dat hij in staat is hen daarin te (bege)leiden. Verder slaagt Caspar Rapak er onvoldoende
in een heldere visie en een plaatsbepaling ten opzichte van andere groepen in het jeugd- en objecttheater te beschrijven.
Caspar Rapak werkt al meerdere jaren samen met Frontaal Theaterbureau. Er is een vast landelijk circuit ontstaan van scholen, schouwburgen, theaters en festivals die haar producties
afneemt. Caspar Rapak heeft in de afgelopen jaren haar plek in de theaters bestendigd, mede door het aan te sluiten bij het Jeugdtheater Plus project. De aanvrager schrijft meer publiek te willen bereiken, maar maakt in de aanvraag onvoldoende helder hoe zij dit voornemen
wil realiseren. Het aspect (culturele) diversiteit krijgt in de aanvraag geen specifieke aandacht. De commissie kan zich echter voorstellen dat vanwege de jeugdige doelgroep er een (cultureel) divers publiek wordt bereikt.
Caspar Rapak heeft in het buitenland gespeeld en wil dat in 2009-2012 blijven doen. De aanvraag
vermeldt echter geen achtergronden en drijfveren daarvoor. De aanvraag getuigt niet van een helder en structureel beleid aangaande internationalisering.
Conclusie en advies
Op grond van de voorstellingen in de afgelopen jaren en het plan voor de komende jaren is de commissie gematigd positief over de ontwikkeling van Caspar Rapak. De eigenzinnigheid van het werk van Peter Zegveld is echter ontegenzeggelijk onderscheidend in het (jeugd)theateraanbod. De commissie heeft bovendien de verwachting dat Peter Zegveld in staat is zich de komende jaren met hernieuwd elan te werpen op verdieping - in inhoud en vorm - van zijn werk. De beoogde uitbreiding van de cast en activiteiten heeft, wat de commissie betreft, echter geen prioriteit.
De commissie adviseert Caspar Rapak op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 maar op basis van het plan en de voorstellingen in de afgelopen
jaren het subsidiebedrag ten opzichte van de Cultuurnota 2005-2008 te continueren op het huidige niveau.
Caspar Rapak maakt theatervoorstellingen waarin beeld en geluid de betekenisdragende elementen vormen. De voorstellingen worden gemaakt voor een groot publiek. De focus is in eerste instantie gericht op het jeugdtheater, maar er worden ook voorstellingen gemaakt die meer op een volwassen publiek gericht zijn.
Artistiek leider Peter Zegveld is van origine beeldend kunstenaar en actief op het gebied van performances, geluidskunst, experimentele muziek, animatiefilm, ruimtelijke objecten, installaties en kunstprojecten in de openbare ruimte. In de theatervorm die hij heeft ontwikkeld
bundelt hij bovengenoemde disciplines.
De zakelijke leiding is in handen van Wouter Overgaauw. Rondom de artistieke kern zijn in de loop der jaren Dick Hauser en Mark Whitelaw aangetrokken.
Voor de periode 2009-2012 voorziet de aanvrager vier reguliere producties voor theaters, twee locatieprojecten en een educatieproject. De theaterprojecten zijn familievoorstellingen voor de kleine en de middenzaal. Het locatieproject wordt ontwikkeld voor scholen, gymzalen,
straatlocaties en festivals; ‘Pan’ wordt een familievoorstelling voor een groot publiek op een buitenlocatie. ‘Het reizend geluidslaboratorium’ is een educatieproject voor scholen en kan ook in theaters en op locatie gespeeld worden.
Caspar Rapak geeft aan dat de structurele subsidie in de lopende kunstenplanperiode de kwaliteit en kwantiteit van de producties gunstig heeft beïnvloed, en vervolgt dat deze groei geleid heeft tot de ambitie om een volgende stap te kunnen zetten en ook producties te maken waarbij meer acteurs betrokken worden, om op die manier tot nog meer verdieping en verbreding te kunnen komen.
Aan het NFPK+ wordt een jaarlijks subsidie gevraagd van € 315.000 om de hierboven genoemde zeven projecten te realiseren. Gemiddeld zijn 70 voorstellingen per jaar gepland voor 11.800 bezoekers.
Casper Rapak ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Ze is de afgelopen
jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK, ondermeer voor presentaties in het buitenland.
Beoordeling
De commissie beoordeelt de voorstellingen die Caspar Rapak in de afgelopen periode heeft uitgebracht als wisselend maar per saldo positief. Ze worden soms thematisch oppervlakkig uitgewerkt en de relatie tussen vorm en inhoud is soms weinig gelaagd. Maar desondanks heeft de commissie waardering voor de authenticiteit van het werk en de theaterpersoonlijkheid
van Peter Zegveld.
In de aanvraag voor de periode 2009-2012 vindt de commissie onvoldoende aanknopingspunten
om uitbreiding van de activiteiten en verbreding van de werkwijze te billijken. Er is onvoldoende visie op de ontwikkeling van de theatrale vorm en inhoud geformuleerd. De commissie is niet overtuigd dat het betrekken van meer acteurs bij de voorstellingen, leidt tot (artistieke) verdieping en verbreding. Gezien eerdere voorstellingen heeft de commissie niet het vertrouwen dat de acteurs een plaats in Peter Zegveld’s eigen universum zullen vinden
of dat hij in staat is hen daarin te (bege)leiden. Verder slaagt Caspar Rapak er onvoldoende
in een heldere visie en een plaatsbepaling ten opzichte van andere groepen in het jeugd- en objecttheater te beschrijven.
Caspar Rapak werkt al meerdere jaren samen met Frontaal Theaterbureau. Er is een vast landelijk circuit ontstaan van scholen, schouwburgen, theaters en festivals die haar producties
afneemt. Caspar Rapak heeft in de afgelopen jaren haar plek in de theaters bestendigd, mede door het aan te sluiten bij het Jeugdtheater Plus project. De aanvrager schrijft meer publiek te willen bereiken, maar maakt in de aanvraag onvoldoende helder hoe zij dit voornemen
wil realiseren. Het aspect (culturele) diversiteit krijgt in de aanvraag geen specifieke aandacht. De commissie kan zich echter voorstellen dat vanwege de jeugdige doelgroep er een (cultureel) divers publiek wordt bereikt.
Caspar Rapak heeft in het buitenland gespeeld en wil dat in 2009-2012 blijven doen. De aanvraag
vermeldt echter geen achtergronden en drijfveren daarvoor. De aanvraag getuigt niet van een helder en structureel beleid aangaande internationalisering.
Conclusie en advies
Op grond van de voorstellingen in de afgelopen jaren en het plan voor de komende jaren is de commissie gematigd positief over de ontwikkeling van Caspar Rapak. De eigenzinnigheid van het werk van Peter Zegveld is echter ontegenzeggelijk onderscheidend in het (jeugd)theateraanbod. De commissie heeft bovendien de verwachting dat Peter Zegveld in staat is zich de komende jaren met hernieuwd elan te werpen op verdieping - in inhoud en vorm - van zijn werk. De beoogde uitbreiding van de cast en activiteiten heeft, wat de commissie betreft, echter geen prioriteit.
De commissie adviseert Caspar Rapak op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 maar op basis van het plan en de voorstellingen in de afgelopen
jaren het subsidiebedrag ten opzichte van de Cultuurnota 2005-2008 te continueren op het huidige niveau.
theater
Toegekend bedrag:
€ 157.264,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 157.264,- (per jaar)
Stichting Combattimento Consort Amsterdam
Combattimento Consort Amsterdam
Inleiding
Combattimento Consort Amsterdam heeft tot doel ‘het geven van concerten uit de barokke en vroegklassieke periode (1600-1830)’. De instelling geeft aan zichzelf nationaal en internationaal
gezien te onderscheiden van andere Nederlandse ensembles en barokorkesten door ‘de brede programmering, de diversiteit en spreiding van de podia waar wordt opgetreden,
de kenmerkende speelstijl en keuze van instrumentarium’. Het repertoire strekt zich uit ‘van kamermuziek tot kamerorkestbezetting en van oratoria tot opera’s’. Belangrijk punt in het beleidsplan van het gezelschap is ‘de uitvoering van onbekend en nog niet uitgegeven repertoire’ op basis van musicologisch onderzoek. Het Combattimento Consort verzorgt jaarlijks in Amsterdam ‘twee eigen series’ die het ensemble ‘exporteert’ naar andere grote en kleine podia in Nederland en het buitenland. Aan de programmering is een breed scala van educatieve activiteiten gekoppeld. De instelling organiseert workshops voor vakstudenten,
werkplaatsen bij opera’s, projecten voor leerlingen in het Voortgezet Onderwijs, muziekdagen
voor amateurs en aparte projecten voor topstudenten. De komende 5 jaar wil het Combattimento Consort uitgroeien tot een internationaal toonaangevend ensemble op het gebied van de oude en klassieke muziek uit de periode 1600-1830. Verder wil de instelling ‘eenmaal per twee jaar scenische opera’s in ’eigen beheer’ uitbrengen, die ook in het buitenland
worden opgevoerd’.
Het Combattimento Consort ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het Combattimento Consort is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige
FAPK.
Beoordeling
De commissie oordeelt positief over de uitvoeringskwaliteit van het Combattimento Consort Amsterdam, en meent dat het ensemble vanwege zijn zeer vitale presentatie en avontuurlijke
programmering een waardevolle betekenis heeft voor het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De artistieke signatuur van Combattimento Consort Amsterdam schrijft de commissie in hoge mate toe aan het charisma van de artistiek leider en dirigent van het ensemble. Uit de aanvraag van het ensemble spreekt volgens de commissie echter niet dezelfde bevlogenheid en vitaliteit die het ensemble op het podium toont. Zo mist zij in de aanvraag een reflectie op diens betekenis voor het ensemble, mede bezien in relatie tot diens toenemende activiteiten elders. Die reflectie is er volgens de commissie echter wel met betrekking tot de positie die Combattimento Consort Amsterdam inneemt ten opzichte van vergelijkbare ensembles in Nederland. De commissie is het met Combattimento eens dat de instelling zich onderscheidt van de andere grote oude muziekensembles op grond van zijn uitstraling, repertoirekeuze en brede profilering.
Combattimento Consort Amsterdam rekent het ook tot zijn kerntaak eenmaal per twee jaar een opera in eigen beheer te produceren. De commissie vindt dit onwenselijk. In het beleidsplan ontbreekt een noodzakelijke artistieke visie op de theatrale betekenis en vormgeving,
en mede op grond van gepresenteerde producties vindt de commissie dat geen sprake
is van een onderscheidende betekenis. Bovendien is zij van mening dat een dergelijke onderneming voor een daartoe niet ingerichte organisatie een onevenredig grote inzet van subsidiemiddelen vergt. De commissie ziet hierin alleen perspectief als aansluiting wordt gezocht bij bestaande operagezelschappen en/of productiehuizen.
De ketengedachte is bij het Combattimento Consort Amsterdam volgens de commissie in goede handen. Het ensemble beschikt zowel nationaal als internationaal over een relevant netwerk met strategische partners, zoals podia in Spanje, Duitsland, maar ook in de Verenigde
Staten en Japan, dat bovendien goed onderhouden wordt.
De wijze waarop Combattimento Consort Amsterdam zijn publieksontwikkeling probeert vorm te geven laat zien dat het ensemble zich ervan bewust is dat beleid op dit gebied onontbeerlijk is. Dit beleid verdient naar de mening van de commissie echter versteviging; de aanzet van het uitgevoerde onderzoek is goed maar dient verder te worden verbreed.
Combattimento Consort Amsterdam stelt dat meer kwaliteit en professionalisering op termijn
zullen leiden tot een verhoging van de directe en indirecte inkomsten. De commissie ziet dit echter niet cijfermatig vertaald in de begroting. Op grond hiervan is zij niet overtuigd van de haalbaarheid van deze ambitie
Conclusie en advies
De bijdrage van Combattimento Consort Amsterdam aan het Nederlandse podiumkunstenbestel
is bijzonder en waardevol. Het ensemble kent een hoge uitvoeringskwaliteit en toont zich bijzonder vitaal. Het in eigen beheer produceren van opera’s vindt de commissie om artistieke redenen en vanuit het oogpunt van efficiëntie echter niet wenselijk. De commissie adviseert om Combattimento Consort Amsterdam op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Combattimento Consort Amsterdam heeft tot doel ‘het geven van concerten uit de barokke en vroegklassieke periode (1600-1830)’. De instelling geeft aan zichzelf nationaal en internationaal
gezien te onderscheiden van andere Nederlandse ensembles en barokorkesten door ‘de brede programmering, de diversiteit en spreiding van de podia waar wordt opgetreden,
de kenmerkende speelstijl en keuze van instrumentarium’. Het repertoire strekt zich uit ‘van kamermuziek tot kamerorkestbezetting en van oratoria tot opera’s’. Belangrijk punt in het beleidsplan van het gezelschap is ‘de uitvoering van onbekend en nog niet uitgegeven repertoire’ op basis van musicologisch onderzoek. Het Combattimento Consort verzorgt jaarlijks in Amsterdam ‘twee eigen series’ die het ensemble ‘exporteert’ naar andere grote en kleine podia in Nederland en het buitenland. Aan de programmering is een breed scala van educatieve activiteiten gekoppeld. De instelling organiseert workshops voor vakstudenten,
werkplaatsen bij opera’s, projecten voor leerlingen in het Voortgezet Onderwijs, muziekdagen
voor amateurs en aparte projecten voor topstudenten. De komende 5 jaar wil het Combattimento Consort uitgroeien tot een internationaal toonaangevend ensemble op het gebied van de oude en klassieke muziek uit de periode 1600-1830. Verder wil de instelling ‘eenmaal per twee jaar scenische opera’s in ’eigen beheer’ uitbrengen, die ook in het buitenland
worden opgevoerd’.
Het Combattimento Consort ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het Combattimento Consort is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige
FAPK.
Beoordeling
De commissie oordeelt positief over de uitvoeringskwaliteit van het Combattimento Consort Amsterdam, en meent dat het ensemble vanwege zijn zeer vitale presentatie en avontuurlijke
programmering een waardevolle betekenis heeft voor het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De artistieke signatuur van Combattimento Consort Amsterdam schrijft de commissie in hoge mate toe aan het charisma van de artistiek leider en dirigent van het ensemble. Uit de aanvraag van het ensemble spreekt volgens de commissie echter niet dezelfde bevlogenheid en vitaliteit die het ensemble op het podium toont. Zo mist zij in de aanvraag een reflectie op diens betekenis voor het ensemble, mede bezien in relatie tot diens toenemende activiteiten elders. Die reflectie is er volgens de commissie echter wel met betrekking tot de positie die Combattimento Consort Amsterdam inneemt ten opzichte van vergelijkbare ensembles in Nederland. De commissie is het met Combattimento eens dat de instelling zich onderscheidt van de andere grote oude muziekensembles op grond van zijn uitstraling, repertoirekeuze en brede profilering.
Combattimento Consort Amsterdam rekent het ook tot zijn kerntaak eenmaal per twee jaar een opera in eigen beheer te produceren. De commissie vindt dit onwenselijk. In het beleidsplan ontbreekt een noodzakelijke artistieke visie op de theatrale betekenis en vormgeving,
en mede op grond van gepresenteerde producties vindt de commissie dat geen sprake
is van een onderscheidende betekenis. Bovendien is zij van mening dat een dergelijke onderneming voor een daartoe niet ingerichte organisatie een onevenredig grote inzet van subsidiemiddelen vergt. De commissie ziet hierin alleen perspectief als aansluiting wordt gezocht bij bestaande operagezelschappen en/of productiehuizen.
De ketengedachte is bij het Combattimento Consort Amsterdam volgens de commissie in goede handen. Het ensemble beschikt zowel nationaal als internationaal over een relevant netwerk met strategische partners, zoals podia in Spanje, Duitsland, maar ook in de Verenigde
Staten en Japan, dat bovendien goed onderhouden wordt.
De wijze waarop Combattimento Consort Amsterdam zijn publieksontwikkeling probeert vorm te geven laat zien dat het ensemble zich ervan bewust is dat beleid op dit gebied onontbeerlijk is. Dit beleid verdient naar de mening van de commissie echter versteviging; de aanzet van het uitgevoerde onderzoek is goed maar dient verder te worden verbreed.
Combattimento Consort Amsterdam stelt dat meer kwaliteit en professionalisering op termijn
zullen leiden tot een verhoging van de directe en indirecte inkomsten. De commissie ziet dit echter niet cijfermatig vertaald in de begroting. Op grond hiervan is zij niet overtuigd van de haalbaarheid van deze ambitie
Conclusie en advies
De bijdrage van Combattimento Consort Amsterdam aan het Nederlandse podiumkunstenbestel
is bijzonder en waardevol. Het ensemble kent een hoge uitvoeringskwaliteit en toont zich bijzonder vitaal. Het in eigen beheer produceren van opera’s vindt de commissie om artistieke redenen en vanuit het oogpunt van efficiëntie echter niet wenselijk. De commissie adviseert om Combattimento Consort Amsterdam op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 495.111,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 495.111,- (per jaar)
Stichting Conny Janssen Danst
Conny Janssen Danst
Inleiding
Conny Janssen Danst (CJD) is een Rotterdams gezelschap dat zich concentreert op het werk van artistiek leider en choreografe Conny Janssen. CJD stelt zich ten doel om de toegankelijkheid
van moderne dans voor een breed publiek te vergroten. Ook educatieve activiteiten spelen daarbij een rol.
Het werk van Conny Janssen wordt volgens het gezelschap gekenmerkt door een herkenbare
theatraliteit en de geïntegreerde samenwerking met andere disciplines, zoals muziek, scenografie, film en architectuur. De verschillende voorstellingen van CJD worden gemaakt voor het schouwburgcircuit, vlakkevloertheaters en specifieke locaties.
CJD wil zich ook in de komende periode 2009-2012 richten op het ontwikkelen van nieuw repertoire, het verdiepen van de samenwerking met andere kunstenaars en kunstinstellingen,
het bereiken van nieuwe publieksgroepen, het spelen op andersoortige podia dan het reguliere theatercircuit en het intensiveren van de relaties met het bestaande theater- en festivalcircuit in binnen- en buitenland.
Daarnaast wil CJD op termijn ‘school maken’, een stroming zijn binnen de podiumkunsten en als gezelschap ruimte bieden aan andere makers die artistiek en door hun werkwijze binnen
de artistieke signatuur van CJD inspiratie vinden voor nieuw werk. De periode 2009-2012 wil het gezelschap benutten voor verdieping van de artistieke ontwikkeling van Conny Janssen en voor onderzoek naar de mogelijkheid van verbreding van CJD door andere makers bij het gezelschap te betrekken.
Met betrekking hiertoe wordt een aantal aandachtspunten in het beleid benoemd, die Conny Janssen de ruimte geven om te werken aan haar persoonlijke en artistieke ontwikkeling. Zo wordt onder andere ingezet op het (al dan niet geactualiseerd) hernemen van bestaand repertoire en wordt aandacht besteed aan talentontwikkeling. Naast het bieden van stageplaatsen
aan studenten van de Rotterdamse Dansacademie, zal voor het eerst ook gewerkt worden met jonge makers uit de eigen discipline. In samenwerking met Dansateliers start CJD een project waarin een choreograaf op uitnodiging de kans krijgt met dansers van CJD te werken. Het project, dat de komende vier jaar zal worden uitgevoerd, maakt deel uit van het onderzoek om op langere termijn binnen de eigen signatuur andere makers bij het gezelschap te betrekken. Daarnaast zal CJD het initiatief nemen om een creatief netwerk op te zetten met kunstenaars en ondernemers. Het doel is gezamenlijke raakvlakken te vinden en zo te komen tot samenwerking waarbij kennis, creativiteit en middelen worden gedeeld.
Op het gebied van internationalisering richt CJD zich actief op Europa en de Verenigde Staten. De band die is aangegaan met Rena Shagan Associates Inc. is volgens CJD een belangrijke stap om het gezelschap nader te kunnen profileren en positioneren in het internationale dansveld.
Volgens CJD is een stevig kerngezelschap, aangevuld met een repetitor/assistent choreograaf
en een tableau van zes dansers op jaarcontract een voorwaarde om de gewenste flexibiliteit
op het gebied van de artistieke en zakelijke ambities te kunnen realiseren.
CJD wordt gesubsidieerd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Naast subsidie van het Rijk ontvangt het gezelschap subsidie van de gemeente Rotterdam.
Beoordeling
Het toegankelijke werk van Conny Janssen is volgens de commissie momenteel nog steeds van waarde voor de Nederlandse danssector. CJD vervult een belangrijke rol als het gaat om het creëren van zichtbaarheid van de Nederlandse dans. Het is een van de weinige gezelschappen
die met succes een breed circuit van podia weten te bespelen (grote zaal, midden/kleine zaal en (grote) locatieprojecten).
De dansvoorstellingen van CJD onderscheiden zich door hun herkenbaarheid en laagdrempeligheid.
De technische uitvoering van het werk is van goed niveau en de aandacht die wordt besteed aan vormgeving draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het werk voor een groot en breed publiek.
De commissie plaatst desondanks kanttekeningen bij de zeggingskracht van het werk van Conny Janssen, dat zich de laatste jaren in artistiek opzicht nauwelijks heeft weten te ontwikkelen.
Om die reden is zij positief over het beleidsplan van het gezelschap, waaruit blijkt dat de choreografe zich bewust is van de noodzaak om juist in artistiek opzicht te groeien. De wijze waarop hieraan binnen het beleidsplan van het gezelschap invulling wordt gegeven
is helder en praktisch, en getuigt van een realistisch besef van de eigen positie en mogelijkheden
binnen de Rotterdamse dansinfrastructuur. Het hernemen van succesvolle producties creëert in dit verband artistieke ruimte en zakelijke continuïteit. Daarnaast past het plan om in samenwerking met Dansateliers te gaan werken met gastchoreografen goed binnen de ambities van CJD op het gebied van talentontwikkeling en de doorstroom van talent binnen het gezelschap. De uitbreiding van het artistieke team met een repetitor/assistent
choreograaf en de vergroting van het ensemble acht de commissie dan ook reëel.
De commissie heeft waardering voor het internationale beleid van CJD. Daarbij worden heldere
keuzen gemaakt voor Europa en de Verenigde Staten als afzetgebied. In deze landen heeft het gezelschap een stevig netwerk opgebouwd. Het voornemen om aansluitend op Nederlandse tournees ook Europese podia te bespelen, is naar de mening van de commissie efficiënt en getuigt van een heldere visie ten aanzien van het integraal betrekken van internationale
afzetmogelijkheden bij het uitbrengen van voorstellingen.
De commissie stelt vast dat het beleidsplan geen strategisch marketing- en communicatieplan
bevat, en dat slechts summier wordt ingegaan op een aantal thema’s dat aandacht zal krijgen binnen het publieksbereik en doelgroepenbeleid. Gezien de staat van dienst van CJD vindt de commissie dit gegeven teleurstellend. Op grond van de grote publieksgerichtheid van CJD en de diversiteit aan podia/locaties die bespeeld worden, had zij een meer uitgewerkte
visie verwacht op het eigen culturele ondernemerschap.
Conclusie en advies
Het toegankelijke werk van CJD is volgens de commissie momenteel nog steeds van waarde voor de zichtbaarheid van dans in Nederland voor een breed publiek. De commissie is positief over het feit dat artistiek leider Conny Janssen zich bewust is van de noodzaak om zich in artistiek opzicht verder te ontwikkelen. De wijze waarop hieraan binnen het beleidsplan van het gezelschap invulling wordt gegeven is helder en praktisch, en getuigt van een realistisch besef van de eigen positie en mogelijkheden binnen de Rotterdamse dansinfrastructuur. Het plan om in samenwerking met Dansateliers te gaan werken met gastchoreografen past goed binnen de ambities van CJD op het gebied van talentontwikkeling en de doorstroom van talent binnen het gezelschap. De in het beleidsplan geschetste aanpak en de internationale reputatie die CJD in de afgelopen jaren in het buitenland heeft opgebouwd, getuigen van een helder en realistisch internationaal beleid. De uitbreiding van het artistieke team met een repetitor/assistent
choreograaf en de vergroting van het ensemble is volgens de commissie dan ook realistisch.
De commissie adviseert derhalve om de aanvraag van CJD te honoreren en het gezelschap op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012, met als voorwaarde dat CJD een aanvulling op het beleidsplan indient met betrekking tot marketing en communicatie.
Conny Janssen Danst (CJD) is een Rotterdams gezelschap dat zich concentreert op het werk van artistiek leider en choreografe Conny Janssen. CJD stelt zich ten doel om de toegankelijkheid
van moderne dans voor een breed publiek te vergroten. Ook educatieve activiteiten spelen daarbij een rol.
Het werk van Conny Janssen wordt volgens het gezelschap gekenmerkt door een herkenbare
theatraliteit en de geïntegreerde samenwerking met andere disciplines, zoals muziek, scenografie, film en architectuur. De verschillende voorstellingen van CJD worden gemaakt voor het schouwburgcircuit, vlakkevloertheaters en specifieke locaties.
CJD wil zich ook in de komende periode 2009-2012 richten op het ontwikkelen van nieuw repertoire, het verdiepen van de samenwerking met andere kunstenaars en kunstinstellingen,
het bereiken van nieuwe publieksgroepen, het spelen op andersoortige podia dan het reguliere theatercircuit en het intensiveren van de relaties met het bestaande theater- en festivalcircuit in binnen- en buitenland.
Daarnaast wil CJD op termijn ‘school maken’, een stroming zijn binnen de podiumkunsten en als gezelschap ruimte bieden aan andere makers die artistiek en door hun werkwijze binnen
de artistieke signatuur van CJD inspiratie vinden voor nieuw werk. De periode 2009-2012 wil het gezelschap benutten voor verdieping van de artistieke ontwikkeling van Conny Janssen en voor onderzoek naar de mogelijkheid van verbreding van CJD door andere makers bij het gezelschap te betrekken.
Met betrekking hiertoe wordt een aantal aandachtspunten in het beleid benoemd, die Conny Janssen de ruimte geven om te werken aan haar persoonlijke en artistieke ontwikkeling. Zo wordt onder andere ingezet op het (al dan niet geactualiseerd) hernemen van bestaand repertoire en wordt aandacht besteed aan talentontwikkeling. Naast het bieden van stageplaatsen
aan studenten van de Rotterdamse Dansacademie, zal voor het eerst ook gewerkt worden met jonge makers uit de eigen discipline. In samenwerking met Dansateliers start CJD een project waarin een choreograaf op uitnodiging de kans krijgt met dansers van CJD te werken. Het project, dat de komende vier jaar zal worden uitgevoerd, maakt deel uit van het onderzoek om op langere termijn binnen de eigen signatuur andere makers bij het gezelschap te betrekken. Daarnaast zal CJD het initiatief nemen om een creatief netwerk op te zetten met kunstenaars en ondernemers. Het doel is gezamenlijke raakvlakken te vinden en zo te komen tot samenwerking waarbij kennis, creativiteit en middelen worden gedeeld.
Op het gebied van internationalisering richt CJD zich actief op Europa en de Verenigde Staten. De band die is aangegaan met Rena Shagan Associates Inc. is volgens CJD een belangrijke stap om het gezelschap nader te kunnen profileren en positioneren in het internationale dansveld.
Volgens CJD is een stevig kerngezelschap, aangevuld met een repetitor/assistent choreograaf
en een tableau van zes dansers op jaarcontract een voorwaarde om de gewenste flexibiliteit
op het gebied van de artistieke en zakelijke ambities te kunnen realiseren.
CJD wordt gesubsidieerd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Naast subsidie van het Rijk ontvangt het gezelschap subsidie van de gemeente Rotterdam.
Beoordeling
Het toegankelijke werk van Conny Janssen is volgens de commissie momenteel nog steeds van waarde voor de Nederlandse danssector. CJD vervult een belangrijke rol als het gaat om het creëren van zichtbaarheid van de Nederlandse dans. Het is een van de weinige gezelschappen
die met succes een breed circuit van podia weten te bespelen (grote zaal, midden/kleine zaal en (grote) locatieprojecten).
De dansvoorstellingen van CJD onderscheiden zich door hun herkenbaarheid en laagdrempeligheid.
De technische uitvoering van het werk is van goed niveau en de aandacht die wordt besteed aan vormgeving draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het werk voor een groot en breed publiek.
De commissie plaatst desondanks kanttekeningen bij de zeggingskracht van het werk van Conny Janssen, dat zich de laatste jaren in artistiek opzicht nauwelijks heeft weten te ontwikkelen.
Om die reden is zij positief over het beleidsplan van het gezelschap, waaruit blijkt dat de choreografe zich bewust is van de noodzaak om juist in artistiek opzicht te groeien. De wijze waarop hieraan binnen het beleidsplan van het gezelschap invulling wordt gegeven
is helder en praktisch, en getuigt van een realistisch besef van de eigen positie en mogelijkheden
binnen de Rotterdamse dansinfrastructuur. Het hernemen van succesvolle producties creëert in dit verband artistieke ruimte en zakelijke continuïteit. Daarnaast past het plan om in samenwerking met Dansateliers te gaan werken met gastchoreografen goed binnen de ambities van CJD op het gebied van talentontwikkeling en de doorstroom van talent binnen het gezelschap. De uitbreiding van het artistieke team met een repetitor/assistent
choreograaf en de vergroting van het ensemble acht de commissie dan ook reëel.
De commissie heeft waardering voor het internationale beleid van CJD. Daarbij worden heldere
keuzen gemaakt voor Europa en de Verenigde Staten als afzetgebied. In deze landen heeft het gezelschap een stevig netwerk opgebouwd. Het voornemen om aansluitend op Nederlandse tournees ook Europese podia te bespelen, is naar de mening van de commissie efficiënt en getuigt van een heldere visie ten aanzien van het integraal betrekken van internationale
afzetmogelijkheden bij het uitbrengen van voorstellingen.
De commissie stelt vast dat het beleidsplan geen strategisch marketing- en communicatieplan
bevat, en dat slechts summier wordt ingegaan op een aantal thema’s dat aandacht zal krijgen binnen het publieksbereik en doelgroepenbeleid. Gezien de staat van dienst van CJD vindt de commissie dit gegeven teleurstellend. Op grond van de grote publieksgerichtheid van CJD en de diversiteit aan podia/locaties die bespeeld worden, had zij een meer uitgewerkte
visie verwacht op het eigen culturele ondernemerschap.
Conclusie en advies
Het toegankelijke werk van CJD is volgens de commissie momenteel nog steeds van waarde voor de zichtbaarheid van dans in Nederland voor een breed publiek. De commissie is positief over het feit dat artistiek leider Conny Janssen zich bewust is van de noodzaak om zich in artistiek opzicht verder te ontwikkelen. De wijze waarop hieraan binnen het beleidsplan van het gezelschap invulling wordt gegeven is helder en praktisch, en getuigt van een realistisch besef van de eigen positie en mogelijkheden binnen de Rotterdamse dansinfrastructuur. Het plan om in samenwerking met Dansateliers te gaan werken met gastchoreografen past goed binnen de ambities van CJD op het gebied van talentontwikkeling en de doorstroom van talent binnen het gezelschap. De in het beleidsplan geschetste aanpak en de internationale reputatie die CJD in de afgelopen jaren in het buitenland heeft opgebouwd, getuigen van een helder en realistisch internationaal beleid. De uitbreiding van het artistieke team met een repetitor/assistent
choreograaf en de vergroting van het ensemble is volgens de commissie dan ook realistisch.
De commissie adviseert derhalve om de aanvraag van CJD te honoreren en het gezelschap op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012, met als voorwaarde dat CJD een aanvulling op het beleidsplan indient met betrekking tot marketing en communicatie.
dans
Toegekend bedrag:
€ 647.697,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 647.697,- (per jaar)
Stichting Dansvoorziening Noord
Club Guy & Roni
Inleiding
Club Guy & Roni is een Gronings dansgezelschap rond choreografen Guy Weizman en Roni Haver. Het duo startte het initiatief in 2000, na een danscarrière bij Bat-sheva, Wim Vandekeybus en Galili Dance en werkt inmiddels met een vaste kern van zeven dansers. Club Guy & Roni wil ‘een innovatieve, katalyserende rol in het dansveld spelen’, door dynamische
dansvoorstellingen over actuele thema’s te maken, waarin nauw samengewerkt wordt met andere disciplines, zoals muziek en theater.
Vanuit de vestigingsplaats Groningen is volgens het gezelschap een natuurlijke binding ontstaan
met het Noorden van Nederland. Dit heeft geresulteerd in allianties op het gebied van samenwerkingsprojecten, talentontwikkeling en educatie met diverse noordelijke culturele instellingen, waaronder het productiehuis Grand Theatre, het Noord Nederlands Toneel (NNT), Prime, het Noord Nederlands Orkest, het Terschellings Oerol Festival en Noorderzon.
In de periode 2009-2012 wil Club Guy & Roni vier nieuwe programma’s uitbrengen voor grote
(vlakke vloer) zalen onder de overkoepelende werktitel ‘The Deserts’. Deze cyclus van vier producties beweegt zich in ‘het spanningsveld tussen wetenschap en spiritualiteit, tussen
weten en geloven’, aldus de aanvrager. Ook wordt jaarlijks een eerdere productie uit het repertoire van de groep in reprise genomen.
Naast de reguliere voorstellingen zal Club Guy & Roni per jaar drie laboratoriumprojecten produceren. Deze ‘labprojecten’ bieden ruimte voor zowel verdere artistieke ontwikkeling en uitwisseling zonder productiedruk, als het onder de aandacht brengen van nieuw werk. Het jaarlijks uitbrengen van een locatieproject vormt een vast onderdeel van het repertoire van Club Guy & Roni. Hiermee richt de groep zich onder meer op festivals zoals Oerol en Noorderzon.
Op internationaal gebied wil Club Guy & Roni het beleid van de laatste jaren voortzetten en daarbij de nadruk leggen op de versterking van het relatieonderhoud. Hiertoe zet de groep samen met het Grand Theatre, NNT en Noorderzon vanaf 2009 een internationaal agentschap
op voor de buitenlandse verkoop en voor internationale coproductie. Acquisitie in Europa heeft daarbij de eerste prioriteit.
Club Guy & Roni ontvangt geen meerjarige subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De groep werd in de afgelopen jaren meerdere malen ondersteund met projectsubsidies
door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie beoordeelt Club Guy & Roni als een interessant en veelbelovend gezelschap binnen de Nederlandse dans. Met krachtige, eigenzinnige producties waarin mooie verbindingen
worden gelegd met andere disciplines, zoals (live) muziek, heeft de groep vanaf 2004 een eigen signatuur weten te ontwikkelen.
De manier van werken van de groep kenmerkt zich door een open houding en een oprecht streven naar maatschappelijke zeggingskracht. Daarnaast is het gezelschap goed ingebed binnen de Groningse kunstwereld, van waaruit een goede samenwerking is ontstaan met verschillende (grotere) kunstinstellingen op het gebied van theater en muziek. In die zin levert Club Guy & Roni ook een bijdrage aan het artistieke klimaat in Groningen, aldus de commissie.
Het beleid van Club Guy & Roni getuigt volgens haar van realisme en goed ondernemerschap.
Het gezelschap wil niet volledig afhankelijk zijn van subsidies en voor een substantieel
deel eigen inkomsten genereren, onder andere door middel van coproducties. Club Guy & Roni richt zich op een mix van schouwburgen en (grotere) vlakke vloer theaters, waarmee goede marketingafspraken kunnen worden gemaakt. Op deze wijze heeft de groep in de afgelopen jaren een hecht, nog steeds groeiend publiek weten op te bouwen.
De commissie heeft waardering voor het feit dat Club Guy & Roni een goed bewustzijn heeft van de eigen marktpositie. Het feit dat het gezelschap zijn marktpositie heeft geanalyseerd in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen en hieraan in het beleidsplan concrete acties heeft verbonden, acht zij in dat opzicht voorbeeldstellend.
Het beleidsplan 2009-2012 van Club Guy & Roni geeft blijk van een realistische ambitie op internationaal gebied. Daarbij wordt een duidelijke keuze gemaakt voor de Europese markt, zonder dat hierbij sprake is van ‘overspannen’ ambities. Met de buitenlandse voorstellingen weet de groep volgens de commissie op succesvolle wijze meer eigen inkomsten te genereren.
Daarnaast geeft het opzetten van een internationaal agentschap met het Grand Theatre, NNT en Noorderzon voor de buitenlandse verkoop en internationale coproductie blijk van efficiëntie en een gezonde visie op cultureel ondernemerschap. Continuïteit in subsidiëring zal de slagkracht van het gezelschap in dit opzicht naar de mening van de commissie verder versterken.
Conclusie en advies
Club Guy & Roni is een interessant en veelbelovend gezelschap binnen de Nederlandse dans. De groep heeft in de afgelopen jaren een sterke artistieke ontwikkeling doorgemaakt met krachtige, eigenzinnige producties. Daarnaast is het gezelschap goed ingebed binnen de Groningse kunstwereld, van waaruit een goede samenwerking is ontstaan met verschillende (grotere) kunstinstellingen op het gebied van theater en muziek. De groep geeft blijk van gezonde ambities op het gebied van cultureel ondernemerschap in binnen- en buitenland en heeft in de afgelopen jaren aangetoond toe te zijn aan structurele subsidiëring in het kader van deze regeling. De commissie adviseert Club Guy & Roni op te nemen in de regeling
de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Club Guy & Roni is een Gronings dansgezelschap rond choreografen Guy Weizman en Roni Haver. Het duo startte het initiatief in 2000, na een danscarrière bij Bat-sheva, Wim Vandekeybus en Galili Dance en werkt inmiddels met een vaste kern van zeven dansers. Club Guy & Roni wil ‘een innovatieve, katalyserende rol in het dansveld spelen’, door dynamische
dansvoorstellingen over actuele thema’s te maken, waarin nauw samengewerkt wordt met andere disciplines, zoals muziek en theater.
Vanuit de vestigingsplaats Groningen is volgens het gezelschap een natuurlijke binding ontstaan
met het Noorden van Nederland. Dit heeft geresulteerd in allianties op het gebied van samenwerkingsprojecten, talentontwikkeling en educatie met diverse noordelijke culturele instellingen, waaronder het productiehuis Grand Theatre, het Noord Nederlands Toneel (NNT), Prime, het Noord Nederlands Orkest, het Terschellings Oerol Festival en Noorderzon.
In de periode 2009-2012 wil Club Guy & Roni vier nieuwe programma’s uitbrengen voor grote
(vlakke vloer) zalen onder de overkoepelende werktitel ‘The Deserts’. Deze cyclus van vier producties beweegt zich in ‘het spanningsveld tussen wetenschap en spiritualiteit, tussen
weten en geloven’, aldus de aanvrager. Ook wordt jaarlijks een eerdere productie uit het repertoire van de groep in reprise genomen.
Naast de reguliere voorstellingen zal Club Guy & Roni per jaar drie laboratoriumprojecten produceren. Deze ‘labprojecten’ bieden ruimte voor zowel verdere artistieke ontwikkeling en uitwisseling zonder productiedruk, als het onder de aandacht brengen van nieuw werk. Het jaarlijks uitbrengen van een locatieproject vormt een vast onderdeel van het repertoire van Club Guy & Roni. Hiermee richt de groep zich onder meer op festivals zoals Oerol en Noorderzon.
Op internationaal gebied wil Club Guy & Roni het beleid van de laatste jaren voortzetten en daarbij de nadruk leggen op de versterking van het relatieonderhoud. Hiertoe zet de groep samen met het Grand Theatre, NNT en Noorderzon vanaf 2009 een internationaal agentschap
op voor de buitenlandse verkoop en voor internationale coproductie. Acquisitie in Europa heeft daarbij de eerste prioriteit.
Club Guy & Roni ontvangt geen meerjarige subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De groep werd in de afgelopen jaren meerdere malen ondersteund met projectsubsidies
door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie beoordeelt Club Guy & Roni als een interessant en veelbelovend gezelschap binnen de Nederlandse dans. Met krachtige, eigenzinnige producties waarin mooie verbindingen
worden gelegd met andere disciplines, zoals (live) muziek, heeft de groep vanaf 2004 een eigen signatuur weten te ontwikkelen.
De manier van werken van de groep kenmerkt zich door een open houding en een oprecht streven naar maatschappelijke zeggingskracht. Daarnaast is het gezelschap goed ingebed binnen de Groningse kunstwereld, van waaruit een goede samenwerking is ontstaan met verschillende (grotere) kunstinstellingen op het gebied van theater en muziek. In die zin levert Club Guy & Roni ook een bijdrage aan het artistieke klimaat in Groningen, aldus de commissie.
Het beleid van Club Guy & Roni getuigt volgens haar van realisme en goed ondernemerschap.
Het gezelschap wil niet volledig afhankelijk zijn van subsidies en voor een substantieel
deel eigen inkomsten genereren, onder andere door middel van coproducties. Club Guy & Roni richt zich op een mix van schouwburgen en (grotere) vlakke vloer theaters, waarmee goede marketingafspraken kunnen worden gemaakt. Op deze wijze heeft de groep in de afgelopen jaren een hecht, nog steeds groeiend publiek weten op te bouwen.
De commissie heeft waardering voor het feit dat Club Guy & Roni een goed bewustzijn heeft van de eigen marktpositie. Het feit dat het gezelschap zijn marktpositie heeft geanalyseerd in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen en hieraan in het beleidsplan concrete acties heeft verbonden, acht zij in dat opzicht voorbeeldstellend.
Het beleidsplan 2009-2012 van Club Guy & Roni geeft blijk van een realistische ambitie op internationaal gebied. Daarbij wordt een duidelijke keuze gemaakt voor de Europese markt, zonder dat hierbij sprake is van ‘overspannen’ ambities. Met de buitenlandse voorstellingen weet de groep volgens de commissie op succesvolle wijze meer eigen inkomsten te genereren.
Daarnaast geeft het opzetten van een internationaal agentschap met het Grand Theatre, NNT en Noorderzon voor de buitenlandse verkoop en internationale coproductie blijk van efficiëntie en een gezonde visie op cultureel ondernemerschap. Continuïteit in subsidiëring zal de slagkracht van het gezelschap in dit opzicht naar de mening van de commissie verder versterken.
Conclusie en advies
Club Guy & Roni is een interessant en veelbelovend gezelschap binnen de Nederlandse dans. De groep heeft in de afgelopen jaren een sterke artistieke ontwikkeling doorgemaakt met krachtige, eigenzinnige producties. Daarnaast is het gezelschap goed ingebed binnen de Groningse kunstwereld, van waaruit een goede samenwerking is ontstaan met verschillende (grotere) kunstinstellingen op het gebied van theater en muziek. De groep geeft blijk van gezonde ambities op het gebied van cultureel ondernemerschap in binnen- en buitenland en heeft in de afgelopen jaren aangetoond toe te zijn aan structurele subsidiëring in het kader van deze regeling. De commissie adviseert Club Guy & Roni op te nemen in de regeling
de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
dans
Toegekend bedrag:
€ 389.954,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 389.954,- (per jaar)
Stichting Date
Leine & Roebana
Inleiding
Leine & Roebana is een Amsterdams gezelschap dat sinds 1989 werk produceert van het choreografenduo Andrea Leine en Harijono Roebana. Volgens Leine & Roebana heeft het gezelschap zich sinds 1989 steeds ontwikkeld met werk dat een continue zoektocht is naar een nieuwe wisselwerking tussen muziek en dans. Het onderscheidend vermogen ligt daarbij
in de zeggingskracht van het werk, dat tot stand komt door het oorspronkelijk gebruik van dans, de hechte band met (live uitgevoerde) muziek en door de samenwerking met componisten
en internationaal vermaarde kunstenaars, zo vermeldt het beleidsplan.
In de periode 2009-2012 is de focus van het werk van Leine & Roebana gericht op artistieke ontwikkeling, het maken van bijzondere producties met dans en live muziek en het initiëren van samenwerkingsverbanden.
Het gezelschap wil tenminste zes producties of coproducties uitbrengen, voor zowel de middenzaal
als voor de grote zalen. Daaronder minstens twee internationale coproducties, één samenwerkingsverband tussen amateurs en professionals en een aantal (korte) interventies in de openbare ruimte. Voor de presentatie van voorstellingen in het kader van een dans- en gamelanproject in Indonesië en Nederland wordt een internationaal samenwerkingsverband
opgezet met Indonesische kunstenaars.
Leine & Roebana blijft opereren vanuit de hoofdstad, waar het wil participeren in het Danshuis Amsterdam. Daarnaast is het gezelschap de komende jaren ‘artist in residence’ in Breda, waar het door het Chassé Theater Breda is gevraagd om als huisgezelschap te gaan fungeren. Brede samenwerking met Brabantse culturele instellingen moet vanaf 2010 gaan leiden tot coproducties en de oprichting van een dans- en muziekfestival.
Leine & Roebana wil de komende vier jaar meer voorstellingen afzetten door zijn relatie met vaste afnemers te verstevigen en nieuwe theaters te overtuigen door aantrekkelijk geprijsde proefvoorstellingen. Marketing en communicatie worden geïntensiveerd en gericht op meerdere
publiekssoorten en leeftijdsgroepen. Daarbij wordt onder andere ingezet op uitbreiding van de inzet van nieuwe media, begeleiding van de marketingmedewerkers op de speelplekken
en het geven van masterclasses, clinics en inleidingen. Voor sponsor- en fondsenwerving wordt een plan gelanceerd dat bedrijfsleven en vermogende particulieren in staat stelt onderdelen van producties te adopteren en salariskosten van dansers te sponsoren.
Internationaal wil Leine & Roebana zich steviger manifesteren. De internationale focus concentreert
zich op Europa en Noord-Amerika. Het coproduceren met buitenlandse muziekensembles
biedt volgens het gezelschap grotere kansen op internationale afzet.
Leine & Roebana vraagt een subsidieverhoging voor de uitbreiding van het danserstableau tot drie dansers in vaste dienst. Daarnaast wil het gezelschap een productieleider/artistiek assistent en een vaste inspiciënt aanstellen, en inzetten op uitbreiding van de bureau-assistentie
en de functie medewerker buitenland een permanent karakter geven.
Leine & Roebana wordt structureel gesubsidieerd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het voormalige FAPK verleende het gezelschap incidenteel subsidies voor presentaties
in het buitenland.
Beoordeling
De commissie beoordeelt Leine & Roebana als een interessant en flexibel opererend gezelschap,
dat zich onderscheidt met oorspronkelijke voorstellingen, waarin hedendaagse dans en live gespeelde muziek op intelligente wijze zijn verbonden. Dit heeft in de afgelopen jaren geleid tot een aantal aansprekende samenwerkingsvormen met verschillende muziekensembles
en componisten. De commissie noemt in dat verband de voorstellingen ‘Merg’ uit 2007, waarin voor het eerst werd gewerkt met klassiek opgeleide zangers, in een combinatie van opera en dans en de reconstructie van het stuk ’footNote’ van Amy Gale en Ton Lutgerink in het kader van het project ‘Cover’ van de Nederlandse Dansdagen.
Het beleidsplan geeft volgens de commissie op overtuigende wijze blijk van de wil om in artistiek opzicht verder te groeien en daarbij te streven naar betere communicatie met het publiek. Volgens de commissie is dit een consequente en logische stap. Hoewel het weliswaar
onderscheidende werk van Leine & Roebana misschien niet behoort tot het meest toegankelijke
binnen de Nederlandse dans, mag dit naar haar idee geen excuus zijn voor het beperkte publieksbereik van het gezelschap. Leine & Roebana weet zichzelf naar de mening van de commissie niet voldoende onderscheidend te positioneren ten opzichte van het overige
aanbod. Afgemeten aan het subsidievolume waarmee het gezelschap opereert, noemt zij de (publieks)inkomsten gering en het publieksbereik matig. De percentages ‘eigen inkomsten’
en ‘cultuurprofijt’ die het gezelschap in 2009 wil realiseren, blijven met respectievelijk 12,4% en 13% onder de maat .
De commissie vindt het dan ook positief dat het gezelschap zich hiervan in zijn beleidsplan rekenschap geeft en inzet op intensivering van het acquisitie- en marketingbeleid. De ideeën
ten aanzien van een planmatige ontwikkeling van sponsoring en fondsenwerving zijn volgens de commissie interessant en getuigen van een toegenomen besef van de eigen mogelijkheden op dit gebied. De groei van het aantal voorstellingen in Nederland van 57 naar 80 die het gezelschap beoogt, getuigt volgens de commissie dan ook van een gezonde ambitie en rechtvaardigt de in dat verband gewenste personeelsuitbreiding.
Daarnaast lijkt de voorgenomen samenwerking met het Chassé Theater in Breda goede kansen
te bieden als het gaat om de spreiding van het werk van Leine & Roebana. De commissie vindt het evenwel jammer dat in het beleidsplan geen duidelijke onderbouwing is opgenomen
voor deze vorm van cultureel ondernemerschap.
De commissie heeft waardering voor het feit dat Leine & Roebana zich in de afgelopen jaren met succes heeft weten te manifesteren in Frankrijk en de Verenigde Staten. Hoewel zij begrip heeft voor de wens van het gezelschap om het internationale beleid de komende jaren te intensiveren, mist zij in het beleidsplan een uitgewerkte onderbouwing. Op grond hiervan betwijfelt de commissie of de beoogde buitenlandse expansie (in 2009 een groei naar 10 voorstellingen) haalbaar is en of op grond hiervan een meerjarig budget voor internationalisering
noodzakelijk is. De toerplannen voor de Verenigde Staten en Frankrijk zouden
in haar ogen zoveel mogelijk marktconform gefinancierd moeten kunnen worden door de uitnodigende instanties.
Conclusie en advies
De commissie beoordeelt Leine & Roebana als een interessant en flexibel opererend gezelschap,
dat zich onderscheidt met oorspronkelijke voorstellingen, waarin hedendaagse dans en live gespeelde muziek op intelligente wijze zijn verbonden. De commissie staat positief tegenover het beleidsplan voor de periode 2009-2012 en heeft waardering voor de daarin geformuleerde ambities op het gebied van artistieke ontwikkeling en publieksbereik. De plannen van Leine & Roebana op het gebied van internationalisering kunnen volgens de commissie marktconform gefinancierd worden.
Op grond van het bovenstaande ziet de commissie voldoende aanknopingspunten om deze aanvraag in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 ter honorering voor te dragen voor een bedrag van € 630.000 op voorwaarde dat Leine & Roebana een herzien beleidsplan indienen op basis van minimaal 15% eigen inkomsten.
Leine & Roebana is een Amsterdams gezelschap dat sinds 1989 werk produceert van het choreografenduo Andrea Leine en Harijono Roebana. Volgens Leine & Roebana heeft het gezelschap zich sinds 1989 steeds ontwikkeld met werk dat een continue zoektocht is naar een nieuwe wisselwerking tussen muziek en dans. Het onderscheidend vermogen ligt daarbij
in de zeggingskracht van het werk, dat tot stand komt door het oorspronkelijk gebruik van dans, de hechte band met (live uitgevoerde) muziek en door de samenwerking met componisten
en internationaal vermaarde kunstenaars, zo vermeldt het beleidsplan.
In de periode 2009-2012 is de focus van het werk van Leine & Roebana gericht op artistieke ontwikkeling, het maken van bijzondere producties met dans en live muziek en het initiëren van samenwerkingsverbanden.
Het gezelschap wil tenminste zes producties of coproducties uitbrengen, voor zowel de middenzaal
als voor de grote zalen. Daaronder minstens twee internationale coproducties, één samenwerkingsverband tussen amateurs en professionals en een aantal (korte) interventies in de openbare ruimte. Voor de presentatie van voorstellingen in het kader van een dans- en gamelanproject in Indonesië en Nederland wordt een internationaal samenwerkingsverband
opgezet met Indonesische kunstenaars.
Leine & Roebana blijft opereren vanuit de hoofdstad, waar het wil participeren in het Danshuis Amsterdam. Daarnaast is het gezelschap de komende jaren ‘artist in residence’ in Breda, waar het door het Chassé Theater Breda is gevraagd om als huisgezelschap te gaan fungeren. Brede samenwerking met Brabantse culturele instellingen moet vanaf 2010 gaan leiden tot coproducties en de oprichting van een dans- en muziekfestival.
Leine & Roebana wil de komende vier jaar meer voorstellingen afzetten door zijn relatie met vaste afnemers te verstevigen en nieuwe theaters te overtuigen door aantrekkelijk geprijsde proefvoorstellingen. Marketing en communicatie worden geïntensiveerd en gericht op meerdere
publiekssoorten en leeftijdsgroepen. Daarbij wordt onder andere ingezet op uitbreiding van de inzet van nieuwe media, begeleiding van de marketingmedewerkers op de speelplekken
en het geven van masterclasses, clinics en inleidingen. Voor sponsor- en fondsenwerving wordt een plan gelanceerd dat bedrijfsleven en vermogende particulieren in staat stelt onderdelen van producties te adopteren en salariskosten van dansers te sponsoren.
Internationaal wil Leine & Roebana zich steviger manifesteren. De internationale focus concentreert
zich op Europa en Noord-Amerika. Het coproduceren met buitenlandse muziekensembles
biedt volgens het gezelschap grotere kansen op internationale afzet.
Leine & Roebana vraagt een subsidieverhoging voor de uitbreiding van het danserstableau tot drie dansers in vaste dienst. Daarnaast wil het gezelschap een productieleider/artistiek assistent en een vaste inspiciënt aanstellen, en inzetten op uitbreiding van de bureau-assistentie
en de functie medewerker buitenland een permanent karakter geven.
Leine & Roebana wordt structureel gesubsidieerd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het voormalige FAPK verleende het gezelschap incidenteel subsidies voor presentaties
in het buitenland.
Beoordeling
De commissie beoordeelt Leine & Roebana als een interessant en flexibel opererend gezelschap,
dat zich onderscheidt met oorspronkelijke voorstellingen, waarin hedendaagse dans en live gespeelde muziek op intelligente wijze zijn verbonden. Dit heeft in de afgelopen jaren geleid tot een aantal aansprekende samenwerkingsvormen met verschillende muziekensembles
en componisten. De commissie noemt in dat verband de voorstellingen ‘Merg’ uit 2007, waarin voor het eerst werd gewerkt met klassiek opgeleide zangers, in een combinatie van opera en dans en de reconstructie van het stuk ’footNote’ van Amy Gale en Ton Lutgerink in het kader van het project ‘Cover’ van de Nederlandse Dansdagen.
Het beleidsplan geeft volgens de commissie op overtuigende wijze blijk van de wil om in artistiek opzicht verder te groeien en daarbij te streven naar betere communicatie met het publiek. Volgens de commissie is dit een consequente en logische stap. Hoewel het weliswaar
onderscheidende werk van Leine & Roebana misschien niet behoort tot het meest toegankelijke
binnen de Nederlandse dans, mag dit naar haar idee geen excuus zijn voor het beperkte publieksbereik van het gezelschap. Leine & Roebana weet zichzelf naar de mening van de commissie niet voldoende onderscheidend te positioneren ten opzichte van het overige
aanbod. Afgemeten aan het subsidievolume waarmee het gezelschap opereert, noemt zij de (publieks)inkomsten gering en het publieksbereik matig. De percentages ‘eigen inkomsten’
en ‘cultuurprofijt’ die het gezelschap in 2009 wil realiseren, blijven met respectievelijk 12,4% en 13% onder de maat .
De commissie vindt het dan ook positief dat het gezelschap zich hiervan in zijn beleidsplan rekenschap geeft en inzet op intensivering van het acquisitie- en marketingbeleid. De ideeën
ten aanzien van een planmatige ontwikkeling van sponsoring en fondsenwerving zijn volgens de commissie interessant en getuigen van een toegenomen besef van de eigen mogelijkheden op dit gebied. De groei van het aantal voorstellingen in Nederland van 57 naar 80 die het gezelschap beoogt, getuigt volgens de commissie dan ook van een gezonde ambitie en rechtvaardigt de in dat verband gewenste personeelsuitbreiding.
Daarnaast lijkt de voorgenomen samenwerking met het Chassé Theater in Breda goede kansen
te bieden als het gaat om de spreiding van het werk van Leine & Roebana. De commissie vindt het evenwel jammer dat in het beleidsplan geen duidelijke onderbouwing is opgenomen
voor deze vorm van cultureel ondernemerschap.
De commissie heeft waardering voor het feit dat Leine & Roebana zich in de afgelopen jaren met succes heeft weten te manifesteren in Frankrijk en de Verenigde Staten. Hoewel zij begrip heeft voor de wens van het gezelschap om het internationale beleid de komende jaren te intensiveren, mist zij in het beleidsplan een uitgewerkte onderbouwing. Op grond hiervan betwijfelt de commissie of de beoogde buitenlandse expansie (in 2009 een groei naar 10 voorstellingen) haalbaar is en of op grond hiervan een meerjarig budget voor internationalisering
noodzakelijk is. De toerplannen voor de Verenigde Staten en Frankrijk zouden
in haar ogen zoveel mogelijk marktconform gefinancierd moeten kunnen worden door de uitnodigende instanties.
Conclusie en advies
De commissie beoordeelt Leine & Roebana als een interessant en flexibel opererend gezelschap,
dat zich onderscheidt met oorspronkelijke voorstellingen, waarin hedendaagse dans en live gespeelde muziek op intelligente wijze zijn verbonden. De commissie staat positief tegenover het beleidsplan voor de periode 2009-2012 en heeft waardering voor de daarin geformuleerde ambities op het gebied van artistieke ontwikkeling en publieksbereik. De plannen van Leine & Roebana op het gebied van internationalisering kunnen volgens de commissie marktconform gefinancierd worden.
Op grond van het bovenstaande ziet de commissie voldoende aanknopingspunten om deze aanvraag in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 ter honorering voor te dragen voor een bedrag van € 630.000 op voorwaarde dat Leine & Roebana een herzien beleidsplan indienen op basis van minimaal 15% eigen inkomsten.
dans
Toegekend bedrag:
€ 663.307,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 663.307,- (per jaar)
Stichting De (Internationale) Keuze
De (Internationale) Keuze
Inleiding
Sinds 2001 concentreert het internationale aanbod van de Rotterdamse Schouwbrug zich vooral in De (Internationale) Keuze, een drie weken durend festival van interdisciplinaire en internationale podiumkunsten. Sinds dit jaar is Stichting De (Internationale) Keuze verantwoordelijk
voor de programmering van het theaterfestival. De verbinding van het festival aan de Rotterdamse Schouwburg en Productiehuis Rotterdam biedt een platform aan lokale, nationale en internationale uitwisseling, presentatie en coproductie. Gezamenlijk voeren deze organisaties de komende vier jaren het overkoepelende motto: a sense of belonging. Dit motto verwijst in de eerste plaats naar het voornemen om het publieke en maatschappelijke draagvlak voor podiumkunsten te versterken.
De (Internationale) Keuze ziet internationalisering als het speerpunt van zijn beleid en voert die door op drie niveaus: productie, programmering en context. Door middel van internationale
coproducties, uitwisseling in programmering en verbreding van het publiek door intensievere begeleiding denkt het festival internationalisering op een effectieve wijze in te bedden in de organisatie.
De komende jaren wil De (Internationale) Keuze het festival verbreden. Er zijn plannen voor samenwerking met verschillende Rotterdamse theaters en andere culturele instellingen
waaronder landelijke theaterinstellingen. Het festival wil het internationale netwerk verder verstevigen door uitwisseling en coproducties. Door ook buiten de schouwburg te presenteren en jaarlijks een ander motto voor het festival te hanteren wil De (Internationale)
Keuze het maatschappelijke draagvlak van de podiumkunsten vergroten. Met het Europese
project Next Step wil het festival een podium bieden aan de nieuwe generatie theaterkunstenaars die interdisciplinair werken en internationaal georiënteerd zijn en die daarmee iets aan de lokale omgeving toevoegen. Daarnaast blijft De (Internationale) Keuze jaarlijks drie of vier voorstelling presenteren van bewezen belangwekkende theatermakers, die een grote invloed uitoefenen op jongere generaties.
Tevens beoogt De (Internationale) Keuze voor een groot en breed publiek specifieke Rotterdamse
projecten te zoeken en ontwikkelen. Het festival vraagt extra subsidie aan voor onder andere de artistieke ontwikkeling en leiding van het festival en voor het reisbudget.
De begroting stijgt van € 461.251 in 2006 naar € 1.003.000.
De (Internationale) Keuze ontvangt geen subsidie in het kader van de Cultuurnota
2005 – 2008.
De (Internationale) Keuze heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als internationaal platform in de basisinfrastructuur 2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd De (Internationale) Keuze niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De (Internationale) Keuze is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in de dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten van het NFPK+. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening gehouden met de inhoud van de aanvulling.
In de afgelopen jaren ontving De (Internationale) Keuze subsidies vanuit het voormalige FAPK (Internationalisering) en de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De (Internationale) Keuze is uitgegroeid tot een belangrijk festival met een landelijke
uitstraling door internationale voorstellingen te programmeren waarvan het merendeel niet of nauwelijks op andere podia in Nederland te zien is. De commissie is positief over de kwaliteit
van het festivalprogramma van De (Internationale) Keuze. De uitgesproken programmakeuzes
bieden ook inspiratie voor Nederlandse programmeurs en theatermakers en
De (Internationale) Keuze vervult daarmee een belangrijke bijdrage als vakfestival.
Uit de aanvraag blijkt een overtuigende inhoudelijke urgentie en een grote gedrevenheid om het werk van kunstenaars zichtbaar te maken die midden in de geglobaliseerde samenleving
staan, eclectisch zijn en zich willen verhouden tot de wereld. Het plan getuigt van een inspirerende visie op theater en de wereld, met het motto a sense of belonging als universele leidraad.
Het festival heeft de afgelopen jaren zorgvuldig gewerkt aan een inhoudelijke signatuur, de relatie met kunstenaars, de samenhang van het programma en het debat. De (Internationale)
Keuze heeft een uitstekende reputatie opgebouwd door het tonen van internationaal belangwekkende producties en het introduceren van voor Nederland nieuwe namen en sluit daarmee aan bij het speerpunt internationalisering in het beleid van het Fonds. Datzelfde geldt voor het nieuwsgierigheidbeleid van het festival dat zich in het plan vertaalt in een ‘open canon’. Het thema dat de organisatie aanroert is interessant, al kan de commissie zich niet aan de indruk onttrekken dat veel getoonde experimenten vooral vormgericht zijn en de rol van performer en publiek willen onderzoeken.
Uit het plan van De (Internationale) Keuze klinkt de ambitie van het festival door om meer dan voorheen een breder publiek te bereiken, met name in de stad Rotterdam. Daarbij wil het festival zijn pijlers op een multiculturele elite richten. De aanvraag geeft echter eerder het voornemen weer dan dat er sprake is van een overtuigende uitwerking. Hoewel het festival
een aantal (mogelijke) samenwerkingspartners benoemt, is ook deze ambitie onvoldoende
uitgewerkt, waardoor de commissie weinig zicht krijgt op de artistieke noodzaak van deze toekomstige samenwerkingsverbanden. De commissie is overigens positief over de uitbreiding
van het festival met de ‘R-factor’ op andere locaties, dat vooral de inbedding van het festival in de directe omgeving en de festivalbeleving ten goede zal komen, maar ziet voor ondersteuning van deze activiteiten primair een rol weggelegd voor de stad Rotterdam.
De commissie plaatst voorts een aantal kanttekeningen bij het plan in relatie tot de financiële vertaling van de artistieke ambities. De verzelfstandiging van De (Internationale) Keuze in een aparte stichting vindt de commissie voornamelijk een organisatorische kwestie; inhoudelijk
maakt het festival in alle aspecten onderdeel uit van de Rotterdamse Schouwburg. De onafhankelijkheid die aanvrager daarmee zegt te willen bereiken ziet de commissie niet terug in het beleidsplan. De grotere slagkracht, die de organisatie nastreeft, komt vooral tot uiting in een flinke verhoging van de activiteitenlasten, doordat de personeelskosten voor programmeur
en dramaturg nu volledig voor rekening van het festival komen. De commissie ziet deze programmeringstaken grotendeels als onderdeel van de taken van een programmeur van een schouwburg van de omvang en ambitie als die van Rotterdam. Zij is van mening dat de noodzaak
hiervoor onvoldoende wordt onderbouwd. Het festival beoogt de publieksinkomsten te verhogen door uitbreiding van het programma op locatie. De aanvrager verwacht in 2009 een bezoekersaantal van 12.000 te realiseren wat een gemiddelde bezetting van 75% betekent. Uit de cijfers van 2006 blijkt dat de locatievoorstellingen een goede bezettingsgraad hebben. De bezoekcijfers voor de belangwekkende voorstellingen die in de schouwburg worden gepresenteerd
zijn echter zorgwekkend laag. In hoeverre het festival in staat is hierin verandering te brengen komt in de aanvraag onvoldoende naar voren, een plan van aanpak alsmede een overtuigende en uitgewerkte marketingstrategie ontbreken. Terwijl de publieksinkomsten volgens de aanvrager in 2006 € 88.027 bedragen, begroot het festival in 2009 hiervoor een bedrag van € 160.000. Ook hiervoor vindt de commissie in het plan (te) weinig aanknopingspunten
om deze stijging realistisch te achten. Ten slotte ontbeert het plan een visie op het werven van overige eigen inkomsten en merkt de commissie op dat de toelichting op de begroting een verschil van € 50.000 laat zien ten opzichte van de financiële samenvatting.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over De (Internationale) Keuze is gezien zijn functie als belangwekkend festival dat de voorhoede van de internationale podiumkunsten presenteert, positief. Het plan getuigt van een inspirerende visie. Het festival biedt een duidelijke meerwaarde
ten opzichte van het bestaande aanbod. Wel is de commissie van mening dat de organisatie meer inspanningen moet verrichten om de functionele kwaliteit te verbeteren.
Samenvattend adviseert de commissie De (Internationale) Keuze op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Sinds 2001 concentreert het internationale aanbod van de Rotterdamse Schouwbrug zich vooral in De (Internationale) Keuze, een drie weken durend festival van interdisciplinaire en internationale podiumkunsten. Sinds dit jaar is Stichting De (Internationale) Keuze verantwoordelijk
voor de programmering van het theaterfestival. De verbinding van het festival aan de Rotterdamse Schouwburg en Productiehuis Rotterdam biedt een platform aan lokale, nationale en internationale uitwisseling, presentatie en coproductie. Gezamenlijk voeren deze organisaties de komende vier jaren het overkoepelende motto: a sense of belonging. Dit motto verwijst in de eerste plaats naar het voornemen om het publieke en maatschappelijke draagvlak voor podiumkunsten te versterken.
De (Internationale) Keuze ziet internationalisering als het speerpunt van zijn beleid en voert die door op drie niveaus: productie, programmering en context. Door middel van internationale
coproducties, uitwisseling in programmering en verbreding van het publiek door intensievere begeleiding denkt het festival internationalisering op een effectieve wijze in te bedden in de organisatie.
De komende jaren wil De (Internationale) Keuze het festival verbreden. Er zijn plannen voor samenwerking met verschillende Rotterdamse theaters en andere culturele instellingen
waaronder landelijke theaterinstellingen. Het festival wil het internationale netwerk verder verstevigen door uitwisseling en coproducties. Door ook buiten de schouwburg te presenteren en jaarlijks een ander motto voor het festival te hanteren wil De (Internationale)
Keuze het maatschappelijke draagvlak van de podiumkunsten vergroten. Met het Europese
project Next Step wil het festival een podium bieden aan de nieuwe generatie theaterkunstenaars die interdisciplinair werken en internationaal georiënteerd zijn en die daarmee iets aan de lokale omgeving toevoegen. Daarnaast blijft De (Internationale) Keuze jaarlijks drie of vier voorstelling presenteren van bewezen belangwekkende theatermakers, die een grote invloed uitoefenen op jongere generaties.
Tevens beoogt De (Internationale) Keuze voor een groot en breed publiek specifieke Rotterdamse
projecten te zoeken en ontwikkelen. Het festival vraagt extra subsidie aan voor onder andere de artistieke ontwikkeling en leiding van het festival en voor het reisbudget.
De begroting stijgt van € 461.251 in 2006 naar € 1.003.000.
De (Internationale) Keuze ontvangt geen subsidie in het kader van de Cultuurnota
2005 – 2008.
De (Internationale) Keuze heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als internationaal platform in de basisinfrastructuur 2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd De (Internationale) Keuze niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De (Internationale) Keuze is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in de dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten van het NFPK+. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening gehouden met de inhoud van de aanvulling.
In de afgelopen jaren ontving De (Internationale) Keuze subsidies vanuit het voormalige FAPK (Internationalisering) en de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De (Internationale) Keuze is uitgegroeid tot een belangrijk festival met een landelijke
uitstraling door internationale voorstellingen te programmeren waarvan het merendeel niet of nauwelijks op andere podia in Nederland te zien is. De commissie is positief over de kwaliteit
van het festivalprogramma van De (Internationale) Keuze. De uitgesproken programmakeuzes
bieden ook inspiratie voor Nederlandse programmeurs en theatermakers en
De (Internationale) Keuze vervult daarmee een belangrijke bijdrage als vakfestival.
Uit de aanvraag blijkt een overtuigende inhoudelijke urgentie en een grote gedrevenheid om het werk van kunstenaars zichtbaar te maken die midden in de geglobaliseerde samenleving
staan, eclectisch zijn en zich willen verhouden tot de wereld. Het plan getuigt van een inspirerende visie op theater en de wereld, met het motto a sense of belonging als universele leidraad.
Het festival heeft de afgelopen jaren zorgvuldig gewerkt aan een inhoudelijke signatuur, de relatie met kunstenaars, de samenhang van het programma en het debat. De (Internationale)
Keuze heeft een uitstekende reputatie opgebouwd door het tonen van internationaal belangwekkende producties en het introduceren van voor Nederland nieuwe namen en sluit daarmee aan bij het speerpunt internationalisering in het beleid van het Fonds. Datzelfde geldt voor het nieuwsgierigheidbeleid van het festival dat zich in het plan vertaalt in een ‘open canon’. Het thema dat de organisatie aanroert is interessant, al kan de commissie zich niet aan de indruk onttrekken dat veel getoonde experimenten vooral vormgericht zijn en de rol van performer en publiek willen onderzoeken.
Uit het plan van De (Internationale) Keuze klinkt de ambitie van het festival door om meer dan voorheen een breder publiek te bereiken, met name in de stad Rotterdam. Daarbij wil het festival zijn pijlers op een multiculturele elite richten. De aanvraag geeft echter eerder het voornemen weer dan dat er sprake is van een overtuigende uitwerking. Hoewel het festival
een aantal (mogelijke) samenwerkingspartners benoemt, is ook deze ambitie onvoldoende
uitgewerkt, waardoor de commissie weinig zicht krijgt op de artistieke noodzaak van deze toekomstige samenwerkingsverbanden. De commissie is overigens positief over de uitbreiding
van het festival met de ‘R-factor’ op andere locaties, dat vooral de inbedding van het festival in de directe omgeving en de festivalbeleving ten goede zal komen, maar ziet voor ondersteuning van deze activiteiten primair een rol weggelegd voor de stad Rotterdam.
De commissie plaatst voorts een aantal kanttekeningen bij het plan in relatie tot de financiële vertaling van de artistieke ambities. De verzelfstandiging van De (Internationale) Keuze in een aparte stichting vindt de commissie voornamelijk een organisatorische kwestie; inhoudelijk
maakt het festival in alle aspecten onderdeel uit van de Rotterdamse Schouwburg. De onafhankelijkheid die aanvrager daarmee zegt te willen bereiken ziet de commissie niet terug in het beleidsplan. De grotere slagkracht, die de organisatie nastreeft, komt vooral tot uiting in een flinke verhoging van de activiteitenlasten, doordat de personeelskosten voor programmeur
en dramaturg nu volledig voor rekening van het festival komen. De commissie ziet deze programmeringstaken grotendeels als onderdeel van de taken van een programmeur van een schouwburg van de omvang en ambitie als die van Rotterdam. Zij is van mening dat de noodzaak
hiervoor onvoldoende wordt onderbouwd. Het festival beoogt de publieksinkomsten te verhogen door uitbreiding van het programma op locatie. De aanvrager verwacht in 2009 een bezoekersaantal van 12.000 te realiseren wat een gemiddelde bezetting van 75% betekent. Uit de cijfers van 2006 blijkt dat de locatievoorstellingen een goede bezettingsgraad hebben. De bezoekcijfers voor de belangwekkende voorstellingen die in de schouwburg worden gepresenteerd
zijn echter zorgwekkend laag. In hoeverre het festival in staat is hierin verandering te brengen komt in de aanvraag onvoldoende naar voren, een plan van aanpak alsmede een overtuigende en uitgewerkte marketingstrategie ontbreken. Terwijl de publieksinkomsten volgens de aanvrager in 2006 € 88.027 bedragen, begroot het festival in 2009 hiervoor een bedrag van € 160.000. Ook hiervoor vindt de commissie in het plan (te) weinig aanknopingspunten
om deze stijging realistisch te achten. Ten slotte ontbeert het plan een visie op het werven van overige eigen inkomsten en merkt de commissie op dat de toelichting op de begroting een verschil van € 50.000 laat zien ten opzichte van de financiële samenvatting.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over De (Internationale) Keuze is gezien zijn functie als belangwekkend festival dat de voorhoede van de internationale podiumkunsten presenteert, positief. Het plan getuigt van een inspirerende visie. Het festival biedt een duidelijke meerwaarde
ten opzichte van het bestaande aanbod. Wel is de commissie van mening dat de organisatie meer inspanningen moet verrichten om de functionele kwaliteit te verbeteren.
Samenvattend adviseert de commissie De (Internationale) Keuze op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 155.376,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 155.376,- (per jaar)
Stichting De Bende
Hotel Modern
Inleiding
De Bende (Hotel Modern) is een multidisciplinaire theatergroep, opgericht in 1997. Artistieke
kernleden zijn de actrices Arlène Hoornweg en Pauline Kalker en beeldend kunstenaar Herman Helle. Hotel Modern heeft naar eigen zeggen binnen het genre poppen- en objecttheater
een eigen theatertaal ontwikkeld waarin poppenspel, animatiefilm, beeldende kunst, performance, mime en muziek worden samengesmeed. Het gezelschap ziet zichzelf als een experimentele theatergroep, die door verschillende kunstvormen te combineren de grenzen van de heersende theaterconventies oprekt. Per project worden op freelancebasis toneelspelers,
kunstenaars, musici en ontwerpers aangetrokken. Hotel Modern maakt jaarlijks een nieuwe productie, waar gemiddeld zeven maanden aan gewerkt wordt. Succesvolle voorstellingen
blijven langdurig op het repertoire. Als de voorstellingen in reprise gaan, wordt het realiseren van een nieuwe productie opgeschoven. Hotel Modern speelt in Nederland in het vlakkevloercircuit, in het buitenland in de kleine en middenzaal en wereldwijd op internationale
festivals.
In de periode 2009-2012 worden vier nieuwe voorstellingen en een aantal kleine producties uitgebracht. Hotel Modern wil de komende jaren met een flexibel model werken waarbij in het ene jaar bijvoorbeeld twee nieuwe producties worden gemaakt en het volgende jaar ruimte wordt gegeven aan een extra lang onderzoek en het spelen van reprises. Om artistieke
ruimte te bieden aan de actualiteit wordt pas na het tot stand brengen van een voorstelling
besloten wat de volgende productie zal zijn.
In de komende periode wil de groep structureel aandacht besteden aan onderzoek om de artistieke horizon te verbreden en om kiemen van ideeën, technische hoogstandjes en mogelijke samenwerkingen te toetsen en uit te werken. Er wordt actief gezocht naar samenwerking
met scenaristen en er wordt onderzoek ingezet naar een grotere rol voor muziek. Hotel Modern vraagt extra subsidie voor het verstevigen en professionaliseren van de organisatie,
voor het uitbouwen en ontwikkelen van de artistieke plannen en voor het vaker spelen
van voorstellingen buiten Europa.
Hotel Modern vraagt aan het NFPK+ € 412.500 per jaar.
Hotel Modern ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Hotel Modern heeft de afgelopen jaren incidenteel subsidie ontvangen van het voormalige FAPK ten behoeve van internationale activiteiten.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van Hotel Modern. Het werk heeft oorspronkelijkheid
en zeggingskracht. De producties zijn geschikt voor een breed volwassen publiek. Hotel Modern pakt collectieve thema’s uit de wereldgeschiedenis en koppelt deze aan de actualiteit. Het gezelschap heeft een doeltreffende en bijzondere stijlvorm ontwikkeld
door maquettes met een vingercamera te filmen en meer dan levensgroot te projecteren.
Het gezelschap heeft zich daarmee een eigen plek binnen het bestel verworven.
In zijn advies over het beleidsplan 2005-2008 sprak de Raad voor Cultuur het vertrouwen uit dat Hotel Modern haar beeldende kracht zou continueren in de komende producties. Aan deze verwachting heeft het gezelschap voldaan.
De commissie vindt de plannen voor de volgende periode helder en doordacht. Uit deze plannen blijkt dat het gezelschap voldoende ideeën heeft voor de komende jaren. Ook blijkt uit het plan dat Hotel Modern én actief zoekt naar inspirerende samenwerkingen én nieuwe ontwikkelingsrichtingen.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling goed tot uiting komt in de aanvraag. De premières vinden plaats in Rotterdam. Daar speelt het gezelschap steeds twee weken; daarna volgt een tournee. Het gezelschap probeert zo veel mogelijk speeldata op één speelplek te plannen. Zo kan het profiteren
van mond-tot-mondreclame. Dat dat werkt meent de commissie af te kunnen leiden uit het feit dat het beleidsplan vermeldt dat steeds meer theaters een speciale ‘Hotel Modern week’ programmeren, waarin verschillende voorstellingen uit het repertoire gespeeld worden.
De internationale expansie van de groep krijgt ondersteuning van de commissie.
De commissie vindt dat er sprake is van deugdelijke bedrijfsvoering en heeft vertrouwen in de toekomst van de organisatie.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke kwaliteiten van Hotel Modern. Dankzij het unieke werk heeft het gezelschap zich een eigen plek binnen het bestel verworven en is zij een goede
representant in het buitenland. Daarom adviseert de commissie Hotel Modern op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunsten 2009-2012 en de subsidie te verhogen
voor het verstevigen en professionaliseren van de organisatie en het uitbouwen en ontwikkelen van de kernactiviteiten.
De Bende (Hotel Modern) is een multidisciplinaire theatergroep, opgericht in 1997. Artistieke
kernleden zijn de actrices Arlène Hoornweg en Pauline Kalker en beeldend kunstenaar Herman Helle. Hotel Modern heeft naar eigen zeggen binnen het genre poppen- en objecttheater
een eigen theatertaal ontwikkeld waarin poppenspel, animatiefilm, beeldende kunst, performance, mime en muziek worden samengesmeed. Het gezelschap ziet zichzelf als een experimentele theatergroep, die door verschillende kunstvormen te combineren de grenzen van de heersende theaterconventies oprekt. Per project worden op freelancebasis toneelspelers,
kunstenaars, musici en ontwerpers aangetrokken. Hotel Modern maakt jaarlijks een nieuwe productie, waar gemiddeld zeven maanden aan gewerkt wordt. Succesvolle voorstellingen
blijven langdurig op het repertoire. Als de voorstellingen in reprise gaan, wordt het realiseren van een nieuwe productie opgeschoven. Hotel Modern speelt in Nederland in het vlakkevloercircuit, in het buitenland in de kleine en middenzaal en wereldwijd op internationale
festivals.
In de periode 2009-2012 worden vier nieuwe voorstellingen en een aantal kleine producties uitgebracht. Hotel Modern wil de komende jaren met een flexibel model werken waarbij in het ene jaar bijvoorbeeld twee nieuwe producties worden gemaakt en het volgende jaar ruimte wordt gegeven aan een extra lang onderzoek en het spelen van reprises. Om artistieke
ruimte te bieden aan de actualiteit wordt pas na het tot stand brengen van een voorstelling
besloten wat de volgende productie zal zijn.
In de komende periode wil de groep structureel aandacht besteden aan onderzoek om de artistieke horizon te verbreden en om kiemen van ideeën, technische hoogstandjes en mogelijke samenwerkingen te toetsen en uit te werken. Er wordt actief gezocht naar samenwerking
met scenaristen en er wordt onderzoek ingezet naar een grotere rol voor muziek. Hotel Modern vraagt extra subsidie voor het verstevigen en professionaliseren van de organisatie,
voor het uitbouwen en ontwikkelen van de artistieke plannen en voor het vaker spelen
van voorstellingen buiten Europa.
Hotel Modern vraagt aan het NFPK+ € 412.500 per jaar.
Hotel Modern ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Hotel Modern heeft de afgelopen jaren incidenteel subsidie ontvangen van het voormalige FAPK ten behoeve van internationale activiteiten.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van Hotel Modern. Het werk heeft oorspronkelijkheid
en zeggingskracht. De producties zijn geschikt voor een breed volwassen publiek. Hotel Modern pakt collectieve thema’s uit de wereldgeschiedenis en koppelt deze aan de actualiteit. Het gezelschap heeft een doeltreffende en bijzondere stijlvorm ontwikkeld
door maquettes met een vingercamera te filmen en meer dan levensgroot te projecteren.
Het gezelschap heeft zich daarmee een eigen plek binnen het bestel verworven.
In zijn advies over het beleidsplan 2005-2008 sprak de Raad voor Cultuur het vertrouwen uit dat Hotel Modern haar beeldende kracht zou continueren in de komende producties. Aan deze verwachting heeft het gezelschap voldaan.
De commissie vindt de plannen voor de volgende periode helder en doordacht. Uit deze plannen blijkt dat het gezelschap voldoende ideeën heeft voor de komende jaren. Ook blijkt uit het plan dat Hotel Modern én actief zoekt naar inspirerende samenwerkingen én nieuwe ontwikkelingsrichtingen.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling goed tot uiting komt in de aanvraag. De premières vinden plaats in Rotterdam. Daar speelt het gezelschap steeds twee weken; daarna volgt een tournee. Het gezelschap probeert zo veel mogelijk speeldata op één speelplek te plannen. Zo kan het profiteren
van mond-tot-mondreclame. Dat dat werkt meent de commissie af te kunnen leiden uit het feit dat het beleidsplan vermeldt dat steeds meer theaters een speciale ‘Hotel Modern week’ programmeren, waarin verschillende voorstellingen uit het repertoire gespeeld worden.
De internationale expansie van de groep krijgt ondersteuning van de commissie.
De commissie vindt dat er sprake is van deugdelijke bedrijfsvoering en heeft vertrouwen in de toekomst van de organisatie.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke kwaliteiten van Hotel Modern. Dankzij het unieke werk heeft het gezelschap zich een eigen plek binnen het bestel verworven en is zij een goede
representant in het buitenland. Daarom adviseert de commissie Hotel Modern op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunsten 2009-2012 en de subsidie te verhogen
voor het verstevigen en professionaliseren van de organisatie en het uitbouwen en ontwikkelen van de kernactiviteiten.
theater
Toegekend bedrag:
€ 430.428,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 430.428,- (per jaar)
Stichting De Nederlandse Bachvereniging
Bachvereniging
Inleiding
Volgens het beleidsplan kenmerkt de programmering van de Nederlandse Bachvereniging zich door muziekstijlen tussen Schütz/Monteverdi en Haydn/Mozart, met Johann Sebastian Bach als centrale componist. De Nederlandse Bachvereniging werkt met een flexibel samengesteld ensemble, wat uitvoeringen mogelijk maakt in zeer uiteenlopende bezetting, van zowel kerkelijk als wereldlijk repertoire. Behalve met zijn chef-dirigent werkt het ensemble samen met vooraanstaande oude muziekspecialisten uit binnen- en buitenland. De Nederlandse Bachvereniging constateert in haar activiteitenplan een toename van het publieksbereik en maakt melding van een groeiende internationale belangstelling. Het ensemble ondersteunt waar nodig de concerten met een randprogrammering, zoals inleidingen,
workshops, tentoonstellingen en boekuitgaven. Binnen de randprogrammering wordt speciale nadruk gelegd op educatieve projecten. In de subsidieaanvraag kijkt De Nederlandse
Bachvereniging terug op de ervaringen die zij de afgelopen jaren heeft opgedaan met een nieuwe ensemblestructuur en een nieuwe visie op de uitvoeringspraktijk. Het ensemble stelt zelf in een eigen evaluatie dat dankzij professionalisering op vocaal gebied het kwaliteitsniveau
is gestegen, waardoor de Bachvereniging nu kan concurreren op wereldniveau. Voor de komende periode kiest de Bachvereniging voor een sterk programmatische benadering.
Deze werkwijze maakt volgens haar een goede koppeling met educatieve programma’s mogelijk en biedt bovendien kansen om andere kunstvormen zoals literatuur, film, beeldende
kunst en theater bij de programmering te betrekken. In de plannen voor de komende jaren is een groot aantal projecten opgenomen met repertoire dat slechts zelden of niet eerder
in Nederland te beluisteren is geweest. De Nederlandse Bachvereniging wil in de periode
2009-2012 vasthouden aan een hoge mate van spreiding binnen Nederland en daarnaast haar internationale activiteiten bestendigen. Met de Gemeente Utrecht, de Organisatie Oude Muziek en de Geertekerk voert de instelling De Nederlandse Bachvereniging gesprekken om te komen tot een ‘Huis voor de Oude Muziek’. De Nederlandse Bachvereniging vraagt een verhoging aan van de meerjarige instellingssubsidie. Met de extra subsidie wil zij het aantal concerten op internationale podia vergroten, investeren in educatieprojecten en een speciaal programma getiteld ’Dagreis Bach’, de honoraria van ensemblezangers verhogen en investeren in de pensioenvoorziening.
De Nederlandse Bachvereniging ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de uitvoeringskwaliteit van De Nederlandse Bachvereniging. Zij prijst de innovatieve kracht van de vereniging en kent haar een bijzondere plek toe in het Nederlandse podium-kunstenbestel.
De commissie is bovendien zeer te spreken over het feit dat De Nederlandse Bachvereniging de zichzelf opgelegde artistieke doelstellingen van vier jaar geleden ruimschoots heeft waargemaakt.
De aanvraag van De Nederlandse Bachvereniging overtuigt door een uitgewerkte artistieke visie, die het de commissie mogelijk maakt zich een duidelijk beeld te vormen van de ontwikkeling
die het ensemble ambieert. Uit het beleidsplan blijkt dat De Nederlandse Bachvereniging kiest voor een sterke programmatische lijn. De commissie heeft hiervoor waardering, alsook voor de hoge geografische spreiding van de concerten over het land. De Nederlandse Bachvereniging slaagt er als een van de weinige instellingen in om met veel inzet en geduld, duurzame relaties op te bouwen met strategische partners in de keten.
Aan de publieksontwikkeling wordt met eenzelfde zorgvuldigheid gewerkt, en de consistente
werkwijze in het buitenland begint langzaam maar zeker zijn vruchten af te werpen. De commissie ziet op deze fronten nog veel potentie.
En hoewel ‘Dagreis Bach’ een mogelijk interessante toevoeging betekent aan het scala aan activiteiten, acht de commissie dit een in verhouding dure en arbeidsintensieve onderneming.
Bovendien zijn de plannen hieromtrent nog zo prematuur en onuitgewerkt dat nog niet kan worden gesproken van een bijzondere betekenis.
Uit de hoge eigen inkomsten en de relatief lage beheerslasten concludeert de commissie dat er sprake is van goed cultureel ondernemerschap. De financiële risico’s zijn gespreid, onder andere door het grote aantal kleine, vaak lokale, sponsors.
De commissie heeft met belangstelling kennis genomen van de plannen ten aanzien van het Huis van de Oude Muziek in Utrecht. Gezien het feit dat nog hoogst onzeker is of en hoe dit traject zal worden gerealiseerd , ziet de commissie vooralsnog geen reden om dit onderdeel te subsidiëren.
Conclusie en advies
Vanwege de hoge spelkwaliteit, de evenwichtige geografische spreiding van concerten over het land, de sterke programmatische lijn, de internationale allure van het ensemble en het grote publieksbereik, oordeelt de commissie positief over de subsidieaanvraag van De Nederlandse Bachvereniging. De commissie adviseert de Nederlandse Bachvereniging met een lichte subsidieverhoging op te nemen in de regeling vierjarige Subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
Volgens het beleidsplan kenmerkt de programmering van de Nederlandse Bachvereniging zich door muziekstijlen tussen Schütz/Monteverdi en Haydn/Mozart, met Johann Sebastian Bach als centrale componist. De Nederlandse Bachvereniging werkt met een flexibel samengesteld ensemble, wat uitvoeringen mogelijk maakt in zeer uiteenlopende bezetting, van zowel kerkelijk als wereldlijk repertoire. Behalve met zijn chef-dirigent werkt het ensemble samen met vooraanstaande oude muziekspecialisten uit binnen- en buitenland. De Nederlandse Bachvereniging constateert in haar activiteitenplan een toename van het publieksbereik en maakt melding van een groeiende internationale belangstelling. Het ensemble ondersteunt waar nodig de concerten met een randprogrammering, zoals inleidingen,
workshops, tentoonstellingen en boekuitgaven. Binnen de randprogrammering wordt speciale nadruk gelegd op educatieve projecten. In de subsidieaanvraag kijkt De Nederlandse
Bachvereniging terug op de ervaringen die zij de afgelopen jaren heeft opgedaan met een nieuwe ensemblestructuur en een nieuwe visie op de uitvoeringspraktijk. Het ensemble stelt zelf in een eigen evaluatie dat dankzij professionalisering op vocaal gebied het kwaliteitsniveau
is gestegen, waardoor de Bachvereniging nu kan concurreren op wereldniveau. Voor de komende periode kiest de Bachvereniging voor een sterk programmatische benadering.
Deze werkwijze maakt volgens haar een goede koppeling met educatieve programma’s mogelijk en biedt bovendien kansen om andere kunstvormen zoals literatuur, film, beeldende
kunst en theater bij de programmering te betrekken. In de plannen voor de komende jaren is een groot aantal projecten opgenomen met repertoire dat slechts zelden of niet eerder
in Nederland te beluisteren is geweest. De Nederlandse Bachvereniging wil in de periode
2009-2012 vasthouden aan een hoge mate van spreiding binnen Nederland en daarnaast haar internationale activiteiten bestendigen. Met de Gemeente Utrecht, de Organisatie Oude Muziek en de Geertekerk voert de instelling De Nederlandse Bachvereniging gesprekken om te komen tot een ‘Huis voor de Oude Muziek’. De Nederlandse Bachvereniging vraagt een verhoging aan van de meerjarige instellingssubsidie. Met de extra subsidie wil zij het aantal concerten op internationale podia vergroten, investeren in educatieprojecten en een speciaal programma getiteld ’Dagreis Bach’, de honoraria van ensemblezangers verhogen en investeren in de pensioenvoorziening.
De Nederlandse Bachvereniging ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de uitvoeringskwaliteit van De Nederlandse Bachvereniging. Zij prijst de innovatieve kracht van de vereniging en kent haar een bijzondere plek toe in het Nederlandse podium-kunstenbestel.
De commissie is bovendien zeer te spreken over het feit dat De Nederlandse Bachvereniging de zichzelf opgelegde artistieke doelstellingen van vier jaar geleden ruimschoots heeft waargemaakt.
De aanvraag van De Nederlandse Bachvereniging overtuigt door een uitgewerkte artistieke visie, die het de commissie mogelijk maakt zich een duidelijk beeld te vormen van de ontwikkeling
die het ensemble ambieert. Uit het beleidsplan blijkt dat De Nederlandse Bachvereniging kiest voor een sterke programmatische lijn. De commissie heeft hiervoor waardering, alsook voor de hoge geografische spreiding van de concerten over het land. De Nederlandse Bachvereniging slaagt er als een van de weinige instellingen in om met veel inzet en geduld, duurzame relaties op te bouwen met strategische partners in de keten.
Aan de publieksontwikkeling wordt met eenzelfde zorgvuldigheid gewerkt, en de consistente
werkwijze in het buitenland begint langzaam maar zeker zijn vruchten af te werpen. De commissie ziet op deze fronten nog veel potentie.
En hoewel ‘Dagreis Bach’ een mogelijk interessante toevoeging betekent aan het scala aan activiteiten, acht de commissie dit een in verhouding dure en arbeidsintensieve onderneming.
Bovendien zijn de plannen hieromtrent nog zo prematuur en onuitgewerkt dat nog niet kan worden gesproken van een bijzondere betekenis.
Uit de hoge eigen inkomsten en de relatief lage beheerslasten concludeert de commissie dat er sprake is van goed cultureel ondernemerschap. De financiële risico’s zijn gespreid, onder andere door het grote aantal kleine, vaak lokale, sponsors.
De commissie heeft met belangstelling kennis genomen van de plannen ten aanzien van het Huis van de Oude Muziek in Utrecht. Gezien het feit dat nog hoogst onzeker is of en hoe dit traject zal worden gerealiseerd , ziet de commissie vooralsnog geen reden om dit onderdeel te subsidiëren.
Conclusie en advies
Vanwege de hoge spelkwaliteit, de evenwichtige geografische spreiding van concerten over het land, de sterke programmatische lijn, de internationale allure van het ensemble en het grote publieksbereik, oordeelt de commissie positief over de subsidieaanvraag van De Nederlandse Bachvereniging. De commissie adviseert de Nederlandse Bachvereniging met een lichte subsidieverhoging op te nemen in de regeling vierjarige Subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 580.398,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 580.398,- (per jaar)
Stichting De Nieuw Amsterdam
DNA
Inleiding
De Nieuw Amsterdam (DNA) is een cultureel divers gezelschap gevestigd in Amsterdam en opgericht in 1986. Met ingang van 2008 is Sabri Saad el Hamus aangesteld als artistiek leider. DNA maakt theaterproducties die over grenzen en culturen (heen) gaan en doet dat met regelmatig terugkerende acteurs die per productie worden aangetrokken. DNA wil toewerken
naar een nieuwe ‘vaste’ kern van twee à drie acteurs die per productie aangevuld worden
met (gast)acteurs.
Het repertoire bestaat uit originele en/of herschreven klassieke toneelteksten en nieuw, speciaal voor DNA geschreven repertoire. De voorstellingen worden gespeeld door een gemengde cast. In de voorstellingen worden thema’s als religie, seks en machtspolitiek uitgewerkt
tot een mengsel van fysiek spel en (al dan niet westerse) vertelstructuren. In de komende periode wil DNA langere series in Amsterdam spelen. In Amsterdam Zuidoost werkt DNA nauw samen met Stichting Krater.
In de komende periode wil DNA het vijfluik ‘Pax Islamica’ van Sabri Saad el Hamus als marathon uitbrengen, in festivalvorm. Voor grotere voorstellingen met een grotere cast wil DNA de mogelijkheid openhouden voor (en op zoek gaan naar) interessante samenwerkingsverbanden
in de vorm van coproducties.
Samenwerking uit het verleden met instellingen uit België, Suriname, de Nederlandse Antillen
en Zuid-Afrika wordt voortgezet. Het is de bedoeling dat minimaal eenmaal per twee jaar één voorstelling op tournee gaat naar het buitenland.
Sinds 1992 heeft het gezelschap een eenjarige fulltime vooropleiding ITS DNA, waar jonge getalenteerde studenten begeleid worden richting vervolgonderwijs en ondersteund worden bij het maken van keuzes. De deelnemers zijn tussen de 17 en 23 jaar. In de laatste twee maanden van het studiejaar wordt toegewerkt naar een theaterproductie die meerdere malen wordt gespeeld in Theater De Engelenbak te Amsterdam. Sabri Saad el Hamus wil het thema van de eindejaarsvoorstellingen meer laten aansluiten bij het door DNA gespeelde repertoire. Het is de bedoeling jaarlijks met ITS DNA een eigen interpretatie van een voorstelling
te maken, die op datzelfde moment ook door het ensemble wordt gespeeld.
DNA vraagt extra subsidie voor uitbreiding van de vaste kern, om vaker een beroep te kunnen
doen op gastregisseurs, voor een verhoging van de honoraria voor schrijvers, vertalers en docenten en om voor iedere productie zalen te huren in Amsterdam. DNA wil de komende
periode acht producties realiseren.
DNA vraagt € 632.729 aan het NFPK+. DNA ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota
2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over het beleidsplan van DNA waarin de nieuwe artistiek leider Sabri Saad el Hamus laat zien dat hij nadrukkelijk zijn artistieke stempel op de groep wil drukken en tegelijk het huis openstelt voor andere makers. De commissie is verheugd dat DNA zich artistiek meer wil manifesteren temidden van het landelijke aanbod. De commissie
is ook positief over de artistieke kwaliteit van het eerdere werk van Sabri Saad el Hamus als acteur en theatermaker.
Zij vindt het beleidsplan met energie en elan geschreven. Maar daar waar de nieuwe artistiek
leider vooral ervaring heeft als maker, moet in de komende periode vooral duidelijk worden dat hij een theatergroep met succes kan leiden. Sabri Saad el Hamus zal als betrouwbare bindende factor moeten fungeren binnen een organisatie die een opleiding en een ensemble herbergt. Het ambitieniveau is hoog en de verwachtingen eveneens. DNA zal zich onder zijn leiding nog moeten bewijzen. De vooropleiding ITS DNA beschouwt de commissie
op basis van bewezen kwaliteiten als complementair aan de basisinfrastructuur.
De commissie heeft voldoende vertrouwen dat de groep in de komende periode een aanvulling
zal vormen op het bestaande aanbod in de basisinfrastructuur en tevens een belangrijke
bijdrage zal leveren aan de culturele diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap.
Op het gebied van internationalisering vindt de commissie de plannen weinig concreet uitgewerkt.
Dat geldt ook voor de verhouding tussen de opleiding en het ensemble. Er worden in het plan weliswaar enkele onderlinge verbanden gelegd, maar volgens de commissie ontbreekt
een visie op de wijze waarop de opleiding en het ensemble elkaar structureel zullen versterken. Ook de samenwerkingplannen vindt de commissie nog te weinig concreet.
Bij de haalbaarheid van de groei van de publieksopkomst heeft de commissie bedenkingen.
Conclusie en advies
De commissie vindt dat het beleidsplan van DNA met energie en elan is geschreven. Zij heeft voldoende vertrouwen in de nieuwe artistiek leider als theatermaker. Onder zijn leiding
moet DNA zich nog bewijzen en laten zien dat zij een aanvulling vormt op het theaterbestel.
De commissie adviseert De Nieuw Amsterdam op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 met handhaving van het huidige subsidieniveau.
De Nieuw Amsterdam (DNA) is een cultureel divers gezelschap gevestigd in Amsterdam en opgericht in 1986. Met ingang van 2008 is Sabri Saad el Hamus aangesteld als artistiek leider. DNA maakt theaterproducties die over grenzen en culturen (heen) gaan en doet dat met regelmatig terugkerende acteurs die per productie worden aangetrokken. DNA wil toewerken
naar een nieuwe ‘vaste’ kern van twee à drie acteurs die per productie aangevuld worden
met (gast)acteurs.
Het repertoire bestaat uit originele en/of herschreven klassieke toneelteksten en nieuw, speciaal voor DNA geschreven repertoire. De voorstellingen worden gespeeld door een gemengde cast. In de voorstellingen worden thema’s als religie, seks en machtspolitiek uitgewerkt
tot een mengsel van fysiek spel en (al dan niet westerse) vertelstructuren. In de komende periode wil DNA langere series in Amsterdam spelen. In Amsterdam Zuidoost werkt DNA nauw samen met Stichting Krater.
In de komende periode wil DNA het vijfluik ‘Pax Islamica’ van Sabri Saad el Hamus als marathon uitbrengen, in festivalvorm. Voor grotere voorstellingen met een grotere cast wil DNA de mogelijkheid openhouden voor (en op zoek gaan naar) interessante samenwerkingsverbanden
in de vorm van coproducties.
Samenwerking uit het verleden met instellingen uit België, Suriname, de Nederlandse Antillen
en Zuid-Afrika wordt voortgezet. Het is de bedoeling dat minimaal eenmaal per twee jaar één voorstelling op tournee gaat naar het buitenland.
Sinds 1992 heeft het gezelschap een eenjarige fulltime vooropleiding ITS DNA, waar jonge getalenteerde studenten begeleid worden richting vervolgonderwijs en ondersteund worden bij het maken van keuzes. De deelnemers zijn tussen de 17 en 23 jaar. In de laatste twee maanden van het studiejaar wordt toegewerkt naar een theaterproductie die meerdere malen wordt gespeeld in Theater De Engelenbak te Amsterdam. Sabri Saad el Hamus wil het thema van de eindejaarsvoorstellingen meer laten aansluiten bij het door DNA gespeelde repertoire. Het is de bedoeling jaarlijks met ITS DNA een eigen interpretatie van een voorstelling
te maken, die op datzelfde moment ook door het ensemble wordt gespeeld.
DNA vraagt extra subsidie voor uitbreiding van de vaste kern, om vaker een beroep te kunnen
doen op gastregisseurs, voor een verhoging van de honoraria voor schrijvers, vertalers en docenten en om voor iedere productie zalen te huren in Amsterdam. DNA wil de komende
periode acht producties realiseren.
DNA vraagt € 632.729 aan het NFPK+. DNA ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota
2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over het beleidsplan van DNA waarin de nieuwe artistiek leider Sabri Saad el Hamus laat zien dat hij nadrukkelijk zijn artistieke stempel op de groep wil drukken en tegelijk het huis openstelt voor andere makers. De commissie is verheugd dat DNA zich artistiek meer wil manifesteren temidden van het landelijke aanbod. De commissie
is ook positief over de artistieke kwaliteit van het eerdere werk van Sabri Saad el Hamus als acteur en theatermaker.
Zij vindt het beleidsplan met energie en elan geschreven. Maar daar waar de nieuwe artistiek
leider vooral ervaring heeft als maker, moet in de komende periode vooral duidelijk worden dat hij een theatergroep met succes kan leiden. Sabri Saad el Hamus zal als betrouwbare bindende factor moeten fungeren binnen een organisatie die een opleiding en een ensemble herbergt. Het ambitieniveau is hoog en de verwachtingen eveneens. DNA zal zich onder zijn leiding nog moeten bewijzen. De vooropleiding ITS DNA beschouwt de commissie
op basis van bewezen kwaliteiten als complementair aan de basisinfrastructuur.
De commissie heeft voldoende vertrouwen dat de groep in de komende periode een aanvulling
zal vormen op het bestaande aanbod in de basisinfrastructuur en tevens een belangrijke
bijdrage zal leveren aan de culturele diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap.
Op het gebied van internationalisering vindt de commissie de plannen weinig concreet uitgewerkt.
Dat geldt ook voor de verhouding tussen de opleiding en het ensemble. Er worden in het plan weliswaar enkele onderlinge verbanden gelegd, maar volgens de commissie ontbreekt
een visie op de wijze waarop de opleiding en het ensemble elkaar structureel zullen versterken. Ook de samenwerkingplannen vindt de commissie nog te weinig concreet.
Bij de haalbaarheid van de groei van de publieksopkomst heeft de commissie bedenkingen.
Conclusie en advies
De commissie vindt dat het beleidsplan van DNA met energie en elan is geschreven. Zij heeft voldoende vertrouwen in de nieuwe artistiek leider als theatermaker. Onder zijn leiding
moet DNA zich nog bewijzen en laten zien dat zij een aanvulling vormt op het theaterbestel.
De commissie adviseert De Nieuw Amsterdam op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 met handhaving van het huidige subsidieniveau.
theater
Toegekend bedrag:
€ 611.048,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 611.048,- (per jaar)
Stichting De Oefening de Kunst (dOeK)
Stichting dOeK
Inleiding
De in 2000 opgerichte Stichting dOeK is een samenwerkingsverband van vijf internationaal gerenommeerde improvisatoren. Zij willen samenwerken vanwege ‘een gezamenlijke benadering
van improvisatiemuziek en een gedeelde opvatting over hoe die muziek zou kunnen worden bevorderd, ontwikkeld, overgedragen aan een nieuwe generatie musici en gepresenteerd
aan het publiek’. Stichting dOeK ondersteunt zowel vaste groepen als ad hoc ensembles. Naast de pool van musici in ensembles van de vijf partners wordt een grotere groep Nederlandse en buitenlandse musici betrokken bij dOeK initiatieven. De diverse activiteiten
van Stichting dOeK vragen een verschillende aanpak qua planning, presentatie, speelplek en marketing, waardoor haar rol van geval tot geval verschilt: schepper, partner, coproducent, producent, marketeer en combinaties daarvan.
Als activiteiten voor de periode 2009-2012 noemt Stichting dOeK onder andere het mogelijk maken van repetities en laboratoria, het overdragen van kennis in de vorm van repetitieweken
en een Summerschool en de organisatie van het Stichting dOeK Festival. Daarnaast streeft de instelling naar de organisatie van tachtig concerten per jaar en vier internationale tournees per jaar, waarvan één van een groot ensemble.
Stichting dOeK vraagt een verhoging aan ten opzichte van het huidige subsidiebedrag in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De extra middelen zijn volgens de ingediende begroting
grotendeels bestemd voor honoraria van musici ten behoeve van repetities, concerten en (festival)producties.
Stichting dOeK ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Stichting dOeK is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
e commissie is van mening dat de vijf oprichters, tevens artistiek leiders van Stichting dOeK inspirerende musici met een zeer hoge uitvoeringskwaliteit zijn, die bovendien een uiterst waardevolle betekenis hebben voor de geïmproviseerde muziek. Zij constateert echter
tegelijkertijd dat op de artistieke meerwaarde van de samenwerking wat af te dingen valt.
De commissie ziet in de doelstelling van dOeK, ‘geïmproviseerde muziek moet uitgeoefend worden’, een belangrijke impuls voor de geïmproviseerde muziek. Temeer daar Stichting dOeK zich op het standpunt stelt dat op deze manier ook jonge musici de gelegenheid wordt geboden zich in het vak te bekwamen. In de aanvraag toont de instelling echter een enorme hoeveelheid activiteiten die ze onderneemt. Daardoor zou Stichting dOeK in de ogen van de commissie te veel een vergaarbak kunnen worden van op zich belangwekkende ontwikkelingen
in de geïmproviseerde muziek.
De commissie merkt in het verlengde hiervan op dat zij niet de indruk heeft dat regelmatig nieuwe musici toetreden tot het collectief en zij kan evenmin beoordelen welke selectiecriteria
door de artistiek leiders worden gehanteerd. De commissie acht het daarom van het grootste belang dat de focus van Stichting dOeK zich weer meer richt op haar oorspronkelijke
doelstellingen. De commissie acht de dOeK-festivals daartoe een geëigend middel, evenals
de Summerschool die Stichting dOeK samen met het ICP en Bik Bent Braam van plan is op te zetten. De concerten die de instelling op een nieuw podium wenst te initiëren, werken in de ogen van de commissie verdere versnippering in de hand en bevorderen onvoldoende de zichtbaarheid. Zij vindt het onwenselijk dat Stichting dOeK hierin investeert.
De commissie is teleurgesteld in de plannen ten aanzien van het publieksbereik. Want nog steeds is het aantal bezoekers laag. De commissie meent dat de instelling in staat moet worden
geacht hierin verandering te brengen op grond van de internationale uitstraling van de betrokken musici, mits zij een gedegen beleid hieromtrent formuleert. De bedrijfsvoering kan volgens de commissie ook een stuk effectiever. De voorgestelde subsidieafhankelijkheid is groot en er staat geen beleid tegenover waaruit blijkt dat Stichting dOeK zich de moeite zal getroosten het aandeel eigen inkomsten te vergroten.
Conclusie en advies
Op grond van vertrouwen in de artistiek leiders van Stichting dOeK en de onmiskenbare kwalitatieve meerwaarde van dit initiatief oordeelt de commissie positief over de aanvraag. De commissie adviseert Stichting dOeK op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
De commissie acht het echter noodzakelijk dat Stichting dOeK binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds haar activiteiten worden geëvalueerd. Zij dient haar activiteiten sterker te bundelen en meer te richten op een artistieke ontwikkeling. Daarnaast vindt de commissie het noodzakelijk dat de bedrijfsvoering wordt versterkt en er een beleid wordt geformuleerd om het publieksbereik te vergroten.
De in 2000 opgerichte Stichting dOeK is een samenwerkingsverband van vijf internationaal gerenommeerde improvisatoren. Zij willen samenwerken vanwege ‘een gezamenlijke benadering
van improvisatiemuziek en een gedeelde opvatting over hoe die muziek zou kunnen worden bevorderd, ontwikkeld, overgedragen aan een nieuwe generatie musici en gepresenteerd
aan het publiek’. Stichting dOeK ondersteunt zowel vaste groepen als ad hoc ensembles. Naast de pool van musici in ensembles van de vijf partners wordt een grotere groep Nederlandse en buitenlandse musici betrokken bij dOeK initiatieven. De diverse activiteiten
van Stichting dOeK vragen een verschillende aanpak qua planning, presentatie, speelplek en marketing, waardoor haar rol van geval tot geval verschilt: schepper, partner, coproducent, producent, marketeer en combinaties daarvan.
Als activiteiten voor de periode 2009-2012 noemt Stichting dOeK onder andere het mogelijk maken van repetities en laboratoria, het overdragen van kennis in de vorm van repetitieweken
en een Summerschool en de organisatie van het Stichting dOeK Festival. Daarnaast streeft de instelling naar de organisatie van tachtig concerten per jaar en vier internationale tournees per jaar, waarvan één van een groot ensemble.
Stichting dOeK vraagt een verhoging aan ten opzichte van het huidige subsidiebedrag in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De extra middelen zijn volgens de ingediende begroting
grotendeels bestemd voor honoraria van musici ten behoeve van repetities, concerten en (festival)producties.
Stichting dOeK ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Stichting dOeK is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
e commissie is van mening dat de vijf oprichters, tevens artistiek leiders van Stichting dOeK inspirerende musici met een zeer hoge uitvoeringskwaliteit zijn, die bovendien een uiterst waardevolle betekenis hebben voor de geïmproviseerde muziek. Zij constateert echter
tegelijkertijd dat op de artistieke meerwaarde van de samenwerking wat af te dingen valt.
De commissie ziet in de doelstelling van dOeK, ‘geïmproviseerde muziek moet uitgeoefend worden’, een belangrijke impuls voor de geïmproviseerde muziek. Temeer daar Stichting dOeK zich op het standpunt stelt dat op deze manier ook jonge musici de gelegenheid wordt geboden zich in het vak te bekwamen. In de aanvraag toont de instelling echter een enorme hoeveelheid activiteiten die ze onderneemt. Daardoor zou Stichting dOeK in de ogen van de commissie te veel een vergaarbak kunnen worden van op zich belangwekkende ontwikkelingen
in de geïmproviseerde muziek.
De commissie merkt in het verlengde hiervan op dat zij niet de indruk heeft dat regelmatig nieuwe musici toetreden tot het collectief en zij kan evenmin beoordelen welke selectiecriteria
door de artistiek leiders worden gehanteerd. De commissie acht het daarom van het grootste belang dat de focus van Stichting dOeK zich weer meer richt op haar oorspronkelijke
doelstellingen. De commissie acht de dOeK-festivals daartoe een geëigend middel, evenals
de Summerschool die Stichting dOeK samen met het ICP en Bik Bent Braam van plan is op te zetten. De concerten die de instelling op een nieuw podium wenst te initiëren, werken in de ogen van de commissie verdere versnippering in de hand en bevorderen onvoldoende de zichtbaarheid. Zij vindt het onwenselijk dat Stichting dOeK hierin investeert.
De commissie is teleurgesteld in de plannen ten aanzien van het publieksbereik. Want nog steeds is het aantal bezoekers laag. De commissie meent dat de instelling in staat moet worden
geacht hierin verandering te brengen op grond van de internationale uitstraling van de betrokken musici, mits zij een gedegen beleid hieromtrent formuleert. De bedrijfsvoering kan volgens de commissie ook een stuk effectiever. De voorgestelde subsidieafhankelijkheid is groot en er staat geen beleid tegenover waaruit blijkt dat Stichting dOeK zich de moeite zal getroosten het aandeel eigen inkomsten te vergroten.
Conclusie en advies
Op grond van vertrouwen in de artistiek leiders van Stichting dOeK en de onmiskenbare kwalitatieve meerwaarde van dit initiatief oordeelt de commissie positief over de aanvraag. De commissie adviseert Stichting dOeK op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
De commissie acht het echter noodzakelijk dat Stichting dOeK binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds haar activiteiten worden geëvalueerd. Zij dient haar activiteiten sterker te bundelen en meer te richten op een artistieke ontwikkeling. Daarnaast vindt de commissie het noodzakelijk dat de bedrijfsvoering wordt versterkt en er een beleid wordt geformuleerd om het publieksbereik te vergroten.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 104.719,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 104.719,- (per jaar)
Stichting De Theaterdagen
TF, Theaterfestival van Nederland en Vlaanderen
Inleiding
Het initiatief voor TF is in 2005 genomen, bedoeld als doorstart van het Theaterfestival dat na negatieve adviezen van Rijk en Gemeente ophield te bestaan. Na een tussenversie in 2005 ging vanaf 2006 TF, Theaterfestival van Nederland en Vlaanderen, van start. TF is een theaterfestival waarbij het woord centraal staat, maar ook de grenzen van de disciplines worden opgezocht. TF toont de rijkdom en verscheidenheid aan theater, dat in het Nederlandse
taalgebied wordt geproduceerd, om te bepalen wat de artistieke stand van zaken in theaterland op dat moment is. TF heeft als doel een groot publiek voor theater te enthousiasmeren,
maar richt zich ook op mensen uit het vak en buitenlandse gasten. Daarmee is het festival volgens de organisatie ook een ideaal vehikel om het theater van de Lage Landen internationaal onder de aandacht te brengen, maar ook om een podium te bieden aan buitenlandse
professionals en hun visie op theater. De opening van het Nieuwe De La Mar
theater levert samen met de zalen van de Stadsschouwburg Amsterdam en omliggende podia een uniek theaterplein op van internationale allure.TF bestaat uit vier verschillende programmeringskanalen, die een versterkende werking op elkaar hebben en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn:
TF-1, kern van het festival, biedt de Nederlands-Vlaamse Theaterselectie: een juryselectie van tien producties en een aantal genomineerden voor de Toneelpublieksprijs
TF-2 is het Amsterdam Fringe Festival, de plek voor experiment, kleine producties en margetheater
van voornamelijk jonge Vlaamse en Nederlandse makers
TF-3 is het vakinhoudelijke verdiepingsprogramma met studiedagen, debatten, lezingen en masterclasses
TF-4 toont de keuze van de Vlaamse jury in de Brakke Grond
Vanaf 2009 is het plan om uit te breiden met TF-5, een jeugdtheaterdeel, waarin alle nominaties
voor de Zilveren Krekel in De Krakeling te zien zijn.
Het festival heeft voor de komende periode de ambitie uit te groeien tot één van de grotere festivals in zijn soort en het belangrijkste promotieplatform te worden van het Nederlands en Vlaamse Theater gericht op een (inter)nationaal publiek. Het concrete doel is om in 2012 30.000 betalende bezoekers te trekken. Speerpunten zijn: toonaangevendheid, publieksverbreding
en publieksservice, professionalisering, internationalisering en de bovengenoemde uitbreiding met een jeugdselectie.
De begroting stijgt van € 454.581 in 2006 naar € 977.000 in 2009.
TF ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. In de afgelopen jaren ontving
TF jaarlijks een subsidie van gemiddeld € 40.000 vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
TF is een festival dat volop in ontwikkeling is conform de expliciete uitnodiging van de Raad voor Cultuur om met de Theaterdagen een doorstart te maken. TF wil een festival zijn dat niet alleen een hoog promotiegehalte heeft, maar ook artistieke ontwikkelingen en visies tegen het licht houdt. De commissie onderschrijft de noodzaak van een dergelijk festival, waar de belangwekkendste voorstellingen van een seizoen getoond worden. Zij hecht groot belang aan de promotionele en publieksfunctie van dit festival.
Het festival heeft nu twee edities meegemaakt en de commissie is van mening, dat zij het festival daarop nu nog niet kan afrekenen. Afgelopen jaren is gezocht naar voorstellingen die zich kwalitatief onderscheiden en tegelijkertijd een groter publiek bereiken. De overgang
van het oude naar het nieuwe TF heeft, met name bij een deel van de vakpers, geleid tot pittige kritiek op de keuze van de jury, die te makkelijk en te weinig artistiek vernieuwend
zou zijn. Dat lijkt een bewuste strategie te zijn om eerst de verbreding van de publieksbasis te bewerkstelligen – ook door Bekende Nederlanders als juryvoorzitter te kiezen
De commissie is voorts van mening dat het festival een bijdrage levert aan het inhoudelijk debat over theater en waardeert deze functie. Zij vindt de combinatie van een festival met een strakke jurykeuze naast een fringefestival waarin elke theatermaker kan participeren vooralsnog prikkelend en denkt dat dit kan bijdragen aan een dialoog die in de volle breedte van het veld gevoerd kan worden. Vanuit internationaal opzicht vindt de commissie het van belang dat Amsterdam en daarmee Nederland met een breed festival een positie kan gaan innemen tussen soortgelijke Europese theaterfestivals.
De ontwikkeling van dit fringe-onderdeel van TF staat nu nog in de kinderschoenen. Het is een ontwikkeling die de commissie met belangstelling wil volgen, ook waar het gaat om het verschil in dynamiek tussen TF1 en TF2, de uiteindelijke connectie tussen deze onderdelen en de verhouding tussen aandacht en menskracht. De commissie is benieuwd of de fringe de potentie heeft om uit te groeien tot de plek waar ook alle jonge (productiehuis)makers zich kunnen en zullen presenteren. Daarbij merkt de commissie wel op dat zij voor de organisatie
geen rol ziet weggelegd bij de inhoudelijke en organisatorische begeleiding van deze jonge
makers.
De eenvoudige opzet van de verschillende geledingen van het festival waardeert de commissie,
maar zij is wel van mening dat de communicatie veel transparanter kan. Nu maakt de strenge TF-communicatie primair een hermetische indruk, die voor een niet ingevoerd publiek niet in één oogopslag duidelijk maakt wat de verschillende geledingen behelzen. Daarbij vindt de commissie een uitsplitsing in een Nederlandse (TF1) en Vlaamse (TF4) selectie voor het publiek irrelevant en onduidelijk. Het gaat om het presenteren van het
beste uit een gedeeld taalgebied en deze aparte werkwijze leidt voor het publiek nergens
tot een integraal beeld.
Overigens constateert de commissie dat de publieksontwikkeling van het festival hoop-gevend is. De commissie waardeert het dat TF wil inzetten op eersteklas gastheerschap en optimale service. Het festival heeft ook de juiste samenwerkingspartners om een gerichte marketingcampagne te voeren. Daarom verbaast het de commissie dat in het voorliggende plan een fundamentele marketingonderbouwing of visie ontbreekt. Tenslotte merkt de commissie
op dat het belang voor de sector sterker tot uiting zou kunnen komen, indien deze direct belanghebbende ook zelf steviger in het festival investeert.
Conclusie en advies
Op basis van de geschiedenis en het beleidsplan stelt de commissie vast dat TF met zijn artistieke profiel en verwachte kwaliteit een meerwaarde heeft ten opzichte van de bestaande
festivals en aanbod. Zij acht het festival van grote waarde voor de promotie van Nederlandstalig
theater. De commissie acht het dan ook van belang dat het festival in de volgende periode wordt ondersteund om een eigen identiteit en een passend publieksbereik te kunnen
ontwikkelen, waarbij communicatie en marketing meer aandacht behoeven.
De commissie adviseert TF op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 met een substantiële subsidieverhoging.
Het initiatief voor TF is in 2005 genomen, bedoeld als doorstart van het Theaterfestival dat na negatieve adviezen van Rijk en Gemeente ophield te bestaan. Na een tussenversie in 2005 ging vanaf 2006 TF, Theaterfestival van Nederland en Vlaanderen, van start. TF is een theaterfestival waarbij het woord centraal staat, maar ook de grenzen van de disciplines worden opgezocht. TF toont de rijkdom en verscheidenheid aan theater, dat in het Nederlandse
taalgebied wordt geproduceerd, om te bepalen wat de artistieke stand van zaken in theaterland op dat moment is. TF heeft als doel een groot publiek voor theater te enthousiasmeren,
maar richt zich ook op mensen uit het vak en buitenlandse gasten. Daarmee is het festival volgens de organisatie ook een ideaal vehikel om het theater van de Lage Landen internationaal onder de aandacht te brengen, maar ook om een podium te bieden aan buitenlandse
professionals en hun visie op theater. De opening van het Nieuwe De La Mar
theater levert samen met de zalen van de Stadsschouwburg Amsterdam en omliggende podia een uniek theaterplein op van internationale allure.TF bestaat uit vier verschillende programmeringskanalen, die een versterkende werking op elkaar hebben en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn:
TF-1, kern van het festival, biedt de Nederlands-Vlaamse Theaterselectie: een juryselectie van tien producties en een aantal genomineerden voor de Toneelpublieksprijs
TF-2 is het Amsterdam Fringe Festival, de plek voor experiment, kleine producties en margetheater
van voornamelijk jonge Vlaamse en Nederlandse makers
TF-3 is het vakinhoudelijke verdiepingsprogramma met studiedagen, debatten, lezingen en masterclasses
TF-4 toont de keuze van de Vlaamse jury in de Brakke Grond
Vanaf 2009 is het plan om uit te breiden met TF-5, een jeugdtheaterdeel, waarin alle nominaties
voor de Zilveren Krekel in De Krakeling te zien zijn.
Het festival heeft voor de komende periode de ambitie uit te groeien tot één van de grotere festivals in zijn soort en het belangrijkste promotieplatform te worden van het Nederlands en Vlaamse Theater gericht op een (inter)nationaal publiek. Het concrete doel is om in 2012 30.000 betalende bezoekers te trekken. Speerpunten zijn: toonaangevendheid, publieksverbreding
en publieksservice, professionalisering, internationalisering en de bovengenoemde uitbreiding met een jeugdselectie.
De begroting stijgt van € 454.581 in 2006 naar € 977.000 in 2009.
TF ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. In de afgelopen jaren ontving
TF jaarlijks een subsidie van gemiddeld € 40.000 vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
TF is een festival dat volop in ontwikkeling is conform de expliciete uitnodiging van de Raad voor Cultuur om met de Theaterdagen een doorstart te maken. TF wil een festival zijn dat niet alleen een hoog promotiegehalte heeft, maar ook artistieke ontwikkelingen en visies tegen het licht houdt. De commissie onderschrijft de noodzaak van een dergelijk festival, waar de belangwekkendste voorstellingen van een seizoen getoond worden. Zij hecht groot belang aan de promotionele en publieksfunctie van dit festival.
Het festival heeft nu twee edities meegemaakt en de commissie is van mening, dat zij het festival daarop nu nog niet kan afrekenen. Afgelopen jaren is gezocht naar voorstellingen die zich kwalitatief onderscheiden en tegelijkertijd een groter publiek bereiken. De overgang
van het oude naar het nieuwe TF heeft, met name bij een deel van de vakpers, geleid tot pittige kritiek op de keuze van de jury, die te makkelijk en te weinig artistiek vernieuwend
zou zijn. Dat lijkt een bewuste strategie te zijn om eerst de verbreding van de publieksbasis te bewerkstelligen – ook door Bekende Nederlanders als juryvoorzitter te kiezen
en het past vooralsnog naadloos in de opdracht om de marginalisering, waaraan het oude festival leed, te doorbreken. Daarentegen constateert de commissie in de keuze van voorstellingen voor 2008 weer een andere, scherpere focus; in de ontwikkeling van het festivalmist zij nog heldere en (meer) consistente keuzecriteria.
De commissie is voorts van mening dat het festival een bijdrage levert aan het inhoudelijk debat over theater en waardeert deze functie. Zij vindt de combinatie van een festival met een strakke jurykeuze naast een fringefestival waarin elke theatermaker kan participeren vooralsnog prikkelend en denkt dat dit kan bijdragen aan een dialoog die in de volle breedte van het veld gevoerd kan worden. Vanuit internationaal opzicht vindt de commissie het van belang dat Amsterdam en daarmee Nederland met een breed festival een positie kan gaan innemen tussen soortgelijke Europese theaterfestivals.
De ontwikkeling van dit fringe-onderdeel van TF staat nu nog in de kinderschoenen. Het is een ontwikkeling die de commissie met belangstelling wil volgen, ook waar het gaat om het verschil in dynamiek tussen TF1 en TF2, de uiteindelijke connectie tussen deze onderdelen en de verhouding tussen aandacht en menskracht. De commissie is benieuwd of de fringe de potentie heeft om uit te groeien tot de plek waar ook alle jonge (productiehuis)makers zich kunnen en zullen presenteren. Daarbij merkt de commissie wel op dat zij voor de organisatie
geen rol ziet weggelegd bij de inhoudelijke en organisatorische begeleiding van deze jonge
makers.
De eenvoudige opzet van de verschillende geledingen van het festival waardeert de commissie,
maar zij is wel van mening dat de communicatie veel transparanter kan. Nu maakt de strenge TF-communicatie primair een hermetische indruk, die voor een niet ingevoerd publiek niet in één oogopslag duidelijk maakt wat de verschillende geledingen behelzen. Daarbij vindt de commissie een uitsplitsing in een Nederlandse (TF1) en Vlaamse (TF4) selectie voor het publiek irrelevant en onduidelijk. Het gaat om het presenteren van het
beste uit een gedeeld taalgebied en deze aparte werkwijze leidt voor het publiek nergens
tot een integraal beeld.
Overigens constateert de commissie dat de publieksontwikkeling van het festival hoop-gevend is. De commissie waardeert het dat TF wil inzetten op eersteklas gastheerschap en optimale service. Het festival heeft ook de juiste samenwerkingspartners om een gerichte marketingcampagne te voeren. Daarom verbaast het de commissie dat in het voorliggende plan een fundamentele marketingonderbouwing of visie ontbreekt. Tenslotte merkt de commissie
op dat het belang voor de sector sterker tot uiting zou kunnen komen, indien deze direct belanghebbende ook zelf steviger in het festival investeert.
Conclusie en advies
Op basis van de geschiedenis en het beleidsplan stelt de commissie vast dat TF met zijn artistieke profiel en verwachte kwaliteit een meerwaarde heeft ten opzichte van de bestaande
festivals en aanbod. Zij acht het festival van grote waarde voor de promotie van Nederlandstalig
theater. De commissie acht het dan ook van belang dat het festival in de volgende periode wordt ondersteund om een eigen identiteit en een passend publieksbereik te kunnen
ontwikkelen, waarbij communicatie en marketing meer aandacht behoeven.
De commissie adviseert TF op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 met een substantiële subsidieverhoging.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 192.549,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 192.549,- (per jaar)
Stichting De Veenfabriek
De Veenfabriek
Inleiding
De Veenfabriek, opgericht in 2003 door artistiek leider Paul Koek en gevestigd in gebouw Scheltema in Leiden, wil een ensemble zijn waarin kunstenaars en wetenschappers samenwerken
die ‘zich verhouden tot elkaars werk en denken, de maatschappij, de wetenschap en het ambacht’. De Veenfabriek stelt zich niet alleen tot taak om een aantal muziektheatervoorstellingen
te produceren, maar richt zich op het permanente onderzoek naar nieuwe podiumkunstvormen waarin verschillende kunstdisciplines met elkaar vermengd worden. Naar eigen zeggen wil De Veenfabriek muziektheater maken vanuit de muziek, en is men trots op de artistieke ontwikkeling die het ensemble heeft doorgemaakt. “We zijn er in geslaagd de inhoud muzikaal te benaderen: niet het verhaal bepaalt de inhoud, dynamiek en adem van de producties, maar juist de muzikale vorm en de interdisciplinaire samenstelling van de groep”, stelt het beleidsplan.
De structuur waarin De Veenfabriek produceert, wordt in de nieuwe planperiode voortgezet: ieder seizoen kiest men voor een groot thema waarbinnen het gehele ensemble werkt, in welke
samenstelling dan ook. Binnen dit thema ‘crescendeert’ het onderzoek van De Veenstudio (doorlopend onderzoek, het hart van De Veenfabriek) via De Veenmobiel (producties in wisselende
samenstellingen) naar De Veenbrand (grote productie met het gehele ensemble).
Voor het onderzoek in De Veenstudio zoekt men samenwerking met de Universiteit Leiden, de Interfaculteit ArtScience van de Hogeschool van Beeldende Kunsten/Koninklijk Conservatorium
Den Haag en het ROC Leiden. Producties worden gemaakt en gespeeld in theaters, concertzalen en musea en op festivals in Nederland en Europa. Hierbij werkt de eigen groep Touki Delphine samen met beeldend kunstenaars en een aantal terugkerende acteurs. Tot de samenwerkingspartners behoren naast individuele kunstenaars ook diverse musea en instellingen als Paradiso Melkweg Productiehuis, PIPS:lab, LOD (B), Warme Winkel, Wunderbaum
en Theater Antigone (B), zo vermeldt het beleidsplan.
Jaarlijks wil De Veenfabriek een coproductie met Boukje Schweigman maken over vluchtelingen.
Voor al deze activiteiten en een vaste personeelsformatie van bijna 20 fte bepleit De Veenfabriek
een bijdrage van € 1.380.000 op jaarbasis. Dit is ruim een verdubbeling van het huidige subsidiebedrag.
De Veenfabriek ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie heeft vertrouwen in de artistieke capaciteiten van Paul Koek. Hij wordt beschouwd als een ontembaar muziektheaterfenomeen: inspirerend, origineel, onderzoekend
en verbindend. Paul Koek en de zijnen staan garant voor oorspronkelijke, grensoverschrijdende
experimenten en een avontuurlijke manier van programmeren en produceren. De verschillende generaties die elkaar binnen De Veenfabriek voortdurend artistiek inhoudelijk
beconcurreren en kruisbestuiven, creëren een interessante synergie met vaak verrassende
uitkomsten. De commissie vindt wel dat het muzikale idioom van De Veenfabriek niet altijd vernieuwend is en zij zou graag zien dat Paul Koek muzikaal een strengere regie gaat voeren. De voorstellingen en presentaties van De Veenfabriek leveren daarentegen ontegenzeggelijk
een waardevolle bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse muziektheaterlandschap
en daarbuiten.
De commissie zou graag zien dat het ensemble zich in eigen land vaker buiten de standplaats
Leiden presenteert. Tegelijk heeft De Veenfabriek de afgelopen jaren bewezen dat internationalisering een belangrijk onderdeel van het beleid vormt. Ook de plannen voor 2009-2012 tonen dat aan, middels buitenlandse optredens, internationale samenwerking en het aantrekken van internationale gasten. Dit waardeert de commissie zeer. Al met al kwalificeert
De Veenfabriek zich op grond van zijn artistieke potentie ruimschoots voor een vierjarige
subsidie.
Desondanks staat de commissie zeer kritisch tegenover het grote aantal uiteenlopende activiteiten
en de organisatorische schaalvergroting die De Veenfabriek wil realiseren. Het beleidsplan mist een inhoudelijke focus en de artistieke plannen dijen uit naar alle kanten, waarbij teveel lijnen en stellingen bovendien onvoldoende zijn uitgewerkt. Daarnaast is er geen helder beeld voor wie en voor hoeveel mensen alle activiteiten bedoeld zijn. Voor
een mager marketingplan wordt € 92.000 gevraagd en het gevraagde subsidiebedrag van
€ 1.380.000 staat in geen verhouding tot een nog onzekere bijdrage van de gemeente Leiden van € 130.000 en een post overige subsidies/bijdragen van slechts € 40.000. Ten slotte ambieert
De Veenfabriek een organisatie met veel personeel in vaste dienst. De commissie vindt dat het op die manier inrichten van de organisatie kostenverhogend werkt en niet strookt met het imago en het wezen van een uitdagend en flexibel ensemble als De Veenfabriek.
De commissie acht het noodzakelijk dat De Veenfabriek zijn beleidsplan en de bijbehorende begroting drastisch herziet en toesnijdt op nagenoeg het huidige subsidieniveau. Zij dringt hiermee aan op een kleinere en flexibele organisatie met een realistischer activiteitenplan, waardoor de inhoudelijke focus verscherpt en de haalbaarheid in zicht blijft.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit, de bijdrage aan de diversiteit en de goede
internationale initiatieven van De Veenfabriek, maar is kritisch over de artistieke en organisatorische groeiambities voor de komende periode. Derhalve adviseert zij De Veenfabriek
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en een lichte subsidieverhoging te verstrekken. Gelet op de kritiek van de commissie en het grote verschil tussen het gevraagde en geadviseerde subsidiebedrag, wordt het indienen van een herzien beleidsplan en bijpassende begroting noodzakelijk geacht.
De Veenfabriek, opgericht in 2003 door artistiek leider Paul Koek en gevestigd in gebouw Scheltema in Leiden, wil een ensemble zijn waarin kunstenaars en wetenschappers samenwerken
die ‘zich verhouden tot elkaars werk en denken, de maatschappij, de wetenschap en het ambacht’. De Veenfabriek stelt zich niet alleen tot taak om een aantal muziektheatervoorstellingen
te produceren, maar richt zich op het permanente onderzoek naar nieuwe podiumkunstvormen waarin verschillende kunstdisciplines met elkaar vermengd worden. Naar eigen zeggen wil De Veenfabriek muziektheater maken vanuit de muziek, en is men trots op de artistieke ontwikkeling die het ensemble heeft doorgemaakt. “We zijn er in geslaagd de inhoud muzikaal te benaderen: niet het verhaal bepaalt de inhoud, dynamiek en adem van de producties, maar juist de muzikale vorm en de interdisciplinaire samenstelling van de groep”, stelt het beleidsplan.
De structuur waarin De Veenfabriek produceert, wordt in de nieuwe planperiode voortgezet: ieder seizoen kiest men voor een groot thema waarbinnen het gehele ensemble werkt, in welke
samenstelling dan ook. Binnen dit thema ‘crescendeert’ het onderzoek van De Veenstudio (doorlopend onderzoek, het hart van De Veenfabriek) via De Veenmobiel (producties in wisselende
samenstellingen) naar De Veenbrand (grote productie met het gehele ensemble).
Voor het onderzoek in De Veenstudio zoekt men samenwerking met de Universiteit Leiden, de Interfaculteit ArtScience van de Hogeschool van Beeldende Kunsten/Koninklijk Conservatorium
Den Haag en het ROC Leiden. Producties worden gemaakt en gespeeld in theaters, concertzalen en musea en op festivals in Nederland en Europa. Hierbij werkt de eigen groep Touki Delphine samen met beeldend kunstenaars en een aantal terugkerende acteurs. Tot de samenwerkingspartners behoren naast individuele kunstenaars ook diverse musea en instellingen als Paradiso Melkweg Productiehuis, PIPS:lab, LOD (B), Warme Winkel, Wunderbaum
en Theater Antigone (B), zo vermeldt het beleidsplan.
Jaarlijks wil De Veenfabriek een coproductie met Boukje Schweigman maken over vluchtelingen.
Voor al deze activiteiten en een vaste personeelsformatie van bijna 20 fte bepleit De Veenfabriek
een bijdrage van € 1.380.000 op jaarbasis. Dit is ruim een verdubbeling van het huidige subsidiebedrag.
De Veenfabriek ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie heeft vertrouwen in de artistieke capaciteiten van Paul Koek. Hij wordt beschouwd als een ontembaar muziektheaterfenomeen: inspirerend, origineel, onderzoekend
en verbindend. Paul Koek en de zijnen staan garant voor oorspronkelijke, grensoverschrijdende
experimenten en een avontuurlijke manier van programmeren en produceren. De verschillende generaties die elkaar binnen De Veenfabriek voortdurend artistiek inhoudelijk
beconcurreren en kruisbestuiven, creëren een interessante synergie met vaak verrassende
uitkomsten. De commissie vindt wel dat het muzikale idioom van De Veenfabriek niet altijd vernieuwend is en zij zou graag zien dat Paul Koek muzikaal een strengere regie gaat voeren. De voorstellingen en presentaties van De Veenfabriek leveren daarentegen ontegenzeggelijk
een waardevolle bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse muziektheaterlandschap
en daarbuiten.
De commissie zou graag zien dat het ensemble zich in eigen land vaker buiten de standplaats
Leiden presenteert. Tegelijk heeft De Veenfabriek de afgelopen jaren bewezen dat internationalisering een belangrijk onderdeel van het beleid vormt. Ook de plannen voor 2009-2012 tonen dat aan, middels buitenlandse optredens, internationale samenwerking en het aantrekken van internationale gasten. Dit waardeert de commissie zeer. Al met al kwalificeert
De Veenfabriek zich op grond van zijn artistieke potentie ruimschoots voor een vierjarige
subsidie.
Desondanks staat de commissie zeer kritisch tegenover het grote aantal uiteenlopende activiteiten
en de organisatorische schaalvergroting die De Veenfabriek wil realiseren. Het beleidsplan mist een inhoudelijke focus en de artistieke plannen dijen uit naar alle kanten, waarbij teveel lijnen en stellingen bovendien onvoldoende zijn uitgewerkt. Daarnaast is er geen helder beeld voor wie en voor hoeveel mensen alle activiteiten bedoeld zijn. Voor
een mager marketingplan wordt € 92.000 gevraagd en het gevraagde subsidiebedrag van
€ 1.380.000 staat in geen verhouding tot een nog onzekere bijdrage van de gemeente Leiden van € 130.000 en een post overige subsidies/bijdragen van slechts € 40.000. Ten slotte ambieert
De Veenfabriek een organisatie met veel personeel in vaste dienst. De commissie vindt dat het op die manier inrichten van de organisatie kostenverhogend werkt en niet strookt met het imago en het wezen van een uitdagend en flexibel ensemble als De Veenfabriek.
De commissie acht het noodzakelijk dat De Veenfabriek zijn beleidsplan en de bijbehorende begroting drastisch herziet en toesnijdt op nagenoeg het huidige subsidieniveau. Zij dringt hiermee aan op een kleinere en flexibele organisatie met een realistischer activiteitenplan, waardoor de inhoudelijke focus verscherpt en de haalbaarheid in zicht blijft.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit, de bijdrage aan de diversiteit en de goede
internationale initiatieven van De Veenfabriek, maar is kritisch over de artistieke en organisatorische groeiambities voor de komende periode. Derhalve adviseert zij De Veenfabriek
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en een lichte subsidieverhoging te verstrekken. Gelet op de kritiek van de commissie en het grote verschil tussen het gevraagde en geadviseerde subsidiebedrag, wordt het indienen van een herzien beleidsplan en bijpassende begroting noodzakelijk geacht.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 708.212,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 708.212,- (per jaar)
Stichting Dood Paard
Dood Paard
Inleiding
Dood Paard is een kleinschalig acteurscollectief, opgericht in 1993. Het bestaat uit Kuno Bakker, Manja Topper, Oscar van Woensel, Gillis Biesheuvel en Marten Oosthoek als zakelijk leider. Het collectief werkt principieel zonder regisseurs en vormgevers en laat zich bij het maken van voorstellingen inspireren door beeldende kunstenaars, schrijvers en filosofen. De groep bewerkt en vertaalt klassieke teksten en maakt nieuw Nederlands repertoire, met Oscar van Woensel als huisschrijver. Dood Paard bouwt consequent aan een herkenbaar oeuvre en houdt repertoire, genaamd ‘STOCK’. Dood Paard heeft samenwerkingsverbanden met aanverwante groepen als ’t Barre Land, Tg Stan, Cie. De Koe, Maatschappij Discordia, Nieuw West en Monk. Dood Paard speelt veelvuldig in het buitenland.
De komende periode zal deze koers niet wezenlijk veranderen. Dood Paard wil met oudere spelers samenwerken als Marjon Brandsma en Tom Jansen en met beginnende makers van Likeminds. Ook wil men de contacten die via de internationale tournees ontstonden (met Tiago Rodrigues, Barbara Horvath en Bernard White) bestendigen. Op korte termijn staat nieuw werk van Oscar van Woensel en van Gerardjan Rijnders (2010) op stapel. Samenwerkingen
met de auteurs Willem de Wolf, Hans Aarsman en Rob de Graaf worden voortgezet.
Nieuw zijn de plannen voor een jeugdvoorstelling in samenwerking met Paulien Geerlings van Wederzijds. ‘STOCK NEDERLAND’ wordt in de toekomst uitgebreid met voorstellingen van zowel verwante makers, als voorstellingen van gezelschappen die door het contrast een interessante dialoog oproepen. Ook de ‘STOCK abroad’ wordt aangevuld met nieuwe voorstellingen.
Jaarlijks worden drie producties gemaakt en toegevoegd aan het repertoire.
Dood Paard vraagt € 576.585 per jaar aan het NFPK+ en € 93.863 per jaar aan de gemeente Amsterdam.
Dood Paard ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en momenteel ook van de gemeente Amsterdam. Het voormalig FAPK heeft de afgelopen jaren het spelen van de voorstellingen in het buitenland incidenteel ondersteund.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Dood Paard. Het gezelschap
heeft zich doorontwikkeld tot een sterk collectief met een herkenbaar en authentiek profiel. Naar eigen zeggen zijn experiment, engagement en idealisme uitgangspunten van de voorstellingen en de commissie (h)erkent dit. De grenzen van theaterconventies worden steeds vanuit nieuwe invalshoeken opgezocht. De commissie is positief over de samenwerking
die het gezelschap zoekt met andere gastacteurs en auteurs en is benieuwd naar de voorgenomen plannen de komende periode ‘STOCK’ uit te breiden met producties van andere makers. De uitstap van Dood Paard richting jeugdtheater beschouwt zij als belangwekkend.
Zij is ook van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling goed tot uiting komt in de aanvraag. Het collectief geniet vertrouwen
van de theaters en schouwburgen in Nederland en België. Het collectief probeert nieuw publiek te bereiken met een ’theatersoap’ in Frascati en verder door middel van onderwerp gerelateerde projecten rond de voorstellingen. Voor het ontwikkelen van een marketing/communicatieplan is Dood Paard opgenomen in het expertprogramma van Kunst & Zaken. Internationaal heeft het gezelschap naamsbekendheid verworven. Afgelopen jaren werd veel, 40% van het totaal aantal voorstellingen, in het buitenland opgetreden. Gezien de resultaten uit de huidige cultuurnota en het consequent uitbouwen van het internationale netwerk en ‘STOCK abroad’, lijken de internationale mogelijkheden voor de komende periode
evident. De commissie is wel van mening dat de internationale plannen concreter moeten
worden uitgewerkt. Zij vindt ook dat Dood Paard zich als cultureel ondernemer extra moet inspannen om meer eigen inkomsten te genereren dan in de huidige cultuurnota gerealiseerd
werden. De commissie is van mening dat Dood Paard daartoe over een professionele
organisatie beschikt, die voldoende garantie geeft ten aanzien van de continuïteit en resultaatgroei.
Conclusie en advies
De commissie is overtuigd van de artistieke kwaliteit van het werk van Dood Paard en waardeert
de actualiteit en vitaliteit van het gezelschap. Het gezelschap geniet ten aanzien van de ketengedachte vertrouwen van de theaters en schouwburgen in het land. (Inter)nationaal heeft Dood Paard een goede naam en dito netwerk. Voor de komende periode staan gerichte plannen op stapel die de samenwerking en programmering voldoende interessant en inspirerend
maken. Wel is de commissie van mening dat de internationale plannen concreter vorm moeten krijgen en is zij ook kritisch over het cultureel ondernemerschap van Dood Paard.
De commissie adviseert om Dood Paard op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Dood Paard is een kleinschalig acteurscollectief, opgericht in 1993. Het bestaat uit Kuno Bakker, Manja Topper, Oscar van Woensel, Gillis Biesheuvel en Marten Oosthoek als zakelijk leider. Het collectief werkt principieel zonder regisseurs en vormgevers en laat zich bij het maken van voorstellingen inspireren door beeldende kunstenaars, schrijvers en filosofen. De groep bewerkt en vertaalt klassieke teksten en maakt nieuw Nederlands repertoire, met Oscar van Woensel als huisschrijver. Dood Paard bouwt consequent aan een herkenbaar oeuvre en houdt repertoire, genaamd ‘STOCK’. Dood Paard heeft samenwerkingsverbanden met aanverwante groepen als ’t Barre Land, Tg Stan, Cie. De Koe, Maatschappij Discordia, Nieuw West en Monk. Dood Paard speelt veelvuldig in het buitenland.
De komende periode zal deze koers niet wezenlijk veranderen. Dood Paard wil met oudere spelers samenwerken als Marjon Brandsma en Tom Jansen en met beginnende makers van Likeminds. Ook wil men de contacten die via de internationale tournees ontstonden (met Tiago Rodrigues, Barbara Horvath en Bernard White) bestendigen. Op korte termijn staat nieuw werk van Oscar van Woensel en van Gerardjan Rijnders (2010) op stapel. Samenwerkingen
met de auteurs Willem de Wolf, Hans Aarsman en Rob de Graaf worden voortgezet.
Nieuw zijn de plannen voor een jeugdvoorstelling in samenwerking met Paulien Geerlings van Wederzijds. ‘STOCK NEDERLAND’ wordt in de toekomst uitgebreid met voorstellingen van zowel verwante makers, als voorstellingen van gezelschappen die door het contrast een interessante dialoog oproepen. Ook de ‘STOCK abroad’ wordt aangevuld met nieuwe voorstellingen.
Jaarlijks worden drie producties gemaakt en toegevoegd aan het repertoire.
Dood Paard vraagt € 576.585 per jaar aan het NFPK+ en € 93.863 per jaar aan de gemeente Amsterdam.
Dood Paard ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en momenteel ook van de gemeente Amsterdam. Het voormalig FAPK heeft de afgelopen jaren het spelen van de voorstellingen in het buitenland incidenteel ondersteund.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Dood Paard. Het gezelschap
heeft zich doorontwikkeld tot een sterk collectief met een herkenbaar en authentiek profiel. Naar eigen zeggen zijn experiment, engagement en idealisme uitgangspunten van de voorstellingen en de commissie (h)erkent dit. De grenzen van theaterconventies worden steeds vanuit nieuwe invalshoeken opgezocht. De commissie is positief over de samenwerking
die het gezelschap zoekt met andere gastacteurs en auteurs en is benieuwd naar de voorgenomen plannen de komende periode ‘STOCK’ uit te breiden met producties van andere makers. De uitstap van Dood Paard richting jeugdtheater beschouwt zij als belangwekkend.
Zij is ook van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling goed tot uiting komt in de aanvraag. Het collectief geniet vertrouwen
van de theaters en schouwburgen in Nederland en België. Het collectief probeert nieuw publiek te bereiken met een ’theatersoap’ in Frascati en verder door middel van onderwerp gerelateerde projecten rond de voorstellingen. Voor het ontwikkelen van een marketing/communicatieplan is Dood Paard opgenomen in het expertprogramma van Kunst & Zaken. Internationaal heeft het gezelschap naamsbekendheid verworven. Afgelopen jaren werd veel, 40% van het totaal aantal voorstellingen, in het buitenland opgetreden. Gezien de resultaten uit de huidige cultuurnota en het consequent uitbouwen van het internationale netwerk en ‘STOCK abroad’, lijken de internationale mogelijkheden voor de komende periode
evident. De commissie is wel van mening dat de internationale plannen concreter moeten
worden uitgewerkt. Zij vindt ook dat Dood Paard zich als cultureel ondernemer extra moet inspannen om meer eigen inkomsten te genereren dan in de huidige cultuurnota gerealiseerd
werden. De commissie is van mening dat Dood Paard daartoe over een professionele
organisatie beschikt, die voldoende garantie geeft ten aanzien van de continuïteit en resultaatgroei.
Conclusie en advies
De commissie is overtuigd van de artistieke kwaliteit van het werk van Dood Paard en waardeert
de actualiteit en vitaliteit van het gezelschap. Het gezelschap geniet ten aanzien van de ketengedachte vertrouwen van de theaters en schouwburgen in het land. (Inter)nationaal heeft Dood Paard een goede naam en dito netwerk. Voor de komende periode staan gerichte plannen op stapel die de samenwerking en programmering voldoende interessant en inspirerend
maken. Wel is de commissie van mening dat de internationale plannen concreter vorm moeten krijgen en is zij ook kritisch over het cultureel ondernemerschap van Dood Paard.
De commissie adviseert om Dood Paard op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 603.762,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 603.762,- (per jaar)
Stichting Dunya Festival
Dunya Festival
Inleiding
Het Dunya Festival in Rotterdam wil kwalitatief bijzondere kunst en cultuur, afkomstig uit of wortelend in niet-dominante cultuurgebieden, koppelen aan een zo breed mogelijk publiek. De focus ligt op artiesten die de mondiale culturele diversiteit op krachtige en verrassende wijze representeren. Dunya ambieert een podium te zijn voor in Nederland wonende muzikanten,
dichters en vertellers. Het festival wil aandacht geven aan de lokale en Nederlandse context en aan nieuw talent. Het festival streeft in de programmering naar contrasten en complementariteit tussen traditie en vernieuwing. Men richt zich op programmering van artiesten en stijlen die niet veelvuldig te zien zijn in de reguliere circuits.
Dunya wil jaarlijks een of meer thema’s introduceren in het programma. Bij de vormgeving van speciale projecten gaat de organisatie in eerste instantie op zoek naar Rotterdamse artiesten, die worden uitgenodigd hun werk in een internationaal kader te plaatsen. Jaarlijks zullen enkele artiesten een project ontwikkelen speciaal voor het festival. Het netwerk in het internationale wereldmuziekveld is volgens eigen zeggen groot; dit biedt vele mogelijkheden
voor internationale programmering van artiesten. Een scherpere profilering als artistiek-
inhoudelijk evenement gericht op culturele diversiteit is het streven.
Dunya wil het festival, dat van oorsprong één dag duurt, uitbreiden met een tweede dag. Bovendien bestaat de ambitie om onder de noemer Dunya on Tour een serie kleinschalige festivals in diverse deelgemeentes te organiseren. Dit laatste onderdeel valt buiten deze aanvraag. Ook de randprogrammering heeft geen betrekking op de hier gevraagde meerjarige
financiering.
Het Dunya Festival wil een breed en divers publiek aanspreken. Het stelt in de aanvraag dat de bezoekersgroep qua samenstelling representatief is voor het multiculturele karakter van Rotterdam. Stichting Dunya Festival probeert aan te sluiten bij leefbaarheidprogramma’s in verschillende Rotterdamse wijken en gaat daartoe strategische allianties aan met lokale organisaties.
De organisatie ziet het festival tevens als een manifestatie waarmee Rotterdam zich nationaal
en internationaal kan profileren. De organisatie heeft de ambitie het nationale bereik uit te breiden, onder meer via de media. Bovendien wil het festival de aantrekkingskracht op bezoekers van buiten de regio vergroten.
Na het faillissement in 2004 is stichting Dunya Festival ondergebracht bij DUCOS Productions.
Deze organisatie is verantwoordelijk voor de directievoering, de productie, de publiciteit,
de marketing en de administratie.
In het meerjarenplan geeft Dunya aan tevreden te zijn over de 200.000 bezoekers die het festival trekt. Men verwacht groei tot 250.000 bezoekers. De publieksinkomsten van Dunya zijn nihil omdat het een gratis festival is. De overige publieksinkomsten zijn afkomstig uit catering (€ 143.800) en uit partnerships (€ 65.000). De begroting stijgt van € 552.700 in 2006 naar € 1.098.500 in 2009.
Dunya Festival vraagt van het Fonds een jaarlijkse bijdrage van € 60.000. Daarnaast verzoekt het de gemeente Rotterdam om een bijdrage van € 380.000 in het kader van het Cultuurplan en om € 80.000 uit het budget Zomerfestivals Rotterdam.
Het Dunya Festival heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd en een positief advies van de Raad voor Cultuur ontvangen. De beschikking van OCW was echter negatief op grond van de onzekere financiële situatie van de stichting. In de afgelopen
jaren ontving het Dunya Festival subsidie vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
Dunya is een van de grootste wereldmuziekfestivals in Nederland met een goede festival-sfeer en een aansprekende en avontuurlijke programmering. Het is een gratis laagdrempelig festival met een zeer groot en breed landelijk publieksbereik. De commissie is verheugd over het feit dat Dunya de financiële problemen heeft overwonnen en zich opnieuw heeft weten te positioneren. Wel is de commissie van mening dat het festival zich nog sterker kan profileren ten opzichte van de andere wereldmuziekfestivals in Nederland. De inbedding in de stad Rotterdam is goed. De keuze de wijken in te gaan met activiteiten komt de commissie,
gezien de programmering, als zinvol voor.
De commissie is positief over de richting waarin het festival zich ontwikkelt, vooral over de ambities om ruime aandacht te besteden aan Nederlandse wereldmuziek en aan in Nederland
wonende talenten. Zij is van mening dat dit bijgestelde concept voor wereldmuziek-artiesten in Nederland een belangrijke impuls kan betekenen, wanneer wereldmuziek van eigen bodem de kans krijgt zich voor een breed publiek te presenteren. De commissie ziet vanuit dat perspectief voor de organisatie nog veel mogelijkheden om meer inhoud te geven aan de brugfunctie tussen het festival en de reguliere podia waar wereldmuziek te beluisteren
valt.
Als laatste merkt de commissie op dat het festival op het gebied van cultureel ondernemerschap
een sterke en degelijke indruk maakt.
Conclusie en advies
De commissie vindt Dunya een belangrijk festival op het gebied van wereldmuziek in Nederland dat een zeer groot en divers publiek weet te trekken. De commissie is positief over het ondernemerschap zoals dat verwoord is in het beleidsplan. Zij heeft vertrouwen in de artistieke koers die is ingezet en vindt de programmering en positie van Nederlandse musici binnen dit festival van groot belang voor de verdere ontwikkeling van de discipline.
Op grond hiervan adviseert de commissie het Dunya Festival op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Dunya Festival in Rotterdam wil kwalitatief bijzondere kunst en cultuur, afkomstig uit of wortelend in niet-dominante cultuurgebieden, koppelen aan een zo breed mogelijk publiek. De focus ligt op artiesten die de mondiale culturele diversiteit op krachtige en verrassende wijze representeren. Dunya ambieert een podium te zijn voor in Nederland wonende muzikanten,
dichters en vertellers. Het festival wil aandacht geven aan de lokale en Nederlandse context en aan nieuw talent. Het festival streeft in de programmering naar contrasten en complementariteit tussen traditie en vernieuwing. Men richt zich op programmering van artiesten en stijlen die niet veelvuldig te zien zijn in de reguliere circuits.
Dunya wil jaarlijks een of meer thema’s introduceren in het programma. Bij de vormgeving van speciale projecten gaat de organisatie in eerste instantie op zoek naar Rotterdamse artiesten, die worden uitgenodigd hun werk in een internationaal kader te plaatsen. Jaarlijks zullen enkele artiesten een project ontwikkelen speciaal voor het festival. Het netwerk in het internationale wereldmuziekveld is volgens eigen zeggen groot; dit biedt vele mogelijkheden
voor internationale programmering van artiesten. Een scherpere profilering als artistiek-
inhoudelijk evenement gericht op culturele diversiteit is het streven.
Dunya wil het festival, dat van oorsprong één dag duurt, uitbreiden met een tweede dag. Bovendien bestaat de ambitie om onder de noemer Dunya on Tour een serie kleinschalige festivals in diverse deelgemeentes te organiseren. Dit laatste onderdeel valt buiten deze aanvraag. Ook de randprogrammering heeft geen betrekking op de hier gevraagde meerjarige
financiering.
Het Dunya Festival wil een breed en divers publiek aanspreken. Het stelt in de aanvraag dat de bezoekersgroep qua samenstelling representatief is voor het multiculturele karakter van Rotterdam. Stichting Dunya Festival probeert aan te sluiten bij leefbaarheidprogramma’s in verschillende Rotterdamse wijken en gaat daartoe strategische allianties aan met lokale organisaties.
De organisatie ziet het festival tevens als een manifestatie waarmee Rotterdam zich nationaal
en internationaal kan profileren. De organisatie heeft de ambitie het nationale bereik uit te breiden, onder meer via de media. Bovendien wil het festival de aantrekkingskracht op bezoekers van buiten de regio vergroten.
Na het faillissement in 2004 is stichting Dunya Festival ondergebracht bij DUCOS Productions.
Deze organisatie is verantwoordelijk voor de directievoering, de productie, de publiciteit,
de marketing en de administratie.
In het meerjarenplan geeft Dunya aan tevreden te zijn over de 200.000 bezoekers die het festival trekt. Men verwacht groei tot 250.000 bezoekers. De publieksinkomsten van Dunya zijn nihil omdat het een gratis festival is. De overige publieksinkomsten zijn afkomstig uit catering (€ 143.800) en uit partnerships (€ 65.000). De begroting stijgt van € 552.700 in 2006 naar € 1.098.500 in 2009.
Dunya Festival vraagt van het Fonds een jaarlijkse bijdrage van € 60.000. Daarnaast verzoekt het de gemeente Rotterdam om een bijdrage van € 380.000 in het kader van het Cultuurplan en om € 80.000 uit het budget Zomerfestivals Rotterdam.
Het Dunya Festival heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd en een positief advies van de Raad voor Cultuur ontvangen. De beschikking van OCW was echter negatief op grond van de onzekere financiële situatie van de stichting. In de afgelopen
jaren ontving het Dunya Festival subsidie vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
Dunya is een van de grootste wereldmuziekfestivals in Nederland met een goede festival-sfeer en een aansprekende en avontuurlijke programmering. Het is een gratis laagdrempelig festival met een zeer groot en breed landelijk publieksbereik. De commissie is verheugd over het feit dat Dunya de financiële problemen heeft overwonnen en zich opnieuw heeft weten te positioneren. Wel is de commissie van mening dat het festival zich nog sterker kan profileren ten opzichte van de andere wereldmuziekfestivals in Nederland. De inbedding in de stad Rotterdam is goed. De keuze de wijken in te gaan met activiteiten komt de commissie,
gezien de programmering, als zinvol voor.
De commissie is positief over de richting waarin het festival zich ontwikkelt, vooral over de ambities om ruime aandacht te besteden aan Nederlandse wereldmuziek en aan in Nederland
wonende talenten. Zij is van mening dat dit bijgestelde concept voor wereldmuziek-artiesten in Nederland een belangrijke impuls kan betekenen, wanneer wereldmuziek van eigen bodem de kans krijgt zich voor een breed publiek te presenteren. De commissie ziet vanuit dat perspectief voor de organisatie nog veel mogelijkheden om meer inhoud te geven aan de brugfunctie tussen het festival en de reguliere podia waar wereldmuziek te beluisteren
valt.
Als laatste merkt de commissie op dat het festival op het gebied van cultureel ondernemerschap
een sterke en degelijke indruk maakt.
Conclusie en advies
De commissie vindt Dunya een belangrijk festival op het gebied van wereldmuziek in Nederland dat een zeer groot en divers publiek weet te trekken. De commissie is positief over het ondernemerschap zoals dat verwoord is in het beleidsplan. Zij heeft vertrouwen in de artistieke koers die is ingezet en vindt de programmering en positie van Nederlandse musici binnen dit festival van groot belang voor de verdere ontwikkeling van de discipline.
Op grond hiervan adviseert de commissie het Dunya Festival op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 62.627,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 62.627,- (per jaar)
Stichting Dutch Jazz Competition
Dutch Jazz CompetitionDutch Jazz Competition
Inleiding
De Dutch Jazz Competition is een landelijk, tweejaarlijks jazzconcours dat sinds de eerste editie in 2000 een ‘open inschrijving’ kent. Alle stijlen, soorten en maten jazzmuziek zijn toegestaan,
waarbij het spelen van één of meer eigen composities een voorwaarde is. De gelijknamige
stichting noemt in de aanvraag een tweeledige doelstelling: “Enerzijds is zij erop gericht om de kenmerken van (Nederlandse) jazz, namelijk de positieve en toegankelijke uitstraling en de grote variëteit, bij een breed en gedeeltelijk nieuw (jong) publiek onder de aandacht te brengen. Anderzijds is de Competition een belangrijke artistieke en maatschappelijke
stimulans voor (jonge) talentvolle Nederlandse jazzmuzikanten in het algemeen en de carrière van de deelnemende jazzmusici in het bijzonder.”
Volgens het activiteitenplan maakt De Dutch Jazz Competition veel werk van werving en scouting. Het concours kan volgens de maatstaven van het bestuur alleen bestaansrecht hebben als het elke editie opnieuw een goede afspiegeling presenteert van het (actuele) toptalent
in de breedte, alsook van de hoogste kwaliteit in Nederland.
Voor de uitvoering van het activiteitenplan en om de continuïteit van het concours te waarborgen
vraagt de Dutch Jazz Competition een vierjarige subsidie aan.
De Dutch Jazz Competition heeft geen subsidie aangevraagd in het kader van de Cultuurnota
2005-2008.
Beoordeling
De Dutch Jazz Competition heeft volgens de commissie een belangrijke betekenis voor de jazz in Nederland. Het concours blijkt door zijn werkwijze een uitstekend middel voor groepen
om zich te onderscheiden en daardoor een plaats te verwerven op de Nederlandse jazzpodia.
De aanvraag van de Dutch Jazz Competition maakt in heldere bewoordingen duidelijk welke doelstellingen worden nagestreefd. De commissie is net als de Dutch Jazz Competition van mening dat een goede selectie en scouting de basis vormen voor succes van een dergelijk concours. Zij is onder de indruk van de zorgvuldigheid waarmee dit gebeurt. Door de instelling
zijn duidelijke artistieke criteria geformuleerd en de commissie heeft vertrouwen in de artistieke commissie die de verschillende jury’s selecteert.
Ook is de commissie te spreken over de inbedding van de halve finales en de finale in belangwekkende evenementen als de Dag van de Nederlandse Jazz en het North Sea Jazz Festival. Daarmee wordt niet alleen aandacht voor de deelnemers gegenereerd, het concours bereikt er tevens een groot publiek mee en vergroot zijn belang. De commissie hecht grote waarde aan de koppeling met de ‘Young VIP Tour’ en de ‘Next Generation’ tournee, waarmee jonge musici speelervaring kunnen opdoen in het Nederlandse jazzcircuit. Dit is naar de mening van de commissie zowel essentieel voor de ontwikkeling van de musici als de jazz. Zij is dan ook positief over de plannen om een Europese versie van de Dutch Jazz Competition
te organiseren.
De commissie heeft echter ook de indruk dat de bedrijfsvoering van de Dutch Jazz Competition
om de ambities te kunnen realiseren verdere professionalisering behoeft. Daarmee zou de instelling slagvaardiger te werk kunnen gaan. Eveneens is het naar haar mening wenselijk
dat een coachingstraject voor de winnaars wordt opgezet. Naar de mening van de commissie
verstevigt de Dutch Jazz Competition dan niet alleen zijn eigen positie, maar ook die van een toekomstige generatie jazzmusici.
Conclusie en advies
De commissie acht de Dutch Jazz Competition van belang voor de talentontwikkeling van jonge jazzmusici en meent dat daarmee ook de verdere ontwikkeling van het genre is gediend. Zij merkt daarbij op dat de inbedding van het concours in belangrijke jazzevenementen
een sterke toegevoegde waarde heeft. De commissie adviseert de Dutch Jazz Competition
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
De Dutch Jazz Competition is een landelijk, tweejaarlijks jazzconcours dat sinds de eerste editie in 2000 een ‘open inschrijving’ kent. Alle stijlen, soorten en maten jazzmuziek zijn toegestaan,
waarbij het spelen van één of meer eigen composities een voorwaarde is. De gelijknamige
stichting noemt in de aanvraag een tweeledige doelstelling: “Enerzijds is zij erop gericht om de kenmerken van (Nederlandse) jazz, namelijk de positieve en toegankelijke uitstraling en de grote variëteit, bij een breed en gedeeltelijk nieuw (jong) publiek onder de aandacht te brengen. Anderzijds is de Competition een belangrijke artistieke en maatschappelijke
stimulans voor (jonge) talentvolle Nederlandse jazzmuzikanten in het algemeen en de carrière van de deelnemende jazzmusici in het bijzonder.”
Volgens het activiteitenplan maakt De Dutch Jazz Competition veel werk van werving en scouting. Het concours kan volgens de maatstaven van het bestuur alleen bestaansrecht hebben als het elke editie opnieuw een goede afspiegeling presenteert van het (actuele) toptalent
in de breedte, alsook van de hoogste kwaliteit in Nederland.
Voor de uitvoering van het activiteitenplan en om de continuïteit van het concours te waarborgen
vraagt de Dutch Jazz Competition een vierjarige subsidie aan.
De Dutch Jazz Competition heeft geen subsidie aangevraagd in het kader van de Cultuurnota
2005-2008.
Beoordeling
De Dutch Jazz Competition heeft volgens de commissie een belangrijke betekenis voor de jazz in Nederland. Het concours blijkt door zijn werkwijze een uitstekend middel voor groepen
om zich te onderscheiden en daardoor een plaats te verwerven op de Nederlandse jazzpodia.
De aanvraag van de Dutch Jazz Competition maakt in heldere bewoordingen duidelijk welke doelstellingen worden nagestreefd. De commissie is net als de Dutch Jazz Competition van mening dat een goede selectie en scouting de basis vormen voor succes van een dergelijk concours. Zij is onder de indruk van de zorgvuldigheid waarmee dit gebeurt. Door de instelling
zijn duidelijke artistieke criteria geformuleerd en de commissie heeft vertrouwen in de artistieke commissie die de verschillende jury’s selecteert.
Ook is de commissie te spreken over de inbedding van de halve finales en de finale in belangwekkende evenementen als de Dag van de Nederlandse Jazz en het North Sea Jazz Festival. Daarmee wordt niet alleen aandacht voor de deelnemers gegenereerd, het concours bereikt er tevens een groot publiek mee en vergroot zijn belang. De commissie hecht grote waarde aan de koppeling met de ‘Young VIP Tour’ en de ‘Next Generation’ tournee, waarmee jonge musici speelervaring kunnen opdoen in het Nederlandse jazzcircuit. Dit is naar de mening van de commissie zowel essentieel voor de ontwikkeling van de musici als de jazz. Zij is dan ook positief over de plannen om een Europese versie van de Dutch Jazz Competition
te organiseren.
De commissie heeft echter ook de indruk dat de bedrijfsvoering van de Dutch Jazz Competition
om de ambities te kunnen realiseren verdere professionalisering behoeft. Daarmee zou de instelling slagvaardiger te werk kunnen gaan. Eveneens is het naar haar mening wenselijk
dat een coachingstraject voor de winnaars wordt opgezet. Naar de mening van de commissie
verstevigt de Dutch Jazz Competition dan niet alleen zijn eigen positie, maar ook die van een toekomstige generatie jazzmusici.
Conclusie en advies
De commissie acht de Dutch Jazz Competition van belang voor de talentontwikkeling van jonge jazzmusici en meent dat daarmee ook de verdere ontwikkeling van het genre is gediend. Zij merkt daarbij op dat de inbedding van het concours in belangrijke jazzevenementen
een sterke toegevoegde waarde heeft. De commissie adviseert de Dutch Jazz Competition
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 20.987,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 20.987,- (per jaar)
Stichting Elektra Blou
Teatro Luna Blou (Elektra Blou)
Inleiding
Teatro Luna Blou opende in juni 2003 officieel haar deuren in Willemstad, Curaçao. Norman de Palm is momenteel nog algemeen directeur, maar zal die taak in de komende twee jaar gaan overdragen. Hij is de grote inspirator en grondlegger van dit overzeese initiatief.
De doelstelling van teatro Luna Blou luidt: “Het stimuleren en bevorderen van een bloeiend cultureel klimaat op Curaçao; het vergroten van de cultuurparticipatie van de lokale bevolking
door middel van creatie en presentatie van een breed cultureel aanbod voor zowel de bewoners als bezoekers van het eilandgebied.”
De voedingsbodem voor cultuurbeleving en -participatie op Curaçao is niet ideaal, volgens teatro Luna Blou. Er is een groot gebrek aan culturele infrastructuur. In een dergelijke context
moet teatro Luna Blou een brede rol vervullen. Het moet initiëren en produceren, artistiek
ontwikkelen en cultureel ondernemen en een basis leggen voor de toekomst door middel van werkplaatsproducties en cultuureducatieve activiteiten.
In en vanuit teatro Luna Blou en theaterwerkplaats La Tentashon programmeert het een grote variatie aan kunstdisciplines. Als productiehuis heeft het een concrete producerende rol op het gebied van podiumkunsten en vervult het vanuit de educatieve afdeling een actieve
cultuureducatieve functie. Tevens stimuleert het (inter)nationale uitwisseling en ondersteunt
het discours en debat over de Antilliaanse cultuur binnen de Caraïbische en Europese context.
In haar activiteiten voor de komende jaren onderscheidt Teatro Luna Blou vier taakgebieden:
cultuureducatieve activiteiten; een theaterwerkplaats met vier à vijf jaarlijkse producties
voor en door Curaçaose jeugd en jongeren en zes jaarlijkse afleveringen van Luna Yen, het open podium; een productiehuis voor de eigen producties en co-producties met theatergezelschappen
op Curaçao en van elders; de programmering van het professionele podium in teatro Luna Blou, op het amateurpodium in La Tentashon en elders op het eiland, met lokale, nationale en internationale voorstellingen op het gebied van toneel, hedendaagse dans, muziek, cabaret en artistieke film.
Teatro Luna Blou vraagt € 140.000 subsidie aan het Fonds. De gemiddelde output per jaar en het bereik zijn lastig uit de aanvraag af te leiden.
Teatro Luna Blou heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd.
Zij ontving in de periode 2006-2008 wel een subsidie van het voormalige FAPK.
Beoordeling
Teatro Luna Blou is een gedreven culturele organisatie die zich vooralsnog in de beginfase van een bredere (lokale) culturele ontginning bevindt. De commissie gelooft in de kwaliteiten van Norman de Palm en vindt zijn vele activiteiten van groot belang voor de culturele infrastructuur
op de Nederlandse Antillen (en Aruba). Die lokale culturele infrastructuur is immers nog beperkt, net als het aantal mensen dat professioneel met podiumkunsten bezig is.
De commissie constateert dat de activiteiten van teatro Luna Blou een beperkt artistiek doel dienen; zij vervullen primair een brede culturele functie. In het plan ontbreekt een inhoudelijke
uitwerking van de rol en het profiel van de beoogd artistiek leider. Er is volgens de commissie
eerder sprake van artistieke coördinatie dan van artistiek leiderschap.
Bijna alle activiteiten staan nog in het teken van (talent)ontwikkeling, programmering en cultuurparticipatie. De infrastructuur op de Nederlandse Antillen en Aruba is kennelijk zo schraal dat de hele keten onderdak vindt bij teatro Luna Blou. Het initiatief is nog vrij recent, maar heeft de eerder toegekende meerjarige ondersteuning van het voormalige FAPK en Stichting Doen dermate goed aangewend dat het inmiddels een factor van kwalitatieve
en kwantitatieve betekenis op de Nederlandse Antillen is geworden.
Teatro Luna Blou is met zo’n 40.000 bezoekers per jaar (inclusief schoolvoorstellingen) succesvol
te noemen. Om dit succes en de relatief hoge bezettingsgraad te bestendigen en de minder publieksgerichte voorstellingen verder te kunnen ontwikkelen, wil teatro Luna Blou de marketing en communicatie verbeteren en de formatie uitbreiden zodat genoemde kerntaken
door professionele medewerkers kunnen worden uitgevoerd in plaats van door stagiaires.
De commissie vindt echter, gezien het sterk lokale karakter van de instelling en omdat een aanzienlijk deel van de activiteiten niet binnen de reikwijdte van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 valt, dat het Fonds niet primair voor deze kosten
verantwoordelijk is.
Van internationalisering is in de aanvraag geen sprake, maar sommige producties zijn wel op tournee geweest op de andere eilanden van de Nederlandse Antillen en Aruba en in Nederland.
De commissie acht het raadzaam als het Fonds samen met het ministerie van OCW en de Raad voor Cultuur bekijkt of uitbreiding van de basisinfrastructuur naar de overzeese gebiedsdelen mogelijk is. Een groot deel van de taken die teatro Luna Blou uitvoert, valt immers in Nederland in de basisinfrastructuur.
Conclusie en advies
De commissie is overtuigd van het belang van een instelling als teatro Luna Blou op de Nederlandse Antillen en Aruba, waar de lokale culturele infrastructuur nog schraal is en impulsen behoeft. Vanwege dat belang adviseert de commissie om teatro Luna Blou op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 om een specifieke
bijdrage te leveren aan de activiteiten voor zover die binnen de regeling vallen.
Het gaat daarbij om het (co)produceren en laten reizen van voorstellingen alsmede de deelactiviteiten
die binnen La Tentashon plaatsvinden. De subsidie is niet bestemd voor programmering
van podiumkunst en film.
Teatro Luna Blou opende in juni 2003 officieel haar deuren in Willemstad, Curaçao. Norman de Palm is momenteel nog algemeen directeur, maar zal die taak in de komende twee jaar gaan overdragen. Hij is de grote inspirator en grondlegger van dit overzeese initiatief.
De doelstelling van teatro Luna Blou luidt: “Het stimuleren en bevorderen van een bloeiend cultureel klimaat op Curaçao; het vergroten van de cultuurparticipatie van de lokale bevolking
door middel van creatie en presentatie van een breed cultureel aanbod voor zowel de bewoners als bezoekers van het eilandgebied.”
De voedingsbodem voor cultuurbeleving en -participatie op Curaçao is niet ideaal, volgens teatro Luna Blou. Er is een groot gebrek aan culturele infrastructuur. In een dergelijke context
moet teatro Luna Blou een brede rol vervullen. Het moet initiëren en produceren, artistiek
ontwikkelen en cultureel ondernemen en een basis leggen voor de toekomst door middel van werkplaatsproducties en cultuureducatieve activiteiten.
In en vanuit teatro Luna Blou en theaterwerkplaats La Tentashon programmeert het een grote variatie aan kunstdisciplines. Als productiehuis heeft het een concrete producerende rol op het gebied van podiumkunsten en vervult het vanuit de educatieve afdeling een actieve
cultuureducatieve functie. Tevens stimuleert het (inter)nationale uitwisseling en ondersteunt
het discours en debat over de Antilliaanse cultuur binnen de Caraïbische en Europese context.
In haar activiteiten voor de komende jaren onderscheidt Teatro Luna Blou vier taakgebieden:
cultuureducatieve activiteiten; een theaterwerkplaats met vier à vijf jaarlijkse producties
voor en door Curaçaose jeugd en jongeren en zes jaarlijkse afleveringen van Luna Yen, het open podium; een productiehuis voor de eigen producties en co-producties met theatergezelschappen
op Curaçao en van elders; de programmering van het professionele podium in teatro Luna Blou, op het amateurpodium in La Tentashon en elders op het eiland, met lokale, nationale en internationale voorstellingen op het gebied van toneel, hedendaagse dans, muziek, cabaret en artistieke film.
Teatro Luna Blou vraagt € 140.000 subsidie aan het Fonds. De gemiddelde output per jaar en het bereik zijn lastig uit de aanvraag af te leiden.
Teatro Luna Blou heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd.
Zij ontving in de periode 2006-2008 wel een subsidie van het voormalige FAPK.
Beoordeling
Teatro Luna Blou is een gedreven culturele organisatie die zich vooralsnog in de beginfase van een bredere (lokale) culturele ontginning bevindt. De commissie gelooft in de kwaliteiten van Norman de Palm en vindt zijn vele activiteiten van groot belang voor de culturele infrastructuur
op de Nederlandse Antillen (en Aruba). Die lokale culturele infrastructuur is immers nog beperkt, net als het aantal mensen dat professioneel met podiumkunsten bezig is.
De commissie constateert dat de activiteiten van teatro Luna Blou een beperkt artistiek doel dienen; zij vervullen primair een brede culturele functie. In het plan ontbreekt een inhoudelijke
uitwerking van de rol en het profiel van de beoogd artistiek leider. Er is volgens de commissie
eerder sprake van artistieke coördinatie dan van artistiek leiderschap.
Bijna alle activiteiten staan nog in het teken van (talent)ontwikkeling, programmering en cultuurparticipatie. De infrastructuur op de Nederlandse Antillen en Aruba is kennelijk zo schraal dat de hele keten onderdak vindt bij teatro Luna Blou. Het initiatief is nog vrij recent, maar heeft de eerder toegekende meerjarige ondersteuning van het voormalige FAPK en Stichting Doen dermate goed aangewend dat het inmiddels een factor van kwalitatieve
en kwantitatieve betekenis op de Nederlandse Antillen is geworden.
Teatro Luna Blou is met zo’n 40.000 bezoekers per jaar (inclusief schoolvoorstellingen) succesvol
te noemen. Om dit succes en de relatief hoge bezettingsgraad te bestendigen en de minder publieksgerichte voorstellingen verder te kunnen ontwikkelen, wil teatro Luna Blou de marketing en communicatie verbeteren en de formatie uitbreiden zodat genoemde kerntaken
door professionele medewerkers kunnen worden uitgevoerd in plaats van door stagiaires.
De commissie vindt echter, gezien het sterk lokale karakter van de instelling en omdat een aanzienlijk deel van de activiteiten niet binnen de reikwijdte van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 valt, dat het Fonds niet primair voor deze kosten
verantwoordelijk is.
Van internationalisering is in de aanvraag geen sprake, maar sommige producties zijn wel op tournee geweest op de andere eilanden van de Nederlandse Antillen en Aruba en in Nederland.
De commissie acht het raadzaam als het Fonds samen met het ministerie van OCW en de Raad voor Cultuur bekijkt of uitbreiding van de basisinfrastructuur naar de overzeese gebiedsdelen mogelijk is. Een groot deel van de taken die teatro Luna Blou uitvoert, valt immers in Nederland in de basisinfrastructuur.
Conclusie en advies
De commissie is overtuigd van het belang van een instelling als teatro Luna Blou op de Nederlandse Antillen en Aruba, waar de lokale culturele infrastructuur nog schraal is en impulsen behoeft. Vanwege dat belang adviseert de commissie om teatro Luna Blou op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 om een specifieke
bijdrage te leveren aan de activiteiten voor zover die binnen de regeling vallen.
Het gaat daarbij om het (co)produceren en laten reizen van voorstellingen alsmede de deelactiviteiten
die binnen La Tentashon plaatsvinden. De subsidie is niet bestemd voor programmering
van podiumkunst en film.
theater
Toegekend bedrag:
€ 104.511,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 104.511,- (per jaar)
Stichting Festival Bureau Storm
Tweetakt
Inleiding
Stichting Festivalbureau Storm is de organisator van Tweetakt, een jaarlijks festival in Utrecht dat jeugdvoorstellingen uit alle podiumkunsten programmeert. De instelling beschouwt zichzelf als ‘voortrekker en curator van belangwekkende en soms onverwachte ontwikkelingen in het jeugdtheaterveld’. Tweetakt maakt een brede selectie uit het Nederlandse
jeugdpodiumkunstenaanbod en vult dit aan met eigen producties van jonge makers en met internationaal aanbod. Tweetakt wordt bezocht door kinderen en jongeren, (vakdeskundige)
volwassenen en internationale programmeurs. Tweetakt beoogt de komende jaren de internationale werking van het festival te bestendigen en verstevigen. De instelling gaat meer buitenlandse voorstellingen programmeren en haar internationale netwerk en samenwerkingsverbanden
uitbreiden. Ook wil zij gerichter buitenlandse programmeurs uitnodigen.
Zij zet zich in voor de presentatie van multicultureel talent, toont interdisciplinaire podiumkunsten en presenteert locatievoorstellingen. Tweetakt ontwikkelt educatieve projecten
en levert met behulp van onder andere lezingen, rondetafelgesprekken en debatten een bijdrage aan de deskundigheidsbevordering in de jeugdpodiumkunst, zo vermeldt het beleidsplan.
Tweetakt heeft in zijn band met de stad en regio Utrecht geïnvesteerd en werkt samen met verschillende culturele instellingen en opleidingen in de omgeving. Naar eigen zeggen is het festivalcentrum op de Neude uitnodigend en heeft het een eigen programmering.
Tweetakt heeft zich in de cultuurnotaperiode 2005-2008 ontwikkeld van een vijfdaags festival
met gemiddeld 10.000 bezoekers naar een negendaags festival met gemiddeld 17.500 bezoekers. Het aantal uitvoeringen is van 146 gestegen naar 212 in 2007.
Tweetakt vraagt extra subsidie aan voor uitbreiding van het personeelsbudget, programmering
en publiciteit. De begroting stijgt van € 584.618 in 2006 naar € 855.000 in 2009.
Tweetakt ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Tweetakt heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als internationaal platform in de basisinfrastructuur
2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd Tweetakt niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag te behandelen
in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Tweetakt is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag
in de dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten van het NFPK+. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening
gehouden met de inhoud van de aanvulling.
In de afgelopen jaren ontving Tweetakt subsidies vanuit het voormalige FAPK (Internationalisering)
en de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
Tweetakt is het enige landelijke podiumbrede jeugdtheaterfestival in Nederland. Het vervult een rol als vakfestival voor makers en programmeurs. De commissie vindt het festival daarom
een waardevol platform voor de jeugdpodiumkunsten. Daarbij weet Tweetakt met aansprekende
thema’s een interessant programma samen te stellen. Het festival stimuleert en presenteert prikkelende kleinschalige experimenten. Tevens levert het festival een belangrijke
inhoudelijke bijdrage aan het debat rondom jeugdtheater, zoals het organiseren van de serie lezingen rondom de vraag: ‘Wat kan echt niet voor kinderen?’.
De commissie ziet op basis van de aanvraag in het nieuwe plan het internationale profiel van het festival, dat wel wordt nagestreefd, onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd. De ambities van Tweetakt op dit vlak zijn (zeer) summier in het plan beschreven en de aanvraag ontbeert een artistieke visie op de internationale programmering. Zo signaleert Tweetakt dat er ‘met name op het gebied van dans en theatrale installaties (...) interessante ontwikkelingen
in het buitenland (zijn) die de jeugdpodiumkunst verrijken’, maar werkt het deze bevinding
nergens in het plan concreet of specifiek uit. Daarbij is de commissie van mening dat waar het festival spreekt over internationale voorstellingen, er vooral sprake is van Nederlandse
en Vlaamse producties – ofwel Nederlandstalig aanbod. Internationale programmering
is daarom een (zeer) beperkt aspect van Tweetakt. Wel acht de commissie het van belang dat Tweetakt als vakfestival voor de Nederlandse jeugdpodiumkunsten de relatie met internationale programmeurs intensiveert.
Tweetakt slaagt erin om een goed cultureel divers aanbod te presenteren. Bij het ontbreken van voldoende kwalitatief cultureel divers aanbod heeft Tweetakt zelf onderzoeksvoorstellingen
ge(co)produceerd die tot bijzondere resultaten hebben geleid. Desondanks is de commissie
in tegenstelling tot aanvrager van mening dat er voldoende bestaand kwalitatief cultureel divers aanbod bestaat, zodat zij onvoldoende noodzaak tot een zelfproducerende functie ziet, temeer er in Utrecht een productiehuis op het gebied van jeugdtheater bestaat.
De commissie heeft waardering voor de wijze waarop Tweetakt de context van publiek en productie weet te verbinden. De commissie heeft ook vertrouwen in de wijze waarop het festival
educatieve projecten ontwikkelt en in de toekomst in de voortgang en uitbreiding hiervan
wil investeren. Met nieuwe methodieken (educatie en participatie) weet Tweetakt een groot aantal leerlingen van het basisonderwijs en VMBO uit Utrecht te bereiken. De commissie
vindt de koppeling tussen educatie en participatie interessant, maar het plan ontbeert
een uitwerking ervan. Ook merkt de commissie op dat cultuureducatieve activiteiten zwaar ingebed zijn in de regio en dat daarom vooral een rol voor lokale en regionale overheden
is weggelegd in het ondersteunen van deze activiteiten. De commissie vindt het van belang dat Tweetakt zich (nog meer dan voorheen) richt tot CKV-inkopers.
De commissie mist in het plan een heldere en uitgewerkte visie op hoe het festival beoogt verschillende doelgroepen te bereiken en deze aan zich te binden. Vanuit dat oogpunt ziet de commissie ook weinig heil in het uitbreiden van de programmering naar jong volwassenen,
omdat dit niet bijdraagt aan een scherper profiel van het festival. De organisatie geeft in haar plan aan een landelijke publiciteitscampagne te willen organiseren, waarbij bijvoorbeeld
de stijging van distributiekosten voor drukwerk volgens de commissie weinig doelmatig
is gezien het voornamelijk regionale (jeugd)publieksbereik.
De commissie is positief over de stijging van de bezoekcijfers. Zij plaatst echter een kanttekening
bij de publieksinkomsten, die naar haar mening in relatie tot de bezoekcijfers laag zijn. Een terughoudender vrijkaartenbeleid voor het vakpubliek kan volgens de commissie een evenwichtiger beeld opleveren. Ook de eigen inkomsten zijn (zeer) laag en de commissie
is van mening dat Tweetakt door aansluiting te zoeken met strategische partners meer eigen inkomsten kan genereren.
De commissie is terughoudend wat betreft de stijging van lasten voor functies en taken, die zij niet tot de kerntaken van de organisatie rekent. Voor wat betreft de internationale ambities
is de commissie van mening dat deze in de voorliggende aanvraag onvoldoende zijn uitgewerkt;
deze kunnen beter in een separaat plan uitgewerkt worden.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Tweetakt is gezien de kwalitatief goede invulling van de functie als podiumkunstenbreed vakfestival voor de jeugd positief.
Overigens ziet de commissie onvoldoende noodzaak tot een zelfproducerende functie, acht zij de cultuureducatieve activiteiten vooral van regionaal en lokaal belang en verwacht zij meer uitwerking en onderbouwing van het internationale beleid en van de communicatiestrategie.
Gelet op belang en waarde van de kernfuncties adviseert de commissie Tweetakt met een lichte verhoging van het subsidiebedrag op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Stichting Festivalbureau Storm is de organisator van Tweetakt, een jaarlijks festival in Utrecht dat jeugdvoorstellingen uit alle podiumkunsten programmeert. De instelling beschouwt zichzelf als ‘voortrekker en curator van belangwekkende en soms onverwachte ontwikkelingen in het jeugdtheaterveld’. Tweetakt maakt een brede selectie uit het Nederlandse
jeugdpodiumkunstenaanbod en vult dit aan met eigen producties van jonge makers en met internationaal aanbod. Tweetakt wordt bezocht door kinderen en jongeren, (vakdeskundige)
volwassenen en internationale programmeurs. Tweetakt beoogt de komende jaren de internationale werking van het festival te bestendigen en verstevigen. De instelling gaat meer buitenlandse voorstellingen programmeren en haar internationale netwerk en samenwerkingsverbanden
uitbreiden. Ook wil zij gerichter buitenlandse programmeurs uitnodigen.
Zij zet zich in voor de presentatie van multicultureel talent, toont interdisciplinaire podiumkunsten en presenteert locatievoorstellingen. Tweetakt ontwikkelt educatieve projecten
en levert met behulp van onder andere lezingen, rondetafelgesprekken en debatten een bijdrage aan de deskundigheidsbevordering in de jeugdpodiumkunst, zo vermeldt het beleidsplan.
Tweetakt heeft in zijn band met de stad en regio Utrecht geïnvesteerd en werkt samen met verschillende culturele instellingen en opleidingen in de omgeving. Naar eigen zeggen is het festivalcentrum op de Neude uitnodigend en heeft het een eigen programmering.
Tweetakt heeft zich in de cultuurnotaperiode 2005-2008 ontwikkeld van een vijfdaags festival
met gemiddeld 10.000 bezoekers naar een negendaags festival met gemiddeld 17.500 bezoekers. Het aantal uitvoeringen is van 146 gestegen naar 212 in 2007.
Tweetakt vraagt extra subsidie aan voor uitbreiding van het personeelsbudget, programmering
en publiciteit. De begroting stijgt van € 584.618 in 2006 naar € 855.000 in 2009.
Tweetakt ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Tweetakt heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als internationaal platform in de basisinfrastructuur
2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd Tweetakt niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag te behandelen
in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Tweetakt is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag
in de dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten van het NFPK+. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening
gehouden met de inhoud van de aanvulling.
In de afgelopen jaren ontving Tweetakt subsidies vanuit het voormalige FAPK (Internationalisering)
en de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
Tweetakt is het enige landelijke podiumbrede jeugdtheaterfestival in Nederland. Het vervult een rol als vakfestival voor makers en programmeurs. De commissie vindt het festival daarom
een waardevol platform voor de jeugdpodiumkunsten. Daarbij weet Tweetakt met aansprekende
thema’s een interessant programma samen te stellen. Het festival stimuleert en presenteert prikkelende kleinschalige experimenten. Tevens levert het festival een belangrijke
inhoudelijke bijdrage aan het debat rondom jeugdtheater, zoals het organiseren van de serie lezingen rondom de vraag: ‘Wat kan echt niet voor kinderen?’.
De commissie ziet op basis van de aanvraag in het nieuwe plan het internationale profiel van het festival, dat wel wordt nagestreefd, onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd. De ambities van Tweetakt op dit vlak zijn (zeer) summier in het plan beschreven en de aanvraag ontbeert een artistieke visie op de internationale programmering. Zo signaleert Tweetakt dat er ‘met name op het gebied van dans en theatrale installaties (...) interessante ontwikkelingen
in het buitenland (zijn) die de jeugdpodiumkunst verrijken’, maar werkt het deze bevinding
nergens in het plan concreet of specifiek uit. Daarbij is de commissie van mening dat waar het festival spreekt over internationale voorstellingen, er vooral sprake is van Nederlandse
en Vlaamse producties – ofwel Nederlandstalig aanbod. Internationale programmering
is daarom een (zeer) beperkt aspect van Tweetakt. Wel acht de commissie het van belang dat Tweetakt als vakfestival voor de Nederlandse jeugdpodiumkunsten de relatie met internationale programmeurs intensiveert.
Tweetakt slaagt erin om een goed cultureel divers aanbod te presenteren. Bij het ontbreken van voldoende kwalitatief cultureel divers aanbod heeft Tweetakt zelf onderzoeksvoorstellingen
ge(co)produceerd die tot bijzondere resultaten hebben geleid. Desondanks is de commissie
in tegenstelling tot aanvrager van mening dat er voldoende bestaand kwalitatief cultureel divers aanbod bestaat, zodat zij onvoldoende noodzaak tot een zelfproducerende functie ziet, temeer er in Utrecht een productiehuis op het gebied van jeugdtheater bestaat.
De commissie heeft waardering voor de wijze waarop Tweetakt de context van publiek en productie weet te verbinden. De commissie heeft ook vertrouwen in de wijze waarop het festival
educatieve projecten ontwikkelt en in de toekomst in de voortgang en uitbreiding hiervan
wil investeren. Met nieuwe methodieken (educatie en participatie) weet Tweetakt een groot aantal leerlingen van het basisonderwijs en VMBO uit Utrecht te bereiken. De commissie
vindt de koppeling tussen educatie en participatie interessant, maar het plan ontbeert
een uitwerking ervan. Ook merkt de commissie op dat cultuureducatieve activiteiten zwaar ingebed zijn in de regio en dat daarom vooral een rol voor lokale en regionale overheden
is weggelegd in het ondersteunen van deze activiteiten. De commissie vindt het van belang dat Tweetakt zich (nog meer dan voorheen) richt tot CKV-inkopers.
De commissie mist in het plan een heldere en uitgewerkte visie op hoe het festival beoogt verschillende doelgroepen te bereiken en deze aan zich te binden. Vanuit dat oogpunt ziet de commissie ook weinig heil in het uitbreiden van de programmering naar jong volwassenen,
omdat dit niet bijdraagt aan een scherper profiel van het festival. De organisatie geeft in haar plan aan een landelijke publiciteitscampagne te willen organiseren, waarbij bijvoorbeeld
de stijging van distributiekosten voor drukwerk volgens de commissie weinig doelmatig
is gezien het voornamelijk regionale (jeugd)publieksbereik.
De commissie is positief over de stijging van de bezoekcijfers. Zij plaatst echter een kanttekening
bij de publieksinkomsten, die naar haar mening in relatie tot de bezoekcijfers laag zijn. Een terughoudender vrijkaartenbeleid voor het vakpubliek kan volgens de commissie een evenwichtiger beeld opleveren. Ook de eigen inkomsten zijn (zeer) laag en de commissie
is van mening dat Tweetakt door aansluiting te zoeken met strategische partners meer eigen inkomsten kan genereren.
De commissie is terughoudend wat betreft de stijging van lasten voor functies en taken, die zij niet tot de kerntaken van de organisatie rekent. Voor wat betreft de internationale ambities
is de commissie van mening dat deze in de voorliggende aanvraag onvoldoende zijn uitgewerkt;
deze kunnen beter in een separaat plan uitgewerkt worden.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Tweetakt is gezien de kwalitatief goede invulling van de functie als podiumkunstenbreed vakfestival voor de jeugd positief.
Overigens ziet de commissie onvoldoende noodzaak tot een zelfproducerende functie, acht zij de cultuureducatieve activiteiten vooral van regionaal en lokaal belang en verwacht zij meer uitwerking en onderbouwing van het internationale beleid en van de communicatiestrategie.
Gelet op belang en waarde van de kernfuncties adviseert de commissie Tweetakt met een lichte verhoging van het subsidiebedrag op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 286.279,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 286.279,- (per jaar)
Stichting Firma Rieks Swarte
Firma Rieks Swarte
Inleiding
Firma Rieks Swarte (De Firma) is een in Haarlem gevestigd theateratelier. Het team bestaat uit: Rieks Swarte (artistiek leider, vormgever, regisseur, speler), Ina Veen (dagelijkse leiding, artistieke organisatie), Karen Retera (zakelijke leiding en productie), Jacqueline van Eeden (decor en productie) en per 2009: Gienke Deuten (regisseur). Per project worden spelers, makers en andere medewerkers aangetrokken.
Rieks Swarte wordt gezien als de grondlegger en promotor van zogenoemde speelgoedvoorstellingen.
Deze familievoorstellingen voor een breed publiek zijn volgens eigen zeggen: “groot in het kleine en eenvoudig in de verbeelding.” Ze hebben de kinderfantasie als uitgangspunt
en streven ernaar toeschouwers weer te leren kijken als de kinderen die zij ooit waren. Verder zijn kunst, wetenschap en geschiedenis regelmatig terugkerende onderwerpen
in de ‘collegevoorstellingen’.
De Firma vindt het belangrijk dat voorstellingen op het repertoire blijven staan. De komende
periode wil de groep twee voorstellingen hernemen. In samenwerking met de theaters waar de voorstelling speelt, wordt het stuk ook als schoolvoorstelling aangeboden.
De groep geeft in het plan aan dat zij de lijn en het niveau van de afgelopen jaren zal voortzetten.
Het motto voor de komende jaren luidt: ‘Vooruitzien in verwondering’.
De Firma wil in de komende periode zes producties maken. Daarnaast werkt de groep ook voor derden. Dat varieert van het maken van een voorstelling, het ontwerpen van decors, het inrichten van tentoonstellingen en regies, tot het maken van filmpjes en dergelijke. Daarnaast
biedt De Firma stagiaires een plek om in de praktijk het vak te leren. De groep vindt ook het mentorschap belangrijk, omdat er in Nederland geen poppenopleiding is en er op de theaterscholen geen aandacht aan wordt besteed. Daarom zal Rieks Swarte de komende periode workshops en lessen geven, onder andere aan het Frank Mohr Instituut.
Met ingang van 2009 gaat De Firma zelfstandig opereren, maar de verbinding met de voormalige
producent, de Toneelschuur, zal blijven bestaan. De Firma blijft huisgezelschap van de Toneelschuur en het atelier blijft gehuisvest in de studio’s van het theater. De groep vraagt € 341.008 aan bij NFPK+.
De Firma ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie kent Rieks Swarte als een gedreven vakman en kunstenaar. De Firma heeft een herkenbare stijl en bezit al langere tijd een eigen plek binnen het theaterbestel. De medewerkers en/of coproducenten zijn doorgaans van een kwalitatief hoog niveau.
Met het credo ‘Vooruitzien in verwondering’ verwacht de commissie dat de groep doorgaat met het maken van bijzondere producties en het inspireren van andere theatermakers. De invloed van De Firma reikt immers ver. Via het werk voor derden is de handtekening van Rieks Swarte ook buiten het gezelschap zichtbaar.
Het beleidsplan lijkt qua activiteiten geen grote veranderingen of nieuwe ambities af te kondigen.
De commissie verwacht dan ook dat de groep de lijn en het niveau van de afgelopen jaren zal voortzetten. Veel van de in het plan geopperde ideeën bevinden zich nog in een pril stadium. Ook de komst van veel artistieke medewerkers is nog onzeker.
De commissie is positief over de toetreding van Gienke Deuten tot De Firma. Haar stijl van theatermaken, met gebruikmaking van poppen, is met name door de beeldtaal die zij hanteert
verwant aan die van De Firma.
De Firma biedt haar voorstellingen in eerste instantie zelf aan de theaters en festivals aan. Inmiddels is zij echter ook in gesprek met een aantal impresariaten om een deel van de acquisitie over te nemen. De commissie is van mening dat dat een goede ontwikkeling zou zijn. Het is nodig meer aandacht te besteden aan marketingstrategie ten behoeve van de verkoop van de voorstellingen en de publiekswerving, gezien de ambitie van de groep het publieksbereik en de publieksinkomsten te verdubbelen.
De bedrijfsvoering van De Firma maakt op de commissie een gedegen indruk. De groep krijgt een eigen stichting met een bestuur, een kantoor en productiekern. De commissie gaat ervan uit dat De Toneelschuur De Firma in praktische zin blijft bijstaan.
Conclusie en advies
De producties van De Firma, die voor een breed publiek toegankelijk zijn, hebben een herkenbare
stijl en nemen een unieke plek in binnen het theaterbestel. De commissie heeft vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. De commissie is wel van mening dat De Firma een gericht en intensief marketingbeleid moet voeren om de voorstellingen te verkopen
en het beoogde publieksbereik te bewerkstelligen.
Gezien het bovenstaande adviseert de commissie De Firma op te nemen in de Vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ter versterking van haar structurele activiteiten
het huidige subsidiebedrag te verhogen.
Firma Rieks Swarte (De Firma) is een in Haarlem gevestigd theateratelier. Het team bestaat uit: Rieks Swarte (artistiek leider, vormgever, regisseur, speler), Ina Veen (dagelijkse leiding, artistieke organisatie), Karen Retera (zakelijke leiding en productie), Jacqueline van Eeden (decor en productie) en per 2009: Gienke Deuten (regisseur). Per project worden spelers, makers en andere medewerkers aangetrokken.
Rieks Swarte wordt gezien als de grondlegger en promotor van zogenoemde speelgoedvoorstellingen.
Deze familievoorstellingen voor een breed publiek zijn volgens eigen zeggen: “groot in het kleine en eenvoudig in de verbeelding.” Ze hebben de kinderfantasie als uitgangspunt
en streven ernaar toeschouwers weer te leren kijken als de kinderen die zij ooit waren. Verder zijn kunst, wetenschap en geschiedenis regelmatig terugkerende onderwerpen
in de ‘collegevoorstellingen’.
De Firma vindt het belangrijk dat voorstellingen op het repertoire blijven staan. De komende
periode wil de groep twee voorstellingen hernemen. In samenwerking met de theaters waar de voorstelling speelt, wordt het stuk ook als schoolvoorstelling aangeboden.
De groep geeft in het plan aan dat zij de lijn en het niveau van de afgelopen jaren zal voortzetten.
Het motto voor de komende jaren luidt: ‘Vooruitzien in verwondering’.
De Firma wil in de komende periode zes producties maken. Daarnaast werkt de groep ook voor derden. Dat varieert van het maken van een voorstelling, het ontwerpen van decors, het inrichten van tentoonstellingen en regies, tot het maken van filmpjes en dergelijke. Daarnaast
biedt De Firma stagiaires een plek om in de praktijk het vak te leren. De groep vindt ook het mentorschap belangrijk, omdat er in Nederland geen poppenopleiding is en er op de theaterscholen geen aandacht aan wordt besteed. Daarom zal Rieks Swarte de komende periode workshops en lessen geven, onder andere aan het Frank Mohr Instituut.
Met ingang van 2009 gaat De Firma zelfstandig opereren, maar de verbinding met de voormalige
producent, de Toneelschuur, zal blijven bestaan. De Firma blijft huisgezelschap van de Toneelschuur en het atelier blijft gehuisvest in de studio’s van het theater. De groep vraagt € 341.008 aan bij NFPK+.
De Firma ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie kent Rieks Swarte als een gedreven vakman en kunstenaar. De Firma heeft een herkenbare stijl en bezit al langere tijd een eigen plek binnen het theaterbestel. De medewerkers en/of coproducenten zijn doorgaans van een kwalitatief hoog niveau.
Met het credo ‘Vooruitzien in verwondering’ verwacht de commissie dat de groep doorgaat met het maken van bijzondere producties en het inspireren van andere theatermakers. De invloed van De Firma reikt immers ver. Via het werk voor derden is de handtekening van Rieks Swarte ook buiten het gezelschap zichtbaar.
Het beleidsplan lijkt qua activiteiten geen grote veranderingen of nieuwe ambities af te kondigen.
De commissie verwacht dan ook dat de groep de lijn en het niveau van de afgelopen jaren zal voortzetten. Veel van de in het plan geopperde ideeën bevinden zich nog in een pril stadium. Ook de komst van veel artistieke medewerkers is nog onzeker.
De commissie is positief over de toetreding van Gienke Deuten tot De Firma. Haar stijl van theatermaken, met gebruikmaking van poppen, is met name door de beeldtaal die zij hanteert
verwant aan die van De Firma.
De Firma biedt haar voorstellingen in eerste instantie zelf aan de theaters en festivals aan. Inmiddels is zij echter ook in gesprek met een aantal impresariaten om een deel van de acquisitie over te nemen. De commissie is van mening dat dat een goede ontwikkeling zou zijn. Het is nodig meer aandacht te besteden aan marketingstrategie ten behoeve van de verkoop van de voorstellingen en de publiekswerving, gezien de ambitie van de groep het publieksbereik en de publieksinkomsten te verdubbelen.
De bedrijfsvoering van De Firma maakt op de commissie een gedegen indruk. De groep krijgt een eigen stichting met een bestuur, een kantoor en productiekern. De commissie gaat ervan uit dat De Toneelschuur De Firma in praktische zin blijft bijstaan.
Conclusie en advies
De producties van De Firma, die voor een breed publiek toegankelijk zijn, hebben een herkenbare
stijl en nemen een unieke plek in binnen het theaterbestel. De commissie heeft vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. De commissie is wel van mening dat De Firma een gericht en intensief marketingbeleid moet voeren om de voorstellingen te verkopen
en het beoogde publieksbereik te bewerkstelligen.
Gezien het bovenstaande adviseert de commissie De Firma op te nemen in de Vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ter versterking van haar structurele activiteiten
het huidige subsidiebedrag te verhogen.
theater
Toegekend bedrag:
€ 315.506,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 315.506,- (per jaar)
Stichting Golden Palace
Golden Palace
Inleiding
Golden Palace is een Amsterdams mimegezelschap dat in 1997 is opgericht. De groep wordt artistiek geleid door Ingrid Kuijpers en zakelijk door Margreet Huizing. Verder werkt zij met verschillende acteurs op freelancebasis. Het gezelschap maakt naar eigen zeggen tragikomische
voorstellingen in een herkenbare speelstijl. Een terugkerend thema bij Golden Palace is de mens als groepsdier. Binnen een groep soortgenoten vinden mensen elkaar in een gemeenschappelijke lotsbestemming, maar worden ook tegenstellingen zichtbaar. Het is een tijdloos onderwerp dat zich goed leent voor de fysieke verbeelding. Voor de komende periode heeft Golden Palace het voornemen geregeld grootschalige producties te maken. Daarmee continueert zij het beleid dat zij heeft ingezet met de productie ‘Alleen voor Grote mensen’.
In het beleidsplan voor 2009-2012 heeft de groep de uitgangspunten voor zes geplande voorstellingen beschreven, waarvan één voor de grote zaal en één op locatie.
In 2009 gaat Golden Palace, in samenwerking met het Rozentheater, een speciaal programma
voor jongeren uitbrengen, bestaande uit workshops voor scholieren, presentaties van verwante makers en een voorstelling. Golden Palace is samen met een aantal andere mimegroepen,
Het Veem Theater en Theaterzaken Via Rudolphi, betrokken bij de oprichting van het Werkhuis voor de Mime; een plek van waaruit de zichtbaarheid van het fysieke theater, landelijk en internationaal een stevige impuls krijgt, aldus Golden Palace.
Golden Palace wil in 2009-2012 in totaal 6 producties maken en 55 voorstellingen per jaar spelen. Ze vraagt daarvoor € 470.000 subsidie bij het Fonds aan.
Golden Palace ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie stelt vast dat Golden Palace de plek die zij in het landelijke aanbod inneemt, in de afgelopen jaren heeft bestendigd. Zij heeft vertrouwen in de ontwikkelpotentie van het gezelschap. Golden Palace heeft een herkenbare signatuur waarin zang en muziek met sterk fysiek spel samenvallen. Zowel in de voorstellingen als in het voorliggende plan, toont de groep zich in te willen zetten om zich artistiek verder te ontwikkelen. In het plan geeft Golden
Palace echter vooral inzicht in wát zij gaat maken, maar articuleert zij niet scherp waaróm, waardoor thematische verstarring op de loer ligt.
De activiteiten voor 2009-2012 hebben een coherent karakter. Het plan om voorstellingen in de grote zaal te spelen en dus groter gemonteerd te willen werken, is helder gemotiveerd. Over de eerste grote stap hiertoe, die Golden Palace in 2006 zette met ‘Alleen voor Grote mensen’, is de commissie positief.
De voorstellingen van Golden Palace zijn door hun vorm en inhoud toegankelijk voor een breed publiek. De groep heeft in de loop van haar bestaan een solide afnamerelatie ontwikkeld
met een groot aantal theaters. Het regelmatig(er) spelen in circuits van de grote zaal en op locatie biedt mogelijkheden om het netwerk verder uit te breiden, alsmede andere publieksgroepen te vinden. Tegelijk stelt de commissie vast dat de groep er in de afgelopen jaren niet in is geslaagd het aantal speelplekken en de omvang van het publiek substantieel uit te breiden. Dit is een aandachtspunt voor de komende periode.
In aansluiting op het advies van de Raad voor Cultuur over het plan voor 2005-2008, stelt de commissie vast dat er nauwelijks sprake is van andere financieringsbronnen dan de structurele
subsidie. Dit acht de commissie een onwenselijke situatie. Zij vindt dat de groep op dit punt in de komende jaren meer ambitie en ondernemerschap moet ontplooien. De commissie
ziet hiertoe onder meer mogelijkheden in het vergroten van het publieksbereik, coproduceren
en financiële bijdragen door private instellingen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Golden Palace een authentieke plaats inneemt in het Nederlands podiumkunstenlandschap en ziet voldoende toekomstperspectief; zowel artistiek
inhoudelijk als in de groei van het aantal voorstellingen en publiek. De commissie is positief over het voornemen om in de komende jaren ook groot gemonteerde voorstellingen te maken. Zij is echter van mening dat het gezelschap te zeer afhankelijk is van de structurele
subsidie en vindt dat Golden Palace een deel van de financiering via andere bronnen moet kunnen realiseren. De commissie adviseert Golden Palace op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Golden Palace is een Amsterdams mimegezelschap dat in 1997 is opgericht. De groep wordt artistiek geleid door Ingrid Kuijpers en zakelijk door Margreet Huizing. Verder werkt zij met verschillende acteurs op freelancebasis. Het gezelschap maakt naar eigen zeggen tragikomische
voorstellingen in een herkenbare speelstijl. Een terugkerend thema bij Golden Palace is de mens als groepsdier. Binnen een groep soortgenoten vinden mensen elkaar in een gemeenschappelijke lotsbestemming, maar worden ook tegenstellingen zichtbaar. Het is een tijdloos onderwerp dat zich goed leent voor de fysieke verbeelding. Voor de komende periode heeft Golden Palace het voornemen geregeld grootschalige producties te maken. Daarmee continueert zij het beleid dat zij heeft ingezet met de productie ‘Alleen voor Grote mensen’.
In het beleidsplan voor 2009-2012 heeft de groep de uitgangspunten voor zes geplande voorstellingen beschreven, waarvan één voor de grote zaal en één op locatie.
In 2009 gaat Golden Palace, in samenwerking met het Rozentheater, een speciaal programma
voor jongeren uitbrengen, bestaande uit workshops voor scholieren, presentaties van verwante makers en een voorstelling. Golden Palace is samen met een aantal andere mimegroepen,
Het Veem Theater en Theaterzaken Via Rudolphi, betrokken bij de oprichting van het Werkhuis voor de Mime; een plek van waaruit de zichtbaarheid van het fysieke theater, landelijk en internationaal een stevige impuls krijgt, aldus Golden Palace.
Golden Palace wil in 2009-2012 in totaal 6 producties maken en 55 voorstellingen per jaar spelen. Ze vraagt daarvoor € 470.000 subsidie bij het Fonds aan.
Golden Palace ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie stelt vast dat Golden Palace de plek die zij in het landelijke aanbod inneemt, in de afgelopen jaren heeft bestendigd. Zij heeft vertrouwen in de ontwikkelpotentie van het gezelschap. Golden Palace heeft een herkenbare signatuur waarin zang en muziek met sterk fysiek spel samenvallen. Zowel in de voorstellingen als in het voorliggende plan, toont de groep zich in te willen zetten om zich artistiek verder te ontwikkelen. In het plan geeft Golden
Palace echter vooral inzicht in wát zij gaat maken, maar articuleert zij niet scherp waaróm, waardoor thematische verstarring op de loer ligt.
De activiteiten voor 2009-2012 hebben een coherent karakter. Het plan om voorstellingen in de grote zaal te spelen en dus groter gemonteerd te willen werken, is helder gemotiveerd. Over de eerste grote stap hiertoe, die Golden Palace in 2006 zette met ‘Alleen voor Grote mensen’, is de commissie positief.
De voorstellingen van Golden Palace zijn door hun vorm en inhoud toegankelijk voor een breed publiek. De groep heeft in de loop van haar bestaan een solide afnamerelatie ontwikkeld
met een groot aantal theaters. Het regelmatig(er) spelen in circuits van de grote zaal en op locatie biedt mogelijkheden om het netwerk verder uit te breiden, alsmede andere publieksgroepen te vinden. Tegelijk stelt de commissie vast dat de groep er in de afgelopen jaren niet in is geslaagd het aantal speelplekken en de omvang van het publiek substantieel uit te breiden. Dit is een aandachtspunt voor de komende periode.
In aansluiting op het advies van de Raad voor Cultuur over het plan voor 2005-2008, stelt de commissie vast dat er nauwelijks sprake is van andere financieringsbronnen dan de structurele
subsidie. Dit acht de commissie een onwenselijke situatie. Zij vindt dat de groep op dit punt in de komende jaren meer ambitie en ondernemerschap moet ontplooien. De commissie
ziet hiertoe onder meer mogelijkheden in het vergroten van het publieksbereik, coproduceren
en financiële bijdragen door private instellingen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Golden Palace een authentieke plaats inneemt in het Nederlands podiumkunstenlandschap en ziet voldoende toekomstperspectief; zowel artistiek
inhoudelijk als in de groei van het aantal voorstellingen en publiek. De commissie is positief over het voornemen om in de komende jaren ook groot gemonteerde voorstellingen te maken. Zij is echter van mening dat het gezelschap te zeer afhankelijk is van de structurele
subsidie en vindt dat Golden Palace een deel van de financiering via andere bronnen moet kunnen realiseren. De commissie adviseert Golden Palace op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 388.912,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 388.912,- (per jaar)
Stichting het Nederlands Blazers Ensemble
Nederlands Blazers Ensemble (NBE)
Inleiding
Het Nederlands Blazers Ensemble (NBE) omschrijft zichzelf als een ensemble gevormd door 25 musici uit de belangrijkste Nederlandse symfonieorkesten, dat in binnen- en buitenland
bekendstaat als ‘vernieuwers van de klassieke muziekprogrammering’. Het ensemble
zegt de westerse klassieke muziektraditie steeds in een nieuw licht te zetten door vermenging met allerlei muziekdisciplines, het verleggen van grenzen en het samenwerken met musici uit andere culturen. Het NBE vervult een educatieve taak door bij veel programma’s
scholieren te betrekken en in samenwerking met conservatoria bij te dragen aan
talentontwikkeling. In de standplaats Amsterdam heeft het NBE eigen concertseries in het Concertgebouw, Muziekgebouw aan ‘t IJ en Paradiso. Door middel van een meerjarig ‘NBE in Residence’ programma heeft het ensemble een eigen publiek opgebouwd in een aantal Nederlandse steden.
Voor de periode 2009-2012 heeft het NBE plannen voor nieuwe programma’s, waaronder een serie componistenportretten, nieuwe thematische programma’s met verhalen over eilanden, en een divers aanbod van nieuwe muziektheaterproducties. In 2009 hoopt het NBE een eigen huis in gebruik te kunnen nemen in een voormalige bioscoop in de Amsterdamse wijk De Pijp. Op internationaal gebied zijn er uitnodigingen uit verschillende landen voor zowel incidentele als structurele samenwerkingen. Daarnaast heeft het NBE de ambitie een eigen publiek op te bouwen in Londen en Berlijn door de productie van eigen series in beide steden.
Voor de uitvoering van het activiteitenplan vraagt het NBE een verhoging aan van de subsidie
ten opzichte van het huidige cultuurnotabedrag.
Het NBE ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het NBE is de
afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK en door het voormalige FPPM.
Beoordeling
Het NBE neemt een bijzondere plaats in binnen het Nederlandse muziekbestel. De commissie
is overtuigd van de hoge uitvoeringskwaliteit en de kracht van het ensemble om een groot en divers publiek aan te spreken. De musici lijken het in hun vezels te hebben om publiek tot actieve luisteraars te maken. Volgens de commissie zijn de muziektheatrale programma’s
van het NBE vooral in muzikaal opzicht een waardevolle aanvulling op het muziekaanbod en wordt hiermee de diversiteit vergroot. Wat betreft regie laat het NBE in de ogen van de commissie hier vaak een kans liggen om de kwaliteit van de voorstelling naar een hoger plan te tillen.
Het NBE toont volgens de commissie in het beleidsplan ook een oorspronkelijke artistieke visie. Het ensemble weet nieuwe invalshoeken te formuleren en lijkt daarmee onverminderd
bruisend. Dat het NBE op geheel eigen wijze bruggen weet te slaan tussen genres en publieksgroepen, wordt door de aanvraag geheel bevestigd. De commissie tekent hierbij aan dat zij soms de indruk heeft dat de wervelende presentatie van de concerten ten koste gaat van de uitvoeringskwaliteit. De wens om de ‘klant als koning’ te beschouwen is prijzenswaardig
maar de artistieke kwaliteit dient volgens de commissie het vertrekpunt te blijven.
De commissie heeft veel waardering voor de manier waarop het Blazers Ensemble zich, onder andere met zijn educatieve activiteiten, heeft weten te wortelen in diverse Nederlandse
steden. Het ensemble heeft zich daardoor vergewist van samenwerkingsverbanden met belangrijke partners in de keten. Het is de commissie daarom niet duidelijk welke reden ten grondslag ligt aan de voorziene daling van het aantal concerten in Nederland buiten de standplaats. Zij verwacht van het ensemble dat het zich blijft inspannen voor een goede spreiding.
Het NBE denkt actief na over zijn internationale positie en is voornemens in Londen en Berlijn zijn ankers uit te gooien zoals het dat eerder deed in verschillende Nederlandse steden.
Dat is, zo onderstreept de begroting, een dure aangelegenheid. En hoewel de commissie de werkwijze zinnig vindt, ook voor concerten buiten Nederland, is zij van mening dat strategische
partners binnen de lokale infrastructuur hier onontbeerlijk zijn. De begroting laat vooralsnog zien dat de kosten voor deze concerten hoog zijn, maar volgens de commissie desondanks te laag zijn ingeschat. De inkomsten daarentegen zijn weinig realistisch; er is vanaf het begin een groot aantal bezoekers noodzakelijk dat een relatief hoge toegangsprijsprijs
betaalt om de gewenste inkomsten uit de recette te kunnen realiseren en daarnaast rekent het ensemble op forse projectsubsidies.
Over de plannen voor een eigen huis, van waaruit het NBE ook de directe omgeving nog meer wenst te betrekken bij zijn muziek, is de commissie minder enthousiast. De plannen hiervoor zijn mager uitgewerkt en in de ogen van de commissie werkt het NBE daardoor te veel versnippering van zijn eigen activiteiten in de hand. Bovendien ziet de commissie geen enkele noodzaak voor een nieuw podium in Amsterdam.
De commissie is verheugd over de inspanningen die resulteren in een relatief hoog bedrag aan eigen inkomsten naast de publieksinkomsten. De manier waarop het NBE er de afgelopen
jaren voor heeft gezorgd dat deze inkomsten geleidelijk stijgen biedt de commissie vertrouwen.
Conclusie en advies
164 nfpk + | Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009 – 2012 165 nfpk + | Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009 – 2012
Nederlands Blazers Ensemble (NBE)
Stichting Het Nederlands Blazers Ensemble
Inleiding
Het Nederlands Blazers Ensemble (NBE) omschrijft zichzelf als een ensemble gevormd door 25 musici uit de belangrijkste Nederlandse symfonieorkesten, dat in binnen- en buitenland
bekendstaat als ‘vernieuwers van de klassieke muziekprogrammering’. Het ensemble
zegt de westerse klassieke muziektraditie steeds in een nieuw licht te zetten door vermenging met allerlei muziekdisciplines, het verleggen van grenzen en het samenwerken met musici uit andere culturen. Het NBE vervult een educatieve taak door bij veel programma’s
scholieren te betrekken en in samenwerking met conservatoria bij te dragen aan
talentontwikkeling. In de standplaats Amsterdam heeft het NBE eigen concertseries in het Concertgebouw, Muziekgebouw aan ‘t IJ en Paradiso. Door middel van een meerjarig ‘NBE in Residence’ programma heeft het ensemble een eigen publiek opgebouwd in een aantal Nederlandse steden.
Voor de periode 2009-2012 heeft het NBE plannen voor nieuwe programma’s, waaronder een serie componistenportretten, nieuwe thematische programma’s met verhalen over eilanden, en een divers aanbod van nieuwe muziektheaterproducties. In 2009 hoopt het NBE een eigen huis in gebruik te kunnen nemen in een voormalige bioscoop in de Amsterdamse wijk De Pijp. Op internationaal gebied zijn er uitnodigingen uit verschillende landen voor zowel incidentele als structurele samenwerkingen. Daarnaast heeft het NBE de ambitie een eigen publiek op te bouwen in Londen en Berlijn door de productie van eigen series in beide steden.
Voor de uitvoering van het activiteitenplan vraagt het NBE een verhoging aan van de subsidie
ten opzichte van het huidige cultuurnotabedrag.
Het NBE ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het NBE is de
afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK en door het voormalige FPPM.
Beoordeling
Het NBE neemt een bijzondere plaats in binnen het Nederlandse muziekbestel. De commissie
is overtuigd van de hoge uitvoeringskwaliteit en de kracht van het ensemble om een groot en divers publiek aan te spreken. De musici lijken het in hun vezels te hebben om publiek tot actieve luisteraars te maken. Volgens de commissie zijn de muziektheatrale programma’s
van het NBE vooral in muzikaal opzicht een waardevolle aanvulling op het muziekaanbod en wordt hiermee de diversiteit vergroot. Wat betreft regie laat het NBE in de ogen van de commissie hier vaak een kans liggen om de kwaliteit van de voorstelling naar een hoger plan te tillen.
Het NBE toont volgens de commissie in het beleidsplan ook een oorspronkelijke artistieke visie. Het ensemble weet nieuwe invalshoeken te formuleren en lijkt daarmee onverminderd
bruisend. Dat het NBE op geheel eigen wijze bruggen weet te slaan tussen genres en publieksgroepen, wordt door de aanvraag geheel bevestigd. De commissie tekent hierbij aan dat zij soms de indruk heeft dat de wervelende presentatie van de concerten ten koste gaat van de uitvoeringskwaliteit. De wens om de ‘klant als koning’ te beschouwen is prijzenswaardig
maar de artistieke kwaliteit dient volgens de commissie het vertrekpunt te blijven.
De commissie heeft veel waardering voor de manier waarop het Blazers Ensemble zich, onder andere met zijn educatieve activiteiten, heeft weten te wortelen in diverse Nederlandse
steden. Het ensemble heeft zich daardoor vergewist van samenwerkingsverbanden met belangrijke partners in de keten. Het is de commissie daarom niet duidelijk welke reden ten grondslag ligt aan de voorziene daling van het aantal concerten in Nederland buiten de standplaats. Zij verwacht van het ensemble dat het zich blijft inspannen voor een goede spreiding.
Het NBE denkt actief na over zijn internationale positie en is voornemens in Londen en Berlijn zijn ankers uit te gooien zoals het dat eerder deed in verschillende Nederlandse steden.
Dat is, zo onderstreept de begroting, een dure aangelegenheid. En hoewel de commissie de werkwijze zinnig vindt, ook voor concerten buiten Nederland, is zij van mening dat strategische
partners binnen de lokale infrastructuur hier onontbeerlijk zijn. De begroting laat vooralsnog zien dat de kosten voor deze concerten hoog zijn, maar volgens de commissie desondanks te laag zijn ingeschat. De inkomsten daarentegen zijn weinig realistisch; er is vanaf het begin een groot aantal bezoekers noodzakelijk dat een relatief hoge toegangsprijsprijs
betaalt om de gewenste inkomsten uit de recette te kunnen realiseren en daarnaast rekent het ensemble op forse projectsubsidies.
Over de plannen voor een eigen huis, van waaruit het NBE ook de directe omgeving nog meer wenst te betrekken bij zijn muziek, is de commissie minder enthousiast. De plannen hiervoor zijn mager uitgewerkt en in de ogen van de commissie werkt het NBE daardoor te veel versnippering van zijn eigen activiteiten in de hand. Bovendien ziet de commissie geen enkele noodzaak voor een nieuw podium in Amsterdam.
De commissie is verheugd over de inspanningen die resulteren in een relatief hoog bedrag aan eigen inkomsten naast de publieksinkomsten. De manier waarop het NBE er de afgelopen
jaren voor heeft gezorgd dat deze inkomsten geleidelijk stijgen biedt de commissie vertrouwen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat de hoge uitvoeringskwaliteit en de artistiek-inhoudelijke ontwikkeling van het NBE een bijzondere bijdrage betekenen voor het Nederlandse muziekaanbod. Zij oordeelt daarom positief over de aanvraag van de instelling. De commissie
voegt hieraan toe dat zij van het NBE verwacht dat het zorg blijft dragen voor een goede spreiding van zijn concerten in de rest van Nederland. Daarnaast geeft de commissie geen prioriteit aan concertactiviteiten in een eigen huis. Op grond hiervan adviseert de commissie het NBE op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Nederlands Blazers Ensemble (NBE) omschrijft zichzelf als een ensemble gevormd door 25 musici uit de belangrijkste Nederlandse symfonieorkesten, dat in binnen- en buitenland
bekendstaat als ‘vernieuwers van de klassieke muziekprogrammering’. Het ensemble
zegt de westerse klassieke muziektraditie steeds in een nieuw licht te zetten door vermenging met allerlei muziekdisciplines, het verleggen van grenzen en het samenwerken met musici uit andere culturen. Het NBE vervult een educatieve taak door bij veel programma’s
scholieren te betrekken en in samenwerking met conservatoria bij te dragen aan
talentontwikkeling. In de standplaats Amsterdam heeft het NBE eigen concertseries in het Concertgebouw, Muziekgebouw aan ‘t IJ en Paradiso. Door middel van een meerjarig ‘NBE in Residence’ programma heeft het ensemble een eigen publiek opgebouwd in een aantal Nederlandse steden.
Voor de periode 2009-2012 heeft het NBE plannen voor nieuwe programma’s, waaronder een serie componistenportretten, nieuwe thematische programma’s met verhalen over eilanden, en een divers aanbod van nieuwe muziektheaterproducties. In 2009 hoopt het NBE een eigen huis in gebruik te kunnen nemen in een voormalige bioscoop in de Amsterdamse wijk De Pijp. Op internationaal gebied zijn er uitnodigingen uit verschillende landen voor zowel incidentele als structurele samenwerkingen. Daarnaast heeft het NBE de ambitie een eigen publiek op te bouwen in Londen en Berlijn door de productie van eigen series in beide steden.
Voor de uitvoering van het activiteitenplan vraagt het NBE een verhoging aan van de subsidie
ten opzichte van het huidige cultuurnotabedrag.
Het NBE ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het NBE is de
afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK en door het voormalige FPPM.
Beoordeling
Het NBE neemt een bijzondere plaats in binnen het Nederlandse muziekbestel. De commissie
is overtuigd van de hoge uitvoeringskwaliteit en de kracht van het ensemble om een groot en divers publiek aan te spreken. De musici lijken het in hun vezels te hebben om publiek tot actieve luisteraars te maken. Volgens de commissie zijn de muziektheatrale programma’s
van het NBE vooral in muzikaal opzicht een waardevolle aanvulling op het muziekaanbod en wordt hiermee de diversiteit vergroot. Wat betreft regie laat het NBE in de ogen van de commissie hier vaak een kans liggen om de kwaliteit van de voorstelling naar een hoger plan te tillen.
Het NBE toont volgens de commissie in het beleidsplan ook een oorspronkelijke artistieke visie. Het ensemble weet nieuwe invalshoeken te formuleren en lijkt daarmee onverminderd
bruisend. Dat het NBE op geheel eigen wijze bruggen weet te slaan tussen genres en publieksgroepen, wordt door de aanvraag geheel bevestigd. De commissie tekent hierbij aan dat zij soms de indruk heeft dat de wervelende presentatie van de concerten ten koste gaat van de uitvoeringskwaliteit. De wens om de ‘klant als koning’ te beschouwen is prijzenswaardig
maar de artistieke kwaliteit dient volgens de commissie het vertrekpunt te blijven.
De commissie heeft veel waardering voor de manier waarop het Blazers Ensemble zich, onder andere met zijn educatieve activiteiten, heeft weten te wortelen in diverse Nederlandse
steden. Het ensemble heeft zich daardoor vergewist van samenwerkingsverbanden met belangrijke partners in de keten. Het is de commissie daarom niet duidelijk welke reden ten grondslag ligt aan de voorziene daling van het aantal concerten in Nederland buiten de standplaats. Zij verwacht van het ensemble dat het zich blijft inspannen voor een goede spreiding.
Het NBE denkt actief na over zijn internationale positie en is voornemens in Londen en Berlijn zijn ankers uit te gooien zoals het dat eerder deed in verschillende Nederlandse steden.
Dat is, zo onderstreept de begroting, een dure aangelegenheid. En hoewel de commissie de werkwijze zinnig vindt, ook voor concerten buiten Nederland, is zij van mening dat strategische
partners binnen de lokale infrastructuur hier onontbeerlijk zijn. De begroting laat vooralsnog zien dat de kosten voor deze concerten hoog zijn, maar volgens de commissie desondanks te laag zijn ingeschat. De inkomsten daarentegen zijn weinig realistisch; er is vanaf het begin een groot aantal bezoekers noodzakelijk dat een relatief hoge toegangsprijsprijs
betaalt om de gewenste inkomsten uit de recette te kunnen realiseren en daarnaast rekent het ensemble op forse projectsubsidies.
Over de plannen voor een eigen huis, van waaruit het NBE ook de directe omgeving nog meer wenst te betrekken bij zijn muziek, is de commissie minder enthousiast. De plannen hiervoor zijn mager uitgewerkt en in de ogen van de commissie werkt het NBE daardoor te veel versnippering van zijn eigen activiteiten in de hand. Bovendien ziet de commissie geen enkele noodzaak voor een nieuw podium in Amsterdam.
De commissie is verheugd over de inspanningen die resulteren in een relatief hoog bedrag aan eigen inkomsten naast de publieksinkomsten. De manier waarop het NBE er de afgelopen
jaren voor heeft gezorgd dat deze inkomsten geleidelijk stijgen biedt de commissie vertrouwen.
Conclusie en advies
164 nfpk + | Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009 – 2012 165 nfpk + | Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009 – 2012
Nederlands Blazers Ensemble (NBE)
Stichting Het Nederlands Blazers Ensemble
Inleiding
Het Nederlands Blazers Ensemble (NBE) omschrijft zichzelf als een ensemble gevormd door 25 musici uit de belangrijkste Nederlandse symfonieorkesten, dat in binnen- en buitenland
bekendstaat als ‘vernieuwers van de klassieke muziekprogrammering’. Het ensemble
zegt de westerse klassieke muziektraditie steeds in een nieuw licht te zetten door vermenging met allerlei muziekdisciplines, het verleggen van grenzen en het samenwerken met musici uit andere culturen. Het NBE vervult een educatieve taak door bij veel programma’s
scholieren te betrekken en in samenwerking met conservatoria bij te dragen aan
talentontwikkeling. In de standplaats Amsterdam heeft het NBE eigen concertseries in het Concertgebouw, Muziekgebouw aan ‘t IJ en Paradiso. Door middel van een meerjarig ‘NBE in Residence’ programma heeft het ensemble een eigen publiek opgebouwd in een aantal Nederlandse steden.
Voor de periode 2009-2012 heeft het NBE plannen voor nieuwe programma’s, waaronder een serie componistenportretten, nieuwe thematische programma’s met verhalen over eilanden, en een divers aanbod van nieuwe muziektheaterproducties. In 2009 hoopt het NBE een eigen huis in gebruik te kunnen nemen in een voormalige bioscoop in de Amsterdamse wijk De Pijp. Op internationaal gebied zijn er uitnodigingen uit verschillende landen voor zowel incidentele als structurele samenwerkingen. Daarnaast heeft het NBE de ambitie een eigen publiek op te bouwen in Londen en Berlijn door de productie van eigen series in beide steden.
Voor de uitvoering van het activiteitenplan vraagt het NBE een verhoging aan van de subsidie
ten opzichte van het huidige cultuurnotabedrag.
Het NBE ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het NBE is de
afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK en door het voormalige FPPM.
Beoordeling
Het NBE neemt een bijzondere plaats in binnen het Nederlandse muziekbestel. De commissie
is overtuigd van de hoge uitvoeringskwaliteit en de kracht van het ensemble om een groot en divers publiek aan te spreken. De musici lijken het in hun vezels te hebben om publiek tot actieve luisteraars te maken. Volgens de commissie zijn de muziektheatrale programma’s
van het NBE vooral in muzikaal opzicht een waardevolle aanvulling op het muziekaanbod en wordt hiermee de diversiteit vergroot. Wat betreft regie laat het NBE in de ogen van de commissie hier vaak een kans liggen om de kwaliteit van de voorstelling naar een hoger plan te tillen.
Het NBE toont volgens de commissie in het beleidsplan ook een oorspronkelijke artistieke visie. Het ensemble weet nieuwe invalshoeken te formuleren en lijkt daarmee onverminderd
bruisend. Dat het NBE op geheel eigen wijze bruggen weet te slaan tussen genres en publieksgroepen, wordt door de aanvraag geheel bevestigd. De commissie tekent hierbij aan dat zij soms de indruk heeft dat de wervelende presentatie van de concerten ten koste gaat van de uitvoeringskwaliteit. De wens om de ‘klant als koning’ te beschouwen is prijzenswaardig
maar de artistieke kwaliteit dient volgens de commissie het vertrekpunt te blijven.
De commissie heeft veel waardering voor de manier waarop het Blazers Ensemble zich, onder andere met zijn educatieve activiteiten, heeft weten te wortelen in diverse Nederlandse
steden. Het ensemble heeft zich daardoor vergewist van samenwerkingsverbanden met belangrijke partners in de keten. Het is de commissie daarom niet duidelijk welke reden ten grondslag ligt aan de voorziene daling van het aantal concerten in Nederland buiten de standplaats. Zij verwacht van het ensemble dat het zich blijft inspannen voor een goede spreiding.
Het NBE denkt actief na over zijn internationale positie en is voornemens in Londen en Berlijn zijn ankers uit te gooien zoals het dat eerder deed in verschillende Nederlandse steden.
Dat is, zo onderstreept de begroting, een dure aangelegenheid. En hoewel de commissie de werkwijze zinnig vindt, ook voor concerten buiten Nederland, is zij van mening dat strategische
partners binnen de lokale infrastructuur hier onontbeerlijk zijn. De begroting laat vooralsnog zien dat de kosten voor deze concerten hoog zijn, maar volgens de commissie desondanks te laag zijn ingeschat. De inkomsten daarentegen zijn weinig realistisch; er is vanaf het begin een groot aantal bezoekers noodzakelijk dat een relatief hoge toegangsprijsprijs
betaalt om de gewenste inkomsten uit de recette te kunnen realiseren en daarnaast rekent het ensemble op forse projectsubsidies.
Over de plannen voor een eigen huis, van waaruit het NBE ook de directe omgeving nog meer wenst te betrekken bij zijn muziek, is de commissie minder enthousiast. De plannen hiervoor zijn mager uitgewerkt en in de ogen van de commissie werkt het NBE daardoor te veel versnippering van zijn eigen activiteiten in de hand. Bovendien ziet de commissie geen enkele noodzaak voor een nieuw podium in Amsterdam.
De commissie is verheugd over de inspanningen die resulteren in een relatief hoog bedrag aan eigen inkomsten naast de publieksinkomsten. De manier waarop het NBE er de afgelopen
jaren voor heeft gezorgd dat deze inkomsten geleidelijk stijgen biedt de commissie vertrouwen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat de hoge uitvoeringskwaliteit en de artistiek-inhoudelijke ontwikkeling van het NBE een bijzondere bijdrage betekenen voor het Nederlandse muziekaanbod. Zij oordeelt daarom positief over de aanvraag van de instelling. De commissie
voegt hieraan toe dat zij van het NBE verwacht dat het zorg blijft dragen voor een goede spreiding van zijn concerten in de rest van Nederland. Daarnaast geeft de commissie geen prioriteit aan concertactiviteiten in een eigen huis. Op grond hiervan adviseert de commissie het NBE op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 817.547,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 817.547,- (per jaar)
Stichting Het Toneel Speelt
Het Toneel Speelt
Inleiding
Het Toneel Speelt (HTS) brengt sinds de oprichting in 1996 uitsluitend nieuw en klassiek Nederlands repertoire in de grote zaal. Het heeft zijn reputatie aanvankelijk zonder overheidssubsidie
opgebouwd. HTS werd opgestart onder leiding van Hans Croiset en Ronald Klamer en valt inmiddels onder directievoering van de laatste. Ronald Klamer is van huis uit dramaturg en regisseur en fungeert als intendant van Het Toneel Speelt. Onder zijn leiding heeft er een accentverschuiving plaatsgevonden richting het modernere nieuwe Nederlandse
repertoire. HTS werkt vanuit een compacte productiekern en werft per project extra medewerkers. Vanaf de oprichting is de Stadsschouwburg Amsterdam het premièretheater. Ook is het gezelschap gewoon met de voorstellingen door het hele land te reizen, bijna zonder
uitzondering met groot publiekssucces. Haar missie beschrijft HTS als volgt: “Deze tijd heeft behoefte aan kwaliteitstoneel en dan heeft oorspronkelijk Nederlands toneel een streepje voor bij het publiek. Wij willen ervoor zorgen dat nieuwe stukken geschreven en uitgebracht worden, stukken van nu, gespeeld door mensen van nu en bekeken door mensen
van nu”.
De ontwikkeling van nieuw en jeugdig schrijf- en regietalent voor de grote zaal is een speerpunt
in het beleid. Het Toneel Speelt wil de komende vier jaar energie steken in onderzoek en ontwikkeling van minder bekend toneelschrijftalent voor de grote zaal.
HTS gaat jaarlijks een Heijermans spelen, zoals men dat in het verleden met Vondel heeft gedaan. Verder hecht zij grote waarde aan onderzoek naar de houdbaarheid van stukken die de laatste 50 jaar zijn geschreven. Met heropvoeringen van dat repertoire bouwt HTS aan een potentiële canon van de moderne toneelliteratuur.
HTS continueert het tot nog toe gevoerde beleid met tenminste 2 grotezaalproducties per jaar, die samen, afhankelijk van de afname van de schouwburgen, gemiddeld 100 tot 120 voorstellingen in het land spelen en die samen gemiddeld 16 keer in de Stadsschouwburg Amsterdam staan. Daarnaast wil HTS haar activiteiten uitbreiden richting de middenzaal.
HTS vraagt het Fonds € 1.000.000 subsidie.
HTS ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Door consequent vast te houden aan het spelen van Nederlands repertoire van niveau, gespeeld door acteurs van naam en faam, heeft HTS een groot en breed publiek opgebouwd. Naar het oordeel van de commissie is zij daardoor een goed promotor van de Nederlandse toneelschrijftraditie. Artistiek gezien zijn de voorstellingen onderling weinig coherent of opzienbarend. De spelkwaliteit is doorgaans zeer goed. HTS maakt conventioneel kwaliteitstoneel
en heeft daarmee een overtuigende plaats in het aanbod veroverd.
Vanaf het begin is HTS een aansprekend voorbeeld geweest van cultureel ondernemerschap.
Het heeft bewezen risico’s te durven nemen met gevestigde en nieuwe Nederlandse schrijvers en organiseerde schijnbaar moeiteloos uitgebreide schouwburgtournees.
De commissie is niet enthousiast over het beleidsplan 2009-2012. Het is zeer summier in de informatieverstrekking en bevat tal van aannames die niet lang stand houden. Er wordt in de plannen onvoldoende aangegeven waarom na Vondel uitgerekend Heijermans tot boegbeeld
van de HTS-canon verkozen wordt. Daar komt bij dat een dergelijke repertoirekeuze, in tegenstelling tot wat HTS beweert, juist eigenzinnigheid en talent van de (gast)regisseurs vereist. Er is immers sprake van klassiek repertoire met een rijke opvoeringsgeschiedenis. Om daar iets aan toe te voegen dat meerwaarde heeft, is een herinterpretatie in de actuele context onontkoombaar.
Ook de samenstelling van de portefeuille met hedendaagse toneelauteurs (De Graaf, Vekemans,
Thijs, Barnard en Otten) is onvoldoende inhoudelijk gemotiveerd. HTS geeft niet aan hoe de thema’s en modernere dramaturgie van het nieuwe werk van de interessante jongere auteurs zich zullen verhouden tot het bestaande oeuvre en of er daardoor parallel een andersoortig aanbod zal ontstaan.
De commissie constateert dat de wegen van succesauteur Maria Goos en HTS zich voorlopig scheiden. Van enige reflectie op deze ingrijpende verandering is geen sprake. Geen van de auteurs die blijven of komen, genieten een vergelijkbare exclusiviteit of populariteit. HTS zal daardoor, naar de mening van de commissie, aan slagkracht inboeten en lijkt onvoldoende
te anticiperen op de gevolgen.
De ketengedachte, die HTS eerder in het schouwburgcircuit goed en succesvol uitwerkte, is aangaande het middenzaalcircuit nauwelijks uitgekristalliseerd. Daar komt bij dat de commissie
van mening is dat HTS zich juist onderscheidt door zich exclusief op de grote zaal te richten. Dit ten opzichte van andere gezelschappen die nieuw Nederlands repertoire ontwikkelen
en/of spelen. Bij het voornemen om in de middenzaal ‘jong’ Nederlands toneelschrijftalent
te introduceren, tekent de commissie aan dat dit nadrukkelijk een opdracht voor de instellingen in de basisinfrastructuur is. De plannen van deze instellingen voorzien daar ook daadwerkelijk in. De commissie geeft dan ook geen prioriteit aan de voorgenomen activiteiten van HTS op dat vlak.
Conclusie en advies
De commissie beschouwt HTS als een belangrijke exponent van het conventionele kwaliteitstoneel
en heeft waardering voor de manier waarop het gezelschap het Nederlandse repertoire in het schouwburgcircuit onder de aandacht brengt en promoot. Het beleidsplan is artistiek-inhoudelijk summier gemoiveerd en HTS anticipeert te weinig op de consequenties
van het voorgenomen beleid. De talentontwikkeling van schrijvers via het middenzaalcircuit
is al goed verankerd in de basisinfrastructuur en krijgt van de commissie daarom geen prioriteit. De commissie adviseert om Het Toneel Speelt op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en de subsidie op het huidige niveau te handhaven.
Het Toneel Speelt (HTS) brengt sinds de oprichting in 1996 uitsluitend nieuw en klassiek Nederlands repertoire in de grote zaal. Het heeft zijn reputatie aanvankelijk zonder overheidssubsidie
opgebouwd. HTS werd opgestart onder leiding van Hans Croiset en Ronald Klamer en valt inmiddels onder directievoering van de laatste. Ronald Klamer is van huis uit dramaturg en regisseur en fungeert als intendant van Het Toneel Speelt. Onder zijn leiding heeft er een accentverschuiving plaatsgevonden richting het modernere nieuwe Nederlandse
repertoire. HTS werkt vanuit een compacte productiekern en werft per project extra medewerkers. Vanaf de oprichting is de Stadsschouwburg Amsterdam het premièretheater. Ook is het gezelschap gewoon met de voorstellingen door het hele land te reizen, bijna zonder
uitzondering met groot publiekssucces. Haar missie beschrijft HTS als volgt: “Deze tijd heeft behoefte aan kwaliteitstoneel en dan heeft oorspronkelijk Nederlands toneel een streepje voor bij het publiek. Wij willen ervoor zorgen dat nieuwe stukken geschreven en uitgebracht worden, stukken van nu, gespeeld door mensen van nu en bekeken door mensen
van nu”.
De ontwikkeling van nieuw en jeugdig schrijf- en regietalent voor de grote zaal is een speerpunt
in het beleid. Het Toneel Speelt wil de komende vier jaar energie steken in onderzoek en ontwikkeling van minder bekend toneelschrijftalent voor de grote zaal.
HTS gaat jaarlijks een Heijermans spelen, zoals men dat in het verleden met Vondel heeft gedaan. Verder hecht zij grote waarde aan onderzoek naar de houdbaarheid van stukken die de laatste 50 jaar zijn geschreven. Met heropvoeringen van dat repertoire bouwt HTS aan een potentiële canon van de moderne toneelliteratuur.
HTS continueert het tot nog toe gevoerde beleid met tenminste 2 grotezaalproducties per jaar, die samen, afhankelijk van de afname van de schouwburgen, gemiddeld 100 tot 120 voorstellingen in het land spelen en die samen gemiddeld 16 keer in de Stadsschouwburg Amsterdam staan. Daarnaast wil HTS haar activiteiten uitbreiden richting de middenzaal.
HTS vraagt het Fonds € 1.000.000 subsidie.
HTS ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Door consequent vast te houden aan het spelen van Nederlands repertoire van niveau, gespeeld door acteurs van naam en faam, heeft HTS een groot en breed publiek opgebouwd. Naar het oordeel van de commissie is zij daardoor een goed promotor van de Nederlandse toneelschrijftraditie. Artistiek gezien zijn de voorstellingen onderling weinig coherent of opzienbarend. De spelkwaliteit is doorgaans zeer goed. HTS maakt conventioneel kwaliteitstoneel
en heeft daarmee een overtuigende plaats in het aanbod veroverd.
Vanaf het begin is HTS een aansprekend voorbeeld geweest van cultureel ondernemerschap.
Het heeft bewezen risico’s te durven nemen met gevestigde en nieuwe Nederlandse schrijvers en organiseerde schijnbaar moeiteloos uitgebreide schouwburgtournees.
De commissie is niet enthousiast over het beleidsplan 2009-2012. Het is zeer summier in de informatieverstrekking en bevat tal van aannames die niet lang stand houden. Er wordt in de plannen onvoldoende aangegeven waarom na Vondel uitgerekend Heijermans tot boegbeeld
van de HTS-canon verkozen wordt. Daar komt bij dat een dergelijke repertoirekeuze, in tegenstelling tot wat HTS beweert, juist eigenzinnigheid en talent van de (gast)regisseurs vereist. Er is immers sprake van klassiek repertoire met een rijke opvoeringsgeschiedenis. Om daar iets aan toe te voegen dat meerwaarde heeft, is een herinterpretatie in de actuele context onontkoombaar.
Ook de samenstelling van de portefeuille met hedendaagse toneelauteurs (De Graaf, Vekemans,
Thijs, Barnard en Otten) is onvoldoende inhoudelijk gemotiveerd. HTS geeft niet aan hoe de thema’s en modernere dramaturgie van het nieuwe werk van de interessante jongere auteurs zich zullen verhouden tot het bestaande oeuvre en of er daardoor parallel een andersoortig aanbod zal ontstaan.
De commissie constateert dat de wegen van succesauteur Maria Goos en HTS zich voorlopig scheiden. Van enige reflectie op deze ingrijpende verandering is geen sprake. Geen van de auteurs die blijven of komen, genieten een vergelijkbare exclusiviteit of populariteit. HTS zal daardoor, naar de mening van de commissie, aan slagkracht inboeten en lijkt onvoldoende
te anticiperen op de gevolgen.
De ketengedachte, die HTS eerder in het schouwburgcircuit goed en succesvol uitwerkte, is aangaande het middenzaalcircuit nauwelijks uitgekristalliseerd. Daar komt bij dat de commissie
van mening is dat HTS zich juist onderscheidt door zich exclusief op de grote zaal te richten. Dit ten opzichte van andere gezelschappen die nieuw Nederlands repertoire ontwikkelen
en/of spelen. Bij het voornemen om in de middenzaal ‘jong’ Nederlands toneelschrijftalent
te introduceren, tekent de commissie aan dat dit nadrukkelijk een opdracht voor de instellingen in de basisinfrastructuur is. De plannen van deze instellingen voorzien daar ook daadwerkelijk in. De commissie geeft dan ook geen prioriteit aan de voorgenomen activiteiten van HTS op dat vlak.
Conclusie en advies
De commissie beschouwt HTS als een belangrijke exponent van het conventionele kwaliteitstoneel
en heeft waardering voor de manier waarop het gezelschap het Nederlandse repertoire in het schouwburgcircuit onder de aandacht brengt en promoot. Het beleidsplan is artistiek-inhoudelijk summier gemoiveerd en HTS anticipeert te weinig op de consequenties
van het voorgenomen beleid. De talentontwikkeling van schrijvers via het middenzaalcircuit
is al goed verankerd in de basisinfrastructuur en krijgt van de commissie daarom geen prioriteit. De commissie adviseert om Het Toneel Speelt op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en de subsidie op het huidige niveau te handhaven.
theater
Toegekend bedrag:
€ 628.171,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 628.171,- (per jaar)
Stichting Het Toneelschap Beumer & Drost
Beumer & Drost
Inleiding
Toneelschap Beumer & Drost (Beumer & Drost) is opgericht in 1997 en gevestigd in Amsterdam.
De artistieke leiding van dit jeugdtheatergezelschap wordt gevormd door Loek Beumer en Peter Drost. Beiden zijn zowel maker als speler. Per productie worden Peter van der Hoek en Géraldine Verhoeven aangetrokken. Verder wordt samengewerkt met verwante, steeds terugkerende makers als Gijs de Lange, René van ’t Hof, Arie Kant, Michael Helmerhorst en Wim Conradi.
Beumer & Drost is een reisgezelschap dat familietheater maakt voor een breed publiek. De groep speelt in het hele land, op zomerfestivals en in het buitenland. De voorstellingen zijn een combinatie van mime, zang, tekst en beelden. Het gezelschap maakt toneel met een universele
thematiek. In de huidige periode heeft het gezelschap de disciplines film en toneel gecombineerd tot cinematografisch theater en een grotezaalproductie gemaakt. Verder heeft de groep onder de noemer ‘Het Gilde’ een talentontwikkelingstraject opgezet, waar nieuwkomers
begeleid worden. Het nieuwe talent maakt voor een paar jaar deel uit van het gezelschap.
Beumer & Drost heeft een begin gemaakt met een verkoopplan om schoolvoorstellingen te koppelen aan vrije voorstellingen. Met dit zogenoemde ‘Regioplan’ wordt een nieuw publiek gegenereerd voor de groep en voor de betreffende schouwburg.
Beumer & Drost vraagt extra subsidie om de organisatie te verstevigen en de ontwikkelingen
op artistiek gebied te continueren. Voor 2009-2012 wil Beumer & Drost negen producties maken waarvan twee zomer/locatievoorstellingen.
De groep vraagt bij NFPK+ een bedrag van € 465.000 per jaar.
Beumer & Drost ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De voorstellingen van Beumer & Drost vormen een aanvulling op het bestaande jeugd- en familietheateraanbod in de basisinfrastructuur. De commissie vindt dat het palet van het Nederlands theater, mede wordt gekleurd door de aanwezigheid van een groep als Beumer & Drost. De groep maakt toegankelijke familievoorstellingen met een groot publieksbereik in een aanstekelijke, gevarieerde theaterstijl. De voorstellingen worden verder gekenmerkt door een grote mate van vakbekwaamheid. Ook over het beleidsplan en de onderbouwing daarvan is de commissie positief.
Daar staat tegenover dat de commissie vaststelt dat de groep zich in de afgelopen jaren in artistiek opzicht onvoldoende heeft ontwikkeld. De voorstellingen krijgen daardoor een voorspelbaar karakter. De commissie vindt het van belang dat deze ontwikkeling weer gestalte krijgt in de volgende periode.
Aan talentontwikkeling, zoals beschreven onder ‘Het Gilde’, geeft de commissie geen prioriteit.
Subsidiëring van dit soort activiteiten vindt vooralsnog uitsluitend plaats binnen de basisinfrastructuur. De commissie vindt ook dat instroom niet los van de eigen voorstellingen
hoeft plaats te vinden.
Beumer & Drost onderhoudt een goede band met theaters in Nederland en Vlaanderen en met zomerfestivals, en trekt een groot publiek. Voor de komende periode verwacht Beumer & Drost een lichte stijging van de verkoop en publieksinkomsten. De commissie waardeert de houding, visie en inspanningen van Beumer & Drost als cultureel ondernemer. De instelling behaalt momenteel hoge eigen inkomsten. Met het ‘Regioplan’ probeert het gezelschap nieuw publiek te bereiken en meer naamsbekendheid te genereren. De commissie constateert bovendien dat de groep serieuze andere initiatieven ontplooit om nieuw publiek binnen te halen.
Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat Beumer & Drost over een professionele
organisatie beschikt en de bedrijfsvoering op orde heeft.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Beumer & Drost is gezien haar artistieke meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod in de basisinfrastructuur positief. De artistieke ontwikkeling van de groep vertoont naar het oordeel van de commissie de afgelopen jaren echter stagnatie, waardoor de voorstellingen, hoewel aantrekkelijk, toch ook voorspelbaar zijn. De commissie geeft geen prioriteit aan het onderdeel talentontwikkeling
in het beleidsplan, omdat de basisinfrastructuur daarin voorziet.
De functionele kwaliteit van de instelling wekt vertrouwen. De commissie adviseert daarom Beumer & Drost op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Ook adviseert zij het huidige subsidiebedrag te verhogen ten behoeve van verdere
artistieke ontwikkeling van de groep.
Toneelschap Beumer & Drost (Beumer & Drost) is opgericht in 1997 en gevestigd in Amsterdam.
De artistieke leiding van dit jeugdtheatergezelschap wordt gevormd door Loek Beumer en Peter Drost. Beiden zijn zowel maker als speler. Per productie worden Peter van der Hoek en Géraldine Verhoeven aangetrokken. Verder wordt samengewerkt met verwante, steeds terugkerende makers als Gijs de Lange, René van ’t Hof, Arie Kant, Michael Helmerhorst en Wim Conradi.
Beumer & Drost is een reisgezelschap dat familietheater maakt voor een breed publiek. De groep speelt in het hele land, op zomerfestivals en in het buitenland. De voorstellingen zijn een combinatie van mime, zang, tekst en beelden. Het gezelschap maakt toneel met een universele
thematiek. In de huidige periode heeft het gezelschap de disciplines film en toneel gecombineerd tot cinematografisch theater en een grotezaalproductie gemaakt. Verder heeft de groep onder de noemer ‘Het Gilde’ een talentontwikkelingstraject opgezet, waar nieuwkomers
begeleid worden. Het nieuwe talent maakt voor een paar jaar deel uit van het gezelschap.
Beumer & Drost heeft een begin gemaakt met een verkoopplan om schoolvoorstellingen te koppelen aan vrije voorstellingen. Met dit zogenoemde ‘Regioplan’ wordt een nieuw publiek gegenereerd voor de groep en voor de betreffende schouwburg.
Beumer & Drost vraagt extra subsidie om de organisatie te verstevigen en de ontwikkelingen
op artistiek gebied te continueren. Voor 2009-2012 wil Beumer & Drost negen producties maken waarvan twee zomer/locatievoorstellingen.
De groep vraagt bij NFPK+ een bedrag van € 465.000 per jaar.
Beumer & Drost ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De voorstellingen van Beumer & Drost vormen een aanvulling op het bestaande jeugd- en familietheateraanbod in de basisinfrastructuur. De commissie vindt dat het palet van het Nederlands theater, mede wordt gekleurd door de aanwezigheid van een groep als Beumer & Drost. De groep maakt toegankelijke familievoorstellingen met een groot publieksbereik in een aanstekelijke, gevarieerde theaterstijl. De voorstellingen worden verder gekenmerkt door een grote mate van vakbekwaamheid. Ook over het beleidsplan en de onderbouwing daarvan is de commissie positief.
Daar staat tegenover dat de commissie vaststelt dat de groep zich in de afgelopen jaren in artistiek opzicht onvoldoende heeft ontwikkeld. De voorstellingen krijgen daardoor een voorspelbaar karakter. De commissie vindt het van belang dat deze ontwikkeling weer gestalte krijgt in de volgende periode.
Aan talentontwikkeling, zoals beschreven onder ‘Het Gilde’, geeft de commissie geen prioriteit.
Subsidiëring van dit soort activiteiten vindt vooralsnog uitsluitend plaats binnen de basisinfrastructuur. De commissie vindt ook dat instroom niet los van de eigen voorstellingen
hoeft plaats te vinden.
Beumer & Drost onderhoudt een goede band met theaters in Nederland en Vlaanderen en met zomerfestivals, en trekt een groot publiek. Voor de komende periode verwacht Beumer & Drost een lichte stijging van de verkoop en publieksinkomsten. De commissie waardeert de houding, visie en inspanningen van Beumer & Drost als cultureel ondernemer. De instelling behaalt momenteel hoge eigen inkomsten. Met het ‘Regioplan’ probeert het gezelschap nieuw publiek te bereiken en meer naamsbekendheid te genereren. De commissie constateert bovendien dat de groep serieuze andere initiatieven ontplooit om nieuw publiek binnen te halen.
Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat Beumer & Drost over een professionele
organisatie beschikt en de bedrijfsvoering op orde heeft.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Beumer & Drost is gezien haar artistieke meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod in de basisinfrastructuur positief. De artistieke ontwikkeling van de groep vertoont naar het oordeel van de commissie de afgelopen jaren echter stagnatie, waardoor de voorstellingen, hoewel aantrekkelijk, toch ook voorspelbaar zijn. De commissie geeft geen prioriteit aan het onderdeel talentontwikkeling
in het beleidsplan, omdat de basisinfrastructuur daarin voorziet.
De functionele kwaliteit van de instelling wekt vertrouwen. De commissie adviseert daarom Beumer & Drost op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Ook adviseert zij het huidige subsidiebedrag te verhogen ten behoeve van verdere
artistieke ontwikkeling van de groep.
theater
Toegekend bedrag:
€ 389.322,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 389.322,- (per jaar)
Stichting Het Volksoperahuis
Het Volksoperahuis
Inleiding
In 2000 werd het Volksoperahuis, een voortzetting van eerdere initiatieven van Jef Hofmeister
en Kees Scholten, opgericht. Het gezelschap wil het lage (volks) met het hoge (opera) en het hoofd met het kruis verbinden. Een tragikomische hoofdrol is daarbij weggelegd voor de mens, die zich staande moet zien te houden in een groteske wereld.
Volgens het beleidsplan wil het Volksoperahuis betrokken theater met een knipoog maken dat de toeschouwer nooit onberoerd naar huis laat gaan. Het Volksoperahuis zegt niet anders te kunnen dan de keiharde realiteit in het theater te tonen. Het gezelschap wil door de actualiteit
in te bedden in een magisch verhaal de mens milder stemmen, troosten en helpen. Met live gespeelde akoestische muziek wil het Volksoperahuis het hart van de mensen raken. Naar de mening van de makers schurken de voorstellingen tegen het cabareteske aan.
Sinds 2000 heeft het Volksoperahuis elf voorstellingen gemaakt en deze gespeeld in theaters en op festivals. In totaal hebben ruim 70.000 mensen de voorstellingen bezocht. De afgelopen
drie jaar heeft het gezelschap naar eigen zeggen een inhoudelijke ontwikkeling doorgemaakt
die door publiek, pers én fondsen zeer enthousiast ontvangen is.
In de plannen voor 2009-2011 staat een drieluik getiteld ‘Kruistochten’ op het programma. Het betreft voorstellingen over Joden, Christenen en Islamieten die elkaar bestrijden maar dromen van een Nieuw Jeruzalem. Geert Lageveen is eindregisseur van dit drieluik waarin drie muziekstijlen zullen worden gehanteerd: hindoestaans, christelijk en klezmer. Voor 2012 staat een tweeluik over immigranten en remigranten gepland, een ode aan het muziekidioom
van Indonesië, Suriname, de Antillen, Zuid-Afrika en ‘Mocro-Almere’. Hiertoe wil het Volksoperahuis veel expertise, middelen, acteurs en muzikanten van buitenaf aantrekken. Met theatergroepen Delta, ISH en MC zijn gesprekken gaande om het tweeluik te gaan coproduceren.
Het Volksoperahuis geeft aan dat met een jaarlijkse bijdrage van € 263.901 de doelstellingen gehaald kunnen worden en blijft externe financiering zoeken voor bijvoorbeeld de educatie en marketing.
Het Volksoperahuis heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. De trilogie ‘Zeeuwse Nachten’, die het Volksoperahuis sinds 2005 maakte, werd door het voormalige FAPK ondersteund.
Beoordeling
De cyclus ‘Zeeuwse Nachten’ van het Volksoperahuis is door pers en publiek zeer goed ontvangen.
Het gezelschap wordt geroemd om de manier waarop het met minimale middelen de complexe thematiek van de multiculturele samenleving aan de orde stelt en die verbindt met Nederlandse verhalen en helden. De commissie is enthousiast over de maatschappelijke
betrokkenheid van het Volksoperahuis en zij vindt de manier waarop het gezelschap met engagement, satire en laagdrempeligheid zijn publiek weet te bereiken oorspronkelijk.
Het Volksoperahuis brengt volgens de commissie een geheel eigen genre dat het midden houdt tussen muziektheater en kleinkunst. De combinatie van hilarische kolder, rauwheid en diepgang die het Volksoperahuis in zijn voorstellingen neerzet, werkt op het podium.
De speellijsten van het Volksoperahuis zijn lang en het gezelschap bereikt plekken in heel Nederland. De trilogie-aanpak zorgt voor meerjarige samenwerking met de podia. De commissie
signaleert dat de makers ook rondom de voorstellingen activiteiten ontplooien om het publiek bij de onderwerpen te betrekken. Zo organiseerden zij in samenwerking met plaatselijke
kranten debatten en nodigden bijvoorbeeld plaatselijke koren uit om een aandeel in de voorstelling te hebben.
De plannen getuigen volgens de commissie van cultureel ondernemerschap en op het gebied van educatie heeft het gezelschap ideeën om met scholen een meerjarige samenwerking
aan te gaan. De commissie hoopt dat de beoogde samenwerking met gezelschappen als ISH en MC een brug zal slaan naar een cultureel diverser publiek.
Conclusie en advies
Het Volksoperahuis brengt volgens de commissie oorspronkelijke en geëngageerde voorstellingen
in een geheel eigen genre dat het midden houdt tussen muziektheater en kleinkunst. Hiermee levert het gezelschap een waardevolle bijdrage aan het Nederlandse culturele landschap. Daarnaast is de commissie positief over de landelijke spreiding van de producties,
de meerjarige samenwerking met podia, de publieksactiviteiten en het cultureel ondernemerschap
van het Volksoperahuis. Daarom adviseert zij het Volksoperahuis op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De hoogte van het geadviseerde bedrag is lager dan gevraagd. De commissie acht het geadviseerde bedrag toereikend
om, zoals gepland, één productie per jaar te realiseren.
In 2000 werd het Volksoperahuis, een voortzetting van eerdere initiatieven van Jef Hofmeister
en Kees Scholten, opgericht. Het gezelschap wil het lage (volks) met het hoge (opera) en het hoofd met het kruis verbinden. Een tragikomische hoofdrol is daarbij weggelegd voor de mens, die zich staande moet zien te houden in een groteske wereld.
Volgens het beleidsplan wil het Volksoperahuis betrokken theater met een knipoog maken dat de toeschouwer nooit onberoerd naar huis laat gaan. Het Volksoperahuis zegt niet anders te kunnen dan de keiharde realiteit in het theater te tonen. Het gezelschap wil door de actualiteit
in te bedden in een magisch verhaal de mens milder stemmen, troosten en helpen. Met live gespeelde akoestische muziek wil het Volksoperahuis het hart van de mensen raken. Naar de mening van de makers schurken de voorstellingen tegen het cabareteske aan.
Sinds 2000 heeft het Volksoperahuis elf voorstellingen gemaakt en deze gespeeld in theaters en op festivals. In totaal hebben ruim 70.000 mensen de voorstellingen bezocht. De afgelopen
drie jaar heeft het gezelschap naar eigen zeggen een inhoudelijke ontwikkeling doorgemaakt
die door publiek, pers én fondsen zeer enthousiast ontvangen is.
In de plannen voor 2009-2011 staat een drieluik getiteld ‘Kruistochten’ op het programma. Het betreft voorstellingen over Joden, Christenen en Islamieten die elkaar bestrijden maar dromen van een Nieuw Jeruzalem. Geert Lageveen is eindregisseur van dit drieluik waarin drie muziekstijlen zullen worden gehanteerd: hindoestaans, christelijk en klezmer. Voor 2012 staat een tweeluik over immigranten en remigranten gepland, een ode aan het muziekidioom
van Indonesië, Suriname, de Antillen, Zuid-Afrika en ‘Mocro-Almere’. Hiertoe wil het Volksoperahuis veel expertise, middelen, acteurs en muzikanten van buitenaf aantrekken. Met theatergroepen Delta, ISH en MC zijn gesprekken gaande om het tweeluik te gaan coproduceren.
Het Volksoperahuis geeft aan dat met een jaarlijkse bijdrage van € 263.901 de doelstellingen gehaald kunnen worden en blijft externe financiering zoeken voor bijvoorbeeld de educatie en marketing.
Het Volksoperahuis heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. De trilogie ‘Zeeuwse Nachten’, die het Volksoperahuis sinds 2005 maakte, werd door het voormalige FAPK ondersteund.
Beoordeling
De cyclus ‘Zeeuwse Nachten’ van het Volksoperahuis is door pers en publiek zeer goed ontvangen.
Het gezelschap wordt geroemd om de manier waarop het met minimale middelen de complexe thematiek van de multiculturele samenleving aan de orde stelt en die verbindt met Nederlandse verhalen en helden. De commissie is enthousiast over de maatschappelijke
betrokkenheid van het Volksoperahuis en zij vindt de manier waarop het gezelschap met engagement, satire en laagdrempeligheid zijn publiek weet te bereiken oorspronkelijk.
Het Volksoperahuis brengt volgens de commissie een geheel eigen genre dat het midden houdt tussen muziektheater en kleinkunst. De combinatie van hilarische kolder, rauwheid en diepgang die het Volksoperahuis in zijn voorstellingen neerzet, werkt op het podium.
De speellijsten van het Volksoperahuis zijn lang en het gezelschap bereikt plekken in heel Nederland. De trilogie-aanpak zorgt voor meerjarige samenwerking met de podia. De commissie
signaleert dat de makers ook rondom de voorstellingen activiteiten ontplooien om het publiek bij de onderwerpen te betrekken. Zo organiseerden zij in samenwerking met plaatselijke
kranten debatten en nodigden bijvoorbeeld plaatselijke koren uit om een aandeel in de voorstelling te hebben.
De plannen getuigen volgens de commissie van cultureel ondernemerschap en op het gebied van educatie heeft het gezelschap ideeën om met scholen een meerjarige samenwerking
aan te gaan. De commissie hoopt dat de beoogde samenwerking met gezelschappen als ISH en MC een brug zal slaan naar een cultureel diverser publiek.
Conclusie en advies
Het Volksoperahuis brengt volgens de commissie oorspronkelijke en geëngageerde voorstellingen
in een geheel eigen genre dat het midden houdt tussen muziektheater en kleinkunst. Hiermee levert het gezelschap een waardevolle bijdrage aan het Nederlandse culturele landschap. Daarnaast is de commissie positief over de landelijke spreiding van de producties,
de meerjarige samenwerking met podia, de publieksactiviteiten en het cultureel ondernemerschap
van het Volksoperahuis. Daarom adviseert zij het Volksoperahuis op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De hoogte van het geadviseerde bedrag is lager dan gevraagd. De commissie acht het geadviseerde bedrag toereikend
om, zoals gepland, één productie per jaar te realiseren.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 237.290,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 237.290,- (per jaar)
Stichting Huis voor Jeugd en Jongerentheater Rotterdam
Het Huis
Beoordeling
De commissie vindt het initiatief voor Het Huis zinvol en relevant en heeft op basis van in het verleden gemaakt werk, vertrouwen in de kwaliteiten van Jolanda Spoel en Roel Twijnstra.
De open structuur die Het Huis nastreeft, sluit goed aan bij wat het veld nodig heeft en zal ook de doelgroep aanspreken. Een investering in een goed zichtbaar gezelschap met een cultureel diverse signatuur in een stad als Rotterdam, is op zijn plaats. Het Huis is complementair
aan en zelfs vooruitlopend op ontwikkelingen in de basisinfrastructuur.
De fusie van het Waterhuis en Rotjong en de opname hierin van Rotterdams Lef, doet inhoudelijk
niet geforceerd aan en leidt tot een mooie combinatie van verschillende soorten output.
De commissie zet wel vraagtekens bij de directionele rolverdeling zoals die in het aangepaste beleidsplan beoogd is. Een goede afbakening van de verantwoordelijkheden is noodzakelijk. Ook vindt zij de organisatie behoorlijk topzwaar.
Het beleidsplan legt een zwaar accent op de organisatie van Het Huis en gaat daarmee voorbij
aan de inhoudelijke noodzaak van het initiatief en de motivatie van de initiatiefnemers. Het plan komt daardoor vooral functioneel over, waardoor de commissie nog geen zicht krijgt op de artistieke signatuur en de artistiek-inhoudelijke visie van de groep. De commissie
heeft hiervoor, gezien de complexiteit van de fusie en de prille ontwikkelingsfase waarin de organisatie verkeert, wel enig begrip. Zij ontleent aan de reputatie van de betrokken makers het vertrouwen dat Het Huis ook op artistiek vlak zijn toegevoegde waarde ten opzichte van andere jongerentheatergezelschappen zal weten te bewijzen. De commissie heeft de overtuiging dat Het Huis voor dynamiek in het veld gaat zorgen, zowel in Rotterdam als landelijk.
De internationale ambities overtuigen de commissie zonder meer, deze zijn goed gemotiveerd
en redelijk uitgewerkt.
Omdat talentontwikkeling een functie is die primair in het kader van de basisinfrastructuur wordt gesubsidieerd, geeft de commissie aan dit onderdeel van het beleidsplan van Het Huis geen prioriteit.
Conclusie en advies
De commissie waardeert het plan van Het Huis. Zij is van mening dat een dergelijk initiatief dat maatschappelijk geëngageerd theater maakt vanuit cultureel diverse invalshoeken niet mag ontbreken in een grootstedelijke multiculturele omgeving als Rotterdam. Artistiek-inhoudelijk heeft Het Huis op basis van de bewezen kwaliteit van de betrokken makers het vertrouwen van de commissie. De commissie adviseert Het Huis op de nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
De commissie vindt het initiatief voor Het Huis zinvol en relevant en heeft op basis van in het verleden gemaakt werk, vertrouwen in de kwaliteiten van Jolanda Spoel en Roel Twijnstra.
De open structuur die Het Huis nastreeft, sluit goed aan bij wat het veld nodig heeft en zal ook de doelgroep aanspreken. Een investering in een goed zichtbaar gezelschap met een cultureel diverse signatuur in een stad als Rotterdam, is op zijn plaats. Het Huis is complementair
aan en zelfs vooruitlopend op ontwikkelingen in de basisinfrastructuur.
De fusie van het Waterhuis en Rotjong en de opname hierin van Rotterdams Lef, doet inhoudelijk
niet geforceerd aan en leidt tot een mooie combinatie van verschillende soorten output.
De commissie zet wel vraagtekens bij de directionele rolverdeling zoals die in het aangepaste beleidsplan beoogd is. Een goede afbakening van de verantwoordelijkheden is noodzakelijk. Ook vindt zij de organisatie behoorlijk topzwaar.
Het beleidsplan legt een zwaar accent op de organisatie van Het Huis en gaat daarmee voorbij
aan de inhoudelijke noodzaak van het initiatief en de motivatie van de initiatiefnemers. Het plan komt daardoor vooral functioneel over, waardoor de commissie nog geen zicht krijgt op de artistieke signatuur en de artistiek-inhoudelijke visie van de groep. De commissie
heeft hiervoor, gezien de complexiteit van de fusie en de prille ontwikkelingsfase waarin de organisatie verkeert, wel enig begrip. Zij ontleent aan de reputatie van de betrokken makers het vertrouwen dat Het Huis ook op artistiek vlak zijn toegevoegde waarde ten opzichte van andere jongerentheatergezelschappen zal weten te bewijzen. De commissie heeft de overtuiging dat Het Huis voor dynamiek in het veld gaat zorgen, zowel in Rotterdam als landelijk.
De internationale ambities overtuigen de commissie zonder meer, deze zijn goed gemotiveerd
en redelijk uitgewerkt.
Omdat talentontwikkeling een functie is die primair in het kader van de basisinfrastructuur wordt gesubsidieerd, geeft de commissie aan dit onderdeel van het beleidsplan van Het Huis geen prioriteit.
Conclusie en advies
De commissie waardeert het plan van Het Huis. Zij is van mening dat een dergelijk initiatief dat maatschappelijk geëngageerd theater maakt vanuit cultureel diverse invalshoeken niet mag ontbreken in een grootstedelijke multiculturele omgeving als Rotterdam. Artistiek-inhoudelijk heeft Het Huis op basis van de bewezen kwaliteit van de betrokken makers het vertrouwen van de commissie. De commissie adviseert Het Huis op de nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 209.927,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 209.927,- (per jaar)
Stichting Instant Composers Pool
Instant Composers Pool (ICP)
Inleiding
Het ICP bestaat sinds 1967 en nadat in het verleden ‘menige wereldster deel uitmaakte van de bezetting is in de laatste vijftien jaar een stabiel tentet van topsolisten bij elkaar gekomen’.
ICP telt tien artistieke leiders die allemaal verantwoordelijk zijn voor het geheel dat in elk concert tot bloei komt. Het scheppingsproces vindt grotendeels plaats op het podium, maar de basis daarvan wordt gevormd door composities van de bandleden, andere hedendaagse
componisten of grootmeesters uit het verleden. ICP geeft het merendeel van zijn concerten (ver) buiten de grenzen. Ook geven de leden regelmatig lessen, workshops en masterclasses in binnen- en buitenland, zoals op het Banff Centre in Canada. Naast het in stand houden van de huidige concertpraktijk hoopt het ICP in de komende Cultuurnotaperiode
weer meer in Nederland te gaan spelen. Concrete plannen daarvoor bestaan uit de voortzetting van de samenwerking met het ASKO, de realisatie van twee nieuwe muziektheaterproducties
in samenwerking met Wim T. Schippers, de organisatie van zondagmiddagconcerten
voor de hele familie en het uitproberen van concerten in bejaardentehuizen. In samenwerking met Bik Bent Braam en Stichting dOeK wordt gezamenlijk geprogrammeerd op een aantal podia in Nederland en net over de grens die tot nu toe weinig aan geïmproviseerde
muziek hebben gedaan. Een tournee door Japan en de Verenigde Staten staat in de planning. Op het gebied van educatie wil ICP samen met Stichting dOeK en Bik Bent Braam de Impro Academy oprichten. Subsidie wordt aangevraagd om de uitkoopsommen aan te vullen en de aanstelling van de zakelijk leidster uit te breiden.
ICP ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. ICP is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie oordeelt positief over de reputatie en zeer hoge spelkwaliteit van ICP, die ook internationaal bijzonder wordt gewaardeerd. Zij is van mening dat ICP een onmisbare bijdrage
levert aan de ontwikkeling van de geïmproviseerde muziek in Nederland en daarbuiten.
De commissie is heel wat minder te spreken over de kwaliteit van het beleidsplan voor de komende periode. Enerzijds zijn de artistieke visie en projecten zeer mager uitgewerkt en anderzijds wekt de bedrijfsvoering geen vertrouwen door de gemakzuchtige, weinig realistische
onderbouwing hiervan. Daar waar de artistieke plannen meer behelzen dan een optreden
van de tien ICP-leden, zoals de voorgenomen muziektheaterproducties met Wim T. Schippers en de continuering van de samenwerking met het Asko|Schönberg, maakt ICP op geen enkele wijze inzichtelijk welke artistieke meerwaarde deze projecten hebben. De plannen
refereren slechts aan het succes en de plezierige ervaringen in het verleden, die soortgelijke
samenwerkingen opleverden.
Eveneens mist de commissie een doeltreffend beleid op het gebied van publieksbereik en –ontwikkeling en de afname van concerten. Weliswaar noemt het beleidsplan tal van initiatieven
waarmee ICP nieuwe publieksgroepen wil bereiken en ook nieuwe speelplekken in Nederland voor het ensemble wil realiseren, waaronder familieconcerten, concerten in bejaardentehuizen en de op te richten Impro Academy. Voor het uitvoeren van deze diversiteit
aan ideeën ontbreekt echter een doorwrocht plan van aanpak. Dit maakt op de commissie
een weinig effectieve en efficiënte indruk. Zo is ICP voornemens om het aantal concerten in Nederland uit te breiden tot tenminste acht per jaar. Afgaande op het beleidsplan
wil men dit bereiken door nieuwe podia concerten aan te bieden tegen uitkoopsommen die bij lange na niet kostendekkend zijn. De aanvulling op deze kosten wenst ICP uit de meerjarige subsidie te bekostigen.
De voorziene (relatief sterke) stijging van de publieksinkomsten beoordeelt de commissie evenmin als realistisch en efficiënt. Het ensemble verwacht meer eigen inkomsten te behalen
dankzij een hogere gemiddelde uitkoopsom, ondanks de eerder geconstateerde noodzaak
om ‘geld mee te nemen’ naar nieuwe podia. Daarnaast meent ICP in 2009 al zestig betalende deelnemers aan de nieuwe Impro Academy te kunnen recruteren. Uit de subsidieaanvraag
blijkt echter niet hoe men dit wil gaan bewerkstelligen, behalve dat ICP vooral op grond van de reputatie van haar leden verwacht dat dit nieuwe initiatief succesvol zal zijn. Tevens vraagt de commissie zich af in hoeverre de volledige deelnemersbijdragen werkelijk
ten goede komen aan ICP. De Impro Academy betreft immers een samenwerking met Stichting dOeK en Bik Bent Braam.
Kortgezegd acht de commissie het cultureel ondernemerschap en de cijfermatige onderbouwing
van ICP ver onder de maat en in schril contrast met de artistieke plannen.
Op grond van het bovenstaande acht de commissie het noodzakelijk dat het ICP binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds zijn activiteiten worden geëvalueerd.
Het ICP dient zijn zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van bedrijfsvoering
en cultureel ondernemerschap.
Conclusie en advies
De commissie is van oordeel dat ICP op grond van zijn betekenis voor de geïmproviseerde muziek thuishoort in het Nederlandse podiumkunstenbestel en zij realiseert zich dat dit niet mogelijk is zonder meerjarige subsidiëring. De commissie is echter ook van mening dat onvoldoende sprake is van een overtuigend en doelgericht artistiek beleid, noch van een effectieve, efficiënte en realistische bedrijfsvoering. Op grond hiervan ziet zij onvoldoende aanleiding het subsidie van ICP te verhogen tot de gewenste bijdrage. De commissie acht het noodzakelijk dat het ICP binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds zijn activiteiten worden geëvalueerd. Het ICP dient zijn zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van bedrijfsvoering en cultureel ondernemerschap. Onder die voorwaarde
adviseert de commissie het ICP op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het ICP bestaat sinds 1967 en nadat in het verleden ‘menige wereldster deel uitmaakte van de bezetting is in de laatste vijftien jaar een stabiel tentet van topsolisten bij elkaar gekomen’.
ICP telt tien artistieke leiders die allemaal verantwoordelijk zijn voor het geheel dat in elk concert tot bloei komt. Het scheppingsproces vindt grotendeels plaats op het podium, maar de basis daarvan wordt gevormd door composities van de bandleden, andere hedendaagse
componisten of grootmeesters uit het verleden. ICP geeft het merendeel van zijn concerten (ver) buiten de grenzen. Ook geven de leden regelmatig lessen, workshops en masterclasses in binnen- en buitenland, zoals op het Banff Centre in Canada. Naast het in stand houden van de huidige concertpraktijk hoopt het ICP in de komende Cultuurnotaperiode
weer meer in Nederland te gaan spelen. Concrete plannen daarvoor bestaan uit de voortzetting van de samenwerking met het ASKO, de realisatie van twee nieuwe muziektheaterproducties
in samenwerking met Wim T. Schippers, de organisatie van zondagmiddagconcerten
voor de hele familie en het uitproberen van concerten in bejaardentehuizen. In samenwerking met Bik Bent Braam en Stichting dOeK wordt gezamenlijk geprogrammeerd op een aantal podia in Nederland en net over de grens die tot nu toe weinig aan geïmproviseerde
muziek hebben gedaan. Een tournee door Japan en de Verenigde Staten staat in de planning. Op het gebied van educatie wil ICP samen met Stichting dOeK en Bik Bent Braam de Impro Academy oprichten. Subsidie wordt aangevraagd om de uitkoopsommen aan te vullen en de aanstelling van de zakelijk leidster uit te breiden.
ICP ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. ICP is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie oordeelt positief over de reputatie en zeer hoge spelkwaliteit van ICP, die ook internationaal bijzonder wordt gewaardeerd. Zij is van mening dat ICP een onmisbare bijdrage
levert aan de ontwikkeling van de geïmproviseerde muziek in Nederland en daarbuiten.
De commissie is heel wat minder te spreken over de kwaliteit van het beleidsplan voor de komende periode. Enerzijds zijn de artistieke visie en projecten zeer mager uitgewerkt en anderzijds wekt de bedrijfsvoering geen vertrouwen door de gemakzuchtige, weinig realistische
onderbouwing hiervan. Daar waar de artistieke plannen meer behelzen dan een optreden
van de tien ICP-leden, zoals de voorgenomen muziektheaterproducties met Wim T. Schippers en de continuering van de samenwerking met het Asko|Schönberg, maakt ICP op geen enkele wijze inzichtelijk welke artistieke meerwaarde deze projecten hebben. De plannen
refereren slechts aan het succes en de plezierige ervaringen in het verleden, die soortgelijke
samenwerkingen opleverden.
Eveneens mist de commissie een doeltreffend beleid op het gebied van publieksbereik en –ontwikkeling en de afname van concerten. Weliswaar noemt het beleidsplan tal van initiatieven
waarmee ICP nieuwe publieksgroepen wil bereiken en ook nieuwe speelplekken in Nederland voor het ensemble wil realiseren, waaronder familieconcerten, concerten in bejaardentehuizen en de op te richten Impro Academy. Voor het uitvoeren van deze diversiteit
aan ideeën ontbreekt echter een doorwrocht plan van aanpak. Dit maakt op de commissie
een weinig effectieve en efficiënte indruk. Zo is ICP voornemens om het aantal concerten in Nederland uit te breiden tot tenminste acht per jaar. Afgaande op het beleidsplan
wil men dit bereiken door nieuwe podia concerten aan te bieden tegen uitkoopsommen die bij lange na niet kostendekkend zijn. De aanvulling op deze kosten wenst ICP uit de meerjarige subsidie te bekostigen.
De voorziene (relatief sterke) stijging van de publieksinkomsten beoordeelt de commissie evenmin als realistisch en efficiënt. Het ensemble verwacht meer eigen inkomsten te behalen
dankzij een hogere gemiddelde uitkoopsom, ondanks de eerder geconstateerde noodzaak
om ‘geld mee te nemen’ naar nieuwe podia. Daarnaast meent ICP in 2009 al zestig betalende deelnemers aan de nieuwe Impro Academy te kunnen recruteren. Uit de subsidieaanvraag
blijkt echter niet hoe men dit wil gaan bewerkstelligen, behalve dat ICP vooral op grond van de reputatie van haar leden verwacht dat dit nieuwe initiatief succesvol zal zijn. Tevens vraagt de commissie zich af in hoeverre de volledige deelnemersbijdragen werkelijk
ten goede komen aan ICP. De Impro Academy betreft immers een samenwerking met Stichting dOeK en Bik Bent Braam.
Kortgezegd acht de commissie het cultureel ondernemerschap en de cijfermatige onderbouwing
van ICP ver onder de maat en in schril contrast met de artistieke plannen.
Op grond van het bovenstaande acht de commissie het noodzakelijk dat het ICP binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds zijn activiteiten worden geëvalueerd.
Het ICP dient zijn zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van bedrijfsvoering
en cultureel ondernemerschap.
Conclusie en advies
De commissie is van oordeel dat ICP op grond van zijn betekenis voor de geïmproviseerde muziek thuishoort in het Nederlandse podiumkunstenbestel en zij realiseert zich dat dit niet mogelijk is zonder meerjarige subsidiëring. De commissie is echter ook van mening dat onvoldoende sprake is van een overtuigend en doelgericht artistiek beleid, noch van een effectieve, efficiënte en realistische bedrijfsvoering. Op grond hiervan ziet zij onvoldoende aanleiding het subsidie van ICP te verhogen tot de gewenste bijdrage. De commissie acht het noodzakelijk dat het ICP binnen twee jaar een nieuw beleidsplan opstelt en dat tussentijds zijn activiteiten worden geëvalueerd. Het ICP dient zijn zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van bedrijfsvoering en cultureel ondernemerschap. Onder die voorwaarde
adviseert de commissie het ICP op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 105.221,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 105.221,- (per jaar)
Stichting Internationale Koorbiennale Haarlem
Internationale Koorbiënnale Haarlem
Inleiding
De Internationale Koorbiënnale vindt eens in de twee jaar plaats in Haarlem. Het festival wil zich de komende jaren profileren als bruggenbouwer in zingend Nederland door toonaangevende
internationale programmering, door de presentatie van nieuwe werken als onderdeel van het eigen opdrachtenbeleid en door de ontwikkeling van de Summer School voor amateurs
en semi-professionele zangers. Via het festival wil de organisatie invloed krijgen op de koordirectie-opleidingen en een brandpunt zijn van het nationale en internationale netwerk van ensembles en organisaties die zich met zingen bezighouden. Bovendien is er de komende
jaren aandacht voor de versterking van het profiel.
De Internationale Koorbiënnale heeft de ambitie een reizend masterclass gezelschap ten behoeve van de zes conservatoria in Nederland op te richten. De Eric Ericson Masterclass is onderdeel van het festival en volgens het beleidsplan wereldwijd toonaangevend in het bieden
van kansen aan talentvolle koordirigenten. De deelnemers aan de Eric Ericson Masterclass
zijn afkomstig uit verschillende landen, waarbij niet-westerse kandidaten ‘meer dan welkom’ zijn.
De Internationale Koorbiënnale geeft aan dat zonder ketengedachte geen volwaardig
festival mogelijk is. Naar eigen zeggen hebben de afgelopen versie van het festival en de Masterclass alleen tot stand kunnen gekomen via ondernemerschap op gebied van fondsen-
werving, partnership, sponsoring en kaartverkoop. Inmiddels is een netwerk ontstaan met een aantal partners, zoals de Philharmonie Haarlem en de conservatoria. Met Radio 4 zal de samenwerking worden geïntensiveerd.
In 2007 is een educatief project gestart op een Haarlemse basisschool met deelname van
120 allochtone kinderen. In 2008 wordt met het Houtfestival een projectkoor samengesteld vanuit diverse etnische achtergronden.
De Internationale Koorbiënnale noemt het ontwikkelen van een aansprekend publieksprofiel
een van de prioriteiten, evenals het genereren van een groot aantal bezoekers. Het festival
wil een trouw landelijk en plaatselijk publiek aan zich binden. Een van de manieren om de participatie te vergroten is de organisatie van community projecten. In 2009 verwacht het festival 5800 bezoekers met een totaal aan publieksinkomsten van € 62.000.
De begroting stijgt van € 246.489 in 2007 naar € 467.000 in 2009.
De Internationale Koorbiënnale heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. In de afgelopen jaren ontving de Internationale Koorbiënnale subsidie vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De Internationale Koorbiënnale biedt interessante professionele, deels internationale programma’s
op het gebied van koormuziek, die nergens anders te horen zijn. De commissie is van mening dat het festival een kwalitatieve aanvulling op het landelijk aanbod is en van belang is voor de ontwikkeling van de koorsector in Nederland.
De commissie heeft ook op basis van het beleidsplan vertrouwen in de artistieke koers voor de komende jaren. Daar draagt de Masterclass zeker toe bij, hoewel de commissie de uitwerking
van dit festivalonderdeel te kort vindt schieten op het gebied van aandacht voor niet-westerse talenten. Ook over de plannen van het festival om door middel van educatieve en community projecten een groter publieksbereik te genereren is de commissie positief. Een duidelijke inhoudelijke wisselwerking tussen de community projecten en de hoofdprogrammering
mist de commissie echter. Dat betreurt ze, omdat er voldoende aanleiding zou zijn om dan ook aandacht te schenken aan de rijke niet-westerse koortraditie in Nederland. Ook in de talent-functie (masterclass) is er geen actief diversiteitsbeleid; het blijft algemeen: ‘talenten uit alle continenten zijn welkom’. Deze aspecten vindt de commissie dus enigszins gratuit en weinig vanuit overtuiging en visie ingevuld.
De commissie acht publieksgroei mogelijk en wenselijk. Kritisch is ze over de concrete uitwerking
van deze passage in het plan, waar een helder marketingplan ontbreekt en waar ze de geformuleerde voornemens niet op alle onderdelen realistisch acht. Het cultureel ondernemerschap
is weliswaar met lef geformuleerd, maar de commissie acht een verdere professionalisering
van de bedrijfsvoering voorwaarde om ook op langere termijn te kunnen programmeren. Ook de landelijke uitstraling en de verankering in de festivalstad Haarlem verdienen volgens de commissie meer aandacht.
Conclusie en advies
De Internationale Koorbiënnale is een voor Nederland uniek festival dat een artistiek interessante
aanvulling biedt aan het festivallandschap. De artistiek-inhoudelijke visie is uitdagend
en biedt vertrouwen. Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat de Internationale Koorbiënnale met zijn artistieke profiel en verwachte kwaliteit een meerwaarde
heeft ten opzichte van het reguliere aanbod. De commissie plaatst wel een kanttekening
bij de wijze waarop de organisatie de noodzakelijke publieksgroei wil realiseren. Zo ontbreekt een marketingstrategie en is niet duidelijk gemaakt hoe de relatie tussen educatie en publiek vorm krijgt. Voorts schiet naar het oordeel van de commissie de aandacht voor niet-westerse talenten en koortraditie tekort. Op grond van zijn artistieke meerwaarde adviseert
de commissie de Internationale Koorbiënnale op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
De Internationale Koorbiënnale vindt eens in de twee jaar plaats in Haarlem. Het festival wil zich de komende jaren profileren als bruggenbouwer in zingend Nederland door toonaangevende
internationale programmering, door de presentatie van nieuwe werken als onderdeel van het eigen opdrachtenbeleid en door de ontwikkeling van de Summer School voor amateurs
en semi-professionele zangers. Via het festival wil de organisatie invloed krijgen op de koordirectie-opleidingen en een brandpunt zijn van het nationale en internationale netwerk van ensembles en organisaties die zich met zingen bezighouden. Bovendien is er de komende
jaren aandacht voor de versterking van het profiel.
De Internationale Koorbiënnale heeft de ambitie een reizend masterclass gezelschap ten behoeve van de zes conservatoria in Nederland op te richten. De Eric Ericson Masterclass is onderdeel van het festival en volgens het beleidsplan wereldwijd toonaangevend in het bieden
van kansen aan talentvolle koordirigenten. De deelnemers aan de Eric Ericson Masterclass
zijn afkomstig uit verschillende landen, waarbij niet-westerse kandidaten ‘meer dan welkom’ zijn.
De Internationale Koorbiënnale geeft aan dat zonder ketengedachte geen volwaardig
festival mogelijk is. Naar eigen zeggen hebben de afgelopen versie van het festival en de Masterclass alleen tot stand kunnen gekomen via ondernemerschap op gebied van fondsen-
werving, partnership, sponsoring en kaartverkoop. Inmiddels is een netwerk ontstaan met een aantal partners, zoals de Philharmonie Haarlem en de conservatoria. Met Radio 4 zal de samenwerking worden geïntensiveerd.
In 2007 is een educatief project gestart op een Haarlemse basisschool met deelname van
120 allochtone kinderen. In 2008 wordt met het Houtfestival een projectkoor samengesteld vanuit diverse etnische achtergronden.
De Internationale Koorbiënnale noemt het ontwikkelen van een aansprekend publieksprofiel
een van de prioriteiten, evenals het genereren van een groot aantal bezoekers. Het festival
wil een trouw landelijk en plaatselijk publiek aan zich binden. Een van de manieren om de participatie te vergroten is de organisatie van community projecten. In 2009 verwacht het festival 5800 bezoekers met een totaal aan publieksinkomsten van € 62.000.
De begroting stijgt van € 246.489 in 2007 naar € 467.000 in 2009.
De Internationale Koorbiënnale heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. In de afgelopen jaren ontving de Internationale Koorbiënnale subsidie vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De Internationale Koorbiënnale biedt interessante professionele, deels internationale programma’s
op het gebied van koormuziek, die nergens anders te horen zijn. De commissie is van mening dat het festival een kwalitatieve aanvulling op het landelijk aanbod is en van belang is voor de ontwikkeling van de koorsector in Nederland.
De commissie heeft ook op basis van het beleidsplan vertrouwen in de artistieke koers voor de komende jaren. Daar draagt de Masterclass zeker toe bij, hoewel de commissie de uitwerking
van dit festivalonderdeel te kort vindt schieten op het gebied van aandacht voor niet-westerse talenten. Ook over de plannen van het festival om door middel van educatieve en community projecten een groter publieksbereik te genereren is de commissie positief. Een duidelijke inhoudelijke wisselwerking tussen de community projecten en de hoofdprogrammering
mist de commissie echter. Dat betreurt ze, omdat er voldoende aanleiding zou zijn om dan ook aandacht te schenken aan de rijke niet-westerse koortraditie in Nederland. Ook in de talent-functie (masterclass) is er geen actief diversiteitsbeleid; het blijft algemeen: ‘talenten uit alle continenten zijn welkom’. Deze aspecten vindt de commissie dus enigszins gratuit en weinig vanuit overtuiging en visie ingevuld.
De commissie acht publieksgroei mogelijk en wenselijk. Kritisch is ze over de concrete uitwerking
van deze passage in het plan, waar een helder marketingplan ontbreekt en waar ze de geformuleerde voornemens niet op alle onderdelen realistisch acht. Het cultureel ondernemerschap
is weliswaar met lef geformuleerd, maar de commissie acht een verdere professionalisering
van de bedrijfsvoering voorwaarde om ook op langere termijn te kunnen programmeren. Ook de landelijke uitstraling en de verankering in de festivalstad Haarlem verdienen volgens de commissie meer aandacht.
Conclusie en advies
De Internationale Koorbiënnale is een voor Nederland uniek festival dat een artistiek interessante
aanvulling biedt aan het festivallandschap. De artistiek-inhoudelijke visie is uitdagend
en biedt vertrouwen. Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat de Internationale Koorbiënnale met zijn artistieke profiel en verwachte kwaliteit een meerwaarde
heeft ten opzichte van het reguliere aanbod. De commissie plaatst wel een kanttekening
bij de wijze waarop de organisatie de noodzakelijke publieksgroei wil realiseren. Zo ontbreekt een marketingstrategie en is niet duidelijk gemaakt hoe de relatie tussen educatie en publiek vorm krijgt. Voorts schiet naar het oordeel van de commissie de aandacht voor niet-westerse talenten en koortraditie tekort. Op grond van zijn artistieke meerwaarde adviseert
de commissie de Internationale Koorbiënnale op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 52.365,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 52.365,- (per jaar)
Stichting Intro
Intro in situ
Inleiding
Stichting Intro heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als ontwikkelinstelling
op het terrein van de muziek in de basisinfrastructuur 2009-2012. De Raad voor Cultuur
heeft geadviseerd Stichting Intro niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Stichting Intro is in de gelegenheid gesteld een schriftelijke aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in te dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten van het NFPK+. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening gehouden met de inhoud van de aanvulling.
Intro in situ ziet zichzelf als een zelfstandige, hedendaagse muziekvoorziening met drie kernfuncties: productiehuis, werkplaats en podium. Vanuit Maastricht werkt de instelling nauw samen met partners in en buiten deze stad. Volgens het beleidsplan is Intro in situ als muziekvoorziening ‘stevig regionaal en stedelijk geworteld, en ontleent zij haar artistieke identiteit vooral aan het maken van producties op locaties waarin hedendaagse muziek en klankkunst op een bijzondere manier worden gepresenteerd’. Hiermee zegt zij landelijk de aandacht te trekken en zich ook internationaal te profileren.
Sinds 2006 beschikt Intro in situ over een eigen huis, wat zijn zichtbaarheid in Maastricht vergroot. Naar verwachting kan de organisatie medio 2011 een eigen werkplaats/podium betrekken op een nieuw terrein met verschillende culturele instellingen. Intro in situ richt zich op het bereiken van een nieuw en breed publiek voor producties op bijzondere locaties en festivals; op een grotere binding met en uitbreiding van het concertpubliek; en op vergroting
van het avontuurlijke publiek voor de werkplaatsactiviteiten (kunstenaars, musici, componisten,
collega-instellingen, internationaal netwerk). Daarnaast ontwikkelt Intro in situ educatieve projecten voor leerlingen van de basis- en voortgezet onderwijs.
Intro in situ heeft de ambitie om in 2009-2012 te blijven fungeren als dé voorziening voor hedendaagse muziek- en klankkunst in Limburg. De instelling wil haar activiteiten uitbreiden
en omschrijft vijf kernactiviteiten: producties en voorstellingen op locatie (drie à vier per jaar); programmering in de concertzaal (acht à tien concerten per jaar) en een thematisch
festival; educatieve projecten voor basis- en middelbare scholen (twee per jaar); werkplaatsactiviteiten
(waaronder vier onderzoeks- opdrachten per jaar); en internationale samenwerking in presentatie en productie van klankkunst (één festival met tentoonstelling). Om meer professioneel te kunnen werken, wil Intro in situ extra personeel aannemen.
In reactie op het advies van de Raad voor Cultuur weerspreekt Intro in situ het oordeel van de Raad als zou de instelling geen ambities hebben op het vergroten van het werkterrein. Tevens geeft zij nadere informatie op de volgende punten: locatieproducties, klankkunst, werkplaatsproducties en educatie.
Intro in situ ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie vindt de in het beleidsplan van Intro in situ gepresenteerde plannen sterk en creatief en zij heeft er mede op basis van de huidige prestaties vertrouwen in dat de organisatie
deze weet te verwezenlijken. Volgens de commissie vervult Intro een belangrijke regionale
functie en is de organisatie op klankkunstgebied van landelijke betekenis. Er is waardering voor het feit dat Intro in situ – in een omgeving die in muzikaal opzicht met name bekend is om zijn hafabra – bij nieuwe klankkunst steeds weer bijzondere plekken weet te vinden. Dat de instelling hierbij tevens tracht om op zorgvuldige wijze het auditief bewustzijn van kinderen te vergroten, wordt door de commissie bijzonder gewaardeerd. Ook om inhoudelijke redenen juicht de commissie het voorgenomen samenwerkings-verband in de Master Artistic Research met de Hogeschool Zuyd en de Universiteit Maastricht toe.
De commissie realiseert zich, dat publieksbereik voor de klankkunst waarop Intro in situ zich richt, geen eenvoudige opgave is. Niettemin vindt de commissie dat de publieksontwikkeling
en de naamsbekendheid van Intro nog kunnen worden vergroot, ook gezien de volgens
de commissie veel te lage inkomsten per bezoeker. De commissie gaat ervan uit dat de organisatie in de publieksverbreding zal slagen en een steviger ambitie zal tonen dan in het plan geformuleerd, al dan niet met behulp van een samenwerkingsverband. De instelling heeft er, mede dankzij een volgens de commissie capabel bestuur, al eerder blijk van gegeven
door ‘korte lijnen’ effectief te kunnen samenwerken.
Ten aanzien van de bedrijfsvoering wenst de commissie tot slot op te merken dat het aandeel
publieksinkomsten ten opzichte van de verschillende meerjarige subsidies bijzonder klein is.
De commissie is van mening dat publieksverbreding tevens zou moeten leiden tot verhoging van de eigen inkomsten. Zij acht mogelijkheden daartoe aanwezig, zoals bijvoorbeeld inkomsten uit mecenaat. Met de publieksverbreding wordt dan eveneens een groter financieel
draagvlak gecreëerd. In datzelfde kader vindt de commissie de in verhouding hoge beheerslasten en materiële activiteitenlasten ten opzichte van de lage personele activiteitenlasten
onwenselijk scheef voor een podiumkunstinstelling. Het geadviseerde bedrag is om deze redenen lager dan het gevraagde subsidiebedrag.
Conclusie en advies
De commissie heeft mede op basis van de huidige prestaties vertrouwen in en waardering voor het door intro in situ gepresenteerde artistieke beleid, mede op grond van hetgeen de instelling de afgelopen periode heeft gerealiseerd. Zij is kritischer over de manier waarop de instelling een grotere naamsbekendheid, publieksverbreding en een meer efficiënte bedrijfsvoering wil bereiken.
De commissie acht op grond daarvan een lager dan gevraagd subsidiebedrag gerechtvaardigd.
De commissie adviseert intro in situ op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
Stichting Intro heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als ontwikkelinstelling
op het terrein van de muziek in de basisinfrastructuur 2009-2012. De Raad voor Cultuur
heeft geadviseerd Stichting Intro niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Stichting Intro is in de gelegenheid gesteld een schriftelijke aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in te dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten van het NFPK+. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening gehouden met de inhoud van de aanvulling.
Intro in situ ziet zichzelf als een zelfstandige, hedendaagse muziekvoorziening met drie kernfuncties: productiehuis, werkplaats en podium. Vanuit Maastricht werkt de instelling nauw samen met partners in en buiten deze stad. Volgens het beleidsplan is Intro in situ als muziekvoorziening ‘stevig regionaal en stedelijk geworteld, en ontleent zij haar artistieke identiteit vooral aan het maken van producties op locaties waarin hedendaagse muziek en klankkunst op een bijzondere manier worden gepresenteerd’. Hiermee zegt zij landelijk de aandacht te trekken en zich ook internationaal te profileren.
Sinds 2006 beschikt Intro in situ over een eigen huis, wat zijn zichtbaarheid in Maastricht vergroot. Naar verwachting kan de organisatie medio 2011 een eigen werkplaats/podium betrekken op een nieuw terrein met verschillende culturele instellingen. Intro in situ richt zich op het bereiken van een nieuw en breed publiek voor producties op bijzondere locaties en festivals; op een grotere binding met en uitbreiding van het concertpubliek; en op vergroting
van het avontuurlijke publiek voor de werkplaatsactiviteiten (kunstenaars, musici, componisten,
collega-instellingen, internationaal netwerk). Daarnaast ontwikkelt Intro in situ educatieve projecten voor leerlingen van de basis- en voortgezet onderwijs.
Intro in situ heeft de ambitie om in 2009-2012 te blijven fungeren als dé voorziening voor hedendaagse muziek- en klankkunst in Limburg. De instelling wil haar activiteiten uitbreiden
en omschrijft vijf kernactiviteiten: producties en voorstellingen op locatie (drie à vier per jaar); programmering in de concertzaal (acht à tien concerten per jaar) en een thematisch
festival; educatieve projecten voor basis- en middelbare scholen (twee per jaar); werkplaatsactiviteiten
(waaronder vier onderzoeks- opdrachten per jaar); en internationale samenwerking in presentatie en productie van klankkunst (één festival met tentoonstelling). Om meer professioneel te kunnen werken, wil Intro in situ extra personeel aannemen.
In reactie op het advies van de Raad voor Cultuur weerspreekt Intro in situ het oordeel van de Raad als zou de instelling geen ambities hebben op het vergroten van het werkterrein. Tevens geeft zij nadere informatie op de volgende punten: locatieproducties, klankkunst, werkplaatsproducties en educatie.
Intro in situ ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie vindt de in het beleidsplan van Intro in situ gepresenteerde plannen sterk en creatief en zij heeft er mede op basis van de huidige prestaties vertrouwen in dat de organisatie
deze weet te verwezenlijken. Volgens de commissie vervult Intro een belangrijke regionale
functie en is de organisatie op klankkunstgebied van landelijke betekenis. Er is waardering voor het feit dat Intro in situ – in een omgeving die in muzikaal opzicht met name bekend is om zijn hafabra – bij nieuwe klankkunst steeds weer bijzondere plekken weet te vinden. Dat de instelling hierbij tevens tracht om op zorgvuldige wijze het auditief bewustzijn van kinderen te vergroten, wordt door de commissie bijzonder gewaardeerd. Ook om inhoudelijke redenen juicht de commissie het voorgenomen samenwerkings-verband in de Master Artistic Research met de Hogeschool Zuyd en de Universiteit Maastricht toe.
De commissie realiseert zich, dat publieksbereik voor de klankkunst waarop Intro in situ zich richt, geen eenvoudige opgave is. Niettemin vindt de commissie dat de publieksontwikkeling
en de naamsbekendheid van Intro nog kunnen worden vergroot, ook gezien de volgens
de commissie veel te lage inkomsten per bezoeker. De commissie gaat ervan uit dat de organisatie in de publieksverbreding zal slagen en een steviger ambitie zal tonen dan in het plan geformuleerd, al dan niet met behulp van een samenwerkingsverband. De instelling heeft er, mede dankzij een volgens de commissie capabel bestuur, al eerder blijk van gegeven
door ‘korte lijnen’ effectief te kunnen samenwerken.
Ten aanzien van de bedrijfsvoering wenst de commissie tot slot op te merken dat het aandeel
publieksinkomsten ten opzichte van de verschillende meerjarige subsidies bijzonder klein is.
De commissie is van mening dat publieksverbreding tevens zou moeten leiden tot verhoging van de eigen inkomsten. Zij acht mogelijkheden daartoe aanwezig, zoals bijvoorbeeld inkomsten uit mecenaat. Met de publieksverbreding wordt dan eveneens een groter financieel
draagvlak gecreëerd. In datzelfde kader vindt de commissie de in verhouding hoge beheerslasten en materiële activiteitenlasten ten opzichte van de lage personele activiteitenlasten
onwenselijk scheef voor een podiumkunstinstelling. Het geadviseerde bedrag is om deze redenen lager dan het gevraagde subsidiebedrag.
Conclusie en advies
De commissie heeft mede op basis van de huidige prestaties vertrouwen in en waardering voor het door intro in situ gepresenteerde artistieke beleid, mede op grond van hetgeen de instelling de afgelopen periode heeft gerealiseerd. Zij is kritischer over de manier waarop de instelling een grotere naamsbekendheid, publieksverbreding en een meer efficiënte bedrijfsvoering wil bereiken.
De commissie acht op grond daarvan een lager dan gevraagd subsidiebedrag gerechtvaardigd.
De commissie adviseert intro in situ op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 157.531,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 157.531,- (per jaar)
Stichting ISH
ISH
Inleiding
ISH omschrijft zichzelf als een theaterorganisatie die op een bijzondere manier aansluit bij de jongerencultuur en zich daarmee richt op een publiek dat vrijwel niet door het reguliere podiumaanbod wordt bereikt. ISH brengt cultuur van de straat en maakt daarbij gebruik van disciplines als breakdance, streetdance, hiphop, skaten en verschillende sporten waaronder martial arts. De voorstellingen van artistiek leider Marco Gerris leiden volgens ISH tot een nieuwe vorm van eigentijds bewegingstheater, die goed aanslaat bij de ‘MTV-generatie’.
Het ISH-Institute, het opleidingsdeel van de organisatie, fungeert als broedplaats voor jong talent dat kan doorstromen naar het hoofdgezelschap en heeft daarnaast ook een sociaal-culturele doelstelling, waarbij jongeren door middel van workshops, lessen en schoolprojecten
kennis maken met podiumkunst.
ISH wil zich in de periode 2009-2012 richten op de eigen artistieke verdieping. Tot dusverre brachten de voorstellingen van ISH hoofdzakelijk een breed palet van spectaculaire straatkunsten,
met een summiere verhaallijn. Het succes van de ‘ISH-formule’ heeft volgens het gezelschap in de afgelopen jaren een zware wissel getrokken op artistiek leider Marco Gerris en de eigen organisatie. Hierdoor bestond er onvoldoende ruimte om de zeggingskracht
van het eigen idioom te laten groeien. Om de eigen theatertaal van het gezelschap verder te kunnen ontwikkelen, wil ISH een inhaalslag maken op het gebied van theaterdramaturgie
en choreografie. Hiertoe wil zij een team van artistieke ‘raadslieden’ aantrekken, een vast ensemble formeren en het eigen opleidingsinstituut versterken. Op artistiek gebied wordt gestreefd naar cross-overs waarbij de eigen inbreng van de straat- en ‘zapcultuur’ binnen de gevestigde, meer klassieke podiumkunsten, zoals toneel, klassieke en moderne dans en werelddans, leidt tot wederzijdse inspiratie en vernieuwing.
Jaarlijks wil ISH drie producties uitbrengen verdeeld over grote podia en kleinere zalen. Waarbij de kleine zaalproducties zowel aankomend talent uit ‘eigen kweek’ als ‘van buiten’ de gelegenheid bieden om zich te presenteren. De grote zaal producties worden ontwikkeld voor zowel de binnen- als buitenlandse podia. Door te werken met een vast ensemble wil ISH inzetten op repertoirevorming, waarbij succesvolle voorstellingen kunnen worden hernomen
of langer worden doorgespeeld. Internationale activiteiten in Europa en de Verenigde Staten blijven een vast onderdeel van het beleid van ISH, mede als platform voor artistieke samenwerking en uitwisseling.
In organisatorisch en zakelijk opzicht wil ISH zich de komende jaren verder structureren volgens de richtlijnen van ‘Cultural Governance’.
ISH ontvangt een structurele subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het gezelschap
ontving in de afgelopen vier jaar meerdere malen een bijdrage van het voormalige FAPK voor de internationale activiteiten.
Beoordeling
ISH is met haar energieke, eigentijdse voorstellingen volgens de commissie niet meer weg te denken uit het Nederlandse danstheaterlandschap. Het gezelschap werkt als een katalysator voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van dans binnen een cultureel divers idioom, geïnspireerd op urban arts, jongerencultuur, populaire cultuur en media. Hoewel deze ontwikkeling
reeds een aantal jaren gaande is, kent Nederland een geringe infrastructuur op dit gebied. Dit beperkt naar haar mening de ontwikkeling van aankomende groepen en makers binnen dit genre.
Met haar eigen opleiding heeft ISH volgens de commissie een belangrijke ontwikkelingsfunctie
voor nieuw danstalent met een gemêleerde culturele en sociale achtergrond. De verbinding
met het gezelschap is daarbij vanuit het oogpunt van doorstroming essentieel voor zowel beginnende makers als performers. Daarnaast heeft de commissie waardering voor het feit dat ISH ook steeds meer als bruggenbouwer fungeert richting het gevestigde podiumkunstenlandschap,
zonder daarbij haar artistieke en sociale ‘roots’ uit het oog te verliezen.
De commissie staat kritisch tegenover de artistieke kwaliteit van de theatervoorstellingen van ISH. Deze worden naar haar mening nog te zeer gekenmerkt door het spektakelgehalte van het werk waarmee de groep in zijn beginjaren naam heeft weten te maken.
Om die reden is de commissie positief dat ISH in het beleidsplan voor 2009-2012 blijk geeft van zelfreflectie. De analyse dat de snelle, succesvolle opmars van ISH belemmerend heeft gewerkt voor de artistieke ontwikkeling van Marco Gerris, wordt door haar gedeeld.
De commissie kan zich vinden in de gekozen ontwikkelingsrichting op het gebied van theaterdramaturgie,
choreografie en in verdere uitwerking van verbindingen met gevestigde kunstvormen. De samenstelling van een artistiek team dat Marco Gerris hierbij kan voeden is in dat opzicht volgens haar een logische volgende stap. Daarbij heeft de commissie er vertrouwen
in dat Marco Gerris de wil heeft om in artistiek opzicht nieuwe paden in te slaan en verder te werken aan zijn choreografisch vakmanschap. Zij stelt evenwel dat dit vertrouwen in de eerste plaats voortkomt uit de ontwikkelingsdrang die Marco Gerris in het afgelopen jaar met zijn producties heeft laten zien. Artistiek-inhoudelijk is het beleidsplan van ISH mager; een persoonlijke visie van Marco Gerris komt weinig overtuigend naar voren en ook wordt er weinig concreet houvast geboden voor de invalshoeken en thematiek van de voorstellingen
in de periode 2009-2012.
De commissie is positief over de wijze waarop ISH zich tot nu toe op internationaal gebied heeft weten te profileren. Hoewel in de aanvraag geen uitgewerkte internationale activiteiten
voor de periode 2009-2012 zijn opgenomen, is de commissie ervan overtuigd dat de organisatie
zich met de continuering van haar beleid dat gericht is op de Europese en Amerikaanse markt, verder zal weten te profileren.
Het publiek van ISH is groot, uitgesproken jong en cultureel divers, en van een totaal andere orde dan het publiek van de andere rijksgesubsidieerde dansgezelschappen. De commissie vindt het dan ook merkwaardig dat in het beleidsplan geen specifieke aandacht wordt besteed aan publieksbereik en -ontwikkeling of de rol die marketing in dit opzicht speelt in het beleid van ISH. Temeer daar het gezelschap in de huidige cultuurnotaperiode heeft aangetoond
dat het mogelijk is om met beperkte subsidiemiddelen een vaste plaats te verwerven
binnen het Nederlandse podiumaanbod.
De claim van ISH dat voor de verdere artistieke ontwikkeling meer financiële ruimte nodig is, is naar de mening van de commissie legitiem, aangezien deze niet alleen door ad hoc samenwerking met andere dansinstellingen bewerkstelligd kan worden, maar juist verankerd
dient te worden binnen de eigen organisatie.
De gevraagde subsidieverhoging acht de commissie evenwel niet in verhouding met de beperkte uitwerking van de plannen in onder meer artistiek opzicht, en de uiteenlopende kwaliteit van de voorstellingen tot nu toe. Toch vindt de commissie het essentieel dat Marco Gerris in de gelegenheid wordt gesteld om verder te werken aan zijn individuele artistieke ontwikkeling. Tegelijkertijd beschouwt zij ISH ook als een goede ontwikkelingsplek voor choreografen op het gebied van ‘eigentijdse, op urban arts en jongerencultuur geïnspireerde theaterdans’ van buiten de eigen organisatie. Aangezien de organisatie in haar beleidsplan aangeeft een dergelijke rol te willen vervullen, gaat de commissie ervan uit dat ISH in een aanvullend plan nadere uitwerking zal weten te geven aan haar verantwoordelijkheid op dit vlak.
Conclusie en advies
ISH neemt met haar energieke, eigentijdse voorstellingen volgens de commissie een eigen plek in binnen het Nederlandse danslandschap. Het gezelschap werkt als een katalysator voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van dans binnen een cultureel divers idioom. Vanwege de eigen opleiding heeft ISH een belangrijke ontwikkelingsfunctie voor nieuw danstalent.
De commissie heeft waardering voor het ondernemerschap van ISH, waarmee de organisatie
heeft aangetoond in staat te zijn om met beperkte subsidiemiddelen een vaste plaats te verwerven binnen het Nederlandse podiumkunstenaanbod. De gevraagde subsidieverhoging
acht de commissie evenwel niet in verhouding met de beperkte artistieke uitwerking van het beleidsplan en het wisselende niveau van de voorstellingen tot nu toe.
De commissie staat kritisch tegenover de artistieke ontwikkeling van Marco Gerris, maar is van mening dat het beleidsplan voldoende basis biedt om vertrouwen te kunnen hebben in diens verdere groei. Daarnaast beschouwt de commissie ISH als een goede ontwikkelingsplek
voor choreografen van buiten de eigen organisatie.
Op grond van het bovenstaande ziet de commissie voldoende aanknopingspunten om deze aanvraag in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 ter honorering voor te dragen voor een bedrag van € 600.000 onder voorwaarde van een aanvullend artistiek plan.
ISH omschrijft zichzelf als een theaterorganisatie die op een bijzondere manier aansluit bij de jongerencultuur en zich daarmee richt op een publiek dat vrijwel niet door het reguliere podiumaanbod wordt bereikt. ISH brengt cultuur van de straat en maakt daarbij gebruik van disciplines als breakdance, streetdance, hiphop, skaten en verschillende sporten waaronder martial arts. De voorstellingen van artistiek leider Marco Gerris leiden volgens ISH tot een nieuwe vorm van eigentijds bewegingstheater, die goed aanslaat bij de ‘MTV-generatie’.
Het ISH-Institute, het opleidingsdeel van de organisatie, fungeert als broedplaats voor jong talent dat kan doorstromen naar het hoofdgezelschap en heeft daarnaast ook een sociaal-culturele doelstelling, waarbij jongeren door middel van workshops, lessen en schoolprojecten
kennis maken met podiumkunst.
ISH wil zich in de periode 2009-2012 richten op de eigen artistieke verdieping. Tot dusverre brachten de voorstellingen van ISH hoofdzakelijk een breed palet van spectaculaire straatkunsten,
met een summiere verhaallijn. Het succes van de ‘ISH-formule’ heeft volgens het gezelschap in de afgelopen jaren een zware wissel getrokken op artistiek leider Marco Gerris en de eigen organisatie. Hierdoor bestond er onvoldoende ruimte om de zeggingskracht
van het eigen idioom te laten groeien. Om de eigen theatertaal van het gezelschap verder te kunnen ontwikkelen, wil ISH een inhaalslag maken op het gebied van theaterdramaturgie
en choreografie. Hiertoe wil zij een team van artistieke ‘raadslieden’ aantrekken, een vast ensemble formeren en het eigen opleidingsinstituut versterken. Op artistiek gebied wordt gestreefd naar cross-overs waarbij de eigen inbreng van de straat- en ‘zapcultuur’ binnen de gevestigde, meer klassieke podiumkunsten, zoals toneel, klassieke en moderne dans en werelddans, leidt tot wederzijdse inspiratie en vernieuwing.
Jaarlijks wil ISH drie producties uitbrengen verdeeld over grote podia en kleinere zalen. Waarbij de kleine zaalproducties zowel aankomend talent uit ‘eigen kweek’ als ‘van buiten’ de gelegenheid bieden om zich te presenteren. De grote zaal producties worden ontwikkeld voor zowel de binnen- als buitenlandse podia. Door te werken met een vast ensemble wil ISH inzetten op repertoirevorming, waarbij succesvolle voorstellingen kunnen worden hernomen
of langer worden doorgespeeld. Internationale activiteiten in Europa en de Verenigde Staten blijven een vast onderdeel van het beleid van ISH, mede als platform voor artistieke samenwerking en uitwisseling.
In organisatorisch en zakelijk opzicht wil ISH zich de komende jaren verder structureren volgens de richtlijnen van ‘Cultural Governance’.
ISH ontvangt een structurele subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het gezelschap
ontving in de afgelopen vier jaar meerdere malen een bijdrage van het voormalige FAPK voor de internationale activiteiten.
Beoordeling
ISH is met haar energieke, eigentijdse voorstellingen volgens de commissie niet meer weg te denken uit het Nederlandse danstheaterlandschap. Het gezelschap werkt als een katalysator voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van dans binnen een cultureel divers idioom, geïnspireerd op urban arts, jongerencultuur, populaire cultuur en media. Hoewel deze ontwikkeling
reeds een aantal jaren gaande is, kent Nederland een geringe infrastructuur op dit gebied. Dit beperkt naar haar mening de ontwikkeling van aankomende groepen en makers binnen dit genre.
Met haar eigen opleiding heeft ISH volgens de commissie een belangrijke ontwikkelingsfunctie
voor nieuw danstalent met een gemêleerde culturele en sociale achtergrond. De verbinding
met het gezelschap is daarbij vanuit het oogpunt van doorstroming essentieel voor zowel beginnende makers als performers. Daarnaast heeft de commissie waardering voor het feit dat ISH ook steeds meer als bruggenbouwer fungeert richting het gevestigde podiumkunstenlandschap,
zonder daarbij haar artistieke en sociale ‘roots’ uit het oog te verliezen.
De commissie staat kritisch tegenover de artistieke kwaliteit van de theatervoorstellingen van ISH. Deze worden naar haar mening nog te zeer gekenmerkt door het spektakelgehalte van het werk waarmee de groep in zijn beginjaren naam heeft weten te maken.
Om die reden is de commissie positief dat ISH in het beleidsplan voor 2009-2012 blijk geeft van zelfreflectie. De analyse dat de snelle, succesvolle opmars van ISH belemmerend heeft gewerkt voor de artistieke ontwikkeling van Marco Gerris, wordt door haar gedeeld.
De commissie kan zich vinden in de gekozen ontwikkelingsrichting op het gebied van theaterdramaturgie,
choreografie en in verdere uitwerking van verbindingen met gevestigde kunstvormen. De samenstelling van een artistiek team dat Marco Gerris hierbij kan voeden is in dat opzicht volgens haar een logische volgende stap. Daarbij heeft de commissie er vertrouwen
in dat Marco Gerris de wil heeft om in artistiek opzicht nieuwe paden in te slaan en verder te werken aan zijn choreografisch vakmanschap. Zij stelt evenwel dat dit vertrouwen in de eerste plaats voortkomt uit de ontwikkelingsdrang die Marco Gerris in het afgelopen jaar met zijn producties heeft laten zien. Artistiek-inhoudelijk is het beleidsplan van ISH mager; een persoonlijke visie van Marco Gerris komt weinig overtuigend naar voren en ook wordt er weinig concreet houvast geboden voor de invalshoeken en thematiek van de voorstellingen
in de periode 2009-2012.
De commissie is positief over de wijze waarop ISH zich tot nu toe op internationaal gebied heeft weten te profileren. Hoewel in de aanvraag geen uitgewerkte internationale activiteiten
voor de periode 2009-2012 zijn opgenomen, is de commissie ervan overtuigd dat de organisatie
zich met de continuering van haar beleid dat gericht is op de Europese en Amerikaanse markt, verder zal weten te profileren.
Het publiek van ISH is groot, uitgesproken jong en cultureel divers, en van een totaal andere orde dan het publiek van de andere rijksgesubsidieerde dansgezelschappen. De commissie vindt het dan ook merkwaardig dat in het beleidsplan geen specifieke aandacht wordt besteed aan publieksbereik en -ontwikkeling of de rol die marketing in dit opzicht speelt in het beleid van ISH. Temeer daar het gezelschap in de huidige cultuurnotaperiode heeft aangetoond
dat het mogelijk is om met beperkte subsidiemiddelen een vaste plaats te verwerven
binnen het Nederlandse podiumaanbod.
De claim van ISH dat voor de verdere artistieke ontwikkeling meer financiële ruimte nodig is, is naar de mening van de commissie legitiem, aangezien deze niet alleen door ad hoc samenwerking met andere dansinstellingen bewerkstelligd kan worden, maar juist verankerd
dient te worden binnen de eigen organisatie.
De gevraagde subsidieverhoging acht de commissie evenwel niet in verhouding met de beperkte uitwerking van de plannen in onder meer artistiek opzicht, en de uiteenlopende kwaliteit van de voorstellingen tot nu toe. Toch vindt de commissie het essentieel dat Marco Gerris in de gelegenheid wordt gesteld om verder te werken aan zijn individuele artistieke ontwikkeling. Tegelijkertijd beschouwt zij ISH ook als een goede ontwikkelingsplek voor choreografen op het gebied van ‘eigentijdse, op urban arts en jongerencultuur geïnspireerde theaterdans’ van buiten de eigen organisatie. Aangezien de organisatie in haar beleidsplan aangeeft een dergelijke rol te willen vervullen, gaat de commissie ervan uit dat ISH in een aanvullend plan nadere uitwerking zal weten te geven aan haar verantwoordelijkheid op dit vlak.
Conclusie en advies
ISH neemt met haar energieke, eigentijdse voorstellingen volgens de commissie een eigen plek in binnen het Nederlandse danslandschap. Het gezelschap werkt als een katalysator voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van dans binnen een cultureel divers idioom. Vanwege de eigen opleiding heeft ISH een belangrijke ontwikkelingsfunctie voor nieuw danstalent.
De commissie heeft waardering voor het ondernemerschap van ISH, waarmee de organisatie
heeft aangetoond in staat te zijn om met beperkte subsidiemiddelen een vaste plaats te verwerven binnen het Nederlandse podiumkunstenaanbod. De gevraagde subsidieverhoging
acht de commissie evenwel niet in verhouding met de beperkte artistieke uitwerking van het beleidsplan en het wisselende niveau van de voorstellingen tot nu toe.
De commissie staat kritisch tegenover de artistieke ontwikkeling van Marco Gerris, maar is van mening dat het beleidsplan voldoende basis biedt om vertrouwen te kunnen hebben in diens verdere groei. Daarnaast beschouwt de commissie ISH als een goede ontwikkelingsplek
voor choreografen van buiten de eigen organisatie.
Op grond van het bovenstaande ziet de commissie voldoende aanknopingspunten om deze aanvraag in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 ter honorering voor te dragen voor een bedrag van € 600.000 onder voorwaarde van een aanvullend artistiek plan.
dans
Toegekend bedrag:
€ 629.126,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 629.126,- (per jaar)
Stichting Its Festival
ITs Festival
Inleiding
Het tiendaagse Internationaal Theaterschool Festival, kortweg ITs Festival, bestaat in 2009 twintig jaar en vindt plaats in Amsterdam. Het festival presenteert het net afgestudeerde theatertalent
van de HBO-erkende Nederlandse en buitenlandse kunstvakopleidingen. Naast alle klassikale afstudeerproducties van de Nederlandse en Vlaamse theater- en dansopleidingen is er ruimte voor een selectie van eigen werk. Het festival vervult een schakelfunctie tussen het kunstvakonderwijs en de beroepspraktijk en beoogt een (inter)nationaal platform te zijn dat leidt tot bevordering van artistieke uitwisseling en ontmoeting, nieuwe (inter)nationale samenwerkingsverbanden en bevordering van doorstroom naar de beroepspraktijk
De missie van het ITs Festival is het vernieuwen en versterken van de professionele theaterwereld
in Nederland door het bieden van ontplooiingskansen aan jong talent. De afgelopen
jaren heeft het festival de banden met de scholen hersteld, de programmering inhoudelijk en organisatorisch aangescherpt en nieuwe studenteninitiatieven ondersteund. Ook zijn er meer prijzen te winnen en is een start gemaakt met een talentontwikkelingsprogramma.
Het festival heeft voor de komende periode de ambitie om uit te groeien tot het meest belangwekkende theaterstudentenfestival van Europa, waar scholen, studenten en een internationaal vakpubliek bijeenkomen. In Europa richt het ITs Festival zich op samenwerkingsverbanden
met hooggewaardeerde opleidingen en theaters in België, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Engeland. Selectiecriteria zijn kwaliteit, vakmanschap en het cultuureigen karakter van voorstellingen, geworteld in eigen theater en denktradities. Buiten
de Europese landen richt het festival zich op de samenwerking met theatermakers en opleidingen uit andere werelddelen. Bij de keuze speelt, behalve artistieke kwaliteit, de ontmoeting
tussen culturen een belangrijke rol.
ITs organiseert in samenwerking met onder andere Netwerk CS en Kunstenaars&Co talentontwikkelingsprogramma´s, die tot doel hebben de culturele diversiteit in het kunstvakonderwijs
en de professionele theaterwereld in Nederland te vergroten.
De communicatiestrategie van het festival is primair gericht op het bereiken van nieuwe doelgroepen. Randvoorwaarde is dat bestaande doelgroepen niet van het festival vervreemden
en zichzelf blijven herkennen.
De begroting stijgt van € 416.141 in 2006 naar € 784.500 in 2009.
ITs Festival heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Het festival is in de afgelopen jaren ondersteund vanuit de voormalige
fondsen FPPM en FAPK, deels vanuit een discretionair budget, deels voor specifieke (internationale) projecten.
Beoordeling
Het ITs festival is het enige landelijke festival dat afstuderende theaterschoolstudenten de gelegenheid biedt zich te presenteren aan het publiek. Dat vindt de commissie de kracht en het bestaansrecht van dit festival. Vier jaar geleden raakte het festival zijn structurele subsidie
kwijt omdat de Raad voor Cultuur het de organisatie onder meer aanrekende dat de band met de theateropleidingen zoek was. Aan die kritiek is de organisatie in de afgelopen periode grotendeels tegemoet gekomen. De commissie waardeert het dat de nieuwe artistieke
leiding alle HBO-opleidingen weer bij het festival heeft weten te betrekken. Het festival geeft zo een compleet beeld van de nieuwe lichting afgestudeerden. De commissie is ook positief ten aanzien van de veranderingen in de presentatie van de voorstellingen. Door bundeling van de verschillende disciplines in een kortere periode heeft de organisatie de overzichtelijkheid van de programmering vergroot.
De commissie vindt het beleidsplan gedegen en specifiek waar het gaat over internationale en culturele diversiteit. Het ITs festival heeft een brede internationale focus en koppelt daaraan nadrukkelijk aandacht voor interculturele dialoog. De commissie waardeert het streven van ITs om in de komende jaren niet alleen te focussen op Europese landen maar ook meer samenwerkingsverbanden op te zetten met theatermakers en opleidingen in andere werelddelen.
Wel is de commissie van mening dat het meerjarenplan in de huidige vorm een veel scherpere focus nodig heeft. Het plan is nu zo veelomvattend dat de commissie geen basis kan vinden om de gewenste internationale component op structurele basis te honoreren.
Culturele diversiteit krijgt in het beleidsplan niet alleen gestalte in de vorm van internationalisering
maar ook in de aandacht voor talent dat afkomstig is van Nederlandse bodem en dat een dubbele culturele achtergrond heeft. De visie waarmee de organisatie dit onderwerp tegemoet treedt, vindt de commissie tweeslachtig: zo stellig en streng als het ITs Festival is in zijn keuze voor de kunstvakinstellingen waarmee het in zee gaat, zo ambivalent is het festival
aangaande de kwaliteitseisen die gesteld worden aan het cultureel diverse talent. In de aanvraag wordt niet verwoord waarom in deze verschillende beleidslijnen worden gevolgd.
Kritisch oordeelt de commissie ook over een aantal vooronderstellingen in het beleidsplan. Zo vindt de commissie dat het ITs Festival zijn rol als springplank voor jong talent overschat. De commissie merkt op dat gezelschappen en productiehuizen jong talent al in een veel eerder
stadium scouten. ITs markeert het eindpunt van het ontwikkelingstraject van jong talent en speelt volgens de commissie zelf geen rol van betekenis voor het ‘vernieuwen en versterken
van de professionele theaterwereld in Nederland’.
De begroting weerspiegelt deze onrealistische ambities. Voor het onderdeel publiciteit - inclusief
een formatie van 1,8 fte op jaarbasis – staat meer dan € 200.000 op de begroting. Met dit bedrag wil het festival per saldo € 10.000 aan extra opbrengsten genereren.De commissie constateert
dat deze kosten niet in verhouding staan tot de opbrengst. Dit wringt des te meer omdat de commissie de haalbaarheid van de geambieerde groei van een ‘incrowdfestival met een relatief smalle publieksopbouw’ naar een breder publieksfestival gering acht. Ook de zware concurrentie van andere festivals in Amsterdam in dezelfde periode maakt het onaannemelijk
dat de door aanvrager verwachte zeer substantiële publieksgroei haalbaar is.
Ten slotte is de commissie van oordeel dat de financiële bijdrage van de opleidingen aan het ITs Festival onvoldoende is. Het opnemen van het festival in het curriculum van de scholen en het afnemen van een aantal festivalpassepartouts vindt de commissie beslist niet genoeg voor een evenement dat een visitekaartje is voor de scholen waarmee het onlosmakelijk verbonden
is.
Conclusie en advies
De commissie constateert, dat het ITs Festival de banden met de theateropleidingen heeft hersteld, een duidelijker beleid op artistiek gebied heeft en een functie in het discours vervult.
De commissie vindt ITs van belang als ontmoetingsplaats en gebundelde presentatie, maar is ook van mening dat niet al zijn pretenties en ambities haalbaar of noodzakelijk zijn. De verwachte publieksgroei is niet realistisch en de visie op culturele diversiteit is ambivalent.
De commissie adviseert de organisatie het beleidsplan te laten bijstellen op het punt van de internationale component van het festival. De commissie adviseert om het ITs Festival
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 ten behoeve van de presenterende kerntaak.
Het tiendaagse Internationaal Theaterschool Festival, kortweg ITs Festival, bestaat in 2009 twintig jaar en vindt plaats in Amsterdam. Het festival presenteert het net afgestudeerde theatertalent
van de HBO-erkende Nederlandse en buitenlandse kunstvakopleidingen. Naast alle klassikale afstudeerproducties van de Nederlandse en Vlaamse theater- en dansopleidingen is er ruimte voor een selectie van eigen werk. Het festival vervult een schakelfunctie tussen het kunstvakonderwijs en de beroepspraktijk en beoogt een (inter)nationaal platform te zijn dat leidt tot bevordering van artistieke uitwisseling en ontmoeting, nieuwe (inter)nationale samenwerkingsverbanden en bevordering van doorstroom naar de beroepspraktijk
De missie van het ITs Festival is het vernieuwen en versterken van de professionele theaterwereld
in Nederland door het bieden van ontplooiingskansen aan jong talent. De afgelopen
jaren heeft het festival de banden met de scholen hersteld, de programmering inhoudelijk en organisatorisch aangescherpt en nieuwe studenteninitiatieven ondersteund. Ook zijn er meer prijzen te winnen en is een start gemaakt met een talentontwikkelingsprogramma.
Het festival heeft voor de komende periode de ambitie om uit te groeien tot het meest belangwekkende theaterstudentenfestival van Europa, waar scholen, studenten en een internationaal vakpubliek bijeenkomen. In Europa richt het ITs Festival zich op samenwerkingsverbanden
met hooggewaardeerde opleidingen en theaters in België, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Engeland. Selectiecriteria zijn kwaliteit, vakmanschap en het cultuureigen karakter van voorstellingen, geworteld in eigen theater en denktradities. Buiten
de Europese landen richt het festival zich op de samenwerking met theatermakers en opleidingen uit andere werelddelen. Bij de keuze speelt, behalve artistieke kwaliteit, de ontmoeting
tussen culturen een belangrijke rol.
ITs organiseert in samenwerking met onder andere Netwerk CS en Kunstenaars&Co talentontwikkelingsprogramma´s, die tot doel hebben de culturele diversiteit in het kunstvakonderwijs
en de professionele theaterwereld in Nederland te vergroten.
De communicatiestrategie van het festival is primair gericht op het bereiken van nieuwe doelgroepen. Randvoorwaarde is dat bestaande doelgroepen niet van het festival vervreemden
en zichzelf blijven herkennen.
De begroting stijgt van € 416.141 in 2006 naar € 784.500 in 2009.
ITs Festival heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Het festival is in de afgelopen jaren ondersteund vanuit de voormalige
fondsen FPPM en FAPK, deels vanuit een discretionair budget, deels voor specifieke (internationale) projecten.
Beoordeling
Het ITs festival is het enige landelijke festival dat afstuderende theaterschoolstudenten de gelegenheid biedt zich te presenteren aan het publiek. Dat vindt de commissie de kracht en het bestaansrecht van dit festival. Vier jaar geleden raakte het festival zijn structurele subsidie
kwijt omdat de Raad voor Cultuur het de organisatie onder meer aanrekende dat de band met de theateropleidingen zoek was. Aan die kritiek is de organisatie in de afgelopen periode grotendeels tegemoet gekomen. De commissie waardeert het dat de nieuwe artistieke
leiding alle HBO-opleidingen weer bij het festival heeft weten te betrekken. Het festival geeft zo een compleet beeld van de nieuwe lichting afgestudeerden. De commissie is ook positief ten aanzien van de veranderingen in de presentatie van de voorstellingen. Door bundeling van de verschillende disciplines in een kortere periode heeft de organisatie de overzichtelijkheid van de programmering vergroot.
De commissie vindt het beleidsplan gedegen en specifiek waar het gaat over internationale en culturele diversiteit. Het ITs festival heeft een brede internationale focus en koppelt daaraan nadrukkelijk aandacht voor interculturele dialoog. De commissie waardeert het streven van ITs om in de komende jaren niet alleen te focussen op Europese landen maar ook meer samenwerkingsverbanden op te zetten met theatermakers en opleidingen in andere werelddelen.
Wel is de commissie van mening dat het meerjarenplan in de huidige vorm een veel scherpere focus nodig heeft. Het plan is nu zo veelomvattend dat de commissie geen basis kan vinden om de gewenste internationale component op structurele basis te honoreren.
Culturele diversiteit krijgt in het beleidsplan niet alleen gestalte in de vorm van internationalisering
maar ook in de aandacht voor talent dat afkomstig is van Nederlandse bodem en dat een dubbele culturele achtergrond heeft. De visie waarmee de organisatie dit onderwerp tegemoet treedt, vindt de commissie tweeslachtig: zo stellig en streng als het ITs Festival is in zijn keuze voor de kunstvakinstellingen waarmee het in zee gaat, zo ambivalent is het festival
aangaande de kwaliteitseisen die gesteld worden aan het cultureel diverse talent. In de aanvraag wordt niet verwoord waarom in deze verschillende beleidslijnen worden gevolgd.
Kritisch oordeelt de commissie ook over een aantal vooronderstellingen in het beleidsplan. Zo vindt de commissie dat het ITs Festival zijn rol als springplank voor jong talent overschat. De commissie merkt op dat gezelschappen en productiehuizen jong talent al in een veel eerder
stadium scouten. ITs markeert het eindpunt van het ontwikkelingstraject van jong talent en speelt volgens de commissie zelf geen rol van betekenis voor het ‘vernieuwen en versterken
van de professionele theaterwereld in Nederland’.
De begroting weerspiegelt deze onrealistische ambities. Voor het onderdeel publiciteit - inclusief
een formatie van 1,8 fte op jaarbasis – staat meer dan € 200.000 op de begroting. Met dit bedrag wil het festival per saldo € 10.000 aan extra opbrengsten genereren.De commissie constateert
dat deze kosten niet in verhouding staan tot de opbrengst. Dit wringt des te meer omdat de commissie de haalbaarheid van de geambieerde groei van een ‘incrowdfestival met een relatief smalle publieksopbouw’ naar een breder publieksfestival gering acht. Ook de zware concurrentie van andere festivals in Amsterdam in dezelfde periode maakt het onaannemelijk
dat de door aanvrager verwachte zeer substantiële publieksgroei haalbaar is.
Ten slotte is de commissie van oordeel dat de financiële bijdrage van de opleidingen aan het ITs Festival onvoldoende is. Het opnemen van het festival in het curriculum van de scholen en het afnemen van een aantal festivalpassepartouts vindt de commissie beslist niet genoeg voor een evenement dat een visitekaartje is voor de scholen waarmee het onlosmakelijk verbonden
is.
Conclusie en advies
De commissie constateert, dat het ITs Festival de banden met de theateropleidingen heeft hersteld, een duidelijker beleid op artistiek gebied heeft en een functie in het discours vervult.
De commissie vindt ITs van belang als ontmoetingsplaats en gebundelde presentatie, maar is ook van mening dat niet al zijn pretenties en ambities haalbaar of noodzakelijk zijn. De verwachte publieksgroei is niet realistisch en de visie op culturele diversiteit is ambivalent.
De commissie adviseert de organisatie het beleidsplan te laten bijstellen op het punt van de internationale component van het festival. De commissie adviseert om het ITs Festival
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 ten behoeve van de presenterende kerntaak.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 104.709,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 104.709,- (per jaar)
Stichting Ives Ensemble
Inleiding
Het Ives Ensemble (IE) typeert zichzelf als muziekgezelschap dat zich exclusief richt op het uitvoeren
van ongedirigeerde, niet-bewerkte kamermuziek uit de twintigste en eenentwintigste eeuw. Boegbeeld
van het ensemble is de Amerikaanse componist Charles Ives (1874-1954). Binnen het artistieke profiel
van het IE staan de begrippen kwaliteit, vernieuwing en uniciteit centraal. De doelstelling van het
ensemble is als volgt: ‘Het Ives Ensemble presenteert programma's voor eenieder die zich interesseert
voor kamermuziek uit de twintigste en eenentwintigste eeuw, nieuwe muziektheaterproducties, de
jongste ontwikkelingen binnen het hedendaagse componeren, en combinaties van muziek met andere
disciplines'.
Tot de activiteiten van het IE behoren concerten op muziekpodia in heel Nederland, het vervaardigen
van compactdiscs voor de internationale markt en concerten op gerenommeerde festivals in binnen- en
buitenland. Volgens het ensemble is er een evidente rol voor IE weggelegd met betrekking tot de
instandhouding van het specifieke terrein van de ongedirigeerde kamermuziek. Het ensemble is
voornemens een effectief beleid te ontwikkelen ten aanzien van publieksontwikkeling en
publieksbereik. Het is hier dat het IE een grote sprong voorwaarts wil maken middels concrete
beleidsvoornemens en uitbreiding van personele bezetting. Het IE ziet een vierjarige subsidie als de
meest geëigende vorm om ‘de relatie met podia en festivals op langere termijn te consolideren, om een
meerjarenplanning op promotie- en marketinggebied optimaal uit te voeren, en om het artistiek beleid
over een zo lang mogelijke periode te kunnen plannen'.
Het Ives Ensemble ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het Ives Ensemble
is incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Het Ives Ensemble voert de gepresenteerde - en vaak bijzondere - programma's volgens de
commissie op een hoog niveau uit. In de helder geformuleerde aanvraag stelt de instelling zich voor als
een eigenzinnig en avontuurlijk muziekgezelschap binnen het Nederlandse ensemblelandschap. De
commissie is echter van mening dat de plannen van het Ives Ensemble bevlogenheid en nieuwe
artistieke invalshoeken ontberen. Hoewel het repertoire dat door het Ives Ensemble wordt uitgevoerd,
door weinig andere ensembles op de Nederlandse podia wordt gepresenteerd, is de commissie van
mening dat in het nu voorliggende beleidsplan eerder wordt voortgeborduurd op reeds gepresenteerde
projecten dan dat het Ives Ensemble de beoogde vernieuwing gestalte geeft. De door het Ives
Ensemble zelf opgelegde missie om een eigenzinnige en avontuurlijke koers te varen, komt niet
overtuigend uit de verf. De commissie plaatst derhalve vraagtekens bij de wijze waarop het ensemble
de toekomst beschrijft. Vanwege de kwaliteit van de activiteiten en de huidige onderscheidende positie
die het Ives Ensemble in het muziekbestel bekleedt, is de adviescommissie desondanks voldoende
overtuigd van de bijdrage die het Ives Ensemble levert aan de diversiteit van het Nederlandse aanbod.
De commissie is van mening dat het cultureel ondernemerschap en de bedrijfsvoering van het Ives
Ensemble te wensen overlaat. In de aanvraag wordt geen gedegen beleid geformuleerd om de eigen
inkomsten te vergroten. Hoewel de commissie de inspanning van het Ives Ensemble waardeert om
elke productie meer dan eens uit te voeren, stelt zij vast dat de publieksinkomsten in haar ogen
achterblijven bij de positie van het ensemble. De commissie onderschrijft verder het voornemen van
het Ives Ensemble vaker in het buitenland op te treden, maar constateert dat een beleid ontbreekt. De
ambitie van het ensemble is erg bescheiden, zeker in vergelijking met de positie die het Ives Ensemble
volgens eigen zeggen inneemt. Door een actiever cultureel ondernemerschap zou het Ives Ensemble,
dat zichzelf betitelt als een “exportproduct bij uitstek” en als een ensemble dat een belangrijke bijdrage
levert aan de internationale markt, meer kunnen bereiken.
De verhoging van subsidie die het Ives Ensemble vraagt, wordt vrijwel in het geheel aangewend om de
organisatie te versterken en een marketingplan uit te voeren. Hoewel het Ives Ensemble opmerkt dat
uitbreiding van de organisatie noodzakelijk is om “tevredenstellend de artistieke doelstellingen te
realiseren”, heeft het beleidsplan de commissie niet overtuigd van de noodzaak om de helft van het
budget te besteden aan het in stand houden van de eigen organisatie. De verhoging wordt gevraagd
voor het realiseren van het “driesporenbeleid” betreffende publieksbereik- en ontwikkeling, de ambities
op het vlak van internationalisering en het corrigeren van het huidige tekort in ondersteunend
personeel. Het beleid met betrekking tot het publieksbereik- en ontwikkeling en de gewenste uitvoering
van marketingbeleid berust in de ogen van de commissie teveel op voornemens om hiervoor een
subsidieverhoging toe te kennen. Het Ives Ensemble heeft het gerenommeerde bureau Winkelman en Van Hessen benaderd met de vraag of het bereid is een beleid te ontwikkelen. Daarmee toont het Ives
Ensemble zich te weinig actief. Bovendien is de commissie van mening dat in de aanvraag een
noodzakelijk geachte koppeling tussen kosten voor het te ontwikkelen beleid en het gewenste resultaat
ontbreekt. Het Ives Ensemble voorziet de komende periode in hoge kosten voor het opzetten en
realiseren van het marketingbeleid, terwijl de toename van publiek en publieksinkomsten daarmee
volstrekt niet in verhouding staan. De begrote beheerlasten voor 2009 zijn meer dan verdubbeld ten
opzichte van 2006, terwijl geen stijging van het aantal concerten wordt voorzien. De commissie ziet
daarom, en zeker gelet op het feit dat een uitgewerkt beleid voor internationale producties ontbreekt,
geen aanleiding voor de ambities op het vlak van internationalisering extra subsidie te verlenen. Naast
het gelijkblijvende aantal concerten worden wel vijf luistercursussen en een cd-opname ingepland. De
educatieve activiteiten worden volgens de aanvraag echter grotendeels bekostigd door de
samenwerkende partners en door fondsenwerving, cd-opnames vonden verder in de afgelopen
periode ook reeds plaats. Daarnaast wordt de bijdrage voor opera’s verviervoudigd zonder dat dit door
het Ives Ensemble artistiek-inhoudelijk en begrotingsgewijs wordt toegelicht, zodat de
adviescommissie over deze gevraagde subsidieverhoging evenmin een positief oordeel kan geven.
Ook voor de derde pijler van het “driesporenbeleid”, extra ondersteunend personeel, ziet de commissie
geen noodzaak tot verstrekking van extra middelen. De commissie meent dat het Ives Ensemble met
het huidige budget in staat zou moeten zijn de beoogde activiteiten te realiseren. Dat geldt zeker,
indien een actiever cultureel ondernemerschap wordt gevoerd, waardoor de eigen inkomsten kunnen
worden verhoogd.
Gezien bovenstaande kritiekpunten adviseert de commissie geen verhoging van het huidige
subsidieniveau toe te kennen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat het Ives Ensemble een onderscheidende positie inneemt in het
Nederlandse muziekbestel. En hoewel zij enige kritische kanttekeningen plaatst bij de in het
beleidsplan voorgestelde artistieke ontwikkeling, heeft zij voldoende vertrouwen dat het ensemble deze
positie zal blijven innemen. De commissie is echter van mening dat de bedrijfsvoering en het cultureel
ondernemerschap van het Ives Ensemble niet door een gedegen beleid worden onderbouwd en zij
vindt bovendien dat het een inefficiënte inzet van middelen vergt. De commissie is daarom niet
overtuigd van de noodzaak het subsidie te verhogen. De commissie adviseert het IE op te nemen in de
regeling Vierjarige subsidies Podiumkunsten 2009-2012.
Het Ives Ensemble (IE) typeert zichzelf als muziekgezelschap dat zich exclusief richt op het uitvoeren
van ongedirigeerde, niet-bewerkte kamermuziek uit de twintigste en eenentwintigste eeuw. Boegbeeld
van het ensemble is de Amerikaanse componist Charles Ives (1874-1954). Binnen het artistieke profiel
van het IE staan de begrippen kwaliteit, vernieuwing en uniciteit centraal. De doelstelling van het
ensemble is als volgt: ‘Het Ives Ensemble presenteert programma's voor eenieder die zich interesseert
voor kamermuziek uit de twintigste en eenentwintigste eeuw, nieuwe muziektheaterproducties, de
jongste ontwikkelingen binnen het hedendaagse componeren, en combinaties van muziek met andere
disciplines'.
Tot de activiteiten van het IE behoren concerten op muziekpodia in heel Nederland, het vervaardigen
van compactdiscs voor de internationale markt en concerten op gerenommeerde festivals in binnen- en
buitenland. Volgens het ensemble is er een evidente rol voor IE weggelegd met betrekking tot de
instandhouding van het specifieke terrein van de ongedirigeerde kamermuziek. Het ensemble is
voornemens een effectief beleid te ontwikkelen ten aanzien van publieksontwikkeling en
publieksbereik. Het is hier dat het IE een grote sprong voorwaarts wil maken middels concrete
beleidsvoornemens en uitbreiding van personele bezetting. Het IE ziet een vierjarige subsidie als de
meest geëigende vorm om ‘de relatie met podia en festivals op langere termijn te consolideren, om een
meerjarenplanning op promotie- en marketinggebied optimaal uit te voeren, en om het artistiek beleid
over een zo lang mogelijke periode te kunnen plannen'.
Het Ives Ensemble ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het Ives Ensemble
is incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Het Ives Ensemble voert de gepresenteerde - en vaak bijzondere - programma's volgens de
commissie op een hoog niveau uit. In de helder geformuleerde aanvraag stelt de instelling zich voor als
een eigenzinnig en avontuurlijk muziekgezelschap binnen het Nederlandse ensemblelandschap. De
commissie is echter van mening dat de plannen van het Ives Ensemble bevlogenheid en nieuwe
artistieke invalshoeken ontberen. Hoewel het repertoire dat door het Ives Ensemble wordt uitgevoerd,
door weinig andere ensembles op de Nederlandse podia wordt gepresenteerd, is de commissie van
mening dat in het nu voorliggende beleidsplan eerder wordt voortgeborduurd op reeds gepresenteerde
projecten dan dat het Ives Ensemble de beoogde vernieuwing gestalte geeft. De door het Ives
Ensemble zelf opgelegde missie om een eigenzinnige en avontuurlijke koers te varen, komt niet
overtuigend uit de verf. De commissie plaatst derhalve vraagtekens bij de wijze waarop het ensemble
de toekomst beschrijft. Vanwege de kwaliteit van de activiteiten en de huidige onderscheidende positie
die het Ives Ensemble in het muziekbestel bekleedt, is de adviescommissie desondanks voldoende
overtuigd van de bijdrage die het Ives Ensemble levert aan de diversiteit van het Nederlandse aanbod.
De commissie is van mening dat het cultureel ondernemerschap en de bedrijfsvoering van het Ives
Ensemble te wensen overlaat. In de aanvraag wordt geen gedegen beleid geformuleerd om de eigen
inkomsten te vergroten. Hoewel de commissie de inspanning van het Ives Ensemble waardeert om
elke productie meer dan eens uit te voeren, stelt zij vast dat de publieksinkomsten in haar ogen
achterblijven bij de positie van het ensemble. De commissie onderschrijft verder het voornemen van
het Ives Ensemble vaker in het buitenland op te treden, maar constateert dat een beleid ontbreekt. De
ambitie van het ensemble is erg bescheiden, zeker in vergelijking met de positie die het Ives Ensemble
volgens eigen zeggen inneemt. Door een actiever cultureel ondernemerschap zou het Ives Ensemble,
dat zichzelf betitelt als een “exportproduct bij uitstek” en als een ensemble dat een belangrijke bijdrage
levert aan de internationale markt, meer kunnen bereiken.
De verhoging van subsidie die het Ives Ensemble vraagt, wordt vrijwel in het geheel aangewend om de
organisatie te versterken en een marketingplan uit te voeren. Hoewel het Ives Ensemble opmerkt dat
uitbreiding van de organisatie noodzakelijk is om “tevredenstellend de artistieke doelstellingen te
realiseren”, heeft het beleidsplan de commissie niet overtuigd van de noodzaak om de helft van het
budget te besteden aan het in stand houden van de eigen organisatie. De verhoging wordt gevraagd
voor het realiseren van het “driesporenbeleid” betreffende publieksbereik- en ontwikkeling, de ambities
op het vlak van internationalisering en het corrigeren van het huidige tekort in ondersteunend
personeel. Het beleid met betrekking tot het publieksbereik- en ontwikkeling en de gewenste uitvoering
van marketingbeleid berust in de ogen van de commissie teveel op voornemens om hiervoor een
subsidieverhoging toe te kennen. Het Ives Ensemble heeft het gerenommeerde bureau Winkelman en Van Hessen benaderd met de vraag of het bereid is een beleid te ontwikkelen. Daarmee toont het Ives
Ensemble zich te weinig actief. Bovendien is de commissie van mening dat in de aanvraag een
noodzakelijk geachte koppeling tussen kosten voor het te ontwikkelen beleid en het gewenste resultaat
ontbreekt. Het Ives Ensemble voorziet de komende periode in hoge kosten voor het opzetten en
realiseren van het marketingbeleid, terwijl de toename van publiek en publieksinkomsten daarmee
volstrekt niet in verhouding staan. De begrote beheerlasten voor 2009 zijn meer dan verdubbeld ten
opzichte van 2006, terwijl geen stijging van het aantal concerten wordt voorzien. De commissie ziet
daarom, en zeker gelet op het feit dat een uitgewerkt beleid voor internationale producties ontbreekt,
geen aanleiding voor de ambities op het vlak van internationalisering extra subsidie te verlenen. Naast
het gelijkblijvende aantal concerten worden wel vijf luistercursussen en een cd-opname ingepland. De
educatieve activiteiten worden volgens de aanvraag echter grotendeels bekostigd door de
samenwerkende partners en door fondsenwerving, cd-opnames vonden verder in de afgelopen
periode ook reeds plaats. Daarnaast wordt de bijdrage voor opera’s verviervoudigd zonder dat dit door
het Ives Ensemble artistiek-inhoudelijk en begrotingsgewijs wordt toegelicht, zodat de
adviescommissie over deze gevraagde subsidieverhoging evenmin een positief oordeel kan geven.
Ook voor de derde pijler van het “driesporenbeleid”, extra ondersteunend personeel, ziet de commissie
geen noodzaak tot verstrekking van extra middelen. De commissie meent dat het Ives Ensemble met
het huidige budget in staat zou moeten zijn de beoogde activiteiten te realiseren. Dat geldt zeker,
indien een actiever cultureel ondernemerschap wordt gevoerd, waardoor de eigen inkomsten kunnen
worden verhoogd.
Gezien bovenstaande kritiekpunten adviseert de commissie geen verhoging van het huidige
subsidieniveau toe te kennen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat het Ives Ensemble een onderscheidende positie inneemt in het
Nederlandse muziekbestel. En hoewel zij enige kritische kanttekeningen plaatst bij de in het
beleidsplan voorgestelde artistieke ontwikkeling, heeft zij voldoende vertrouwen dat het ensemble deze
positie zal blijven innemen. De commissie is echter van mening dat de bedrijfsvoering en het cultureel
ondernemerschap van het Ives Ensemble niet door een gedegen beleid worden onderbouwd en zij
vindt bovendien dat het een inefficiënte inzet van middelen vergt. De commissie is daarom niet
overtuigd van de noodzaak het subsidie te verhogen. De commissie adviseert het IE op te nemen in de
regeling Vierjarige subsidies Podiumkunsten 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 239.232,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 239.232,- (per jaar)
Stichting Jazz in Motion
Jazz in Motion
Inleiding
Jazz in Motion werd opgericht in 1989 en heeft als doel ‘de leemte tussen jazz en improvisatiemuziek
te vullen als platvorm voor een generatie die zowel met de geïmproviseerde muziektradities als met de jazz nauwe contacten onderhoudt’. De kernactiviteiten van de stichting hebben zich met name gevormd rond verschillende groepen onder leiding van de musici Yuri Honing, Tony Overwater en Joost Lijbaart en de nationale en internationale samenwerkingsverbanden waarbinnen deze ensembles functioneren.
Jazz in Motion ziet zichzelf als trendsettend op het gebied van repertoire, internet en filmmuziek.
Wat de drie genoemde musici volgens de aanvraag bindt, is onder andere een duidelijke
persoonlijke signatuur en een opmerkzaamheid voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast delen zij persoonlijke interesses in niet–westerse muziek en actuele ontwikkelingen
in populaire muziek, alsook ‘een onontbeerlijke behoefte aan progressie’. Binnen Jazz in Motion speelt de samenwerking tussen de verschillende ensembles een centrale rol, met name op het gebied van logistiek, publiciteit, promotie en internetactiviteiten. Daarnaast is op het terrein van educatie de onderlinge uitwisseling en samenwerking van essentieel belang.
Voor de periode 2009-2012 noemt Jazz in Motion nieuwe samenwerkingsverbanden van Joost Lijbaart en het blaastrio De Jongens Driest en van Yuri Honing met dj/producer Floris Klinkert. Onder meer voor uitbreiding van het management verzoekt Jazz in Motion om een subsidieverhoging ten opzichte van het huidige cultuurnotabedrag.
Jazz in Motion ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Jazz in Motion is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is zeer te spreken over de kwaliteiten van de drie musici die de kern vormen van Jazz in Motion. Zij behoren tot de top van de Nederlandse en internationale jazz. De commissie is bovendien onder de indruk van de manier waarop deze musici muzikale invloeden van buitenaf op een natuurlijke wijze weten te integreren in hun muziekpraktijk. Wel acht de commissie het wenselijk dat vooral de projecten waarbij duidelijk sprake is van nieuwe ontwikkelingen en invloeden een langere speelperiode kennen dan nu soms het geval is.
In tegenstelling tot de uitvoeringskwaliteit vindt de commissie de kwaliteit van het beleidsplan
enigszins gemakzuchtig. De commissie merkt op dat zij positief is over de artistieke meerwaarde die de samenwerking van de drie kernmusici voor de afzonderlijke groepen heeft, maar had een beter uitgewerkte visie verwacht op de voorgenomen artistieke ontwikkeling.
In de aanvraag borduurt Jazz in Motion in de ogen van de commissie te gemakkelijk voort op behaalde resultaten. De commissie is daarentegen enthousiast over het feit dat Jazz in Motion als een van de weinige instellingen erin slaagt om op grond van haar artistieke keuzes een breder publiek te bereiken.
Jazz in Motion slaagt er jaarlijks in een groot aantal concerten in binnen- en buitenland te realiseren, maar maakt onvoldoende inzichtelijk welke winst ook in bedrijfsmatig opzicht wordt geboekt met de samenwerking van de drie betrokken ensembles. De commissie verwacht
van Jazz in Motion dat ze de professionalisering van de organisatie stevig ter hand neemt, om daarmee ook het aandeel eigen inkomsten te laten stijgen ten opzichte van de meerjarige subsidie.
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit en de onderscheidende positie die Jazz in Motion inneemt binnen het Nederlandse podiumkunstenbestel oordeelt de commissie positief over de aanvraag van de instelling. Jazz in Motion dient haar zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van bedrijfsvoering en cultureel ondernemerschap. Op grond hiervan adviseert de commissie Jazz in Motion met een subsidieverhoging op te nemen in de regeling
Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Jazz in Motion werd opgericht in 1989 en heeft als doel ‘de leemte tussen jazz en improvisatiemuziek
te vullen als platvorm voor een generatie die zowel met de geïmproviseerde muziektradities als met de jazz nauwe contacten onderhoudt’. De kernactiviteiten van de stichting hebben zich met name gevormd rond verschillende groepen onder leiding van de musici Yuri Honing, Tony Overwater en Joost Lijbaart en de nationale en internationale samenwerkingsverbanden waarbinnen deze ensembles functioneren.
Jazz in Motion ziet zichzelf als trendsettend op het gebied van repertoire, internet en filmmuziek.
Wat de drie genoemde musici volgens de aanvraag bindt, is onder andere een duidelijke
persoonlijke signatuur en een opmerkzaamheid voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast delen zij persoonlijke interesses in niet–westerse muziek en actuele ontwikkelingen
in populaire muziek, alsook ‘een onontbeerlijke behoefte aan progressie’. Binnen Jazz in Motion speelt de samenwerking tussen de verschillende ensembles een centrale rol, met name op het gebied van logistiek, publiciteit, promotie en internetactiviteiten. Daarnaast is op het terrein van educatie de onderlinge uitwisseling en samenwerking van essentieel belang.
Voor de periode 2009-2012 noemt Jazz in Motion nieuwe samenwerkingsverbanden van Joost Lijbaart en het blaastrio De Jongens Driest en van Yuri Honing met dj/producer Floris Klinkert. Onder meer voor uitbreiding van het management verzoekt Jazz in Motion om een subsidieverhoging ten opzichte van het huidige cultuurnotabedrag.
Jazz in Motion ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Jazz in Motion is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is zeer te spreken over de kwaliteiten van de drie musici die de kern vormen van Jazz in Motion. Zij behoren tot de top van de Nederlandse en internationale jazz. De commissie is bovendien onder de indruk van de manier waarop deze musici muzikale invloeden van buitenaf op een natuurlijke wijze weten te integreren in hun muziekpraktijk. Wel acht de commissie het wenselijk dat vooral de projecten waarbij duidelijk sprake is van nieuwe ontwikkelingen en invloeden een langere speelperiode kennen dan nu soms het geval is.
In tegenstelling tot de uitvoeringskwaliteit vindt de commissie de kwaliteit van het beleidsplan
enigszins gemakzuchtig. De commissie merkt op dat zij positief is over de artistieke meerwaarde die de samenwerking van de drie kernmusici voor de afzonderlijke groepen heeft, maar had een beter uitgewerkte visie verwacht op de voorgenomen artistieke ontwikkeling.
In de aanvraag borduurt Jazz in Motion in de ogen van de commissie te gemakkelijk voort op behaalde resultaten. De commissie is daarentegen enthousiast over het feit dat Jazz in Motion als een van de weinige instellingen erin slaagt om op grond van haar artistieke keuzes een breder publiek te bereiken.
Jazz in Motion slaagt er jaarlijks in een groot aantal concerten in binnen- en buitenland te realiseren, maar maakt onvoldoende inzichtelijk welke winst ook in bedrijfsmatig opzicht wordt geboekt met de samenwerking van de drie betrokken ensembles. De commissie verwacht
van Jazz in Motion dat ze de professionalisering van de organisatie stevig ter hand neemt, om daarmee ook het aandeel eigen inkomsten te laten stijgen ten opzichte van de meerjarige subsidie.
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit en de onderscheidende positie die Jazz in Motion inneemt binnen het Nederlandse podiumkunstenbestel oordeelt de commissie positief over de aanvraag van de instelling. Jazz in Motion dient haar zakelijk beleid te versterken, met name op het gebied van bedrijfsvoering en cultureel ondernemerschap. Op grond hiervan adviseert de commissie Jazz in Motion met een subsidieverhoging op te nemen in de regeling
Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 105.390,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 105.390,- (per jaar)
Stichting Jonge Harten
Jonge Harten
Inleiding
Jonge Harten is een achtdaags festival, gericht op jonge mensen tussen de 12 en 26 jaar, dat in de afgelopen tien jaar volgens de organisatie is uitgegroeid tot het grootste theaterfestival voor jongeren in Nederland. Het omvat voorstellingen van professionele theatergroepen, amateurproducties en een uitgebreide randprogrammering. Jonge Harten wil jongeren laten zien dat kunst veel te maken heeft met hun eigen leven. Jonge Harten ontwikkelt jong talent en stelt jonge kunstenaars in de gelegenheid nieuw materiaal te maken en brengt hen in contact met een jong publiek. Jonge Harten draagt bij aan het discours over alle aspecten van jongerentheater en ontwikkelt steeds nieuwe manieren om de relatie tussen jongeren en kunsten te onderzoeken en over te dragen.
De komende jaren wil Jonge Harten zijn voortrekkersrol in het landelijk veld vooral inhoudelijk
versterken, door het verstevigen van de internationale contacten en door te onderzoeken
of het mogelijk is om de verspreiding van bijzondere internationale producties in het landelijke veld te vergroten. Daarnaast wil Jonge Harten in het provinciale veld de functie van de satellietfestivals (in de regio Groningen) versterken en ook zijn positie in het gemeentelijk bestel (in de stad Groningen) op een drietal punten versterken: door meer internationaal topaanbod, door meer samenwerking met zustersteden, en door meer samenwerking
op het gebied van jongerenmarketing en het beschikbaar stellen van expertise.
In het artistiek beleid voor de komende periode legt Jonge Harten het accent op internationalisering,
diversiteit en cultuuroverschrijdend programmeren. Op het gebied van internationalisering
wil het festival andere vormen van jongerentheater, die in de ons omringende landen floreert, voor het voetlicht brengen. Jonge Harten wil de internationale samenwerking
uitbouwen, om de kennis over de kwaliteit van het jongerentheater te verhogen en het aantal en de verspreiding van bijzondere internationale producties in het landelijke veld te vergroten.
Daarnaast wil Jonge Harten zoveel mogelijk jonge mensen, ongeacht hun culturele achtergrond,
in contact brengen met kunst. De visie van Jonge Harten is dat elke goed gemaakte productie cultuuroverschrijdende kracht heeft. Op zoek zijn naar het andere is volgens
Jonge Harten de essentie van intercultureel programmeren.
Ten slotte wil Jonge Harten zich de komende jaren op het gebied van marketing meer als een merk gaan neerzetten, om zo minder moeite te hoeven doen om elk jaar opnieuw het festival bekend te maken bij de nieuwe aanwas van jongeren. Daarnaast wil Jonge Harten zijn eigen kennis met anderen delen. Het tracht zijn netwerkfunctie te verbreden en de spin off met betrekking tot kwaliteitsoverdracht en kennis (voor zowel marketing als programmering)
te versterken door het jaarlijks organiseren van een expertmeeting en door het opzetten van een nieuw ambassadeursproject.
De begroting stijgt van € 224.937 in 2006 naar € 410.873 in 2009.
Jonge Harten heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd en deze is door de commissie Cultuureducatie in samenwerking met de commissie Theater positief beoordeeld ten behoeve van de educatieve activiteiten en de uitwisseling tussen amateurs en professionals. In de afgelopen jaren ontving Jonge Harten jaarlijks een bijdrage van gemiddeld ruim € 32.000 vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie is van mening dat Jonge Harten als toonaangevend festival voor jongeren op het gebied van theater een landelijke voorbeeldfunctie vervult wat betreft jongerenmarketing.
Het festival speelt zich af op het snijpunt van cultuurparticipatie en professionele podiumkunsten.
Met zijn expertise op het gebied van het enthousiasmeren van jongeren voor het theater heeft dit festival zijn sporen verdiend. De wijze waarop het festival die doelstelling
probeert te realiseren, getuigt van inventiviteit. Bij elke stap die de organisatie neemt is goed nagedacht wat dat voor de kunsten en de jongeren betekent en die zorgvuldigheid wordt door de commissie hogelijk gewaardeerd. Jonge Harten weet jongeren op een attractieve
manier te benaderen, combineert amateurmakers met professionals, en is in staat een unieke bundeling van programma’s te creëren. Hierdoor onderscheidt het zich van andere, vergelijkbare festivals.
De visie op publieksontwikkeling vindt de commissie helder en goed onderbouwd en het plan bevat een uitstekend doordachte marketingstrategie. Culturele diversiteit is een impliciet
onderdeel van het beleidsplan. Het plan ademt dat men met beide benen in het hier en nu staat. De commissie vindt het van belang dat er expertise-uitwisseling plaatsvindt over de wijze waarop deze specifieke jongerendoelgroep kan worden geïnteresseerd voor theatervoorstellingen
Jonge Harten is goed ingebed in de Groningse structuren en de organisatie geeft blijk van het goed kunnen aangaan van allerlei samenwerkingsverbanden. Tegelijkertijd merkt de commissie op dat de verstrengeling met de programmering en marketing van de Groningse theaters erg nauw is. Van een aantal plannen zou verwacht mogen worden dat deze een integraal
onderdeel van de (marketing)plannen van de instellingen vormen. De stijging van de begroting wordt voor een groot deel veroorzaakt door het uitbreiden van de (inter)nationale (co)producerende functie en het verder ontwikkelen van Jonge Harten op reis in de provincie
Groningen. Aan deze functies geeft de commissie, voorzover ze al niet van primair lokaal en regionaal belang zijn, geen prioriteit. De commissie is positief over de ambities van het festival wat betreft het uitbouwen van de internationale samenwerking ten behoeve van verdere kennisontwikkeling.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Jonge Harten is gezien de voorbeeldfunctie
die het festival vervult ten aanzien van jongerenmarketing en de onderscheidende
wijze van het samenbrengen van doelgroepen en programmering positief. Daarom adviseert de commissie om Jonge Harten op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ter versterking van zijn activiteiten op het gebied van expertise-uitwisseling het huidige subsidiebedrag te verhogen.
Jonge Harten is een achtdaags festival, gericht op jonge mensen tussen de 12 en 26 jaar, dat in de afgelopen tien jaar volgens de organisatie is uitgegroeid tot het grootste theaterfestival voor jongeren in Nederland. Het omvat voorstellingen van professionele theatergroepen, amateurproducties en een uitgebreide randprogrammering. Jonge Harten wil jongeren laten zien dat kunst veel te maken heeft met hun eigen leven. Jonge Harten ontwikkelt jong talent en stelt jonge kunstenaars in de gelegenheid nieuw materiaal te maken en brengt hen in contact met een jong publiek. Jonge Harten draagt bij aan het discours over alle aspecten van jongerentheater en ontwikkelt steeds nieuwe manieren om de relatie tussen jongeren en kunsten te onderzoeken en over te dragen.
De komende jaren wil Jonge Harten zijn voortrekkersrol in het landelijk veld vooral inhoudelijk
versterken, door het verstevigen van de internationale contacten en door te onderzoeken
of het mogelijk is om de verspreiding van bijzondere internationale producties in het landelijke veld te vergroten. Daarnaast wil Jonge Harten in het provinciale veld de functie van de satellietfestivals (in de regio Groningen) versterken en ook zijn positie in het gemeentelijk bestel (in de stad Groningen) op een drietal punten versterken: door meer internationaal topaanbod, door meer samenwerking met zustersteden, en door meer samenwerking
op het gebied van jongerenmarketing en het beschikbaar stellen van expertise.
In het artistiek beleid voor de komende periode legt Jonge Harten het accent op internationalisering,
diversiteit en cultuuroverschrijdend programmeren. Op het gebied van internationalisering
wil het festival andere vormen van jongerentheater, die in de ons omringende landen floreert, voor het voetlicht brengen. Jonge Harten wil de internationale samenwerking
uitbouwen, om de kennis over de kwaliteit van het jongerentheater te verhogen en het aantal en de verspreiding van bijzondere internationale producties in het landelijke veld te vergroten.
Daarnaast wil Jonge Harten zoveel mogelijk jonge mensen, ongeacht hun culturele achtergrond,
in contact brengen met kunst. De visie van Jonge Harten is dat elke goed gemaakte productie cultuuroverschrijdende kracht heeft. Op zoek zijn naar het andere is volgens
Jonge Harten de essentie van intercultureel programmeren.
Ten slotte wil Jonge Harten zich de komende jaren op het gebied van marketing meer als een merk gaan neerzetten, om zo minder moeite te hoeven doen om elk jaar opnieuw het festival bekend te maken bij de nieuwe aanwas van jongeren. Daarnaast wil Jonge Harten zijn eigen kennis met anderen delen. Het tracht zijn netwerkfunctie te verbreden en de spin off met betrekking tot kwaliteitsoverdracht en kennis (voor zowel marketing als programmering)
te versterken door het jaarlijks organiseren van een expertmeeting en door het opzetten van een nieuw ambassadeursproject.
De begroting stijgt van € 224.937 in 2006 naar € 410.873 in 2009.
Jonge Harten heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd en deze is door de commissie Cultuureducatie in samenwerking met de commissie Theater positief beoordeeld ten behoeve van de educatieve activiteiten en de uitwisseling tussen amateurs en professionals. In de afgelopen jaren ontving Jonge Harten jaarlijks een bijdrage van gemiddeld ruim € 32.000 vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie is van mening dat Jonge Harten als toonaangevend festival voor jongeren op het gebied van theater een landelijke voorbeeldfunctie vervult wat betreft jongerenmarketing.
Het festival speelt zich af op het snijpunt van cultuurparticipatie en professionele podiumkunsten.
Met zijn expertise op het gebied van het enthousiasmeren van jongeren voor het theater heeft dit festival zijn sporen verdiend. De wijze waarop het festival die doelstelling
probeert te realiseren, getuigt van inventiviteit. Bij elke stap die de organisatie neemt is goed nagedacht wat dat voor de kunsten en de jongeren betekent en die zorgvuldigheid wordt door de commissie hogelijk gewaardeerd. Jonge Harten weet jongeren op een attractieve
manier te benaderen, combineert amateurmakers met professionals, en is in staat een unieke bundeling van programma’s te creëren. Hierdoor onderscheidt het zich van andere, vergelijkbare festivals.
De visie op publieksontwikkeling vindt de commissie helder en goed onderbouwd en het plan bevat een uitstekend doordachte marketingstrategie. Culturele diversiteit is een impliciet
onderdeel van het beleidsplan. Het plan ademt dat men met beide benen in het hier en nu staat. De commissie vindt het van belang dat er expertise-uitwisseling plaatsvindt over de wijze waarop deze specifieke jongerendoelgroep kan worden geïnteresseerd voor theatervoorstellingen
Jonge Harten is goed ingebed in de Groningse structuren en de organisatie geeft blijk van het goed kunnen aangaan van allerlei samenwerkingsverbanden. Tegelijkertijd merkt de commissie op dat de verstrengeling met de programmering en marketing van de Groningse theaters erg nauw is. Van een aantal plannen zou verwacht mogen worden dat deze een integraal
onderdeel van de (marketing)plannen van de instellingen vormen. De stijging van de begroting wordt voor een groot deel veroorzaakt door het uitbreiden van de (inter)nationale (co)producerende functie en het verder ontwikkelen van Jonge Harten op reis in de provincie
Groningen. Aan deze functies geeft de commissie, voorzover ze al niet van primair lokaal en regionaal belang zijn, geen prioriteit. De commissie is positief over de ambities van het festival wat betreft het uitbouwen van de internationale samenwerking ten behoeve van verdere kennisontwikkeling.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Jonge Harten is gezien de voorbeeldfunctie
die het festival vervult ten aanzien van jongerenmarketing en de onderscheidende
wijze van het samenbrengen van doelgroepen en programmering positief. Daarom adviseert de commissie om Jonge Harten op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ter versterking van zijn activiteiten op het gebied van expertise-uitwisseling het huidige subsidiebedrag te verhogen.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 88.499,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 88.499,- (per jaar)
Stichting Julidans
Julidans
Inleiding
Julidans is een festival dat jaarlijks gedurende twee weken in Amsterdam wordt georganiseerd.
Voor de programmering werkt Julidans samen met vijf theaters op en rond het Leidseplein. Het festival presenteert actuele ontwikkelingen op het gebied van eigentijdse, internationale dans en zoekt daarbij bewust naar voorstellingen die gedurende het theaterseizoen
niet in Nederland te zien zijn geweest. De nadruk ligt daarbij op een smeltkroes van verschillende stijlen en disciplines uit de hele wereld. Ook Nederlandse groepen maken onderdeel uit van de programmering, zolang ze voldoen aan de criteria die de organisatie stelt aan de buitenlandse gezelschappen en daarnaast ook veelvuldig in het buitenland te zien zijn.
Het beleidsplan van Julidans voor 2009-2012 is gericht op de continuering van de bestaande activiteiten. Julidans legt in zijn plan evenwel de nadruk op de verdere ontwikkeling van die onderdelen waarmee het festival zich in positieve zin weet te onderscheiden van ander aanbod
en de wijze waarop men zich wil verhouden tot het politieke klimaat.
Julidans Next, het onderdeel waarin onbekende, jonge choreografen aandacht krijgen, wordt uitgebreid tot een ‘Off-programma’. Dit programma zal ruimte bieden voor presentatie van het werk van Artists’ Lab en kleine internationale producties waarvoor jonge makers voorstellen
kunnen indienen. Julidans Next/Off moet verder plaats bieden aan onderzoeksprojecten
van meer ervaren, jonge Nederlandse choreografen op multimediaal, geëngageerd en theatraal gebied. Het onderdeel moet ook een verbinding leggen met jonge choreografen die werken vanuit een intercultureel idioom. In de afgelopen jaren heeft dit programma gezorgd voor doorstroming van talent, aldus het festival. Julidans Next/Off wordt in samenwerking met de Henny Jurriëns Stichting en verschillende (internationale) productiehuizen gerealiseerd.
Ten aanzien van het publieksbereik streeft Julidans in de komende jaren naar een verdere groei. De nieuwe vlakkevloer zaal van Stadsschouwburg Amsterdam zal hieraan naar verwachting
in positieve zin bijdragen. Daarnaast gaat het festival verder met het organiseren van workshops en optredens in de wijken: Zuidoost, op en rond de Nieuwmarkt, in het Vondelpark
en op het Leidseplein.
Julidans ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. In de afgelopen jaren ontving Julidans jaarlijks subsidies vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM en vanuit Internationalisering via het voormalige FAPK.
Beoordeling
De kwaliteit van Julidans staat volgens de commissie buiten kijf. Het festival neemt stelling en biedt een state-of-the-art overzicht, dat door zijn afwijkende, (inter)nationale programmering
een opvallende aanvulling biedt op het bestaande dansaanbod. De programmering is avontuurlijk, zij het dat het niveau soms wisselend is. De commissie beschouwt Julidans als een belangrijke aanvulling op het reguliere aanbod en op andere festivals, omdat het zich richt op een grote diversiteit aan genres en ontwikkelingen.
Julidans besteedt in zijn programmering specifiek aandacht aan dansvormen en -stijlen die zich afspelen en ontwikkelen buiten het westerse canon. Door de internationale opzet van Julidans heeft het festival de mogelijkheid om nieuwe ontwikkelingen uit het buitenland in Nederland te presenteren en daarmee verbindingen te leggen naar Nederlandse dansmakers
die zich bedienen van een intercultureel idioom. De commissie heeft waardering voor het feit dat Julidans in het beleidsplan vanuit een integrale visie op culturele diversiteit en werelddans spreekt.
De verschillende programmaonderdelen van Julidans bestrijken volgens de commissie de gehele keten: er is aandacht voor talentontwikkeling, wijkprojecten, jong talent, gevorderde makers, en gevestigd aanbod. Deze aanpak heeft in de afgelopen jaren geresulteerd in doorstroming.
Door het organiseren van expert meetings worden programmeurs en danskunstenaars
uit binnen- en buitenland met elkaar in contact gebracht.
De commissie is positief over de verscheidenheid aan publieksgroepen die het festival trekt. Daarbij is Julidans goed ingebed in de Amsterdamse culturele infrastructuur, getuige zijn samenwerkingsverbanden aldaar. De commissie vindt wel dat het cultureel ondernemerschap
van de organisatie achterblijft waar het gaat om het aanboren van andere inkomstenbronnen.
De ingediende meerjarenbegroting roept ook vragen op als het gaat om publieksinkomsten, die buitengewoon laag worden geraamd. Julidans kan naar de mening van de commissie in de komende jaren aanzienlijk meer eigen inkomsten genereren, waardoor
de kostenstijging van de internationale programmering, die Julidans aanvoert als argument
voor het hogere gevraagde subsidiebedrag, deels kan worden opgevangen. Van een visie op het werven van sponsorinkomsten is geen sprake.
Hoewel het beleidsplan blijk geeft van een goed besef van de marktpositie van Julidans en de marketingactiviteiten bovengemiddeld van niveau zijn, ontbeert de aanvraag een uitgewerkt
marketingplan, waardoor het gissen blijft naar de wijze waarop het festival meer bezoekers wil trekken.
Conclusie en advies
Julidans is een aansprekend dansfestival, dat door zijn afwijkende, (inter)nationale programmering
een belangrijke aanvulling biedt op het reeds bestaande aanbod. Daarmee levert Julidans volgens de commissie een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van de Nederlandse danssector. Wat betreft het genereren van eigen inkomsten vindt de commissie dat Julidans meer inzet kan tonen. Op basis van de artistieke kwaliteit van het festival adviseert
de commissie Julidans te honoreren binnen de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en ter versterking van zijn structurele activiteiten het huidige subsidiebedrag te verhogen. In de samenstelling van het subsidiebedrag is rekening gehouden
met diverse functies als marketing en internationalisering.
Julidans is een festival dat jaarlijks gedurende twee weken in Amsterdam wordt georganiseerd.
Voor de programmering werkt Julidans samen met vijf theaters op en rond het Leidseplein. Het festival presenteert actuele ontwikkelingen op het gebied van eigentijdse, internationale dans en zoekt daarbij bewust naar voorstellingen die gedurende het theaterseizoen
niet in Nederland te zien zijn geweest. De nadruk ligt daarbij op een smeltkroes van verschillende stijlen en disciplines uit de hele wereld. Ook Nederlandse groepen maken onderdeel uit van de programmering, zolang ze voldoen aan de criteria die de organisatie stelt aan de buitenlandse gezelschappen en daarnaast ook veelvuldig in het buitenland te zien zijn.
Het beleidsplan van Julidans voor 2009-2012 is gericht op de continuering van de bestaande activiteiten. Julidans legt in zijn plan evenwel de nadruk op de verdere ontwikkeling van die onderdelen waarmee het festival zich in positieve zin weet te onderscheiden van ander aanbod
en de wijze waarop men zich wil verhouden tot het politieke klimaat.
Julidans Next, het onderdeel waarin onbekende, jonge choreografen aandacht krijgen, wordt uitgebreid tot een ‘Off-programma’. Dit programma zal ruimte bieden voor presentatie van het werk van Artists’ Lab en kleine internationale producties waarvoor jonge makers voorstellen
kunnen indienen. Julidans Next/Off moet verder plaats bieden aan onderzoeksprojecten
van meer ervaren, jonge Nederlandse choreografen op multimediaal, geëngageerd en theatraal gebied. Het onderdeel moet ook een verbinding leggen met jonge choreografen die werken vanuit een intercultureel idioom. In de afgelopen jaren heeft dit programma gezorgd voor doorstroming van talent, aldus het festival. Julidans Next/Off wordt in samenwerking met de Henny Jurriëns Stichting en verschillende (internationale) productiehuizen gerealiseerd.
Ten aanzien van het publieksbereik streeft Julidans in de komende jaren naar een verdere groei. De nieuwe vlakkevloer zaal van Stadsschouwburg Amsterdam zal hieraan naar verwachting
in positieve zin bijdragen. Daarnaast gaat het festival verder met het organiseren van workshops en optredens in de wijken: Zuidoost, op en rond de Nieuwmarkt, in het Vondelpark
en op het Leidseplein.
Julidans ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. In de afgelopen jaren ontving Julidans jaarlijks subsidies vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM en vanuit Internationalisering via het voormalige FAPK.
Beoordeling
De kwaliteit van Julidans staat volgens de commissie buiten kijf. Het festival neemt stelling en biedt een state-of-the-art overzicht, dat door zijn afwijkende, (inter)nationale programmering
een opvallende aanvulling biedt op het bestaande dansaanbod. De programmering is avontuurlijk, zij het dat het niveau soms wisselend is. De commissie beschouwt Julidans als een belangrijke aanvulling op het reguliere aanbod en op andere festivals, omdat het zich richt op een grote diversiteit aan genres en ontwikkelingen.
Julidans besteedt in zijn programmering specifiek aandacht aan dansvormen en -stijlen die zich afspelen en ontwikkelen buiten het westerse canon. Door de internationale opzet van Julidans heeft het festival de mogelijkheid om nieuwe ontwikkelingen uit het buitenland in Nederland te presenteren en daarmee verbindingen te leggen naar Nederlandse dansmakers
die zich bedienen van een intercultureel idioom. De commissie heeft waardering voor het feit dat Julidans in het beleidsplan vanuit een integrale visie op culturele diversiteit en werelddans spreekt.
De verschillende programmaonderdelen van Julidans bestrijken volgens de commissie de gehele keten: er is aandacht voor talentontwikkeling, wijkprojecten, jong talent, gevorderde makers, en gevestigd aanbod. Deze aanpak heeft in de afgelopen jaren geresulteerd in doorstroming.
Door het organiseren van expert meetings worden programmeurs en danskunstenaars
uit binnen- en buitenland met elkaar in contact gebracht.
De commissie is positief over de verscheidenheid aan publieksgroepen die het festival trekt. Daarbij is Julidans goed ingebed in de Amsterdamse culturele infrastructuur, getuige zijn samenwerkingsverbanden aldaar. De commissie vindt wel dat het cultureel ondernemerschap
van de organisatie achterblijft waar het gaat om het aanboren van andere inkomstenbronnen.
De ingediende meerjarenbegroting roept ook vragen op als het gaat om publieksinkomsten, die buitengewoon laag worden geraamd. Julidans kan naar de mening van de commissie in de komende jaren aanzienlijk meer eigen inkomsten genereren, waardoor
de kostenstijging van de internationale programmering, die Julidans aanvoert als argument
voor het hogere gevraagde subsidiebedrag, deels kan worden opgevangen. Van een visie op het werven van sponsorinkomsten is geen sprake.
Hoewel het beleidsplan blijk geeft van een goed besef van de marktpositie van Julidans en de marketingactiviteiten bovengemiddeld van niveau zijn, ontbeert de aanvraag een uitgewerkt
marketingplan, waardoor het gissen blijft naar de wijze waarop het festival meer bezoekers wil trekken.
Conclusie en advies
Julidans is een aansprekend dansfestival, dat door zijn afwijkende, (inter)nationale programmering
een belangrijke aanvulling biedt op het reeds bestaande aanbod. Daarmee levert Julidans volgens de commissie een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van de Nederlandse danssector. Wat betreft het genereren van eigen inkomsten vindt de commissie dat Julidans meer inzet kan tonen. Op basis van de artistieke kwaliteit van het festival adviseert
de commissie Julidans te honoreren binnen de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en ter versterking van zijn structurele activiteiten het huidige subsidiebedrag te verhogen. In de samenstelling van het subsidiebedrag is rekening gehouden
met diverse functies als marketing en internationalisering.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 155.316,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 155.316,- (per jaar)
Stichting Kameroperahuis
Het Kameroperahuis
Inleiding
Het Kameroperahuis is in 2007 opgericht en is gevestigd in Zwolle. Een onderdeel van het Kameroperahuis, het impresariaat Opera Nu, functioneert al sinds 2002. Het Kameroperahuis
wil het genre kameropera en kleinschalig muziektheater ondersteunen, stimuleren en naar een artistiek-inhoudelijk hoger niveau tillen door de volgende taken te bundelen: een productiehuis zijn voor gevorderde gezelschappen en (freelance) makers; een werkplaats bieden voor jonge makers; als producent fungeren voor het tweejaarlijkse Nederlands KamerOpera Festival in Zwolle. Tevens wil men vanaf 2010 een educatief programma ontwikkelen.
In de periode 2009-2012 wil het Kameroperahuis jaarlijks drie werkplaatsproducties realiseren
met jonge makers en drie gezelschappen begeleiden in het productiehuis. Het is de bedoeling om stageplaatsen of assistentschappen te creëren en de platformfunctie verder te ontwikkelen door bijeenkomsten te organiseren voor makers van nieuw muziektheater.
Het Kameroperahuis is gevestigd in Theater Odeon, waar gezelschappen in een van de vier theaterzalen hun producties kunnen afmonteren en presenteren. Voor 2008 zijn de volgende gezelschappen/makers geselecteerd voor de productiehuis- c.q. werkplaatsfunctie: De Plaats (Arnhem), Nieuw Muziektheater Rotterdam, het makerscollectief ‘Nemack. Clement & Sanôu’ en de jonge regisseur Jim Lucassen.
Eind 2012 moeten een solide basis en een kenniscentrum zijn opgebouwd van waaruit kwalitatief
hoogstaande muziektheaterproducties worden gemaakt en het genre zich verder kan professionaliseren.Het Kameroperahuis streeft naar een betere regulering van het veld en een nieuw en omvangrijker publiek.
Het Kameroperahuis verzorgt voor de gezelschappen in het productiehuis ook de verkoop van hun producties. Daarnaast heeft het Kameroperahuis met Opera Nu ook een impresariaatsfunctie
voor andere gezelschappen uit het genre.
De gemeente Zwolle en de provincie Overijssel ondersteunen het Kameroperahuis.
Het Kameroperahuis ontvangt geen subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Opera Nu werd sinds 2002 ondersteund door het voormalige FPPM en het Kameroperahuis heeft voor de periode 2007-2008 een tweejarige subsidie van in totaal € 100.000 van het voormalige
FAPK ontvangen.
Het Kameroperahuis heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als productiehuis
op het terrein van kameropera en kleinschalig muziektheater in de basisinfrastructuur
2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd het Kameroperahuis niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag
te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012. Het Kameroperahuis is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in te dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten
van het NFPK+. De instelling heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
De commissie is enthousiast over de rol die het Kameroperahuis wil vervullen bij de overdracht
van specifieke kennis en ervaring op het gebied van kameropera en kleinschalig muziektheater. Zij heeft vertrouwen in de expertise en artistiek-inhoudelijke visie van de directeur en de kwaliteiten van het geïntegreerde impresariaat Opera Nu, waardoor het ‘nieuwe’ initiatief er volgens de commissie in zal slagen interessante artistieke medewerkers aan zich te binden om jonge makers te begeleiden.
Aangezien de basisinfrastructuur niet voorziet in een werkplaats en productiehuis voor kameropera en kleinschalig muziektheater, maar daaraan vanuit het veld wel behoefte is, acht de commissie het van belang dat het Kameroperahuis deze lacune in het bestel zal opvullen.
Het artistieke profiel en de doelstellingen van het Kameroperahuis zijn in het beleidsplan duidelijk omschreven en de missie om de ontwikkeling van het genre een impuls te geven en een groter publiek hiervoor te bereiken, waardeert de commissie. De relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling komt in de aanvraag ook goed tot uiting. Daarnaast is de commissie te spreken over de goede inbedding in de regio en het commitment van zowel Zwolle als de provincie Overijssel, die beide een financiële bijdrage
aan het Kameroperahuis leveren. Ook de samenwerking met het Nederlands KamerOpera
Festival levert volgens de commissie een duidelijke artistieke meerwaarde op.
Wel mist de commissie in het beleidsplan van het Kameroperahuis een heldere motivatie voor de keuze van de te begeleiden gezelschappen en makers. Zij dringt hierbij aan op kritische
zorgvuldigheid bij de selectie, zodat minder initiatieven beter ondersteund kunnen worden. Verder constateert de commissie dat de begroting ruim van opzet is en hoge beheers-lasten kent. Naar haar mening is de organisatie met bijna 3 fte te zwaar opgetuigd. Het geadviseerde
subsidiebedrag is daarom lager dan gevraagd.
Conclusie en advies
Op grond van het heldere beleidsplan en de aanwezige expertise en kwaliteiten binnen het Kameroperahuis is de commissie van oordeel dat deze instelling in staat is om de ontwikkeling
van kleinschalige opera en muziektheater de noodzakelijke impuls geven en een groter publiek hiervoor te bereiken. Over de inbedding van het Kameroperahuis in de standplaats en de regio is zij eveneens positief. De commissie adviseert het Kameroperahuis op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Het geadviseerde
subsidiebedrag is lager dan het gevraagde bedrag vanwege de in de ogen van de commissie te hoge beheerslasten en ruim opgezette begroting.
Het Kameroperahuis is in 2007 opgericht en is gevestigd in Zwolle. Een onderdeel van het Kameroperahuis, het impresariaat Opera Nu, functioneert al sinds 2002. Het Kameroperahuis
wil het genre kameropera en kleinschalig muziektheater ondersteunen, stimuleren en naar een artistiek-inhoudelijk hoger niveau tillen door de volgende taken te bundelen: een productiehuis zijn voor gevorderde gezelschappen en (freelance) makers; een werkplaats bieden voor jonge makers; als producent fungeren voor het tweejaarlijkse Nederlands KamerOpera Festival in Zwolle. Tevens wil men vanaf 2010 een educatief programma ontwikkelen.
In de periode 2009-2012 wil het Kameroperahuis jaarlijks drie werkplaatsproducties realiseren
met jonge makers en drie gezelschappen begeleiden in het productiehuis. Het is de bedoeling om stageplaatsen of assistentschappen te creëren en de platformfunctie verder te ontwikkelen door bijeenkomsten te organiseren voor makers van nieuw muziektheater.
Het Kameroperahuis is gevestigd in Theater Odeon, waar gezelschappen in een van de vier theaterzalen hun producties kunnen afmonteren en presenteren. Voor 2008 zijn de volgende gezelschappen/makers geselecteerd voor de productiehuis- c.q. werkplaatsfunctie: De Plaats (Arnhem), Nieuw Muziektheater Rotterdam, het makerscollectief ‘Nemack. Clement & Sanôu’ en de jonge regisseur Jim Lucassen.
Eind 2012 moeten een solide basis en een kenniscentrum zijn opgebouwd van waaruit kwalitatief
hoogstaande muziektheaterproducties worden gemaakt en het genre zich verder kan professionaliseren.Het Kameroperahuis streeft naar een betere regulering van het veld en een nieuw en omvangrijker publiek.
Het Kameroperahuis verzorgt voor de gezelschappen in het productiehuis ook de verkoop van hun producties. Daarnaast heeft het Kameroperahuis met Opera Nu ook een impresariaatsfunctie
voor andere gezelschappen uit het genre.
De gemeente Zwolle en de provincie Overijssel ondersteunen het Kameroperahuis.
Het Kameroperahuis ontvangt geen subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Opera Nu werd sinds 2002 ondersteund door het voormalige FPPM en het Kameroperahuis heeft voor de periode 2007-2008 een tweejarige subsidie van in totaal € 100.000 van het voormalige
FAPK ontvangen.
Het Kameroperahuis heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als productiehuis
op het terrein van kameropera en kleinschalig muziektheater in de basisinfrastructuur
2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd het Kameroperahuis niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag
te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012. Het Kameroperahuis is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in te dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten
van het NFPK+. De instelling heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
De commissie is enthousiast over de rol die het Kameroperahuis wil vervullen bij de overdracht
van specifieke kennis en ervaring op het gebied van kameropera en kleinschalig muziektheater. Zij heeft vertrouwen in de expertise en artistiek-inhoudelijke visie van de directeur en de kwaliteiten van het geïntegreerde impresariaat Opera Nu, waardoor het ‘nieuwe’ initiatief er volgens de commissie in zal slagen interessante artistieke medewerkers aan zich te binden om jonge makers te begeleiden.
Aangezien de basisinfrastructuur niet voorziet in een werkplaats en productiehuis voor kameropera en kleinschalig muziektheater, maar daaraan vanuit het veld wel behoefte is, acht de commissie het van belang dat het Kameroperahuis deze lacune in het bestel zal opvullen.
Het artistieke profiel en de doelstellingen van het Kameroperahuis zijn in het beleidsplan duidelijk omschreven en de missie om de ontwikkeling van het genre een impuls te geven en een groter publiek hiervoor te bereiken, waardeert de commissie. De relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling komt in de aanvraag ook goed tot uiting. Daarnaast is de commissie te spreken over de goede inbedding in de regio en het commitment van zowel Zwolle als de provincie Overijssel, die beide een financiële bijdrage
aan het Kameroperahuis leveren. Ook de samenwerking met het Nederlands KamerOpera
Festival levert volgens de commissie een duidelijke artistieke meerwaarde op.
Wel mist de commissie in het beleidsplan van het Kameroperahuis een heldere motivatie voor de keuze van de te begeleiden gezelschappen en makers. Zij dringt hierbij aan op kritische
zorgvuldigheid bij de selectie, zodat minder initiatieven beter ondersteund kunnen worden. Verder constateert de commissie dat de begroting ruim van opzet is en hoge beheers-lasten kent. Naar haar mening is de organisatie met bijna 3 fte te zwaar opgetuigd. Het geadviseerde
subsidiebedrag is daarom lager dan gevraagd.
Conclusie en advies
Op grond van het heldere beleidsplan en de aanwezige expertise en kwaliteiten binnen het Kameroperahuis is de commissie van oordeel dat deze instelling in staat is om de ontwikkeling
van kleinschalige opera en muziektheater de noodzakelijke impuls geven en een groter publiek hiervoor te bereiken. Over de inbedding van het Kameroperahuis in de standplaats en de regio is zij eveneens positief. De commissie adviseert het Kameroperahuis op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Het geadviseerde
subsidiebedrag is lager dan het gevraagde bedrag vanwege de in de ogen van de commissie te hoge beheerslasten en ruim opgezette begroting.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 131.420,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 131.420,- (per jaar)
Stichting Kassys
Kassys
Inleiding
Kassys is een multidisciplinair theaterinitiatief van Liesbeth Gritter en Mette van der Sijs, opgericht in 1999. De groep ontwikkelt, schrijft, regisseert, filmt, monteert en produceert alles zelf. Gesproken tekst wordt gebruikt, maar is van ondergeschikt belang. In de voorstellingen
wordt theater veelal met video gecombineerd. De voorstellingen zijn miniatuurstudies
van het menselijk gedrag: het slagen en falen in specifieke situaties en hoe daarmee om te gaan. Kassys spreekt zelf van ‘gluurtoneel’ waarin ze het publiek menselijk gedrag laat observeren.
Liesbeth Gritter bedenkt de concepten, regisseert en speelt soms mee. Mette van der Sijs coördineert de projecten en doet de dramaturgie. Mark Walraven is zakelijk leider. Er wordt steeds met wisselende casts van voornamelijk mimespelers gewerkt. Het repertoire van Kassys is met regelmaat te zien in het buitenland. Kassys maakt verder korte films en werkt mee aan tentoonstellingen.
Kassys vraagt extra subsidie voor uitbreiding van het dienstverband van de beide artistiek leiders die sinds 2007 fulltime in dienst zijn, voor de optredens buiten Europa en voor het maken van een film. Kassys vraagt €254.961 bij het NFPK+ aan.
Kassys ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Kassys werd in de huidige
periode incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK voor activiteiten in het buitenland.
Beoordeling
De commissie stelt vast dat Kassys in de loop der jaren met bijzondere en kenmerkende voorstellingen een vaste plek heeft verworven binnen het Nederlandse mimelandschap. De producties hebben een sterke eigen signatuur en vertonen een verfijnde interactie tussen de toegepaste mediamiddelen. Kassys draagt bij aan de diversiteit van het Nederlandse theateraanbod.
De voorstellingen van de laatste jaren ervaart de commissie over het algemeen als vakkundig,
maar ook als minder opzienbarend dan in de beginperiode. De commissie constateert dat de voorstellingen langzaamaan volgens een beproefd recept worden gemaakt, met grotere
voorspelbaarheid en beperktere zeggingskracht als gevolg. In de huidige dynamiek van de mimesector vindt de commissie meer artistieke ontwikkeling onontbeerlijk.
De commissie merkt op dat het beleidsplan sterk conceptueel van aard is, maar tekort schiet in de concrete uitwerking van voornemens en activiteiten.
Kassys speelt veel in en buiten Europa. De commissie heeft waardering voor het feit dat de groep is uitgegroeid tot een representatieve exponent van de Nederlandse mimekunst in het buitenland.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Kassys is positief, op grond van de uniciteit van de voorstellingen en de verworven positie in het (inter)nationale veld. De artistiek-inhoudelijke ontwikkeling van de groep dreigt te stagneren en verdient aandacht. Het beleidsplan is conceptueel maar verder gebrekkig uitgewerkt. De commissie adviseert Kassys op te nemen in de Regeling Vierjarige Podiumkunstinstellingen 2009-2012 maar de subsidie te handhaven op huidig niveau.
Kassys is een multidisciplinair theaterinitiatief van Liesbeth Gritter en Mette van der Sijs, opgericht in 1999. De groep ontwikkelt, schrijft, regisseert, filmt, monteert en produceert alles zelf. Gesproken tekst wordt gebruikt, maar is van ondergeschikt belang. In de voorstellingen
wordt theater veelal met video gecombineerd. De voorstellingen zijn miniatuurstudies
van het menselijk gedrag: het slagen en falen in specifieke situaties en hoe daarmee om te gaan. Kassys spreekt zelf van ‘gluurtoneel’ waarin ze het publiek menselijk gedrag laat observeren.
Liesbeth Gritter bedenkt de concepten, regisseert en speelt soms mee. Mette van der Sijs coördineert de projecten en doet de dramaturgie. Mark Walraven is zakelijk leider. Er wordt steeds met wisselende casts van voornamelijk mimespelers gewerkt. Het repertoire van Kassys is met regelmaat te zien in het buitenland. Kassys maakt verder korte films en werkt mee aan tentoonstellingen.
Kassys vraagt extra subsidie voor uitbreiding van het dienstverband van de beide artistiek leiders die sinds 2007 fulltime in dienst zijn, voor de optredens buiten Europa en voor het maken van een film. Kassys vraagt €254.961 bij het NFPK+ aan.
Kassys ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Kassys werd in de huidige
periode incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK voor activiteiten in het buitenland.
Beoordeling
De commissie stelt vast dat Kassys in de loop der jaren met bijzondere en kenmerkende voorstellingen een vaste plek heeft verworven binnen het Nederlandse mimelandschap. De producties hebben een sterke eigen signatuur en vertonen een verfijnde interactie tussen de toegepaste mediamiddelen. Kassys draagt bij aan de diversiteit van het Nederlandse theateraanbod.
De voorstellingen van de laatste jaren ervaart de commissie over het algemeen als vakkundig,
maar ook als minder opzienbarend dan in de beginperiode. De commissie constateert dat de voorstellingen langzaamaan volgens een beproefd recept worden gemaakt, met grotere
voorspelbaarheid en beperktere zeggingskracht als gevolg. In de huidige dynamiek van de mimesector vindt de commissie meer artistieke ontwikkeling onontbeerlijk.
De commissie merkt op dat het beleidsplan sterk conceptueel van aard is, maar tekort schiet in de concrete uitwerking van voornemens en activiteiten.
Kassys speelt veel in en buiten Europa. De commissie heeft waardering voor het feit dat de groep is uitgegroeid tot een representatieve exponent van de Nederlandse mimekunst in het buitenland.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Kassys is positief, op grond van de uniciteit van de voorstellingen en de verworven positie in het (inter)nationale veld. De artistiek-inhoudelijke ontwikkeling van de groep dreigt te stagneren en verdient aandacht. Het beleidsplan is conceptueel maar verder gebrekkig uitgewerkt. De commissie adviseert Kassys op te nemen in de Regeling Vierjarige Podiumkunstinstellingen 2009-2012 maar de subsidie te handhaven op huidig niveau.
theater
Toegekend bedrag:
€ 200.079,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 200.079,- (per jaar)
Stichting Keesen & Co
Keesen & Co
Inleiding
Keesen & Co is een klein toneelgezelschap uit Arnhem dat zijn voorstellingen landelijk in de vlakkevloertheaters speelt. De kern van het gezelschap bestaat uit regisseur Willibrord Keesen
en een groep acteurs die in de loop der jaren een ‘losvast’ ensemble zijn gaan vormen: Wim Bouwens, Reinout Bussemaker, Monique Kuijpers, Michiel Nooter en Xander Straat. Het gezelschap speelt veelal nieuwe Nederlandstalige teksten, aangevuld met bestaand klassiek repertoire. De centrale thematiek in de voostellingen is de mens die zich tracht staande te houden in een genadeloos doordraaiende wereld. “Via de voorstellingen delen de regisseur en acteurs met het publiek wat ze waarnemen in het leven en wat hen bevreemdt, fascineert, onthutst, shockeert, tot tranen toe beweegt of in lachen doet uitbarsten.”
De teksten worden meestal speciaal voor het gezelschap en op de huid van de acteurs geschreven. Keesen & Co kiest hiervoor consequent schrijvers uit die bereid zijn tot op het bot te gaan, die zichzelf niet sparen en vereisen dat de acteurs en de regisseur ook tot het uiterste gaan. De samenwerking met schrijvers Rob de Graaf en Esther Gerritsen gaat de groep voortzetten.
De ontleding van het mechanisme van het menselijk gedrag is en blijft in de periode 2009-2012 het grote thema in het werk van Keesen & Co. Hierbij wil het gezelschap een extra accent leggen op gedrag in grote groepen, wat om een grotere cast en dus meer financiële middelen vraagt. In totaal wil de groep in de komende periode acht voorstellingen uitbrengen. Tevens streeft het gezelschap naar meer speelbeurten.
Keesen & Co vraagt € 528.850 subsidie aan het Fonds.
Het gezelschap ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie waardeert de consistente wijze waarop het repertoire van Keesen & Co tot stand komt. Zij beschouwt de groep als een belangwekkende oeuvrebouwer die dankzij de duurzame relaties met schrijvers als Paul Pouveur, Esther Gerritsen en Rob de Graaf een zinvolle bijdrage levert aan het kleinezaalaanbod in het algemeen en aan de Nederlandse toneelschrijfcultuur in het bijzonder. De voorstellingen, of ze nu groot of klein bezet zijn, hebben in veel opzichten een hoog niveau en de waardering door publiek en pers is navenant.
Naarmate de voorstellingenreeks vordert, ontwikkelt het ensemblespel zich doorgaans sterk. De keuze om nieuw, jong bloed toe te voegen aan de groep lijkt de commissie verstandig.
De commissie is van mening dat de grotere bezettingen zeker uitnodigen tot meer avontuurlijke
samenstellingen en mogelijk ook iets meer ontregeling in de voorstellingen. De inhoudelijke motivering voor de schaalvergroting is niet overtuigend. De accentverschuiving in de thematiek is niet opzienbarend, maar omdat de groep met nieuwe schrijfopdrachten voor meer auteurs werkt, verwacht de commissie dat het artistieke handschrift zich niettemin
zal doorontwikkelen.
De commissie is van mening dat Keesen & Co zorgt voor continuïteit in de aanwezigheid op de verschillende podia. De groep is een welkome gast, de speellijsten zijn kwalitatief en kwantitatief goed. Op het gebied van publieksbereik valt er nog veel te winnen. Er is potentieel
een groot publiek voor het werk en de groep geeft in haar plan blijk van extra aandacht op dit punt. Zo zal zij in de periode 2009-2012 meer podia bespelen en structureel voor- of nabesprekingen en inleidingen aanbieden bij de voorstellingen. De groep biedt ook als een van de weinige gezelschappen van Nederland structureel lunchvoorstellingen aan.
Conclusie en advies
Keesen & Co voert een doordacht en gedegen artistiek beleid en bouwt gestaag aan een eigenzinnig oeuvre. De commissie is positief over de verbreding van het ensemble, ook omdat dat wellicht leidt tot meer ontregeling en artistiek avontuur. De voorstellingen getuigen
van hoog niveau en de waardering door publiek en pers is navenant. De groep is van betekenis in de ontwikkeling en het aanbod van kwalitatief hoogstaand nieuw Nederlands repertoire en besteedt aandacht aan de verbetering van de bedrijfsresultaten. De commissie adviseert het Fonds om Keesen & Co op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
Keesen & Co is een klein toneelgezelschap uit Arnhem dat zijn voorstellingen landelijk in de vlakkevloertheaters speelt. De kern van het gezelschap bestaat uit regisseur Willibrord Keesen
en een groep acteurs die in de loop der jaren een ‘losvast’ ensemble zijn gaan vormen: Wim Bouwens, Reinout Bussemaker, Monique Kuijpers, Michiel Nooter en Xander Straat. Het gezelschap speelt veelal nieuwe Nederlandstalige teksten, aangevuld met bestaand klassiek repertoire. De centrale thematiek in de voostellingen is de mens die zich tracht staande te houden in een genadeloos doordraaiende wereld. “Via de voorstellingen delen de regisseur en acteurs met het publiek wat ze waarnemen in het leven en wat hen bevreemdt, fascineert, onthutst, shockeert, tot tranen toe beweegt of in lachen doet uitbarsten.”
De teksten worden meestal speciaal voor het gezelschap en op de huid van de acteurs geschreven. Keesen & Co kiest hiervoor consequent schrijvers uit die bereid zijn tot op het bot te gaan, die zichzelf niet sparen en vereisen dat de acteurs en de regisseur ook tot het uiterste gaan. De samenwerking met schrijvers Rob de Graaf en Esther Gerritsen gaat de groep voortzetten.
De ontleding van het mechanisme van het menselijk gedrag is en blijft in de periode 2009-2012 het grote thema in het werk van Keesen & Co. Hierbij wil het gezelschap een extra accent leggen op gedrag in grote groepen, wat om een grotere cast en dus meer financiële middelen vraagt. In totaal wil de groep in de komende periode acht voorstellingen uitbrengen. Tevens streeft het gezelschap naar meer speelbeurten.
Keesen & Co vraagt € 528.850 subsidie aan het Fonds.
Het gezelschap ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie waardeert de consistente wijze waarop het repertoire van Keesen & Co tot stand komt. Zij beschouwt de groep als een belangwekkende oeuvrebouwer die dankzij de duurzame relaties met schrijvers als Paul Pouveur, Esther Gerritsen en Rob de Graaf een zinvolle bijdrage levert aan het kleinezaalaanbod in het algemeen en aan de Nederlandse toneelschrijfcultuur in het bijzonder. De voorstellingen, of ze nu groot of klein bezet zijn, hebben in veel opzichten een hoog niveau en de waardering door publiek en pers is navenant.
Naarmate de voorstellingenreeks vordert, ontwikkelt het ensemblespel zich doorgaans sterk. De keuze om nieuw, jong bloed toe te voegen aan de groep lijkt de commissie verstandig.
De commissie is van mening dat de grotere bezettingen zeker uitnodigen tot meer avontuurlijke
samenstellingen en mogelijk ook iets meer ontregeling in de voorstellingen. De inhoudelijke motivering voor de schaalvergroting is niet overtuigend. De accentverschuiving in de thematiek is niet opzienbarend, maar omdat de groep met nieuwe schrijfopdrachten voor meer auteurs werkt, verwacht de commissie dat het artistieke handschrift zich niettemin
zal doorontwikkelen.
De commissie is van mening dat Keesen & Co zorgt voor continuïteit in de aanwezigheid op de verschillende podia. De groep is een welkome gast, de speellijsten zijn kwalitatief en kwantitatief goed. Op het gebied van publieksbereik valt er nog veel te winnen. Er is potentieel
een groot publiek voor het werk en de groep geeft in haar plan blijk van extra aandacht op dit punt. Zo zal zij in de periode 2009-2012 meer podia bespelen en structureel voor- of nabesprekingen en inleidingen aanbieden bij de voorstellingen. De groep biedt ook als een van de weinige gezelschappen van Nederland structureel lunchvoorstellingen aan.
Conclusie en advies
Keesen & Co voert een doordacht en gedegen artistiek beleid en bouwt gestaag aan een eigenzinnig oeuvre. De commissie is positief over de verbreding van het ensemble, ook omdat dat wellicht leidt tot meer ontregeling en artistiek avontuur. De voorstellingen getuigen
van hoog niveau en de waardering door publiek en pers is navenant. De groep is van betekenis in de ontwikkeling en het aanbod van kwalitatief hoogstaand nieuw Nederlands repertoire en besteedt aandacht aan de verbetering van de bedrijfsresultaten. De commissie adviseert het Fonds om Keesen & Co op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 420.466,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 420.466,- (per jaar)
Stichting Kulsan
Kulsan
Inleiding
Kulsan positioneert zichzelf in het muziekbestel als een landelijke muziekorganisatie voor culturele diversiteit, met zowel een productie-, presentatie- en intermediërende functie alsook
een internationale ambitie en praktijk. De missie van Kulsan is ‘een culturele brugfunctie
in Nederland te vervullen om het Nederlandse publiek bekend te maken met uitingen van Turkse cultuur, het cultuuraanbod in Nederland divers te maken met een aandeel uit de Turkse cultuur, Turkse muziek en Turks-Nederlandse cross-overs in te brengen in het repertoire en de activiteiten van Nederlandse orkesten en ensembles en de culturele instellingen
in Nederland ook toegankelijker te maken voor het Turkse publiek’.
De kerntaak van de instelling is ‘het produceren, presenteren en aanbieden aan de podia van muziek uit Turkije in Nederland en het stimuleren van muziekontmoetingen waardoor nieuw muziekrepertoire en nieuwe uitvoeringsvormen ontstaan’. Deze functie krijgt vorm in de verschillende tournees en het jaarlijkse Turkey Now Festival.
Kulsan noemt het stimuleren en promoten van Turks muziektalent in Nederland en de presentatie
van musici uit Nederland in Turkije een belangrijke neventaak.
Kulsan ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De Turkse overheid levert ook een financiële bijdrage aan Kulsan.
Beoordeling
De commissie is van mening dat Kulsan nog steeds een waardevolle positie inneemt in het Nederlandse podiumkunstenbestel. De ‘muziekontmoetingen’ die de instelling realiseert, hebben een bijzonder karakter. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van Turkse muziek en (vooral Turkse) musici en vergroten de culturele diversiteit van het aanbod in zowel Nederland
als Turkije.
Over het ingediende beleidsplan is de commissie minder positief. Hoewel bekend is dat Kulsan beschikt over een relevant netwerk van adviseurs, kan de commissie zich maar een beperkt beeld vormen van de artistieke criteria die de instelling hanteert bij het samenstellen
van haar aanbod of bij het selecteren van de jonge talentvolle musici die ze onder haar hoede neemt.
Daarnaast valt op dat Kulsan in haar plannen het Turkey Now Festival het brandpunt van haar activiteiten noemt. De commissie is hierover niet bij voorbaat enthousiast. De commissie
constateert dat de zichtbaarheid van Kulsan buiten de Randstad beter kan. Met de verschuiving
van activiteiten in de richting van het festival zal een nog sterkere nadruk op de grote steden komen te liggen. Het gevaar is aanwezig dat Kulsan op deze manier aan betekenis
inboet. De commissie acht het daarom van groot belang dat de producties van Kulsan en het door haar geselecteerde aanbod, waarvoor zij als intermediair optreedt, veel meer en beter gespreid worden gepresenteerd om een breder publiek te bereiken. Dat vergt behalve samenwerking met strategische partners ook een goed marketingbeleid. De commissie is van mening dat Muziek Centrum Nederland hierbij een ondersteunende rol kan spelen.
In het verlengde hiervan constateert de commissie dat tot op heden weinig van de musici die Kulsan ‘onder haar hoede heeft genomen’ zijn uitgegroeid tot sterke zelfstandige spelers. Als Kulsan voor zichzelf een structurele rol ziet weggelegd bij het Turkey Now Festival, dan zou ze zich volgens de commissie ten doel moeten stellen dat zij talentvolle jonge groepen daarmee
de kans biedt uit te vliegen. De begeleidende taak van Kulsan, die ze zelf tot haar verantwoordelijkheid
rekent, is sterk onderbelicht in de aanvraag.
Ten overvloede merkt de commissie op dat de bedrijfsvoering van Kulsan in haar ogen aanscherping
behoeft. Kulsan heeft bijvoorbeeld geen effectief beleid geformuleerd dat inzichtelijk
maakt waaraan de instelling prioriteit geeft indien zij geconfronteerd wordt met een veel lager dan gevraagd budget. Ook bevreemdt het de commissie dat een forse stijging van de beheerslasten wordt voorzien zonder dat dit nader wordt onderbouwd.
Conclusie en advies
Op grond van de betekenis en de specifieke rol die Kulsan speelt bij de ontwikkeling van Turkse muziek en musici, en haar bijdrage aan de culturele diversiteit in het Nederlandse podiumkunstenaanbod, oordeelt de commissie positief over de subsidieaanvraag. De commissie
meent wel dat Kulsan haar beleid meer zou moeten richten op een grotere spreiding van de activiteiten en het bereiken van een breder publiek. Daarnaast wenst de commissie op te merken dat voor haar het belang van Kulsan niet zozeer schuilt in het Turkey Now Festival.
De commissie adviseert Kulsan op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 met een bescheiden verhoging van het subsidie.
Kulsan positioneert zichzelf in het muziekbestel als een landelijke muziekorganisatie voor culturele diversiteit, met zowel een productie-, presentatie- en intermediërende functie alsook
een internationale ambitie en praktijk. De missie van Kulsan is ‘een culturele brugfunctie
in Nederland te vervullen om het Nederlandse publiek bekend te maken met uitingen van Turkse cultuur, het cultuuraanbod in Nederland divers te maken met een aandeel uit de Turkse cultuur, Turkse muziek en Turks-Nederlandse cross-overs in te brengen in het repertoire en de activiteiten van Nederlandse orkesten en ensembles en de culturele instellingen
in Nederland ook toegankelijker te maken voor het Turkse publiek’.
De kerntaak van de instelling is ‘het produceren, presenteren en aanbieden aan de podia van muziek uit Turkije in Nederland en het stimuleren van muziekontmoetingen waardoor nieuw muziekrepertoire en nieuwe uitvoeringsvormen ontstaan’. Deze functie krijgt vorm in de verschillende tournees en het jaarlijkse Turkey Now Festival.
Kulsan noemt het stimuleren en promoten van Turks muziektalent in Nederland en de presentatie
van musici uit Nederland in Turkije een belangrijke neventaak.
Kulsan ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De Turkse overheid levert ook een financiële bijdrage aan Kulsan.
Beoordeling
De commissie is van mening dat Kulsan nog steeds een waardevolle positie inneemt in het Nederlandse podiumkunstenbestel. De ‘muziekontmoetingen’ die de instelling realiseert, hebben een bijzonder karakter. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van Turkse muziek en (vooral Turkse) musici en vergroten de culturele diversiteit van het aanbod in zowel Nederland
als Turkije.
Over het ingediende beleidsplan is de commissie minder positief. Hoewel bekend is dat Kulsan beschikt over een relevant netwerk van adviseurs, kan de commissie zich maar een beperkt beeld vormen van de artistieke criteria die de instelling hanteert bij het samenstellen
van haar aanbod of bij het selecteren van de jonge talentvolle musici die ze onder haar hoede neemt.
Daarnaast valt op dat Kulsan in haar plannen het Turkey Now Festival het brandpunt van haar activiteiten noemt. De commissie is hierover niet bij voorbaat enthousiast. De commissie
constateert dat de zichtbaarheid van Kulsan buiten de Randstad beter kan. Met de verschuiving
van activiteiten in de richting van het festival zal een nog sterkere nadruk op de grote steden komen te liggen. Het gevaar is aanwezig dat Kulsan op deze manier aan betekenis
inboet. De commissie acht het daarom van groot belang dat de producties van Kulsan en het door haar geselecteerde aanbod, waarvoor zij als intermediair optreedt, veel meer en beter gespreid worden gepresenteerd om een breder publiek te bereiken. Dat vergt behalve samenwerking met strategische partners ook een goed marketingbeleid. De commissie is van mening dat Muziek Centrum Nederland hierbij een ondersteunende rol kan spelen.
In het verlengde hiervan constateert de commissie dat tot op heden weinig van de musici die Kulsan ‘onder haar hoede heeft genomen’ zijn uitgegroeid tot sterke zelfstandige spelers. Als Kulsan voor zichzelf een structurele rol ziet weggelegd bij het Turkey Now Festival, dan zou ze zich volgens de commissie ten doel moeten stellen dat zij talentvolle jonge groepen daarmee
de kans biedt uit te vliegen. De begeleidende taak van Kulsan, die ze zelf tot haar verantwoordelijkheid
rekent, is sterk onderbelicht in de aanvraag.
Ten overvloede merkt de commissie op dat de bedrijfsvoering van Kulsan in haar ogen aanscherping
behoeft. Kulsan heeft bijvoorbeeld geen effectief beleid geformuleerd dat inzichtelijk
maakt waaraan de instelling prioriteit geeft indien zij geconfronteerd wordt met een veel lager dan gevraagd budget. Ook bevreemdt het de commissie dat een forse stijging van de beheerslasten wordt voorzien zonder dat dit nader wordt onderbouwd.
Conclusie en advies
Op grond van de betekenis en de specifieke rol die Kulsan speelt bij de ontwikkeling van Turkse muziek en musici, en haar bijdrage aan de culturele diversiteit in het Nederlandse podiumkunstenaanbod, oordeelt de commissie positief over de subsidieaanvraag. De commissie
meent wel dat Kulsan haar beleid meer zou moeten richten op een grotere spreiding van de activiteiten en het bereiken van een breder publiek. Daarnaast wenst de commissie op te merken dat voor haar het belang van Kulsan niet zozeer schuilt in het Turkey Now Festival.
De commissie adviseert Kulsan op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 met een bescheiden verhoging van het subsidie.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 209.892,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 209.892,- (per jaar)
Stichting Likeminds
Likeminds
Inleiding
Likeminds is een in Amsterdam gevestigde instelling die interculturele, geëngageerde voorstellingen
en films ontwikkelt die aansluiten bij de belevingswereld van jongeren en een stem geeft aan de ‘stadscultuur van nu’. Hierbij zijn verschillende makers en spelers betrokken
die bij Likeminds de kans krijgen zich te (blijven) ontwikkelen als professionele makers/performers.
In de komende beleidsperiode wil Likeminds meer aandacht besteden aan het opleiden van jonge makers. Hiertoe gaat de instelling een opleidingstraject van een jaar verzorgen voor jong talent dat moeilijk instroomt in het reguliere kunstvakonderwijs. Jaarlijks biedt het gezelschap tien jongeren de kans dit traject te volgen. De deelnemers volgen workshops in schrijven, spelen en maken en krijgen begeleiding van theatermakers van Likeminds zelf en van buiten het gezelschap. Verder geven de leden van het gezelschap educatieve workshops op scholen en bij buurt- en jongerencentra om jongeren te stimuleren actief bezig te zijn met theater.
Likeminds neemt zich voor samenwerkingsprojecten uit te voeren met andere gezelschappen
en heeft voor de komende jaren ondermeer al afspraken met MC, Het Toneel Speelt en De PeerGrouP. Likeminds is een huisgezelschap van het Rozentheater, maar haar thuisbasis is theater De Bitterzoet, waar de groep kleine projecten en presentaties toont. De activiteiten van Likeminds zijn uiteenlopend en afgestemd op de fase van ontwikkeling. Jaarlijks ontwikkelt
Likeminds twee grote voorstellingen die op tournee gaan, een solovoorstelling van een van de leden en drie presentaties, waarvan twee met een maker van buiten de groep. Op het gebied van educatie verzorgt de groep één of twee masterworkshops: cursussen van twee weken die worden gegeven door makers die veelal uit het buitenland afkomstig zijn. Verder stelt ze zich ten doel het jaarlijkse festival ‘Likeminds bedankt’ te organiseren, waarin
de groep naast nieuw werk alle geslaagde producties en presentaties van het afgelopen jaar presenteert. Vanaf 2009 worden de voorstellingen van Likeminds opgenomen in de ckv-tournee van Bekijk ’t.
Likeminds vraagt € 175.000 subsidie per jaar voor het totaal van de geplande activiteiten en heeft rekening gehouden met uitbreiding en professionalisering van de organisatie.
Likeminds heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. De groep is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Likeminds heeft na de afwijzing van haar aanvraag voor een plaats in de basisinfrastructuur een ongewijzigde aanvraag ingediend bij het Fonds. De commissie heeft Likeminds, in lijn met het advies van de Raad voor Cultuur, beoordeeld als producerende theaterinstelling. Dat in de geplande activiteiten sprake is van (talent)ontwikkeling van de leden, is inherent aan de gekozen opzet en werkwijze. Likeminds heeft in de afgelopen jaren interessante voorstellingen
en projecten gerealiseerd die dicht op de huid van de doelgroep en de makers zitten. Vanuit deze kracht wil de groep zich de komende jaren verder ontwikkelen en profileren. De commissie ziet daar voldoende mogelijkheden voor, hoewel het plan in de uitwerking niet volledig overtuigt. De commissie mist een logische en heldere samenhang tussen de geplande
activiteiten en verwachte output aan voorstellingen (en) van talentvolle en potentiële makers.
Doordat de artistieke leiding geen specifieke artistieke visie volgt ten aanzien van thema’s, inhoud en vorm, krijgen de betrokken makers de kans ‘eigen’ voorstellingen te realiseren. De rol die Likeminds vervult, neigt in dat opzicht meer naar een intermediaire en dat maakt de artistieke profilering diffuus.
Over de kwaliteit van het werk is de commissie positief. Er zijn voor de komende jaren afspraken gemaakt met degelijke partners en meer en meer lijken (potentiële) partners zich tot Likeminds te wenden voor samenwerking en uitwisseling. Tevens slaagt Likeminds erin om interessante makers aan zich te binden die een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit
van de voorstellingen en de andere activiteiten. De commissie vindt het van belang dat de groep zich in de komende jaren verder kan ontwikkelen en de mogelijkheid krijgt om meer structuur en signatuur aan te brengen in haar activiteiten.
De commissie constateert met waardering dat (culturele) diversiteit sterk verankerd is in de organisatie, de activiteiten en het publiek van Likeminds.
De organisatie heeft in de afgelopen jaren een stevige organisatorische basis gelegd om haar activiteitenplan voor 2009-2012 uit te kunnen voeren. De commissie is van mening dat de beoogde uitbreiding van de organisatie noodzakelijk is om de geplande activiteiten op een kwalitatief goed niveau te kunnen uitvoeren.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Likeminds interessante voorstellingen maakt, geïnspireerd op de grootstedelijke cultuur en die jongeren aanspreken. Likeminds levert een grote bijdrage
aan de artistieke en vakmatige ontwikkeling van jonge en nieuwe makers, die door de ‘open’ visie ten aanzien van inhoud en vorm veel ruimte krijgen. Dat dat enigszins ten koste gaat van de scherpte van het artistieke profiel, is een aandachtspunt voor de komende periode.
Verder zoekt Likeminds met succes sterke samenwerkingspartners op, waardoor er aan kwaliteit gewonnen wordt.
De commissie adviseert om Likeminds op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
Likeminds is een in Amsterdam gevestigde instelling die interculturele, geëngageerde voorstellingen
en films ontwikkelt die aansluiten bij de belevingswereld van jongeren en een stem geeft aan de ‘stadscultuur van nu’. Hierbij zijn verschillende makers en spelers betrokken
die bij Likeminds de kans krijgen zich te (blijven) ontwikkelen als professionele makers/performers.
In de komende beleidsperiode wil Likeminds meer aandacht besteden aan het opleiden van jonge makers. Hiertoe gaat de instelling een opleidingstraject van een jaar verzorgen voor jong talent dat moeilijk instroomt in het reguliere kunstvakonderwijs. Jaarlijks biedt het gezelschap tien jongeren de kans dit traject te volgen. De deelnemers volgen workshops in schrijven, spelen en maken en krijgen begeleiding van theatermakers van Likeminds zelf en van buiten het gezelschap. Verder geven de leden van het gezelschap educatieve workshops op scholen en bij buurt- en jongerencentra om jongeren te stimuleren actief bezig te zijn met theater.
Likeminds neemt zich voor samenwerkingsprojecten uit te voeren met andere gezelschappen
en heeft voor de komende jaren ondermeer al afspraken met MC, Het Toneel Speelt en De PeerGrouP. Likeminds is een huisgezelschap van het Rozentheater, maar haar thuisbasis is theater De Bitterzoet, waar de groep kleine projecten en presentaties toont. De activiteiten van Likeminds zijn uiteenlopend en afgestemd op de fase van ontwikkeling. Jaarlijks ontwikkelt
Likeminds twee grote voorstellingen die op tournee gaan, een solovoorstelling van een van de leden en drie presentaties, waarvan twee met een maker van buiten de groep. Op het gebied van educatie verzorgt de groep één of twee masterworkshops: cursussen van twee weken die worden gegeven door makers die veelal uit het buitenland afkomstig zijn. Verder stelt ze zich ten doel het jaarlijkse festival ‘Likeminds bedankt’ te organiseren, waarin
de groep naast nieuw werk alle geslaagde producties en presentaties van het afgelopen jaar presenteert. Vanaf 2009 worden de voorstellingen van Likeminds opgenomen in de ckv-tournee van Bekijk ’t.
Likeminds vraagt € 175.000 subsidie per jaar voor het totaal van de geplande activiteiten en heeft rekening gehouden met uitbreiding en professionalisering van de organisatie.
Likeminds heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. De groep is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Likeminds heeft na de afwijzing van haar aanvraag voor een plaats in de basisinfrastructuur een ongewijzigde aanvraag ingediend bij het Fonds. De commissie heeft Likeminds, in lijn met het advies van de Raad voor Cultuur, beoordeeld als producerende theaterinstelling. Dat in de geplande activiteiten sprake is van (talent)ontwikkeling van de leden, is inherent aan de gekozen opzet en werkwijze. Likeminds heeft in de afgelopen jaren interessante voorstellingen
en projecten gerealiseerd die dicht op de huid van de doelgroep en de makers zitten. Vanuit deze kracht wil de groep zich de komende jaren verder ontwikkelen en profileren. De commissie ziet daar voldoende mogelijkheden voor, hoewel het plan in de uitwerking niet volledig overtuigt. De commissie mist een logische en heldere samenhang tussen de geplande
activiteiten en verwachte output aan voorstellingen (en) van talentvolle en potentiële makers.
Doordat de artistieke leiding geen specifieke artistieke visie volgt ten aanzien van thema’s, inhoud en vorm, krijgen de betrokken makers de kans ‘eigen’ voorstellingen te realiseren. De rol die Likeminds vervult, neigt in dat opzicht meer naar een intermediaire en dat maakt de artistieke profilering diffuus.
Over de kwaliteit van het werk is de commissie positief. Er zijn voor de komende jaren afspraken gemaakt met degelijke partners en meer en meer lijken (potentiële) partners zich tot Likeminds te wenden voor samenwerking en uitwisseling. Tevens slaagt Likeminds erin om interessante makers aan zich te binden die een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit
van de voorstellingen en de andere activiteiten. De commissie vindt het van belang dat de groep zich in de komende jaren verder kan ontwikkelen en de mogelijkheid krijgt om meer structuur en signatuur aan te brengen in haar activiteiten.
De commissie constateert met waardering dat (culturele) diversiteit sterk verankerd is in de organisatie, de activiteiten en het publiek van Likeminds.
De organisatie heeft in de afgelopen jaren een stevige organisatorische basis gelegd om haar activiteitenplan voor 2009-2012 uit te kunnen voeren. De commissie is van mening dat de beoogde uitbreiding van de organisatie noodzakelijk is om de geplande activiteiten op een kwalitatief goed niveau te kunnen uitvoeren.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Likeminds interessante voorstellingen maakt, geïnspireerd op de grootstedelijke cultuur en die jongeren aanspreken. Likeminds levert een grote bijdrage
aan de artistieke en vakmatige ontwikkeling van jonge en nieuwe makers, die door de ‘open’ visie ten aanzien van inhoud en vorm veel ruimte krijgen. Dat dat enigszins ten koste gaat van de scherpte van het artistieke profiel, is een aandachtspunt voor de komende periode.
Verder zoekt Likeminds met succes sterke samenwerkingspartners op, waardoor er aan kwaliteit gewonnen wordt.
De commissie adviseert om Likeminds op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 183.850,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 183.850,- (per jaar)
Stichting Liszt Concours
Internationaal Franz Liszt Pianoconcours
Inleiding
De hoofdactiviteit van het Liszt Concours is het Internationaal Franz Liszt Pianoconcours, naar eigen zeggen een ‘gerenommeerd concours voor internationaal piano-toptalent dat elke drie jaar plaatsvindt in Vredenburg Utrecht’. Het concours is exclusief gewijd aan de pianowerken van de componist Franz Liszt. Voorafgaand aan het concours vinden diverse activiteiten plaats: masterclasses in binnen- en buitenland, de Concerttournee Masterclasses,
het Festival Internationale Selectieronden, en voorrondes in Utrecht, New York en Shanghai. Doorlopend vinden concerten van de prijswinnaars plaats over de hele wereld. Het Liszt Concours wil ‘ertoe bijdragen dat internationaal piano-toptalent kan excelleren en voor alle activiteiten die het daarvoor onderneemt wil het een geïnteresseerd publiek bereiken’.
De instelling richt zich niet alleen op het ontdekken van jonge toppianisten, maar ook op het ondersteunen en presenteren van deze talenten.
Het Liszt Concours stelt zich de komende periode tot doel ‘tot de absolute top van de internationale
pianoconcoursen te gaan behoren’ door de ‘goede reputatie te blijven waarmaken, zowel richting publiek als pianotalent, alsook door ons te blijven ontwikkelen en vernieuwen’.
Bovendien komt het Liszt Concours met een nieuw initiatief, de Liszt Junioracademie, om pianotalent onder de 18 jaar ‘echt naar de top te helpen’.
Het Liszt Concours heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend.
Naar aanleiding van het beleidsplan is op 21 mei 2008 een nadere uitwerking van de begroting
opgevraagd bij de aanvragers.
Beoordeling
De commissie is zeer te spreken over de artistieke ontwikkeling die het Liszt Concours heeft doorgemaakt. De internationale uitstraling is goed en het niveau van de deelnemers is over het algemeen hoog. Ondanks het feit dat het concours maar één keer in de drie jaar plaatsvindt,
is de instelling erin geslaagd een stevige positie in te nemen in het internationale veld.
De aanvraag van het Liszt Concours maakt in heldere bewoordingen duidelijk welke doelstellingen
het nastreeft. Al valt het de commissie op dat de aanvraag meer weg heeft van een businessplan en dat de artistieke bevlogenheid soms node wordt gemist. Desondanks is de commissie onder de indruk over de manier waarop het concours aan betekenis heeft gewonnen
door selectierondes ook in het buitenland te organiseren op plekken waar verwacht kan worden dat veel jong pianotalent aanwezig is. Ook de begeleiding van de winnaars tijdens de indrukwekkende tournees, niet alleen in Nederland, maar ook ver daarbuiten, kan de goedkeuring
van de commissie wegdragen. Het concours vervult daarmee een belangrijke ambassadeursrol.
Het Liszt Concours is er in geslaagd een groot publiek voor zijn activiteiten te bereiken. Dat het daarbij als een van de weinige instellingen niet alleen conventionele middelen gebruikt maar ook nieuwe media inzet is tekenend voor het (cultureel) ondernemerschap. Dat geldt evenzeer voor de manier waarop het Liszt Concours in staat is een hoog aandeel eigen inkomsten te genereren.
Hoewel de commissie er begrip voor heeft dat het Liszt Concours in de periode tussen twee concoursen activiteiten wenst te organiseren die in het verlengde liggen van zijn kerntaak, om de aandacht te kunnen blijven vestigen op het concours, acht zij die niet voor meerjarige subsidie in aanmerking komen. De commissie is van mening dat het Liszt Festival in samenwerking,
ook financieel, met podia of vergelijkbare partners dient te worden gerealiseerd. De plannen voor de Liszt Junior Academie acht zij op dit moment nog te prematuur om er al een positief oordeel aan toe te kennen.
Conclusie en advies
De commissie is zeer te spreken over de artistieke ontwikkeling die het Liszt Concours heeft doorgemaakt en de manier waarop het (internationale) aandacht en publiek weet te genereren
voor de prestaties van jong pianotalent. Daarom adviseert de commissie het Liszt Concours
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie acht het noodzakelijk hieraan toe te voegen dat het subsidie bestemd is voor alle direct uit het concours voortvloeiende activiteiten, maar niet voor het Liszt Festival en de Liszt Junior Academie.
De hoofdactiviteit van het Liszt Concours is het Internationaal Franz Liszt Pianoconcours, naar eigen zeggen een ‘gerenommeerd concours voor internationaal piano-toptalent dat elke drie jaar plaatsvindt in Vredenburg Utrecht’. Het concours is exclusief gewijd aan de pianowerken van de componist Franz Liszt. Voorafgaand aan het concours vinden diverse activiteiten plaats: masterclasses in binnen- en buitenland, de Concerttournee Masterclasses,
het Festival Internationale Selectieronden, en voorrondes in Utrecht, New York en Shanghai. Doorlopend vinden concerten van de prijswinnaars plaats over de hele wereld. Het Liszt Concours wil ‘ertoe bijdragen dat internationaal piano-toptalent kan excelleren en voor alle activiteiten die het daarvoor onderneemt wil het een geïnteresseerd publiek bereiken’.
De instelling richt zich niet alleen op het ontdekken van jonge toppianisten, maar ook op het ondersteunen en presenteren van deze talenten.
Het Liszt Concours stelt zich de komende periode tot doel ‘tot de absolute top van de internationale
pianoconcoursen te gaan behoren’ door de ‘goede reputatie te blijven waarmaken, zowel richting publiek als pianotalent, alsook door ons te blijven ontwikkelen en vernieuwen’.
Bovendien komt het Liszt Concours met een nieuw initiatief, de Liszt Junioracademie, om pianotalent onder de 18 jaar ‘echt naar de top te helpen’.
Het Liszt Concours heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend.
Naar aanleiding van het beleidsplan is op 21 mei 2008 een nadere uitwerking van de begroting
opgevraagd bij de aanvragers.
Beoordeling
De commissie is zeer te spreken over de artistieke ontwikkeling die het Liszt Concours heeft doorgemaakt. De internationale uitstraling is goed en het niveau van de deelnemers is over het algemeen hoog. Ondanks het feit dat het concours maar één keer in de drie jaar plaatsvindt,
is de instelling erin geslaagd een stevige positie in te nemen in het internationale veld.
De aanvraag van het Liszt Concours maakt in heldere bewoordingen duidelijk welke doelstellingen
het nastreeft. Al valt het de commissie op dat de aanvraag meer weg heeft van een businessplan en dat de artistieke bevlogenheid soms node wordt gemist. Desondanks is de commissie onder de indruk over de manier waarop het concours aan betekenis heeft gewonnen
door selectierondes ook in het buitenland te organiseren op plekken waar verwacht kan worden dat veel jong pianotalent aanwezig is. Ook de begeleiding van de winnaars tijdens de indrukwekkende tournees, niet alleen in Nederland, maar ook ver daarbuiten, kan de goedkeuring
van de commissie wegdragen. Het concours vervult daarmee een belangrijke ambassadeursrol.
Het Liszt Concours is er in geslaagd een groot publiek voor zijn activiteiten te bereiken. Dat het daarbij als een van de weinige instellingen niet alleen conventionele middelen gebruikt maar ook nieuwe media inzet is tekenend voor het (cultureel) ondernemerschap. Dat geldt evenzeer voor de manier waarop het Liszt Concours in staat is een hoog aandeel eigen inkomsten te genereren.
Hoewel de commissie er begrip voor heeft dat het Liszt Concours in de periode tussen twee concoursen activiteiten wenst te organiseren die in het verlengde liggen van zijn kerntaak, om de aandacht te kunnen blijven vestigen op het concours, acht zij die niet voor meerjarige subsidie in aanmerking komen. De commissie is van mening dat het Liszt Festival in samenwerking,
ook financieel, met podia of vergelijkbare partners dient te worden gerealiseerd. De plannen voor de Liszt Junior Academie acht zij op dit moment nog te prematuur om er al een positief oordeel aan toe te kennen.
Conclusie en advies
De commissie is zeer te spreken over de artistieke ontwikkeling die het Liszt Concours heeft doorgemaakt en de manier waarop het (internationale) aandacht en publiek weet te genereren
voor de prestaties van jong pianotalent. Daarom adviseert de commissie het Liszt Concours
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie acht het noodzakelijk hieraan toe te voegen dat het subsidie bestemd is voor alle direct uit het concours voortvloeiende activiteiten, maar niet voor het Liszt Festival en de Liszt Junior Academie.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 36.470,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 36.470,- (per jaar)
Stichting Marmoucha
Marmoucha
Inleiding
Marmoucha beschrijft zichzelf als een ‘producerende festival-/evenementenorganisatie en intermediair op het gebied van culturele diversiteit’. Zij stelt zichzelf ten doel de Noord-Afrikaanse en Arabische muziek- en jongerencultuur in Nederland te bevorderen en te promoten.
Hiertoe organiseert zij onder meer evenementen, concerten, multidisciplinaire programma’s, workshops, masterclasses en andere vormen van talentontwikkeling. Marmoucha
tracht met deze activiteiten een breed publiek te bereiken.
Marmoucha schrijft in haar activiteitenplan dat zij er in geslaagd is meerdere podia in het land te stimuleren tot samenwerking, waardoor het aantal uitvoeringen en bemiddelingen voor podia buiten standplaats Amsterdam toeneemt. Zij streeft naar een voortzetting van deze groei in de periode 2009-2012 door samenwerking te zoeken met culturele ondernemers
en podia in steden waar een vergelijkbaar aanbod van culturele programma’s nog ontbreekt.
Als ambities voor de komende periode noemt Marmoucha onder andere ‘het motiveren van lokale organisaties in het zelf initiëren en/of ondersteunen van hun activiteiten
en in het samenbrengen van podia met lokale culturele verenigingen’. Op internationaal gebied wil Marmoucha bijdragen aan meer uitwisseling van kennis en cultuur tussen Marokko en Nederland. Zo wil zij structureel aanwezig zijn op het jaarlijkse tweedaagse Boulevardfestival in Casablanca met een Nederlandse afvaardiging van artiesten en technici.
Verder heeft Marmoucha de ambitie meer muziek uit het Midden-Oosten te programmeren.
De gevraagde subsidie bevat een verhoging ten opzichte van de huidige cultuurnota-
subsidie. Deze verhoging wil de instelling gebruiken om het aantal activiteiten te vergroten en een ‘cultureel intermediair’ aan te stellen.
Marmoucha ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Marmoucha heeft zich in de ogen van de commissie de laatste jaren gunstig ontwikkeld. Ze slaagt erin een (bescheiden) publiek te betrekken bij haar activiteiten en daardoor een onderscheidende kwalitatieve ontwikkeling van de Noord-Afrikaanse en Arabische muziek in Nederland te bewerkstelligen. Ook slaagt Marmoucha er in om met gerichte publiciteit doelgroepen te bereiken, die anders wellicht zelden in aanraking zouden komen met deze vorm van podiumkunst.
Toch roept de aanvraag bij de commissie ook vragen op. Marmoucha heeft de afgelopen jaren een waardevolle groei doorgemaakt en presenteert ambitieuze toekomstplannen. De commissie vindt dat de artistieke visie van waaruit Marmoucha de vele verschillende activiteiten
onderneemt beter kan worden gearticuleerd. Zij begrijpt dat de verschillende doelgroepen
die Marmoucha wil bereiken ieder een eigen profiel hebben, maar uit de aanvraag wordt de commissie niet precies duidelijk welke artistieke criteria de instelling hanteert bij het selecteren van de programmering. Daarnaast valt op dat Marmoucha in haar plannen vooral inzet op een uitbreiding van het aantal activiteiten. De commissie is hierover niet bij voorbaat enthousiast. Marmoucha is weliswaar in staat specifieke doelgroepen te bereiken, maar in de ogen van de commissie moet het mogelijk zijn om voor het gepresenteerde repertoire een breder publiek te interesseren.
Bovendien is de commissie van mening dat de zichtbaarheid van Marmoucha buiten de Randstad te gering is. Het gevaar is aanwezig dat Marmoucha op deze manier een steeds geïsoleerder plek in het bestel zal innemen. De commissie acht het daarom van groot belang dat de producties van Marmoucha en het door haar geselecteerde aanbod, waarvoor zij als intermediair optreedt, veel meer en beter gespreid worden gepresenteerd. Dat vergt behalve samenwerking met strategische partners ook een goed marketingbeleid. De commissie is van mening dat Muziek Centrum Nederland hierbij een ondersteunende rol kan spelen.
In het verlengde hiervan constateert de commissie dat tot op heden weinig van de musici die Marmoucha ‘onder haar hoede heeft genomen’ zijn uitgegroeid tot sterke zelfstandige spelers.
Als Marmoucha voor zichzelf een structurele rol ziet weggelegd bij bijvoorbeeld het jaarlijkse Boulevard Festival in Casablanca en het Festival Mediteranee van Al Hoceima, dan zou ze zich volgens de commissie ten doel moeten stellen dat zij de talentvolle groepen daarmee de kans biedt uit te vliegen. Die begeleidende taak van Marmoucha is sterk onderbelicht
in de aanvraag.
Conclusie en advies
Vanwege de specifieke en waardevolle programmering acht de commissie de activiteiten van Marmoucha van wezenlijk belang voor het Nederlandse muziekleven. De commissie meent dat Marmoucha wel haar beleid meer zou moeten richten op een grotere spreiding van haar activiteiten en het bereiken van een breder publiek. De commissie adviseert Marmoucha
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Marmoucha beschrijft zichzelf als een ‘producerende festival-/evenementenorganisatie en intermediair op het gebied van culturele diversiteit’. Zij stelt zichzelf ten doel de Noord-Afrikaanse en Arabische muziek- en jongerencultuur in Nederland te bevorderen en te promoten.
Hiertoe organiseert zij onder meer evenementen, concerten, multidisciplinaire programma’s, workshops, masterclasses en andere vormen van talentontwikkeling. Marmoucha
tracht met deze activiteiten een breed publiek te bereiken.
Marmoucha schrijft in haar activiteitenplan dat zij er in geslaagd is meerdere podia in het land te stimuleren tot samenwerking, waardoor het aantal uitvoeringen en bemiddelingen voor podia buiten standplaats Amsterdam toeneemt. Zij streeft naar een voortzetting van deze groei in de periode 2009-2012 door samenwerking te zoeken met culturele ondernemers
en podia in steden waar een vergelijkbaar aanbod van culturele programma’s nog ontbreekt.
Als ambities voor de komende periode noemt Marmoucha onder andere ‘het motiveren van lokale organisaties in het zelf initiëren en/of ondersteunen van hun activiteiten
en in het samenbrengen van podia met lokale culturele verenigingen’. Op internationaal gebied wil Marmoucha bijdragen aan meer uitwisseling van kennis en cultuur tussen Marokko en Nederland. Zo wil zij structureel aanwezig zijn op het jaarlijkse tweedaagse Boulevardfestival in Casablanca met een Nederlandse afvaardiging van artiesten en technici.
Verder heeft Marmoucha de ambitie meer muziek uit het Midden-Oosten te programmeren.
De gevraagde subsidie bevat een verhoging ten opzichte van de huidige cultuurnota-
subsidie. Deze verhoging wil de instelling gebruiken om het aantal activiteiten te vergroten en een ‘cultureel intermediair’ aan te stellen.
Marmoucha ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Marmoucha heeft zich in de ogen van de commissie de laatste jaren gunstig ontwikkeld. Ze slaagt erin een (bescheiden) publiek te betrekken bij haar activiteiten en daardoor een onderscheidende kwalitatieve ontwikkeling van de Noord-Afrikaanse en Arabische muziek in Nederland te bewerkstelligen. Ook slaagt Marmoucha er in om met gerichte publiciteit doelgroepen te bereiken, die anders wellicht zelden in aanraking zouden komen met deze vorm van podiumkunst.
Toch roept de aanvraag bij de commissie ook vragen op. Marmoucha heeft de afgelopen jaren een waardevolle groei doorgemaakt en presenteert ambitieuze toekomstplannen. De commissie vindt dat de artistieke visie van waaruit Marmoucha de vele verschillende activiteiten
onderneemt beter kan worden gearticuleerd. Zij begrijpt dat de verschillende doelgroepen
die Marmoucha wil bereiken ieder een eigen profiel hebben, maar uit de aanvraag wordt de commissie niet precies duidelijk welke artistieke criteria de instelling hanteert bij het selecteren van de programmering. Daarnaast valt op dat Marmoucha in haar plannen vooral inzet op een uitbreiding van het aantal activiteiten. De commissie is hierover niet bij voorbaat enthousiast. Marmoucha is weliswaar in staat specifieke doelgroepen te bereiken, maar in de ogen van de commissie moet het mogelijk zijn om voor het gepresenteerde repertoire een breder publiek te interesseren.
Bovendien is de commissie van mening dat de zichtbaarheid van Marmoucha buiten de Randstad te gering is. Het gevaar is aanwezig dat Marmoucha op deze manier een steeds geïsoleerder plek in het bestel zal innemen. De commissie acht het daarom van groot belang dat de producties van Marmoucha en het door haar geselecteerde aanbod, waarvoor zij als intermediair optreedt, veel meer en beter gespreid worden gepresenteerd. Dat vergt behalve samenwerking met strategische partners ook een goed marketingbeleid. De commissie is van mening dat Muziek Centrum Nederland hierbij een ondersteunende rol kan spelen.
In het verlengde hiervan constateert de commissie dat tot op heden weinig van de musici die Marmoucha ‘onder haar hoede heeft genomen’ zijn uitgegroeid tot sterke zelfstandige spelers.
Als Marmoucha voor zichzelf een structurele rol ziet weggelegd bij bijvoorbeeld het jaarlijkse Boulevard Festival in Casablanca en het Festival Mediteranee van Al Hoceima, dan zou ze zich volgens de commissie ten doel moeten stellen dat zij de talentvolle groepen daarmee de kans biedt uit te vliegen. Die begeleidende taak van Marmoucha is sterk onderbelicht
in de aanvraag.
Conclusie en advies
Vanwege de specifieke en waardevolle programmering acht de commissie de activiteiten van Marmoucha van wezenlijk belang voor het Nederlandse muziekleven. De commissie meent dat Marmoucha wel haar beleid meer zou moeten richten op een grotere spreiding van haar activiteiten en het bereiken van een breder publiek. De commissie adviseert Marmoucha
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 211.267,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 211.267,- (per jaar)
Stichting mightysociety
mightysociety
Inleiding
Mightysociety is in 2004 opgericht om de migthysociety-cyclus van regisseur en schrijver Eric de Vroedt te produceren. Het betreft hedendaags teksttoneel, dat in zijn vorm varieert van een monoloog op een hotelkamer voor circa vijftien bezoekers tot een theatrale installatie
waarin het publiek kan rondlopen en zijn eigen route kan kiezen. Naast de voorstellingen omvat het concept het mightymagazine, de mightysociety-sideshow en mightysociety-previews.
Sinds 2004 zijn vijf delen gerealiseerd en in het najaar van 2008 gaat het zesde deel in première.
De vier pijlers die het concept volgens de aanvrager kenmerken en onderscheiden zijn: de consequente nadruk op actuele politieke en maatschappelijke kwesties; de artistieke handtekening
van de schrijver en regisseur; de combinatie van theater met de wereld van politiek,
journalistiek en wetenschap en de intensieve samenwerking met maatschappelijke organisaties en personen.
In de komende periode wijdt mightysociety een voorstelling aan de vergrijzing. Verder brengt zij een activistische musical op locatie, gericht tegen een grote entertainment-multinational
en maakt zij een fictieve reconstructie van de schrijnende affaire rond het gifschip Probo Koala waarin westers afval, ecologische zorgen, de derde wereld en keihard neo-liberalisme
samenkomen. In een stuk over Indonesië ten slotte komen alle hoofdthema’s uit de voorgaande delen samen. Na mightysociety10 zal de reeks in 2012 zijn voltooid en volgt er een retrospectief-event.
De aanvrager is in 2007 een alliantie met Toneelgroep Amsterdam aangegaan. Uitgangspunten
daarbij zijn talentontwikkeling en doorstroming. De alliantie bestaat enerzijds uit productionele
en pr/marketing ondersteuning van de mightysociety-voorstellingen en anderzijds uit het maken van twee voorstellingen in het TA2-programma. Met Festival Over ’t IJ zijn voor 2009 en 2010 afspraken gemaakt. Zo zullen tijdens de festivaleditie van 2009 acht openbare improvisatiesessies worden gehouden voor mightysociety7, die vervolgens gebruikt worden bij het maken van de voorstelling in het najaar. mightysociety8 zal in 2010 tijdens Over ’t IJ worden gespeeld.
Mightysociety werkt al enkele jaren samen met een aantal podia, waardoor de voorstellingen
veelal in een serie worden getoond en randactiviteiten kunnen worden georganiseerd. Met deze podia zal ook in 2009-2012 worden samengewerkt. Daarnaast zoekt de instelling naar uitbreiding van het aantal speelplekken. In België heeft mightysociety reeds voorstellingen
gerealiseerd en gepland. Inmiddels heeft de organisatie de eerste contacten gelegd om de stukken in Duitsland en Groot-Britannië onder de aandacht te brengen.
In totaal zijn er voor de periode 2009-2012 vijf activiteiten gepland: mightysociety7, 8, 9 en 10 en een retrospectief event. Mightysociety vraagt daarvoor een jaarlijkse subsidie van
€ 271.461 van het NFPK+ .
Mightysociety heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. Tot nu toe werden de plannen gerealiseerd mede dankzij financiële ondersteuning van het voormalige FAPK.
Beoordeling
Mightysociety zet de in 2004 ingeslagen weg in 2009-2012 nadrukkelijk en consistent voort. De commissie oordeelt positief over de ontwikkeling en de profilering van Eric de Vroedt in zijn mightysociety-cyclus. De thema’s in de voorstellingen getuigen van politiek en sociaal engagement. De serie levert een belangwekkende bijdrage aan het Nederlandstalig repertoire.
Naast de theatervoorstellingen worden er diverse randactiviteiten georganiseerd die de thema’s op een aanvullende manier belichten en verdiepen. Vanwege het totaalconcept en de wijze waarop dit tot nu toe is uitgevoerd, is er sprake van een bijzondere serie voorstellingen,
die als uitingen van nieuw geëngageerd theater van belang zijn voor de ontwikkeling
van het hedendaags teksttoneel en het multidisciplinaire theater.
Met betrekking tot de ketengedachte, publieksbereik en -ontwikkeling ziet de commissie Mightysociety als een inspirerend voorbeeld voor andere groepen. Er is verder sprake van een deugdelijke bedrijfsvoering, waarbij de alliantie met Toneelgroep Amsterdam het vertrouwen
verder versterkt.
Op het punt van culturele diversiteit is het beleidsplan cryptisch, zodat onderbelicht blijft wat de groep op dit punt wil. Deel tien van de cyclus (Lost in Translation in Jakarta) besteedt in ieder geval aandacht aan verwante thematiek. Los daarvan verwacht de commissie dat mightysociety het voornoemde thema vorm en inhoud zal geven.
De commissie ziet het als positief dat Mightysociety in 2012 wordt afgerond, waarmee Eric de Vroedt een voorschot neemt op nieuwe ontwikkelingen.
Conclusie en advies
Eric de Vroedt ontwikkelt zich binnen mightysociety in gestaag tempo als schrijver, regisseur
en cultureel ondernemer. Het plan voor 2009-2012 gaat op een duidelijke en realistische
manier door op de activiteiten die vanaf 2004 zijn ontplooid en die door de commissie van belang worden geacht voor het reliëf in het Nederlandse theaterlandschap. De commissie
adviseert om mightysociety op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
Mightysociety is in 2004 opgericht om de migthysociety-cyclus van regisseur en schrijver Eric de Vroedt te produceren. Het betreft hedendaags teksttoneel, dat in zijn vorm varieert van een monoloog op een hotelkamer voor circa vijftien bezoekers tot een theatrale installatie
waarin het publiek kan rondlopen en zijn eigen route kan kiezen. Naast de voorstellingen omvat het concept het mightymagazine, de mightysociety-sideshow en mightysociety-previews.
Sinds 2004 zijn vijf delen gerealiseerd en in het najaar van 2008 gaat het zesde deel in première.
De vier pijlers die het concept volgens de aanvrager kenmerken en onderscheiden zijn: de consequente nadruk op actuele politieke en maatschappelijke kwesties; de artistieke handtekening
van de schrijver en regisseur; de combinatie van theater met de wereld van politiek,
journalistiek en wetenschap en de intensieve samenwerking met maatschappelijke organisaties en personen.
In de komende periode wijdt mightysociety een voorstelling aan de vergrijzing. Verder brengt zij een activistische musical op locatie, gericht tegen een grote entertainment-multinational
en maakt zij een fictieve reconstructie van de schrijnende affaire rond het gifschip Probo Koala waarin westers afval, ecologische zorgen, de derde wereld en keihard neo-liberalisme
samenkomen. In een stuk over Indonesië ten slotte komen alle hoofdthema’s uit de voorgaande delen samen. Na mightysociety10 zal de reeks in 2012 zijn voltooid en volgt er een retrospectief-event.
De aanvrager is in 2007 een alliantie met Toneelgroep Amsterdam aangegaan. Uitgangspunten
daarbij zijn talentontwikkeling en doorstroming. De alliantie bestaat enerzijds uit productionele
en pr/marketing ondersteuning van de mightysociety-voorstellingen en anderzijds uit het maken van twee voorstellingen in het TA2-programma. Met Festival Over ’t IJ zijn voor 2009 en 2010 afspraken gemaakt. Zo zullen tijdens de festivaleditie van 2009 acht openbare improvisatiesessies worden gehouden voor mightysociety7, die vervolgens gebruikt worden bij het maken van de voorstelling in het najaar. mightysociety8 zal in 2010 tijdens Over ’t IJ worden gespeeld.
Mightysociety werkt al enkele jaren samen met een aantal podia, waardoor de voorstellingen
veelal in een serie worden getoond en randactiviteiten kunnen worden georganiseerd. Met deze podia zal ook in 2009-2012 worden samengewerkt. Daarnaast zoekt de instelling naar uitbreiding van het aantal speelplekken. In België heeft mightysociety reeds voorstellingen
gerealiseerd en gepland. Inmiddels heeft de organisatie de eerste contacten gelegd om de stukken in Duitsland en Groot-Britannië onder de aandacht te brengen.
In totaal zijn er voor de periode 2009-2012 vijf activiteiten gepland: mightysociety7, 8, 9 en 10 en een retrospectief event. Mightysociety vraagt daarvoor een jaarlijkse subsidie van
€ 271.461 van het NFPK+ .
Mightysociety heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. Tot nu toe werden de plannen gerealiseerd mede dankzij financiële ondersteuning van het voormalige FAPK.
Beoordeling
Mightysociety zet de in 2004 ingeslagen weg in 2009-2012 nadrukkelijk en consistent voort. De commissie oordeelt positief over de ontwikkeling en de profilering van Eric de Vroedt in zijn mightysociety-cyclus. De thema’s in de voorstellingen getuigen van politiek en sociaal engagement. De serie levert een belangwekkende bijdrage aan het Nederlandstalig repertoire.
Naast de theatervoorstellingen worden er diverse randactiviteiten georganiseerd die de thema’s op een aanvullende manier belichten en verdiepen. Vanwege het totaalconcept en de wijze waarop dit tot nu toe is uitgevoerd, is er sprake van een bijzondere serie voorstellingen,
die als uitingen van nieuw geëngageerd theater van belang zijn voor de ontwikkeling
van het hedendaags teksttoneel en het multidisciplinaire theater.
Met betrekking tot de ketengedachte, publieksbereik en -ontwikkeling ziet de commissie Mightysociety als een inspirerend voorbeeld voor andere groepen. Er is verder sprake van een deugdelijke bedrijfsvoering, waarbij de alliantie met Toneelgroep Amsterdam het vertrouwen
verder versterkt.
Op het punt van culturele diversiteit is het beleidsplan cryptisch, zodat onderbelicht blijft wat de groep op dit punt wil. Deel tien van de cyclus (Lost in Translation in Jakarta) besteedt in ieder geval aandacht aan verwante thematiek. Los daarvan verwacht de commissie dat mightysociety het voornoemde thema vorm en inhoud zal geven.
De commissie ziet het als positief dat Mightysociety in 2012 wordt afgerond, waarmee Eric de Vroedt een voorschot neemt op nieuwe ontwikkelingen.
Conclusie en advies
Eric de Vroedt ontwikkelt zich binnen mightysociety in gestaag tempo als schrijver, regisseur
en cultureel ondernemer. Het plan voor 2009-2012 gaat op een duidelijke en realistische
manier door op de activiteiten die vanaf 2004 zijn ontplooid en die door de commissie van belang worden geacht voor het reliëf in het Nederlandse theaterlandschap. De commissie
adviseert om mightysociety op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 283.652,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 283.652,- (per jaar)
Stichting Moderne Dans en Beweging
Springdance
Inleiding
Springdance is een internationaal georiënteerd dansfestival dat tweejaarlijks in Utrecht wordt georganiseerd en zich aldaar afspeelt in diverse theaters en presentatieruimtes. Voor het festival worden producties geprogrammeerd die nieuwe ontwikkelingen tonen in de hedendaagse dans. Alternerend met het festival organiseert Springdance onder de noemer Springdance/dialogue & preview een (inter)nationaal onderzoeks- en ontwikkeltraject voor dansmakers uit verschillende landen. In 2008 plaatste Springdance zijn talentontwikkelingsprogramma
in een ruimere festivalcontext, omdat eerder deelnemende jonge makers volgens de aanvrager behoefte hadden om hun werk en methode te spiegelen aan die van meer ervaren makers. Tevens wilde Springdance hiermee verwarring bij het publiek wegnemen
en een eenduidiger boodschap kunnen overbrengen. Vanaf 2009 beoogt de aanvrager het festival jaarlijks te laten plaatsvinden, met als vast onderdeel het talentontwikkelingstraject
Dialogue.
Met de komst van Bettina Masuch als nieuwe artistiek directeur blijven de doelstellingen van Springdance ongewijzigd. Masuch wil elk festival rondom een centraal idee, een vraag of een motief programmeren. In 2009 wordt het thema ‘de traditie van de avant-garde: 25 jaar Springdance, een terugblik in de toekomst’.
Het festival wil zich ook in de toekomst blijven onderscheiden als voorhoedefestival dat steeds op zoek is naar vernieuwing en verruiming van het begrip dans. Daarnaast beoogt Springdance met zijn programmering en coproducties actief bij te dragen aan de ontwikkeling
van het publiek voor nieuwe, eigentijdse danskunst. Behalve als publieksfestival stelt Springdance zich op als een vakfestival. Het festival biedt een platform voor buitenlandse en Nederlandse programmeurs en is volgens de aanvrager een vooraanstaande plek waar (internationale) ontmoetingen en uitwisselingen tussen makers en vakgenoten plaatsvinden.
Springdance wil de komende jaren zijn functie als vakfestival verder versterken en het publieksbereik uitbreiden. Met de makers uit het talentontwikkelingsprogramma wil Springdance een langere relatie aangaan, die gestalte zal krijgen in internationale coproducties
en de uitnodiging om nieuw werk te maken voor Springdance. Met een selectie van deze makers wil Springdance een vervolgprogramma (artists in residence) starten, waarbij de makers voor een korte periode in Utrecht komen werken. Springdance werkt daarvoor samen met verschillende culturele instellingen in Utrecht en daarbuiten en wil het contact met enkele instellingen in het hoger onderwijs intensiveren, onder meer door het ontwikkelen
van een expertprogramma met de nieuw op te zetten masteropleiding voor dans aan de Universiteit Utrecht. Het dansfestival bevordert actief de ontmoetingen tussen makers en (internationale) programmeurs.
In de aanvraag stijgt de begroting van een gemiddeld € 651.701 per festivaleditie tot
€ 925.000 in 2009.
Springdance ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005–2008. Springdance heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als internationaal platform in de basisinfrastructuur 2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd Springdance niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag
te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012. Springdance is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in de dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten
van het NFPK+. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening gehouden met de inhoud van de aanvulling.
In de afgelopen jaren ontving Springdance subsidies vanuit het voormalige FAPK en de
Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie beschouwt Springdance als een waardevol festival dat een onderscheidende positie bekleedt in de Nederlandse dans. De (internationaal georiënteerde) producties, die worden geprogrammeerd, tonen nieuwe ontwikkelingen binnen de hedendaagse dans. Door de ‘zoektocht naar de grenzen van dans’ centraal te stellen, levert het festival een belangrijke
bijdrage aan de diversiteit in Nederland en de ontwikkeling van dans in het algemeen.
De vorig jaar vertrokken Simon Dove heeft als artistiek directeur de afgelopen acht jaar een duidelijk stempel op het festival gedrukt, waardoor Springdance de conceptuele dans in Nederland op de kaart heeft gezet. De commissie heeft begrip voor het feit dat het bestuur van het festival zich grondig heeft georiënteerd bij het zoeken naar een opvolger en is enthousiast over de keuze voor Bettina Masuch. Gezien haar staat van dienst zou zij volgens de commissie in staat moeten zijn om een nieuwe, krachtige impuls te geven aan Springdance,
en verdient zij het vertrouwen om haar visie op het festival de komende tijd vorm te geven.
De commissie heeft het beleidsplan van Springdance voor de periode 2009-2012 beoordeeld vanuit het besef dat het festival zich op dit moment in een overgangssituatie bevindt. Deze situatie klinkt naar haar mening door in de inhoudelijke uitwerking van het plan, waarbij zij de nodige kanttekeningen plaatst.
De commissie ziet vooralsnog geen meerwaarde in een jaarlijkse editie van Springdance. Zij is er niet van overtuigd dat een jaarlijks festival in staat zal zijn om een even grote aantrekkingskracht
uit te oefenen. Gezien de niche waarbinnen het festival opereert, is het vinden van kwalitatief hoogwaardig aanbod geen sinecure. Een sterk en goed bezet tweejaarlijks festival heeft in haar ogen dan ook meer slagkracht en een grotere (inter)nationale uitstraling,
hetgeen bijdraagt aan de unieke positie van Springdance.
De commissie begrijpt de wens van Springdance om de doorstroming vanuit het talentontwikkelingsprogramma
‘Dialogue’ te bevorderen, maar ziet dit niet als functie voor het festival.
De commissie is dan ook van mening dat Springdance zich in de eerste plaats zou dienen te richten op zijn kerntaak; het presenteren van nieuwe dans. Dat van daaruit een verbinding wordt gezocht met een internationaal netwerk, dat een springplank vormt voor jong talent, en theorievorming, ligt gezien het karakter van het werk dat wordt gepresenteerd
voor de hand. De plannen van Springdance om beter ingebed te raken binnen de Utrechtse culturele en universitaire infrastructuur hebben echter nog te weinig richting. De commissie moedigt een samenwerking aan; ze ziet dit als een goede keuze als het festival zich tot een jong gemengd publiek in de stad en tot een aantal jonge makers buiten de gevestigde academische danscanon wil verhouden. Zij ziet de noodzaak voor het opzetten van een langlopend talentontwikkelingstraject hiervoor echter absoluut niet, temeer daar DOX zelf al een langlopend talentontwikkelingstraject is.
De cijfermatige onderbouwing van het plan geeft naar het oordeel van de commissie weinig houvast om een gedegen analyse te kunnen maken. Springdance stelt in de aanvraag dat het festival een continue groei laat zien, maar uit de publieksinkomsten van 2005 (€ 45.000) in relatie tot de geschatte publieksinkomsten 2009 (€ 50.000) blijkt slechts een zeer marginale groei. De commissie vindt de overheadkosten van het festival hoog en zowel de huidige personeelsformatie
voor het tweejaarlijkse festival als de voorgenomen formatie voor een jaarlijks
festival fors.
De commissie heeft waardering voor de grote inspanningen waarmee het festival zich in de laatste jaren duidelijker heeft willen presenteren: het festival is zichtbaarder geworden in de stad, er zijn routes uitgezet om het publiek makkelijker door het aanbod te leiden en er is publieksonderzoek gedaan. Toch worden voor de kernactiviteit van Springdance, het presenteren
van voorstelllingen in Utrecht in 2009, slechts 3600 bezoekers per festivaleditie verwacht. Dat is ook voor een zo gespecialiseerd festival niet veel, en in relatie tot het marketingbudget
betekent dit alleen al marketingkosten van meer dan € 25 per (betalende) bezoeker aan een dansvoorstelling. Daarbij presenteert het plan een aantal marketingdoelstellingen,
maar ontbreekt een grondige en gedegen analyse over het werven van nieuw publiek en het vasthouden van bezoekers. De commissie heeft daarom (nog) onvoldoende vertrouwen in en (te) weinig zicht op een (mogelijke) groei van het publieksbereik en in het verlengde daarvan de eigen inkomsten. Zij acht beide ontwikkelingen echter wel noodzakelijk.
Tevens ontbeert het plan een visie op cultureel ondernemersschap. Zo biedt het onvoldoende
zicht op de manier waarop Springdance andere eigen inkomsten wil genereren. Daarbij valt het ook op dat het internationaal georiënteerd festival, dat deel uitmaakt van een Europees
netwerk en regelmatig coproduceert, geen concreet plan van aanpak presenteert om Europese subsidies te verwerven. De commissie vindt tevens de dekking van de geschatte eigen inkomsten niet overtuigend; zij is van mening dat er met zorg gekeken moet worden naar een verbetering van dit aspect; zonder plan van aanpak verwacht Springdance 18% eigen inkomsten te verwerven.
Conclusie en advies
Springdance is een waardevol festival dat met zijn gerichtheid op nieuwe ontwikkelingen binnen de dans een onderscheidende positie bekleedt in Nederland. Vanwege de wisseling van artistieke directie, die Springdance momenteel ondergaat, is de uitwerking van het beleidsplan niet op alle fronten even stevig. Op basis daarvan zou het festival zich de komende twee jaar op consolidatie van zijn kerntaak moeten richten, die in de optiek van de commissie bestaat uit het organiseren van een tweejaarlijks festival. Een dergelijke aanpak biedt de nieuwe artistiek directeur Bettina Masuch de ruimte om haar persoonlijke visie op Springdance de komende tijd nader te ontwikkelen. Een verdere ontwikkeling van het cultureel
ondernemerschap en een meer solide bedrijfsvoering vindt de commissie van groot belang. In die zin moet het beleidsplan worden aangescherpt. Vanwege het belang van de kerntaak adviseert de commissie om Springdance op te nemen binnen de vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en het huidige subsidie van dit festival te continueren. Met de samenstelling van dit budget is rekening gehouden met de verschillende functies die bij deze kerntaak behoren.
Springdance is een internationaal georiënteerd dansfestival dat tweejaarlijks in Utrecht wordt georganiseerd en zich aldaar afspeelt in diverse theaters en presentatieruimtes. Voor het festival worden producties geprogrammeerd die nieuwe ontwikkelingen tonen in de hedendaagse dans. Alternerend met het festival organiseert Springdance onder de noemer Springdance/dialogue & preview een (inter)nationaal onderzoeks- en ontwikkeltraject voor dansmakers uit verschillende landen. In 2008 plaatste Springdance zijn talentontwikkelingsprogramma
in een ruimere festivalcontext, omdat eerder deelnemende jonge makers volgens de aanvrager behoefte hadden om hun werk en methode te spiegelen aan die van meer ervaren makers. Tevens wilde Springdance hiermee verwarring bij het publiek wegnemen
en een eenduidiger boodschap kunnen overbrengen. Vanaf 2009 beoogt de aanvrager het festival jaarlijks te laten plaatsvinden, met als vast onderdeel het talentontwikkelingstraject
Dialogue.
Met de komst van Bettina Masuch als nieuwe artistiek directeur blijven de doelstellingen van Springdance ongewijzigd. Masuch wil elk festival rondom een centraal idee, een vraag of een motief programmeren. In 2009 wordt het thema ‘de traditie van de avant-garde: 25 jaar Springdance, een terugblik in de toekomst’.
Het festival wil zich ook in de toekomst blijven onderscheiden als voorhoedefestival dat steeds op zoek is naar vernieuwing en verruiming van het begrip dans. Daarnaast beoogt Springdance met zijn programmering en coproducties actief bij te dragen aan de ontwikkeling
van het publiek voor nieuwe, eigentijdse danskunst. Behalve als publieksfestival stelt Springdance zich op als een vakfestival. Het festival biedt een platform voor buitenlandse en Nederlandse programmeurs en is volgens de aanvrager een vooraanstaande plek waar (internationale) ontmoetingen en uitwisselingen tussen makers en vakgenoten plaatsvinden.
Springdance wil de komende jaren zijn functie als vakfestival verder versterken en het publieksbereik uitbreiden. Met de makers uit het talentontwikkelingsprogramma wil Springdance een langere relatie aangaan, die gestalte zal krijgen in internationale coproducties
en de uitnodiging om nieuw werk te maken voor Springdance. Met een selectie van deze makers wil Springdance een vervolgprogramma (artists in residence) starten, waarbij de makers voor een korte periode in Utrecht komen werken. Springdance werkt daarvoor samen met verschillende culturele instellingen in Utrecht en daarbuiten en wil het contact met enkele instellingen in het hoger onderwijs intensiveren, onder meer door het ontwikkelen
van een expertprogramma met de nieuw op te zetten masteropleiding voor dans aan de Universiteit Utrecht. Het dansfestival bevordert actief de ontmoetingen tussen makers en (internationale) programmeurs.
In de aanvraag stijgt de begroting van een gemiddeld € 651.701 per festivaleditie tot
€ 925.000 in 2009.
Springdance ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005–2008. Springdance heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als internationaal platform in de basisinfrastructuur 2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd Springdance niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag
te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012. Springdance is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in de dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten
van het NFPK+. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening gehouden met de inhoud van de aanvulling.
In de afgelopen jaren ontving Springdance subsidies vanuit het voormalige FAPK en de
Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie beschouwt Springdance als een waardevol festival dat een onderscheidende positie bekleedt in de Nederlandse dans. De (internationaal georiënteerde) producties, die worden geprogrammeerd, tonen nieuwe ontwikkelingen binnen de hedendaagse dans. Door de ‘zoektocht naar de grenzen van dans’ centraal te stellen, levert het festival een belangrijke
bijdrage aan de diversiteit in Nederland en de ontwikkeling van dans in het algemeen.
De vorig jaar vertrokken Simon Dove heeft als artistiek directeur de afgelopen acht jaar een duidelijk stempel op het festival gedrukt, waardoor Springdance de conceptuele dans in Nederland op de kaart heeft gezet. De commissie heeft begrip voor het feit dat het bestuur van het festival zich grondig heeft georiënteerd bij het zoeken naar een opvolger en is enthousiast over de keuze voor Bettina Masuch. Gezien haar staat van dienst zou zij volgens de commissie in staat moeten zijn om een nieuwe, krachtige impuls te geven aan Springdance,
en verdient zij het vertrouwen om haar visie op het festival de komende tijd vorm te geven.
De commissie heeft het beleidsplan van Springdance voor de periode 2009-2012 beoordeeld vanuit het besef dat het festival zich op dit moment in een overgangssituatie bevindt. Deze situatie klinkt naar haar mening door in de inhoudelijke uitwerking van het plan, waarbij zij de nodige kanttekeningen plaatst.
De commissie ziet vooralsnog geen meerwaarde in een jaarlijkse editie van Springdance. Zij is er niet van overtuigd dat een jaarlijks festival in staat zal zijn om een even grote aantrekkingskracht
uit te oefenen. Gezien de niche waarbinnen het festival opereert, is het vinden van kwalitatief hoogwaardig aanbod geen sinecure. Een sterk en goed bezet tweejaarlijks festival heeft in haar ogen dan ook meer slagkracht en een grotere (inter)nationale uitstraling,
hetgeen bijdraagt aan de unieke positie van Springdance.
De commissie begrijpt de wens van Springdance om de doorstroming vanuit het talentontwikkelingsprogramma
‘Dialogue’ te bevorderen, maar ziet dit niet als functie voor het festival.
De commissie is dan ook van mening dat Springdance zich in de eerste plaats zou dienen te richten op zijn kerntaak; het presenteren van nieuwe dans. Dat van daaruit een verbinding wordt gezocht met een internationaal netwerk, dat een springplank vormt voor jong talent, en theorievorming, ligt gezien het karakter van het werk dat wordt gepresenteerd
voor de hand. De plannen van Springdance om beter ingebed te raken binnen de Utrechtse culturele en universitaire infrastructuur hebben echter nog te weinig richting. De commissie moedigt een samenwerking aan; ze ziet dit als een goede keuze als het festival zich tot een jong gemengd publiek in de stad en tot een aantal jonge makers buiten de gevestigde academische danscanon wil verhouden. Zij ziet de noodzaak voor het opzetten van een langlopend talentontwikkelingstraject hiervoor echter absoluut niet, temeer daar DOX zelf al een langlopend talentontwikkelingstraject is.
De cijfermatige onderbouwing van het plan geeft naar het oordeel van de commissie weinig houvast om een gedegen analyse te kunnen maken. Springdance stelt in de aanvraag dat het festival een continue groei laat zien, maar uit de publieksinkomsten van 2005 (€ 45.000) in relatie tot de geschatte publieksinkomsten 2009 (€ 50.000) blijkt slechts een zeer marginale groei. De commissie vindt de overheadkosten van het festival hoog en zowel de huidige personeelsformatie
voor het tweejaarlijkse festival als de voorgenomen formatie voor een jaarlijks
festival fors.
De commissie heeft waardering voor de grote inspanningen waarmee het festival zich in de laatste jaren duidelijker heeft willen presenteren: het festival is zichtbaarder geworden in de stad, er zijn routes uitgezet om het publiek makkelijker door het aanbod te leiden en er is publieksonderzoek gedaan. Toch worden voor de kernactiviteit van Springdance, het presenteren
van voorstelllingen in Utrecht in 2009, slechts 3600 bezoekers per festivaleditie verwacht. Dat is ook voor een zo gespecialiseerd festival niet veel, en in relatie tot het marketingbudget
betekent dit alleen al marketingkosten van meer dan € 25 per (betalende) bezoeker aan een dansvoorstelling. Daarbij presenteert het plan een aantal marketingdoelstellingen,
maar ontbreekt een grondige en gedegen analyse over het werven van nieuw publiek en het vasthouden van bezoekers. De commissie heeft daarom (nog) onvoldoende vertrouwen in en (te) weinig zicht op een (mogelijke) groei van het publieksbereik en in het verlengde daarvan de eigen inkomsten. Zij acht beide ontwikkelingen echter wel noodzakelijk.
Tevens ontbeert het plan een visie op cultureel ondernemersschap. Zo biedt het onvoldoende
zicht op de manier waarop Springdance andere eigen inkomsten wil genereren. Daarbij valt het ook op dat het internationaal georiënteerd festival, dat deel uitmaakt van een Europees
netwerk en regelmatig coproduceert, geen concreet plan van aanpak presenteert om Europese subsidies te verwerven. De commissie vindt tevens de dekking van de geschatte eigen inkomsten niet overtuigend; zij is van mening dat er met zorg gekeken moet worden naar een verbetering van dit aspect; zonder plan van aanpak verwacht Springdance 18% eigen inkomsten te verwerven.
Conclusie en advies
Springdance is een waardevol festival dat met zijn gerichtheid op nieuwe ontwikkelingen binnen de dans een onderscheidende positie bekleedt in Nederland. Vanwege de wisseling van artistieke directie, die Springdance momenteel ondergaat, is de uitwerking van het beleidsplan niet op alle fronten even stevig. Op basis daarvan zou het festival zich de komende twee jaar op consolidatie van zijn kerntaak moeten richten, die in de optiek van de commissie bestaat uit het organiseren van een tweejaarlijks festival. Een dergelijke aanpak biedt de nieuwe artistiek directeur Bettina Masuch de ruimte om haar persoonlijke visie op Springdance de komende tijd nader te ontwikkelen. Een verdere ontwikkeling van het cultureel
ondernemerschap en een meer solide bedrijfsvoering vindt de commissie van groot belang. In die zin moet het beleidsplan worden aangescherpt. Vanwege het belang van de kerntaak adviseert de commissie om Springdance op te nemen binnen de vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en het huidige subsidie van dit festival te continueren. Met de samenstelling van dit budget is rekening gehouden met de verschillende functies die bij deze kerntaak behoren.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 157.187,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 157.187,- (per jaar)
Stichting Moer-Staal (De Kift)
De Kift
Inleiding
De Kift, opgericht in 1988, is een cultureel gezelschap uit de Zaanstreek dat muziek maakt met een sterk theatrale inslag en waarbij tekst in de (lands)eigen taal centraal staat. De oorsprong
van de band ligt in de punkmuziek, het resultaat is een energiek mengsel van pop-, fanfare-, jazz-, en volksmuziek. De groep hecht aan een sterke eigen identiteit die gestalte krijgt door het combineren van verschillende disciplines zoals (pop)muziek, film, literatuur, theater en door de sfeer die wordt gevoed door de eigen muzikale stijl, door de unieke (grafische)
vormgeving met een duidelijke eigen signatuur en door gebruik te maken van de Nederlandse taal en de wereldliteratuur, aldus het beleidsplan.
De Kift geeft voorstellingen in binnen- en buitenland (met name in Frankrijk) in popzalen, theaters en op festivals. De leden zijn ook regelmatig betrokken bij films als acteur of als componist en verzorgen regelmatig workshops gericht op jongeren.
Volgens De Kift worden de musici door een te beperkt budget de laatste jaren structureel onderbetaald waardoor de kwaliteit en continuïteit van het gezelschap in gevaar komen. Voor de periode 2009-2012 stelt de Kift zich ten doel zowel doelgroepen als kunstvormen te verbreden, een duurzame positie in het podiumkunstenbestel te verankeren en de financiële
afhankelijkheid te verminderen. Om dit te bereiken wil De Kift kwalitatief hoogstaande voorstellingen maken voor diverse doelgroepen en in samenwerking met nieuwe partners. Daarnaast moet een uitgebalanceerd marketingplan deze voorstellingen onder de aandacht gaan brengen. Plannen liggen klaar voor een theatervoorstelling in samenwerking met Tryater;
de speelfilm ‘Eeuwige Vlam’ in samenwerking met André van Hout; Kift cd nummer 9; een muzikaal eerbetoon aan de Oostenrijkse schrijver Werner Schwab in de vorm van een voorstelling en een cd; een live-hoorspel in samenwerking met Peter Zegveld.
De Kift ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie ziet De Kift na twintig nog steeds als een groep die bijzondere projecten realiseert
en die daarmee een onderscheidende positie in de popmuziek inneemt.
De aanvraag van De Kift toont vitaliteit en een oorspronkelijke artistieke signatuur. De groep is uniek, vooral door de originele manier waarop ze naast gebruik van de taal ook theatrale
aspecten toevoegt aan zijn voorstellingen. Daarbij blijft muziek altijd het artistieke uitgangspunt. Op grond van de in de plannen getoonde reflectie kan de commissie vaststellen
dat De Kift zich nog steeds artistiek ontwikkelt en dat het ondanks soms niet voor de hand liggend repertoire een graag geziene gast op de podia is.
Ook over de functionaliteit van De Kift is de commissie enthousiast. De groep heeft getoond te kunnen meegroeien met een veranderend ‘klimaat’. Zo sluit een aantal podia nog slechts contracten op partagebasis af. De Kift heeft daarop zijn marketing en publiciteit afgestemd en heeft kunnen vaststellen dat dit heeft geresulteerd in stijgende publieksinkomsten. Door de actieve houding van De Kift bezoekt een groter aantal mensen dan voorheen de concerten
van de groep. Bovendien besteedt De Kift aandacht aan alle onderdelen uit de keten en baseert het zijn beleid op grond van een in de ogen van de commissie zinnige analyse. De commissie is van mening dat uit de aanvraag zichtbaar wordt dat De Kift de afgelopen jaren heeft geïnvesteerd in de professionalisering van zijn bedrijfsvoering. De gepresenteerde begroting oogt realistisch.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat De Kift zijn onderscheidende betekenis voor de popmuziek met het gepresenteerde artistieke beleid onderstreept. De commissie heeft veel waardering voor de bijzondere programmering. Bovendien vindt zij het lovenswaardig dat De Kift zich functioneel flexibel toont en zijn bedrijfsvoering effectief heeft geprofessionaliseerd. De commissie adviseert De Kift op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
De Kift, opgericht in 1988, is een cultureel gezelschap uit de Zaanstreek dat muziek maakt met een sterk theatrale inslag en waarbij tekst in de (lands)eigen taal centraal staat. De oorsprong
van de band ligt in de punkmuziek, het resultaat is een energiek mengsel van pop-, fanfare-, jazz-, en volksmuziek. De groep hecht aan een sterke eigen identiteit die gestalte krijgt door het combineren van verschillende disciplines zoals (pop)muziek, film, literatuur, theater en door de sfeer die wordt gevoed door de eigen muzikale stijl, door de unieke (grafische)
vormgeving met een duidelijke eigen signatuur en door gebruik te maken van de Nederlandse taal en de wereldliteratuur, aldus het beleidsplan.
De Kift geeft voorstellingen in binnen- en buitenland (met name in Frankrijk) in popzalen, theaters en op festivals. De leden zijn ook regelmatig betrokken bij films als acteur of als componist en verzorgen regelmatig workshops gericht op jongeren.
Volgens De Kift worden de musici door een te beperkt budget de laatste jaren structureel onderbetaald waardoor de kwaliteit en continuïteit van het gezelschap in gevaar komen. Voor de periode 2009-2012 stelt de Kift zich ten doel zowel doelgroepen als kunstvormen te verbreden, een duurzame positie in het podiumkunstenbestel te verankeren en de financiële
afhankelijkheid te verminderen. Om dit te bereiken wil De Kift kwalitatief hoogstaande voorstellingen maken voor diverse doelgroepen en in samenwerking met nieuwe partners. Daarnaast moet een uitgebalanceerd marketingplan deze voorstellingen onder de aandacht gaan brengen. Plannen liggen klaar voor een theatervoorstelling in samenwerking met Tryater;
de speelfilm ‘Eeuwige Vlam’ in samenwerking met André van Hout; Kift cd nummer 9; een muzikaal eerbetoon aan de Oostenrijkse schrijver Werner Schwab in de vorm van een voorstelling en een cd; een live-hoorspel in samenwerking met Peter Zegveld.
De Kift ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie ziet De Kift na twintig nog steeds als een groep die bijzondere projecten realiseert
en die daarmee een onderscheidende positie in de popmuziek inneemt.
De aanvraag van De Kift toont vitaliteit en een oorspronkelijke artistieke signatuur. De groep is uniek, vooral door de originele manier waarop ze naast gebruik van de taal ook theatrale
aspecten toevoegt aan zijn voorstellingen. Daarbij blijft muziek altijd het artistieke uitgangspunt. Op grond van de in de plannen getoonde reflectie kan de commissie vaststellen
dat De Kift zich nog steeds artistiek ontwikkelt en dat het ondanks soms niet voor de hand liggend repertoire een graag geziene gast op de podia is.
Ook over de functionaliteit van De Kift is de commissie enthousiast. De groep heeft getoond te kunnen meegroeien met een veranderend ‘klimaat’. Zo sluit een aantal podia nog slechts contracten op partagebasis af. De Kift heeft daarop zijn marketing en publiciteit afgestemd en heeft kunnen vaststellen dat dit heeft geresulteerd in stijgende publieksinkomsten. Door de actieve houding van De Kift bezoekt een groter aantal mensen dan voorheen de concerten
van de groep. Bovendien besteedt De Kift aandacht aan alle onderdelen uit de keten en baseert het zijn beleid op grond van een in de ogen van de commissie zinnige analyse. De commissie is van mening dat uit de aanvraag zichtbaar wordt dat De Kift de afgelopen jaren heeft geïnvesteerd in de professionalisering van zijn bedrijfsvoering. De gepresenteerde begroting oogt realistisch.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat De Kift zijn onderscheidende betekenis voor de popmuziek met het gepresenteerde artistieke beleid onderstreept. De commissie heeft veel waardering voor de bijzondere programmering. Bovendien vindt zij het lovenswaardig dat De Kift zich functioneel flexibel toont en zijn bedrijfsvoering effectief heeft geprofessionaliseerd. De commissie adviseert De Kift op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 230.295,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 230.295,- (per jaar)
Stichting Motel Mozaïque
Motel Mozaïque
Inleiding
Stichting Motel Mozaïque (MM) organiseert jaarlijks een serie van interdisciplinaire programma’s.
Zij beschouwt haar activiteiten nadrukkelijk als één geheel omdat zij eraan hecht verbindingen te leggen op verschillende niveaus: tussen diverse kunst- en cultuurdisciplines,
tussen diverse kunstinstellingen, tussen kunst, de stedelijke en maatschappelijke infrastructuur
en de private sector en tussen diverse publieksgroepen en stadsbewoners.
De serie bestaat uit het grote vierdaagse festival Motel Mozaïque (een mix van popmuziek, theater, performance, beeldende kunst en gastheerschap), het meerdaagse festival Bazar Curieux (pop, dance en performance in industriële setting), Bizar Furieux (open formule om ruimte te bieden voor experiment en onderzoek naar nieuwe vormen van programmamaken en samenwerken) en Club Mozaïque (zes informele bijeenkomsten waarin het proces van de totstandkoming van de uiteindelijke activiteiten centraal staat).
MM is op zoek naar een organische mix van popmuziek, theater, performance en beeldende kunst. Gastvrijheid weeft zij als thema door het hele programma heen. Sociaal-maatschappelijke
of ruimtelijke thema’s en de stad Rotterdam worden benut als leidraad voor het maken van het programma. MM streeft ernaar kwalitatief hoogstaande (inter-)nationale kunst en cultuur en haar bezoekers enerzijds te verbinden met de stedelijke infrastructuur en haar bewoners anderzijds. De programma’s worden georganiseerd in nauwe samenwerking
met de vaste partners Stichting Live at Nighttown, de Rotterdamse Schouwburg, TENT. en Mojo Concerts, alsook met diverse incidentele partners.
Voor de periode 2009-2012 vraagt MM extra subsidie aan. Daarmee wil MM niet alleen het huidige niveau van activiteiten handhaven, maar Motel Mozaïque ook als een inktvlek over en in de stad laten vloeien, door verdere uitbreiding van het aantal activiteiten en door speciale
projecten voorafgaand aan het festival te presenteren, zoals Perron Mozaïque en Zalig Slapen. Ook wil MM Bazar Curieux laten uitwaaieren over Rotterdam-Zuid, zoals Motel Mozaïque in het centrum doet. Elke editie moet voldoende losmaken, zodat de doorwerking daarvan in Club Mozaïque verder ontwikkeld kan worden. MM heeft daarmee voor ogen dat dit ‘bouwen van programma’s’ nog nadrukkelijker uitgroeit en gecommuniceerd wordt als een zeer onderscheidende manier van programma’s maken, waarin maatschappelijke issues, kunst, stedelijke infrastructuur en netwerken bij elkaar komen’.
MM besteedt in de komende periode veel aandacht aan internationalisering en blijft inzetten
op de hoogstaande artistieke nationale en internationale kwaliteit. Ook het aandeel popmuziek
dient op volle sterkte te blijven, omdat het zich volgens aanvrager heeft bewezen als publiekstrekker en als ingang naar andere kunst- en cultuuruitingen. Daarmee is pop van groot belang voor de te leggen verbindingen en voor participatie. Ook het volgens aanvrager meest onderscheidende onderdeel van MM, Slapen in Kunst, dient in de komende periode gehandhaafd te blijven. MM hecht aan een grotere rol en betere zichtbaarheid van beeldende
kunst tijdens de edities van de komende jaren. Verder zal in de programmering van theater
en performances de interactieve relatie tussen publiek en performers verder worden onderzocht via interdisciplinaire producties die in een losse verhouding staan tot een podium.
Het zogenaamde Gidsenproject zal in de komende periode worden uitgebreid met een goede begeleiding bij de te ontwikkelen projecten. MM wil haar rol als ‘ontdekker’ en aanjager
van nieuwe plekken in de stad ook in de toekomst blijven vervullen.
De begroting groeit van € 378.676 in 2006 naar € 690.000 in 2009.
Motel Mozaïque ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het voormalige
FPPM heeft het festival in de jaren 2003-2005 ondersteund vanuit de Podiumregeling. Ook vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM heeft MM incidenteel een bijdrage ontvangen.
Beoordeling
Motel Mozaïque valt binnen het festivallandschap op door de unieke vorm. Het festival kent een bijzondere en verrassende programmering die bovendien op een originele manier wordt gepresenteerd. De commissie ziet als de grote kracht van MM de versmelting van verschillende
kunstvormen, waarbij muziek het uitgangspunt is. Ook de keuze voor gastvrijheid als onderliggend thema draagt ertoe bij dat het evenement ervaren wordt als een bijzondere gebeurtenis, die bovendien aantrekkingskracht uitoefent op een jong publiek. Het festival fungeert duidelijk als trendsetter en als good practice voor andere festivals.
Ook over het activiteitenplan voor de komende periode is de commissie positief. Zij ziet voldoende
reden om aan te nemen dat het vernieuwende karakter dat de voorgaande edities tentoonspreidden, ook de komende jaren gewaarborgd blijft.
De commissie ziet in het beleidsplan van MM veel durf, alertheid, pro-activiteit, creativiteit, overtuigingskracht en risicobereidheid. Uit het plan spreekt een grote maatschappelijke betrokkenheid en gedrevenheid. De commissie vindt Motel Mozaïque een uitstekend voorbeeld
van een festival dat een hele directe verbinding legt met de omgeving en de maatschappij
waarin het zich afspeelt.
Het festival heeft nauwe samenwerkingsverbanden, zowel met culturele instellingen, andere
festivals, belangrijke mediapartners als stadsontwikkelingbureaus. De commissie vindt het wel van belang dat de organisatie haar pro-activiteit ook vertaalt in een steviger beleid ten aanzien van het verwerven van eigen inkomsten. De commissie merkt in dat kader op dat MM heeft nagelaten een beleid te formuleren waaruit kan worden opgemaakt op welke wijze de bedrijfsvoering in de toekomst gestalte krijgt.
Kritische kanttekeningen zet de commissie ook bij de activiteiten die de organisatie naast het feitelijke meerdaagse festival Motel Mozaïque onderneemt. Het festival zelf is aan zijn grens gekomen wat publiekscapaciteit betreft, zoals blijkt uit de publieksinkomsten die op het niveau van 2006 blijven. De beoogde groei, zowel wat betreft de activiteiten als wat betreft publieksbereik, begroting en inkomsten, moet vooral komen van de activiteiten die MM door het jaar heen organiseert. De commissie beschouwt Bizar Furieux, Bazar Curieux en Club Mozaïque van waarde als proefvijver en marketinginstrumenten voor het festival, maar ziet in deze onderdelen geen belangrijke aanvulling op het landelijke aanbod.
Daarnaast noemt MM in de plannen voor de komende jaren meermalen internationalisering en het belang daarvan. De commissie vindt deze ambitie op zich zinvol, mede vanwege de betekenis die dat voor de ontwikkeling van Nederlandse groepen zou kunnen hebben. Zij moet echter constateren dat deze ambitie nergens geconcretiseerd wordt: noch in de terugblik
op de afgelopen vier jaren, noch in de plannen voor de komende vier jaren geeft aanvrager
enig inzicht in de internationale kunstenaars waar mee gewerkt is of gewerkt zal worden.
Conclusie en advies
De commissie is positief over Motel Mozaïque, dat door zijn interdisciplinaire programmering
en vorm een voorbeeldfunctie voor andere festivals vervult. Zij vindt MM een verrijking voor het bestaande culturele aanbod in Nederland. Op grond van de artistieke kwaliteit en de bijzondere invulling daarvan, het brede publieksbereik en de lokale inbedding van het festival in Rotterdam adviseert de commissie MM op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012 met een lichte verhoging van de subsidie. Daarbij beschouwt de commissie de activiteiten die de organisatie door het jaar heen organiseert van onvoldoende belang om voor structurele ondersteuning in aanmerking te komen. Ook de verzilvering van het in potentie aanwezige culturele ondernemerschap verdient meer aandacht.
Stichting Motel Mozaïque (MM) organiseert jaarlijks een serie van interdisciplinaire programma’s.
Zij beschouwt haar activiteiten nadrukkelijk als één geheel omdat zij eraan hecht verbindingen te leggen op verschillende niveaus: tussen diverse kunst- en cultuurdisciplines,
tussen diverse kunstinstellingen, tussen kunst, de stedelijke en maatschappelijke infrastructuur
en de private sector en tussen diverse publieksgroepen en stadsbewoners.
De serie bestaat uit het grote vierdaagse festival Motel Mozaïque (een mix van popmuziek, theater, performance, beeldende kunst en gastheerschap), het meerdaagse festival Bazar Curieux (pop, dance en performance in industriële setting), Bizar Furieux (open formule om ruimte te bieden voor experiment en onderzoek naar nieuwe vormen van programmamaken en samenwerken) en Club Mozaïque (zes informele bijeenkomsten waarin het proces van de totstandkoming van de uiteindelijke activiteiten centraal staat).
MM is op zoek naar een organische mix van popmuziek, theater, performance en beeldende kunst. Gastvrijheid weeft zij als thema door het hele programma heen. Sociaal-maatschappelijke
of ruimtelijke thema’s en de stad Rotterdam worden benut als leidraad voor het maken van het programma. MM streeft ernaar kwalitatief hoogstaande (inter-)nationale kunst en cultuur en haar bezoekers enerzijds te verbinden met de stedelijke infrastructuur en haar bewoners anderzijds. De programma’s worden georganiseerd in nauwe samenwerking
met de vaste partners Stichting Live at Nighttown, de Rotterdamse Schouwburg, TENT. en Mojo Concerts, alsook met diverse incidentele partners.
Voor de periode 2009-2012 vraagt MM extra subsidie aan. Daarmee wil MM niet alleen het huidige niveau van activiteiten handhaven, maar Motel Mozaïque ook als een inktvlek over en in de stad laten vloeien, door verdere uitbreiding van het aantal activiteiten en door speciale
projecten voorafgaand aan het festival te presenteren, zoals Perron Mozaïque en Zalig Slapen. Ook wil MM Bazar Curieux laten uitwaaieren over Rotterdam-Zuid, zoals Motel Mozaïque in het centrum doet. Elke editie moet voldoende losmaken, zodat de doorwerking daarvan in Club Mozaïque verder ontwikkeld kan worden. MM heeft daarmee voor ogen dat dit ‘bouwen van programma’s’ nog nadrukkelijker uitgroeit en gecommuniceerd wordt als een zeer onderscheidende manier van programma’s maken, waarin maatschappelijke issues, kunst, stedelijke infrastructuur en netwerken bij elkaar komen’.
MM besteedt in de komende periode veel aandacht aan internationalisering en blijft inzetten
op de hoogstaande artistieke nationale en internationale kwaliteit. Ook het aandeel popmuziek
dient op volle sterkte te blijven, omdat het zich volgens aanvrager heeft bewezen als publiekstrekker en als ingang naar andere kunst- en cultuuruitingen. Daarmee is pop van groot belang voor de te leggen verbindingen en voor participatie. Ook het volgens aanvrager meest onderscheidende onderdeel van MM, Slapen in Kunst, dient in de komende periode gehandhaafd te blijven. MM hecht aan een grotere rol en betere zichtbaarheid van beeldende
kunst tijdens de edities van de komende jaren. Verder zal in de programmering van theater
en performances de interactieve relatie tussen publiek en performers verder worden onderzocht via interdisciplinaire producties die in een losse verhouding staan tot een podium.
Het zogenaamde Gidsenproject zal in de komende periode worden uitgebreid met een goede begeleiding bij de te ontwikkelen projecten. MM wil haar rol als ‘ontdekker’ en aanjager
van nieuwe plekken in de stad ook in de toekomst blijven vervullen.
De begroting groeit van € 378.676 in 2006 naar € 690.000 in 2009.
Motel Mozaïque ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het voormalige
FPPM heeft het festival in de jaren 2003-2005 ondersteund vanuit de Podiumregeling. Ook vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM heeft MM incidenteel een bijdrage ontvangen.
Beoordeling
Motel Mozaïque valt binnen het festivallandschap op door de unieke vorm. Het festival kent een bijzondere en verrassende programmering die bovendien op een originele manier wordt gepresenteerd. De commissie ziet als de grote kracht van MM de versmelting van verschillende
kunstvormen, waarbij muziek het uitgangspunt is. Ook de keuze voor gastvrijheid als onderliggend thema draagt ertoe bij dat het evenement ervaren wordt als een bijzondere gebeurtenis, die bovendien aantrekkingskracht uitoefent op een jong publiek. Het festival fungeert duidelijk als trendsetter en als good practice voor andere festivals.
Ook over het activiteitenplan voor de komende periode is de commissie positief. Zij ziet voldoende
reden om aan te nemen dat het vernieuwende karakter dat de voorgaande edities tentoonspreidden, ook de komende jaren gewaarborgd blijft.
De commissie ziet in het beleidsplan van MM veel durf, alertheid, pro-activiteit, creativiteit, overtuigingskracht en risicobereidheid. Uit het plan spreekt een grote maatschappelijke betrokkenheid en gedrevenheid. De commissie vindt Motel Mozaïque een uitstekend voorbeeld
van een festival dat een hele directe verbinding legt met de omgeving en de maatschappij
waarin het zich afspeelt.
Het festival heeft nauwe samenwerkingsverbanden, zowel met culturele instellingen, andere
festivals, belangrijke mediapartners als stadsontwikkelingbureaus. De commissie vindt het wel van belang dat de organisatie haar pro-activiteit ook vertaalt in een steviger beleid ten aanzien van het verwerven van eigen inkomsten. De commissie merkt in dat kader op dat MM heeft nagelaten een beleid te formuleren waaruit kan worden opgemaakt op welke wijze de bedrijfsvoering in de toekomst gestalte krijgt.
Kritische kanttekeningen zet de commissie ook bij de activiteiten die de organisatie naast het feitelijke meerdaagse festival Motel Mozaïque onderneemt. Het festival zelf is aan zijn grens gekomen wat publiekscapaciteit betreft, zoals blijkt uit de publieksinkomsten die op het niveau van 2006 blijven. De beoogde groei, zowel wat betreft de activiteiten als wat betreft publieksbereik, begroting en inkomsten, moet vooral komen van de activiteiten die MM door het jaar heen organiseert. De commissie beschouwt Bizar Furieux, Bazar Curieux en Club Mozaïque van waarde als proefvijver en marketinginstrumenten voor het festival, maar ziet in deze onderdelen geen belangrijke aanvulling op het landelijke aanbod.
Daarnaast noemt MM in de plannen voor de komende jaren meermalen internationalisering en het belang daarvan. De commissie vindt deze ambitie op zich zinvol, mede vanwege de betekenis die dat voor de ontwikkeling van Nederlandse groepen zou kunnen hebben. Zij moet echter constateren dat deze ambitie nergens geconcretiseerd wordt: noch in de terugblik
op de afgelopen vier jaren, noch in de plannen voor de komende vier jaren geeft aanvrager
enig inzicht in de internationale kunstenaars waar mee gewerkt is of gewerkt zal worden.
Conclusie en advies
De commissie is positief over Motel Mozaïque, dat door zijn interdisciplinaire programmering
en vorm een voorbeeldfunctie voor andere festivals vervult. Zij vindt MM een verrijking voor het bestaande culturele aanbod in Nederland. Op grond van de artistieke kwaliteit en de bijzondere invulling daarvan, het brede publieksbereik en de lokale inbedding van het festival in Rotterdam adviseert de commissie MM op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012 met een lichte verhoging van de subsidie. Daarbij beschouwt de commissie de activiteiten die de organisatie door het jaar heen organiseert van onvoldoende belang om voor structurele ondersteuning in aanmerking te komen. Ook de verzilvering van het in potentie aanwezige culturele ondernemerschap verdient meer aandacht.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 78.929,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 78.929,- (per jaar)
Stichting Mug met de Gouden Tand
De Mug
Inleiding
Mugmetdegoudentand (de Mug) is een klein theatergezelschap uit Amsterdam bestaande uit de vaste kern Marcel Musters en Joan Nederlof. Michiel van Erp en Frank Houtappels hebben zich uit de artistieke leiding teruggetrokken. Het gezelschap heeft actrice Lineke Rijxman gevraagd artistiek adviseur te worden. De Mug maakt actueel theater vanuit een particuliere benadering voor een breed publiek. Naast voorstellingen voor het theater experimenteert
de Mug met producties voor televisie en film. Herkenbare onderwerpen in het werk van de Mug zijn het hedendaagse gezin, moeder-kindrelaties en carrièrevrouwen. De thema’s zijn doorspekt met politieke en maatschappelijke gebeurtenissen die daar invloed op hebben.
De Mug is in de afgelopen periode succesvol geweest en kiest voor de komende periode dan ook voor een duidelijke voortzetting van de reeds ingeslagen artistiek-inhoudelijke richting. De periode 2009-2012 ziet de Mug als ‘de jaren des onderscheids’. De Mug denkt dat het van belang is dat we meer bewustzijn krijgen over hoe meningen tot stand komen en op welke manier ze onze maatschappelijke werkelijkheid een bepalend gezicht geven. Daarbij vindt zij het essentieel dat het theater onderscheid probeert te maken tussen de ene mening en de andere, tussen werkelijkheid en projectie, tussen verstand en onderbuik, tussen objectiviteit en stemmingmakerij; kortom tussen hoofd- en bijzaak, tussen wat wezenlijk is en wat schijn. Dit betekent een verdieping van het huidige Mugmotto ‘Het is nu’. De Mug wil in de periode 2009-2012 zowel voorstellingen maken over de maatschappelijke werkelijkheid, als een aantal
intiemere voorstellingen waarin het persoonlijke verhaal domineert. Daarnaast blijft zij zich richten op het ontwikkelen van multimediale producties en een televisieserie. In 2010 viert de Mug haar 25-jarig jubileum. Voor de periode 2009-2012 vraagt de Mug € 538.574,- subsidie per jaar aan het Fonds.
Mugmetdegoudentand ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2009.
Beoordeling
De commissie is van mening dat de Mug in de afgelopen periode haar artistieke elan heeft hervonden. De groep heeft de doelstellingen uit het plan voor 2005-2008 waargemaakt. Zij is erin geslaagd meer naar buiten te treden en maatschappij en actualiteit een grotere rol te geven in de voorstellingen. De commissie vindt de Mug een charismatische groep die in iedere voorstelling weer een nieuwe stap probeert te zetten in haar ontwikkeling. Bovendien is het spel van de acteurs van hoge kwaliteit. Mugmetdegoudentand heeft een voor het publiek herkenbaar signatuur.
De geplande activiteiten van de Mug vertonen een structureel karakter en dragen opnieuw een duidelijke Mugsignatuur. Ze staan stevig in de steigers wat betreft vorm, inhoud en medewerkers. Het gezelschap wil meer gaan produceren en vindt daar waarschijnlijk ook het publiek voor, gezien zijn huidige populariteit. De groep blijft oog houden voor de artistieke
ontwikkeling. Verder experimenteert de Mug met nieuwe methoden om de voorstellingen
niet alleen vanuit zichzelf of een eventuele gastauteur te laten ontstaan. Daartoe nodigen de makers bekende schrijvers en publiek uit om mee te denken. De commissie heeft vertrouwen in de plannen die de Mug voor de komende periode ontvouwt. De combinatie
van theater en televisie-experimenten hebben in de ogen van de commissie geen prioriteit.
De naamsbekendheid van de groep, en dan met name de makers/acteurs Joan Nederlof en Marcel Musters, is vooral te danken aan de televisieseries Hertenkamp en TV7. De Mug heeft mede daardoor geen moeite haar voorstellingen te verkopen of publiek te genereren. De Mug is gespecialiseerd in actueel maatschappelijk theater vanuit een particuliere benadering
en bereikt daarmee over het algemeen een blank, intellectueel publiek van dertigers en veertigers. De commissie constateert dat in de plannen voor 2009-2012 geen visie op verdere
publieksontwikkeling is geformuleerd en ziet dat als een gemiste kans.
Conclusie en advies
De Mug heeft zich in de afgelopen periode in positieve zin weten te heroriënteren op haar artistieke kwaliteiten en heeft daarmee een trouw publiek aan zich gebonden. Met het beleidsplan 2009-2012 gaat de Mug voort op de ingeslagen weg en de commissie verwacht dat de groep zich in de komende periode nog voldoende zal blijven ontwikkelen. De Mug bouwt volgens de commissie gestaag aan een interessant en belangwekkend oeuvre. De commissie mist in het beleidsplan een visie op verdere publieksontwikkeling.
De commissie adviseert de Mug op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en het huidige subsidiebedrag te verhogen ter versterking van haar structurele activiteiten.
Mugmetdegoudentand (de Mug) is een klein theatergezelschap uit Amsterdam bestaande uit de vaste kern Marcel Musters en Joan Nederlof. Michiel van Erp en Frank Houtappels hebben zich uit de artistieke leiding teruggetrokken. Het gezelschap heeft actrice Lineke Rijxman gevraagd artistiek adviseur te worden. De Mug maakt actueel theater vanuit een particuliere benadering voor een breed publiek. Naast voorstellingen voor het theater experimenteert
de Mug met producties voor televisie en film. Herkenbare onderwerpen in het werk van de Mug zijn het hedendaagse gezin, moeder-kindrelaties en carrièrevrouwen. De thema’s zijn doorspekt met politieke en maatschappelijke gebeurtenissen die daar invloed op hebben.
De Mug is in de afgelopen periode succesvol geweest en kiest voor de komende periode dan ook voor een duidelijke voortzetting van de reeds ingeslagen artistiek-inhoudelijke richting. De periode 2009-2012 ziet de Mug als ‘de jaren des onderscheids’. De Mug denkt dat het van belang is dat we meer bewustzijn krijgen over hoe meningen tot stand komen en op welke manier ze onze maatschappelijke werkelijkheid een bepalend gezicht geven. Daarbij vindt zij het essentieel dat het theater onderscheid probeert te maken tussen de ene mening en de andere, tussen werkelijkheid en projectie, tussen verstand en onderbuik, tussen objectiviteit en stemmingmakerij; kortom tussen hoofd- en bijzaak, tussen wat wezenlijk is en wat schijn. Dit betekent een verdieping van het huidige Mugmotto ‘Het is nu’. De Mug wil in de periode 2009-2012 zowel voorstellingen maken over de maatschappelijke werkelijkheid, als een aantal
intiemere voorstellingen waarin het persoonlijke verhaal domineert. Daarnaast blijft zij zich richten op het ontwikkelen van multimediale producties en een televisieserie. In 2010 viert de Mug haar 25-jarig jubileum. Voor de periode 2009-2012 vraagt de Mug € 538.574,- subsidie per jaar aan het Fonds.
Mugmetdegoudentand ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2009.
Beoordeling
De commissie is van mening dat de Mug in de afgelopen periode haar artistieke elan heeft hervonden. De groep heeft de doelstellingen uit het plan voor 2005-2008 waargemaakt. Zij is erin geslaagd meer naar buiten te treden en maatschappij en actualiteit een grotere rol te geven in de voorstellingen. De commissie vindt de Mug een charismatische groep die in iedere voorstelling weer een nieuwe stap probeert te zetten in haar ontwikkeling. Bovendien is het spel van de acteurs van hoge kwaliteit. Mugmetdegoudentand heeft een voor het publiek herkenbaar signatuur.
De geplande activiteiten van de Mug vertonen een structureel karakter en dragen opnieuw een duidelijke Mugsignatuur. Ze staan stevig in de steigers wat betreft vorm, inhoud en medewerkers. Het gezelschap wil meer gaan produceren en vindt daar waarschijnlijk ook het publiek voor, gezien zijn huidige populariteit. De groep blijft oog houden voor de artistieke
ontwikkeling. Verder experimenteert de Mug met nieuwe methoden om de voorstellingen
niet alleen vanuit zichzelf of een eventuele gastauteur te laten ontstaan. Daartoe nodigen de makers bekende schrijvers en publiek uit om mee te denken. De commissie heeft vertrouwen in de plannen die de Mug voor de komende periode ontvouwt. De combinatie
van theater en televisie-experimenten hebben in de ogen van de commissie geen prioriteit.
De naamsbekendheid van de groep, en dan met name de makers/acteurs Joan Nederlof en Marcel Musters, is vooral te danken aan de televisieseries Hertenkamp en TV7. De Mug heeft mede daardoor geen moeite haar voorstellingen te verkopen of publiek te genereren. De Mug is gespecialiseerd in actueel maatschappelijk theater vanuit een particuliere benadering
en bereikt daarmee over het algemeen een blank, intellectueel publiek van dertigers en veertigers. De commissie constateert dat in de plannen voor 2009-2012 geen visie op verdere
publieksontwikkeling is geformuleerd en ziet dat als een gemiste kans.
Conclusie en advies
De Mug heeft zich in de afgelopen periode in positieve zin weten te heroriënteren op haar artistieke kwaliteiten en heeft daarmee een trouw publiek aan zich gebonden. Met het beleidsplan 2009-2012 gaat de Mug voort op de ingeslagen weg en de commissie verwacht dat de groep zich in de komende periode nog voldoende zal blijven ontwikkelen. De Mug bouwt volgens de commissie gestaag aan een interessant en belangwekkend oeuvre. De commissie mist in het beleidsplan een visie op verdere publieksontwikkeling.
De commissie adviseert de Mug op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en het huidige subsidiebedrag te verhogen ter versterking van haar structurele activiteiten.
theater
Toegekend bedrag:
€ 471.066,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 471.066,- (per jaar)
Stichting Munganga
Munganga
Inleiding
Munganga is in 1987 in Nederland opgericht door vier Braziliaanse theatermakers van wie er twee de huidige artistieke kern vormen: Carlos Lagoeiro en Cláudia Maoli.
Het theater van Munganga heeft zijn oorsprong in het dictatoriale Brazilië van de jaren zeventig. Carlos Lagoeiro en Cláudia Maoli lieten zich inspireren door de ideeën van de pedagoog Paulo Freire, die zich sterk maakte voor een ‘pedagogie van de onderdrukten’, en van Augusto Boal, pionier op het gebied van het ‘community theatre’. Carlos Lagoeiro en Cláudia Maoli werkten met kinderen en volwassenen in achterstandswijken.
Munganga vindt zijn bestaansreden in het geven van voorstellingen voor een groeiend en gevarieerd jong publiek en wil het repertoire zowel inhoudelijk als artistiek blijven vernieuwen.
De fysieke acteerstijl van het gezelschap ontwikkelt zich verder door samenwerking met choreografen en makers uit de hoek van de mime en de dans.
Het werk van Munganga is gebaseerd op drie pijlers: maatschappelijk engagement, psychologisch
inlevingsvermogen en een poëtische blik die ruimte geeft aan de magie van een verhalende
wereld én aan de schoonheid van het dagelijks bestaan. In het verleden stond in elke voorstelling tenminste één van deze pijlers centraal. In de komende periode wil de groep onderzoeken hoe de drie pijlers elkaar kunnen versterken.
De groep brengt theater waarin spel, tekst, muziek, dans en beeldende vormgeving samenkomen
en werkt met maskers, poppen, objecten en ‘magische’ beelden. In de aanvraag zijn de ideeën voor vier nieuwe producties in de periode 2009-2012 vermeld, alsmede de beoogde
doelgroep en in een enkel geval ook de makers met wie wordt samengewerkt. Tevens staat er een langlopend project onder de titel ‘Het verhaal van de Bijlmermeer’ in Amsterdam
Zuidoost gepland.
Munganga geeft voorstellingen en educatieve projecten in theaters, scholen, musea, asielzoekerscentra
en andere speelplekken verspreid over het gehele land. De voorstellingen vinden ook hun weg naar België, Italië en Frankrijk, de Nederlandse Antillen, Japan, Brazilië en Pakistan.
Per jaar wordt één nieuwe voorstelling uitgebracht en één voorstelling in reprise genomen.
Munganga vraagt aan het NFPK+ € 285.000 per jaar voor één nieuwe productie en één langlopend
project met gemiddeld 62 voorstellingen per jaar.
Munganga ontvangt momenteel subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Door het voormalige FAPK is incidenteel subsidie verleend voor internationale activiteiten.
Beoordeling
De commissie stelt vast dat Munganga in de afgelopen jaren gestaag is doorgegaan op de ingeslagen weg.
De voorstellingen waren niet allemaal succesvol, maar over het geheel is de commissie positief
over de artistieke kwaliteit. Op de artistieke ontwikkeling is volgens de commissie nog wat af te dingen. In de evaluatie van de afgelopen jaren heeft Munganga niet scherp in beeld gebracht welke stappen tot welke resultaten geleid hebben, zowel met betrekking tot de uiteindelijke
voorstellingen als wat betreft het maakproces. De Raad voor Cultuur wees de groep in zijn advies over de aanvraag voor 2005-2008 op soortgelijke tekortkomingen. Niettemin
wringt ook het plan voor de komende jaren nog steeds op dit punt. Munganga geeft aan dat men ‘de zoektocht naar kwaliteitsverbetering wil voortzetten’, maar biedt weinig concreet inzicht in de wijze waarop de makers dat denken te realiseren en wie zij met dat doel bij de producties betrekken. De commissie vindt het dringend nodig dat Munganga in de komende jaren echt werk gaat maken van meer artistieke ontwikkeling en adviseert aanvullende
artistieke expertise te betrekken. De voorstellingsideeën zijn op zich interessant en de groep heeft door de vorm van haar voorstellingen een eigenzinnigheid die aanspreekt. De zeggingskracht moet zich echter doorontwikkelen, anders verliest Munganga haar bestaansrecht.
De commissie is positief over het voornemen om voorstellingen in reprise te nemen. De groep kan haar zichtbaarheid hiermee vergroten en kan mede door de verschillende leeftijdsgroepen
een breder en groter publiek opbouwen en vasthouden. Ook het spelen op ongebruikelijke locaties geeft een meerwaarde aan de voorstellingen en trekt bovendien een andersoortig publiek. De commissie is ervan overtuigd dat de inspanningen van de afgelopen
jaren om tot nieuwe circuits door te dringen nu hun vruchten zullen afwerpen.
Door de achtergrond van de makers, de onderwerpen die zij kiezen, en het publieksbereik, is de bijdrage van de groep aan een cultureel divers theaterklimaat evident.
Gezien de succesvolle optredens in diverse landen over de wereld en het feit dat de voorstellingen
zich goed lenen om voor een internationaal publiek, vindt de commissie het een gemiste kans dat Munganga zich niet nadrukkelijker internationaal profileert.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de kwaliteiten van Munganga. Wel is ze van mening dat de groep zich nadrukkelijker en bewuster dient te focussen op haar artistieke ontwikkeling. De commissie constateert dat de groep voornemens op dat punt heeft, maar stelt vast dat de groep nog te weinig concreet is over de te zetten stappen. De voorstellingsplannen voor de komende jaren zijn goed gekozen en passen bij de signatuur van de groep en het publiek dat zij wil bereiken. De commissie ziet goede internationale mogelijkheden voor Munganga en denkt dat de groep zich op dat punt veel beter zou moeten profileren. De commissie adviseert
Munganga op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 op basis van het huidige subsidieniveau.
Munganga is in 1987 in Nederland opgericht door vier Braziliaanse theatermakers van wie er twee de huidige artistieke kern vormen: Carlos Lagoeiro en Cláudia Maoli.
Het theater van Munganga heeft zijn oorsprong in het dictatoriale Brazilië van de jaren zeventig. Carlos Lagoeiro en Cláudia Maoli lieten zich inspireren door de ideeën van de pedagoog Paulo Freire, die zich sterk maakte voor een ‘pedagogie van de onderdrukten’, en van Augusto Boal, pionier op het gebied van het ‘community theatre’. Carlos Lagoeiro en Cláudia Maoli werkten met kinderen en volwassenen in achterstandswijken.
Munganga vindt zijn bestaansreden in het geven van voorstellingen voor een groeiend en gevarieerd jong publiek en wil het repertoire zowel inhoudelijk als artistiek blijven vernieuwen.
De fysieke acteerstijl van het gezelschap ontwikkelt zich verder door samenwerking met choreografen en makers uit de hoek van de mime en de dans.
Het werk van Munganga is gebaseerd op drie pijlers: maatschappelijk engagement, psychologisch
inlevingsvermogen en een poëtische blik die ruimte geeft aan de magie van een verhalende
wereld én aan de schoonheid van het dagelijks bestaan. In het verleden stond in elke voorstelling tenminste één van deze pijlers centraal. In de komende periode wil de groep onderzoeken hoe de drie pijlers elkaar kunnen versterken.
De groep brengt theater waarin spel, tekst, muziek, dans en beeldende vormgeving samenkomen
en werkt met maskers, poppen, objecten en ‘magische’ beelden. In de aanvraag zijn de ideeën voor vier nieuwe producties in de periode 2009-2012 vermeld, alsmede de beoogde
doelgroep en in een enkel geval ook de makers met wie wordt samengewerkt. Tevens staat er een langlopend project onder de titel ‘Het verhaal van de Bijlmermeer’ in Amsterdam
Zuidoost gepland.
Munganga geeft voorstellingen en educatieve projecten in theaters, scholen, musea, asielzoekerscentra
en andere speelplekken verspreid over het gehele land. De voorstellingen vinden ook hun weg naar België, Italië en Frankrijk, de Nederlandse Antillen, Japan, Brazilië en Pakistan.
Per jaar wordt één nieuwe voorstelling uitgebracht en één voorstelling in reprise genomen.
Munganga vraagt aan het NFPK+ € 285.000 per jaar voor één nieuwe productie en één langlopend
project met gemiddeld 62 voorstellingen per jaar.
Munganga ontvangt momenteel subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Door het voormalige FAPK is incidenteel subsidie verleend voor internationale activiteiten.
Beoordeling
De commissie stelt vast dat Munganga in de afgelopen jaren gestaag is doorgegaan op de ingeslagen weg.
De voorstellingen waren niet allemaal succesvol, maar over het geheel is de commissie positief
over de artistieke kwaliteit. Op de artistieke ontwikkeling is volgens de commissie nog wat af te dingen. In de evaluatie van de afgelopen jaren heeft Munganga niet scherp in beeld gebracht welke stappen tot welke resultaten geleid hebben, zowel met betrekking tot de uiteindelijke
voorstellingen als wat betreft het maakproces. De Raad voor Cultuur wees de groep in zijn advies over de aanvraag voor 2005-2008 op soortgelijke tekortkomingen. Niettemin
wringt ook het plan voor de komende jaren nog steeds op dit punt. Munganga geeft aan dat men ‘de zoektocht naar kwaliteitsverbetering wil voortzetten’, maar biedt weinig concreet inzicht in de wijze waarop de makers dat denken te realiseren en wie zij met dat doel bij de producties betrekken. De commissie vindt het dringend nodig dat Munganga in de komende jaren echt werk gaat maken van meer artistieke ontwikkeling en adviseert aanvullende
artistieke expertise te betrekken. De voorstellingsideeën zijn op zich interessant en de groep heeft door de vorm van haar voorstellingen een eigenzinnigheid die aanspreekt. De zeggingskracht moet zich echter doorontwikkelen, anders verliest Munganga haar bestaansrecht.
De commissie is positief over het voornemen om voorstellingen in reprise te nemen. De groep kan haar zichtbaarheid hiermee vergroten en kan mede door de verschillende leeftijdsgroepen
een breder en groter publiek opbouwen en vasthouden. Ook het spelen op ongebruikelijke locaties geeft een meerwaarde aan de voorstellingen en trekt bovendien een andersoortig publiek. De commissie is ervan overtuigd dat de inspanningen van de afgelopen
jaren om tot nieuwe circuits door te dringen nu hun vruchten zullen afwerpen.
Door de achtergrond van de makers, de onderwerpen die zij kiezen, en het publieksbereik, is de bijdrage van de groep aan een cultureel divers theaterklimaat evident.
Gezien de succesvolle optredens in diverse landen over de wereld en het feit dat de voorstellingen
zich goed lenen om voor een internationaal publiek, vindt de commissie het een gemiste kans dat Munganga zich niet nadrukkelijker internationaal profileert.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de kwaliteiten van Munganga. Wel is ze van mening dat de groep zich nadrukkelijker en bewuster dient te focussen op haar artistieke ontwikkeling. De commissie constateert dat de groep voornemens op dat punt heeft, maar stelt vast dat de groep nog te weinig concreet is over de te zetten stappen. De voorstellingsplannen voor de komende jaren zijn goed gekozen en passen bij de signatuur van de groep en het publiek dat zij wil bereiken. De commissie ziet goede internationale mogelijkheden voor Munganga en denkt dat de groep zich op dat punt veel beter zou moeten profileren. De commissie adviseert
Munganga op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 op basis van het huidige subsidieniveau.
theater
Toegekend bedrag:
€ 220.935,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 220.935,- (per jaar)
Stichting Musica Sacra Maastricht
Musica Sacra
Inleiding
Musica Sacra is een jaarlijks driedaags festival op verschillende historische locaties in Maastricht, met sacraliteit als centraal uitgangspunt voor de programmering. Het festival, dat in 1983 startte als Europees Festival voor Religieuze Muziek, beleefde in 2007 zijn 25e editie. Muziek is de belangrijkste discipline, maar in het uitgebreide programma komen ook andere disciplines aan bod. Musica Sacra heeft de ambitie om binnen de structurele programmering
ook dans op te nemen. Voor de komende periode zijn drie van de vier jaarthema’s
bekend. De organisatie heeft het voornemen compositieopdrachten te verstrekken, maar of dat streven gerealiseerd kan worden, hangt af van de financiële mogelijkheden.
Op het gebied van programmering is er nauwe samenwerking met lokale partners, zoals het Limburgs Symfonie Orkest, het Conservatorium, de Toneelschool, Intro in Situ en Opera Zuid.
De organisatie streeft ernaar jaarlijks 67 activiteiten te organiseren en de eigen inkomsten te verdubbelen. De samenwerking met KRO Radio 4 krijgt prioriteit. Musica Sacra wil de komende jaren verder internationaliseren en regionaliseren en zo zijn positie verstevigen. De internationale component krijgt invulling door de programmering van spraakmakende internationale ensembles en door internationale publiekswerving. Een en ander moet resulteren
in een publieksgroei van 6% . Deze internationale ambitie zet Musica Sacra ook tegen de achtergrond van de plannen van de stad Maastricht om zich kandidaat te stellen als Culturele
Hoofdstad van Europa in 2018.
Musica Sacra beschrijft zijn positie in de keten, waarin tal van activiteiten plaatsvinden op het gebied van produceren, programmeren, publieksontwikkeling, diversiteit en verscheidenheid,
spreiding en cultureel ondernemerschap. Met betrekking tot het laatste noemt het festival zich ondernemer ’in hart en nieren’. Het festival benoemt zijn diverse doelgroepen als het avontuurlijke publiek van culturele omnivoren, de dertigers (dans en buiten-Europese
muziek) en een (zeer) jong publiek via familieprogramma’s. Musica Sacra refereert aan een bestaand marketing- en publiciteitsplan. De hoofdlijnen daarin zijn productversterking en het werven van een breed publiek dat geïnteresseerd is in verdiepende culturele activiteiten.
Musica Sacra noemt zichzelf een festival van ervaren en leren en ziet educatie dan ook als een onlosmakelijk onderdeel van zijn activiteiten.
De totale begroting stijgt van € 341.076 in 2006 naar € 577.500 in 2009. Bij de provincie Limburg
is voor de periode 2009–2012 een aanvraag gedaan van € 85.000; aan de gemeente Maastricht is € 96.000 gevraagd.
Musica Sacra ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. In de afgelopen jaren ontving Musica Sacra jaarlijks een subsidie vanuit de Festivalregeling van het voormalige
FPPM.
Beoordeling
Musica Sacra onderscheidt zich van andere festivals door de keuze voor sacraliteit als duidelijk
en uniek thema, waarbinnen het festival programmeert in uiteenlopende stijlen, genres
en cross-overs. Volgens de commissie vormt de programmering van Musica Sacra een belangrijke aanvulling op het reguliere aanbod. Het festival is bovendien zo opgezet dat de locaties waar het festival plaatsvindt een toegevoegde waarde bieden. De commissie is van mening dat het festival zijn landelijke positie de afgelopen jaren heeft weten uit te bouwen.
In het verleden heeft de uitwerking van de thema’s geleid tot bijzondere programmering.
Dit geeft de commissie vertrouwen in de toekomst, hoewel de plannen artistiek-inhoudelijk meer uitgewerkt hadden kunnen worden. Ook mist de commissie een duidelijker visie op de rol van het festival in de samenleving en zij vindt het gebrek aan aandacht voor bijvoorbeeld niet-westerse sacrale muziek een gemiste kans. De nadruk in het plan ligt op het cultureel ondernemerschap, met op zich belangwekkende onderwerpen als internationalisering en positionering. Musica Sacra werkt samen met relevante andere culturele organisaties uit de regio en is goed ingebed in de lokale structuur. Dit biedt naar het oordeel van de commissie kansen om de eigen inkomsten, mede in relatie tot de publieksomvang en de resultaten van gelijksoortige instellingen, te verhogen.
Ten slotte wil de commissie opmerken dat de Raad voor Cultuur in zijn advies 2005-2008 de samenwerking met radio en televisie expliciet noemde in relatie tot de landelijke uitstraling en de vergroting van het publieksbereik. Uit de aanvraag blijkt dat de opnamen door KRO Radio 4 onder druk staan. De commissie wil het belang van deze media-aandacht expliciet benadrukken, omdat deze cruciaal is voor de landelijke betekenis van het festival.
Conclusie en advies
Musica Sacra is een festival van landelijk betekenis met een unieke formule en thematiek en als zodanig van toegevoegde waarde. De commissie vindt het beleidsplan artistiek-inhoudelijk
weinig uitgewerkt, maar heeft op basis van voorgaande edities van het festival voldoende
vertrouwen in de onderscheidende kwaliteit van de programmering. Ook de plannen met betrekking tot internationalisering en cultureel ondernemerschap krijgen het vertrouwen van de commissie.
Op grond hiervan adviseert de commissie Musica Sacra op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009 en de subsidie te handhaven op het niveau van de cultuurnotasubsidie. In het totaal van de subsidie is rekening gehouden met de verschillende
functies zoals marketing en internationaal beleid, om de afhankelijkheid van specifieke
regelingen te verminderen.
Musica Sacra is een jaarlijks driedaags festival op verschillende historische locaties in Maastricht, met sacraliteit als centraal uitgangspunt voor de programmering. Het festival, dat in 1983 startte als Europees Festival voor Religieuze Muziek, beleefde in 2007 zijn 25e editie. Muziek is de belangrijkste discipline, maar in het uitgebreide programma komen ook andere disciplines aan bod. Musica Sacra heeft de ambitie om binnen de structurele programmering
ook dans op te nemen. Voor de komende periode zijn drie van de vier jaarthema’s
bekend. De organisatie heeft het voornemen compositieopdrachten te verstrekken, maar of dat streven gerealiseerd kan worden, hangt af van de financiële mogelijkheden.
Op het gebied van programmering is er nauwe samenwerking met lokale partners, zoals het Limburgs Symfonie Orkest, het Conservatorium, de Toneelschool, Intro in Situ en Opera Zuid.
De organisatie streeft ernaar jaarlijks 67 activiteiten te organiseren en de eigen inkomsten te verdubbelen. De samenwerking met KRO Radio 4 krijgt prioriteit. Musica Sacra wil de komende jaren verder internationaliseren en regionaliseren en zo zijn positie verstevigen. De internationale component krijgt invulling door de programmering van spraakmakende internationale ensembles en door internationale publiekswerving. Een en ander moet resulteren
in een publieksgroei van 6% . Deze internationale ambitie zet Musica Sacra ook tegen de achtergrond van de plannen van de stad Maastricht om zich kandidaat te stellen als Culturele
Hoofdstad van Europa in 2018.
Musica Sacra beschrijft zijn positie in de keten, waarin tal van activiteiten plaatsvinden op het gebied van produceren, programmeren, publieksontwikkeling, diversiteit en verscheidenheid,
spreiding en cultureel ondernemerschap. Met betrekking tot het laatste noemt het festival zich ondernemer ’in hart en nieren’. Het festival benoemt zijn diverse doelgroepen als het avontuurlijke publiek van culturele omnivoren, de dertigers (dans en buiten-Europese
muziek) en een (zeer) jong publiek via familieprogramma’s. Musica Sacra refereert aan een bestaand marketing- en publiciteitsplan. De hoofdlijnen daarin zijn productversterking en het werven van een breed publiek dat geïnteresseerd is in verdiepende culturele activiteiten.
Musica Sacra noemt zichzelf een festival van ervaren en leren en ziet educatie dan ook als een onlosmakelijk onderdeel van zijn activiteiten.
De totale begroting stijgt van € 341.076 in 2006 naar € 577.500 in 2009. Bij de provincie Limburg
is voor de periode 2009–2012 een aanvraag gedaan van € 85.000; aan de gemeente Maastricht is € 96.000 gevraagd.
Musica Sacra ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. In de afgelopen jaren ontving Musica Sacra jaarlijks een subsidie vanuit de Festivalregeling van het voormalige
FPPM.
Beoordeling
Musica Sacra onderscheidt zich van andere festivals door de keuze voor sacraliteit als duidelijk
en uniek thema, waarbinnen het festival programmeert in uiteenlopende stijlen, genres
en cross-overs. Volgens de commissie vormt de programmering van Musica Sacra een belangrijke aanvulling op het reguliere aanbod. Het festival is bovendien zo opgezet dat de locaties waar het festival plaatsvindt een toegevoegde waarde bieden. De commissie is van mening dat het festival zijn landelijke positie de afgelopen jaren heeft weten uit te bouwen.
In het verleden heeft de uitwerking van de thema’s geleid tot bijzondere programmering.
Dit geeft de commissie vertrouwen in de toekomst, hoewel de plannen artistiek-inhoudelijk meer uitgewerkt hadden kunnen worden. Ook mist de commissie een duidelijker visie op de rol van het festival in de samenleving en zij vindt het gebrek aan aandacht voor bijvoorbeeld niet-westerse sacrale muziek een gemiste kans. De nadruk in het plan ligt op het cultureel ondernemerschap, met op zich belangwekkende onderwerpen als internationalisering en positionering. Musica Sacra werkt samen met relevante andere culturele organisaties uit de regio en is goed ingebed in de lokale structuur. Dit biedt naar het oordeel van de commissie kansen om de eigen inkomsten, mede in relatie tot de publieksomvang en de resultaten van gelijksoortige instellingen, te verhogen.
Ten slotte wil de commissie opmerken dat de Raad voor Cultuur in zijn advies 2005-2008 de samenwerking met radio en televisie expliciet noemde in relatie tot de landelijke uitstraling en de vergroting van het publieksbereik. Uit de aanvraag blijkt dat de opnamen door KRO Radio 4 onder druk staan. De commissie wil het belang van deze media-aandacht expliciet benadrukken, omdat deze cruciaal is voor de landelijke betekenis van het festival.
Conclusie en advies
Musica Sacra is een festival van landelijk betekenis met een unieke formule en thematiek en als zodanig van toegevoegde waarde. De commissie vindt het beleidsplan artistiek-inhoudelijk
weinig uitgewerkt, maar heeft op basis van voorgaande edities van het festival voldoende
vertrouwen in de onderscheidende kwaliteit van de programmering. Ook de plannen met betrekking tot internationalisering en cultureel ondernemerschap krijgen het vertrouwen van de commissie.
Op grond hiervan adviseert de commissie Musica Sacra op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009 en de subsidie te handhaven op het niveau van de cultuurnotasubsidie. In het totaal van de subsidie is rekening gehouden met de verschillende
functies zoals marketing en internationaal beleid, om de afhankelijkheid van specifieke
regelingen te verminderen.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 132.079,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 132.079,- (per jaar)
Stichting Muziektheater Hollands Diep
Muziektheater Hollands Diep
Inleiding
Muziektheater Hollands Diep maakt muziektheater- en operaproducties gebaseerd op repertoire van 1945 tot heden. De voorstellingen vinden meestal plaats op locatie in Dordrecht
en directe regio.
Naar eigen zeggen brak Hollands Diep in 2001 landelijk door met de opera ‘Achnathon’ van Philip Glass in een containertheater aan de Oude Maas.
Hollands Diep is gespecialiseerd in voorstellingen op locatie en kiest bewust voor andere
voorstellingsplekken dan de traditionele concert- en operazalen. Naast de artistieke meerwaarde
wordt deze keuze ook ingegeven door de ervaring dat zo de drempel wordt verlaagd voor publiek dat uit zichzelf niet snel naar moderne muziek gaat. Volgens het beleidsplan maakt Hollands Diep hedendaagse muziek door krachtige theatrale beelden verstaanbaar.
Jonge zangers, bijvoorbeeld van het Rotterdams Conservatorium, en andere jonge podiumkunstenaars
kunnen bij Hollands Diep podiumervaring opdoen. Ook worden gevorderde amateurzangers of kinderen actief bij de uitvoering van de projecten betrokken.
Hollands Diep wil de komende periode vijf producties maken, waarbij artistiek leider Cilia Hogerzeil voor de regie tekent. In april 2009 brengt Hollands Diep de wereldpremière van ‘De Waterman’, een nieuwe opera gebaseerd op de roman van Arthur van Schendel met muziek van componist Hans Koolmees. In de jaren daarna volgen producties met een sterke cultureel diverse component: een muziektheaterexperiment voor en door Turkse en autochtone
vrouwen; een productie over Sinterklaas met westerse en niet-westerse kinderen; de ‘Psalmensymfonie’ van Stravinsky met composities en teksten van Nederlanders afkomstig uit verschillende buitenlanden; een kleine zaalproductie naar aanleiding van een pelgrimsverhaal
van Kader Abdolah.
Hollands Diep zoekt gericht naar publiek. Zo worden bij ‘De Waterman’ de wereld van de binnenschipperij en van de waterhuishouding betrokken. Bij dergelijke grootschalige voorstellingen
komt zo’n 65% van het publiek uit het hele land. De kleinschalige voorstellingen richten zich vooral op de regio. De zaalbezetting varieert volgens Holland Diep van 70 tot 100%.
Hollands Diep wil de komende vier jaar gaan uitgroeien van een projectorganisatie naar een meer permanente organisatie met artistiek leider, zakelijk leider, secretariaat en pr-medewerker
in vaste dienst. Hollands Diep vraagt hiervoor € 300.000 op jaarbasis.
Hollands Diep heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Het gezelschap werd de afgelopen vier jaar regelmatig vanuit het voormalige FAPK ondersteund. Componist Hans Koolmees ontvangt sinds 2003 een meerjarige
honorering van het voormalige FST. De compositieopdracht voor ‘De Waterman’ maakt onderdeel uit van deze meerjarige honorering. Het libretto voor deze productie is gesubsidieerd
door de gemeente Dordrecht, die regelmatig op projectbasis bijdraagt. De provincie Zuid-Holland ondersteunt slechts incidenteel.
Beoordeling
Over Hollands Diep verschijnen mooie recensies en de commissie is net als de pers enthousiast
over de voorstellingen. De kwaliteit is hoog en de producties hebben zeggingskracht. De artistiek leider heeft visie en bovendien de vaardigheid om deze visie in concrete plannen
te vertalen en deze vervolgens te realiseren. De goed uitgewerkte plannen worden door de commissie beoordeeld in termen als creatief, origineel en bijzonder. Met de nieuw gecomponeerde
opera ‘De Waterman’ heeft Hollands Diep op papier al een spraakmakende locatieproductie
te bieden, een waardevolle aanvulling op het opera-aanbod in Nederland.
Het gezelschap heeft een mooie standplaats in de stad Dordrecht. De commissie ziet daarvan
de waarde. Tegelijkertijd constateert ze dat Hollands Diep weliswaar landelijk publiek naar Dordrecht trekt, maar zelf weinig buiten de stadsgrenzen opereert. Zeker een dermate grote productie als ‘De Waterman’ verdient in haar ogen een veel groter publieksbereik dan de nu in de begroting aangegeven 2000 bezoekers. De andere producties zijn ook in cultureel divers opzicht interessant. Het valt op dat Hollands Diep een visie heeft over hoe verbindingen
te leggen tussen inhoud en locatie en tussen amateurs en professionals. Een sterk punt van Hollands Diep is de samenwerking met het Conservatorium Rotterdam en de amateurs in de regio. Ook wordt met zorg nagedacht over hoe een cultureel divers publiek bij de projecten
te betrekken. Het valt op dat ook het voorafgaand onderzoek en het omlijstende programma
goed zijn omschreven in het beleidsplan.
De commissie merkt op dat, juist nu in Dordrecht een intendant werkt aan de profilering en een grotere samenhang van het totale culturele aanbod, het lijkt alsof Hollands Diep als een eenling in de stad opereert. Een samenwerking met bijvoorbeeld de Dordtse schouwburg Kunstmin ligt voor de hand.
Uit het beleidsplan krijgt de commissie de indruk van een solide bedrijfsvoering, die vertrouwen
voor de toekomst geeft.
Conclusie en advies
De commissie adviseert Hollands Diep op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012. De bijzondere producties getuigen van kwaliteit, hebben een artistieke meerwaarde ten opzichte van het bestaande opera-aanbod in de basisinfrastructuur
en trekken steeds meer landelijk en cultureel divers publiek.
De hoogte van het geadviseerde bedrag is aanmerkelijk lager dan het gevraagde. De commissie
geeft aan dat zij het geadviseerde bedrag vaststelt in de context van vergelijkbare instellingen. Zij realiseert zich dat Hollands Diep zijn plannen zal moeten aanpassen en daarin keuzes zal moeten maken.
Muziektheater Hollands Diep maakt muziektheater- en operaproducties gebaseerd op repertoire van 1945 tot heden. De voorstellingen vinden meestal plaats op locatie in Dordrecht
en directe regio.
Naar eigen zeggen brak Hollands Diep in 2001 landelijk door met de opera ‘Achnathon’ van Philip Glass in een containertheater aan de Oude Maas.
Hollands Diep is gespecialiseerd in voorstellingen op locatie en kiest bewust voor andere
voorstellingsplekken dan de traditionele concert- en operazalen. Naast de artistieke meerwaarde
wordt deze keuze ook ingegeven door de ervaring dat zo de drempel wordt verlaagd voor publiek dat uit zichzelf niet snel naar moderne muziek gaat. Volgens het beleidsplan maakt Hollands Diep hedendaagse muziek door krachtige theatrale beelden verstaanbaar.
Jonge zangers, bijvoorbeeld van het Rotterdams Conservatorium, en andere jonge podiumkunstenaars
kunnen bij Hollands Diep podiumervaring opdoen. Ook worden gevorderde amateurzangers of kinderen actief bij de uitvoering van de projecten betrokken.
Hollands Diep wil de komende periode vijf producties maken, waarbij artistiek leider Cilia Hogerzeil voor de regie tekent. In april 2009 brengt Hollands Diep de wereldpremière van ‘De Waterman’, een nieuwe opera gebaseerd op de roman van Arthur van Schendel met muziek van componist Hans Koolmees. In de jaren daarna volgen producties met een sterke cultureel diverse component: een muziektheaterexperiment voor en door Turkse en autochtone
vrouwen; een productie over Sinterklaas met westerse en niet-westerse kinderen; de ‘Psalmensymfonie’ van Stravinsky met composities en teksten van Nederlanders afkomstig uit verschillende buitenlanden; een kleine zaalproductie naar aanleiding van een pelgrimsverhaal
van Kader Abdolah.
Hollands Diep zoekt gericht naar publiek. Zo worden bij ‘De Waterman’ de wereld van de binnenschipperij en van de waterhuishouding betrokken. Bij dergelijke grootschalige voorstellingen
komt zo’n 65% van het publiek uit het hele land. De kleinschalige voorstellingen richten zich vooral op de regio. De zaalbezetting varieert volgens Holland Diep van 70 tot 100%.
Hollands Diep wil de komende vier jaar gaan uitgroeien van een projectorganisatie naar een meer permanente organisatie met artistiek leider, zakelijk leider, secretariaat en pr-medewerker
in vaste dienst. Hollands Diep vraagt hiervoor € 300.000 op jaarbasis.
Hollands Diep heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Het gezelschap werd de afgelopen vier jaar regelmatig vanuit het voormalige FAPK ondersteund. Componist Hans Koolmees ontvangt sinds 2003 een meerjarige
honorering van het voormalige FST. De compositieopdracht voor ‘De Waterman’ maakt onderdeel uit van deze meerjarige honorering. Het libretto voor deze productie is gesubsidieerd
door de gemeente Dordrecht, die regelmatig op projectbasis bijdraagt. De provincie Zuid-Holland ondersteunt slechts incidenteel.
Beoordeling
Over Hollands Diep verschijnen mooie recensies en de commissie is net als de pers enthousiast
over de voorstellingen. De kwaliteit is hoog en de producties hebben zeggingskracht. De artistiek leider heeft visie en bovendien de vaardigheid om deze visie in concrete plannen
te vertalen en deze vervolgens te realiseren. De goed uitgewerkte plannen worden door de commissie beoordeeld in termen als creatief, origineel en bijzonder. Met de nieuw gecomponeerde
opera ‘De Waterman’ heeft Hollands Diep op papier al een spraakmakende locatieproductie
te bieden, een waardevolle aanvulling op het opera-aanbod in Nederland.
Het gezelschap heeft een mooie standplaats in de stad Dordrecht. De commissie ziet daarvan
de waarde. Tegelijkertijd constateert ze dat Hollands Diep weliswaar landelijk publiek naar Dordrecht trekt, maar zelf weinig buiten de stadsgrenzen opereert. Zeker een dermate grote productie als ‘De Waterman’ verdient in haar ogen een veel groter publieksbereik dan de nu in de begroting aangegeven 2000 bezoekers. De andere producties zijn ook in cultureel divers opzicht interessant. Het valt op dat Hollands Diep een visie heeft over hoe verbindingen
te leggen tussen inhoud en locatie en tussen amateurs en professionals. Een sterk punt van Hollands Diep is de samenwerking met het Conservatorium Rotterdam en de amateurs in de regio. Ook wordt met zorg nagedacht over hoe een cultureel divers publiek bij de projecten
te betrekken. Het valt op dat ook het voorafgaand onderzoek en het omlijstende programma
goed zijn omschreven in het beleidsplan.
De commissie merkt op dat, juist nu in Dordrecht een intendant werkt aan de profilering en een grotere samenhang van het totale culturele aanbod, het lijkt alsof Hollands Diep als een eenling in de stad opereert. Een samenwerking met bijvoorbeeld de Dordtse schouwburg Kunstmin ligt voor de hand.
Uit het beleidsplan krijgt de commissie de indruk van een solide bedrijfsvoering, die vertrouwen
voor de toekomst geeft.
Conclusie en advies
De commissie adviseert Hollands Diep op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012. De bijzondere producties getuigen van kwaliteit, hebben een artistieke meerwaarde ten opzichte van het bestaande opera-aanbod in de basisinfrastructuur
en trekken steeds meer landelijk en cultureel divers publiek.
De hoogte van het geadviseerde bedrag is aanmerkelijk lager dan het gevraagde. De commissie
geeft aan dat zij het geadviseerde bedrag vaststelt in de context van vergelijkbare instellingen. Zij realiseert zich dat Hollands Diep zijn plannen zal moeten aanpassen en daarin keuzes zal moeten maken.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 167.784,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 167.784,- (per jaar)
Stichting Nederlands Kamerkoor
Nederlands Kamerkoor
Inleiding
Het Nederlands Kamerkoor zegt zich sinds zijn oprichting sterk te maken voor het omvangrijke
repertoire dat de westerse muziekgeschiedenis de afgelopen achthonderd jaar voor begeleid en onbegeleid vocaal ensemble heeft voortgebracht. Zijn artistieke opdracht is, zo blijkt uit het beleidsplan, het presenteren van het muzikale erfgoed – oude en nieuwe, begeleide
en vooral onbegeleide koormuziek – door middel van uitvoeringen van de hoogste kwaliteit aan een breed publiek. Dit geschiedt zowel in eigen series als in samenwerking met tal van concertzalen, orkesten en ensembles. Daarbij spelen volgens het koor het uitgelezen vakmanschap van de zangers, zowel in het ensemble als solistisch, maar ook de zeggingskracht
van de alom geloofde uitvoeringen, en de oorspronkelijkheid van uitvoeringen en repertoire een wezenlijke rol. Het Nederlands Kamerkoor bezit een zogenaamde B3-status, wat inhoudt dat het een CAO heeft voor de 22 zangers in vaste dienst. Zij hebben ieder een part-time contract (minimaal 60%).
Het Nederlands Kamerkoor streeft ernaar een belangrijke rol te spelen in de creatie van nieuw repertoire door het verschaffen van tal van opdrachten in binnen- en buitenland. Hierdoor wordt volgens de instelling ‘een grote en vaak verrassende verscheidenheid in de programmering gerealiseerd’. Naar eigen zeggen komt deze verscheidenheid ook naar voren in de samenwerking met andere disciplines.
In de periode 2009-2012 wil het Nederlands Kamerkoor de belangrijkste uitgangspunten van de afgelopen en huidige cultuurnotaperiodes voortzetten om zijn doelstellingen te verwezenlijken.
Het Nederlands Kamerkoor ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie erkent dat het Nederlands Kamerkoor zowel nationaal als internationaal een goede reputatie heeft, vanwege het hoge uitvoeringsniveau van zijn repertoire. Een grotere tegenstelling tussen deze uitvoeringskwaliteit en de kwaliteit van de subsidieaanvraag is in de ogen van de commissie echter nauwelijks denkbaar. Het beleidsplan heeft geen enkele zeggingskracht en ontbeert een duidelijke en oorspronkelijke artistieke toekomstvisie, waardoor de commissie zich geen beeld kan vormen van een mogelijke artistieke ontwikkeling.
Het Nederlands Kamerkoor noemt een aantal namen van componisten (aan wie het opdrachten wenst te verstrekken) en dirigenten, maar laat na hierin enige samenhang aan te brengen. Vier jaar geleden constateerde de Raad voor Cultuur eveneens dat uit het toenmalige
beleidsplan niet viel op te maken hoe het Nederlands Kamerkoor de komende periode
zijn programmering dacht vorm te geven. Net als nu gaf het koor niet meer dan de wens te kennen om op de ingeslagen weg door te gaan, en werd het hierom zwaar bekritiseerd door de Raad.
De commissie vindt het zeer bezwaarlijk en onacceptabel dat het Nederlands Kamerkoor niets heeft gedaan met deze kritiek. Naast het gebrek aan een artistieke visie en heldere toekomstplannen
toont het beleidsplan wederom geen enkele reflectie op de positie die het koor inneemt in het Nederlandse podiumkunstenbestel. Weliswaar worden delen van het repertoire niet door andere professionele koren op een vergelijkbaar hoog niveau uitgevoerd,
maar met name waar het oud en hedendaagse repertoire betreft, ondervindt het Nederlands Kamerkoor geduchte concurrentie.
Het getuigt volgens de commissie van te weinig ambitie dat het koor niet een veel initiërender
artistiek beleid formuleert ten aanzien van vooral samenwerkingsverbanden en het versterken
van zijn concurrentiepositie. In de aanvraag wordt een aantal mogelijke partners bij naam genoemd (instrumentale ensembles en orkesten), maar het blijft onduidelijk welke samenwerking daadwerkelijk zal worden gerealiseerd, en op wiens initiatief dit gebeurt. De intentie van het koor om in de toekomst vaker voor eigen risico concertseries op te zetten, in samenwerking met anderen, vergt volgens de commissie een onevenredig grote investering met onzekere uitkomsten op het gebied van publieksbereik en -inkomsten. Strategische samenwerkingsverbanden met andere schakels in de keten, zoals podia, acht de commissie in dit kader effectiever.
De commissie is daarnaast van mening dat een veel actievere rol van het Nederlands Kamerkoor mag worden verwacht ten aanzien van educatie. Het koor constateert dat in vrijwel
elke stad waar het optreedt wel een gymnasium te vinden is dat in aanmerking komt voor haar educatieproject. Op dit moment werkt daar slechts één school aan mee. Bovendien wordt de inhoud van dat project niet nader uitgelegd en kan de commissie geen oordeel geven over de effectiviteit of de didactische onderbouwing ervan. Met betrekking tot de talentontwikkeling van jonge zangers formuleert het Nederlands Kamerkoor de wens om de komende jaren meer betrokken te zijn bij de beroeps-opleidingen. Voor een instelling die in veel grotere mate kan ‘beschikken’ over haar musici dan andere vierjarig gesubsidieerden laat dit een bedroevend lage mate van betrokkenheid zien bij de ontwikkeling van het genre koormuziek.
In het algemeen oordeelt de commissie negatief over het cultureel ondernemerschap van het Nederlands Kamerkoor. Zo wil het koor in de toekomst een hoger rendement genereren. Op grond van de voorziene activiteiten en de bijbehorende cijfermatige onderbouwing stelt de commissie echter vast dat de subsidieafhankelijkheid van het Nederlands Kamerkoor de komende periode vrijwel gelijk blijft. Bovendien neemt het koor in verhouding met de huidige
situatie meer financieel risico door een groter aantal concerten in eigen beheer te willen
organiseren.
Tegelijkertijd en in tegenspraak met de beoogde groei van de publieksinkomsten, geeft men aan dat het aantal concerten en de publieksaantallen zullen dalen. De stelling van het Nederlands Kamerkoor dat rendement kan worden verwacht wanneer de in eigen beheer georganiseerde concertseries ‘goed in de markt worden gezet’ vindt de commissie weinig vertrouwenwekkend. Want naar haar mening reserveert het koor weliswaar een passend budget voor marketing en publiciteit, maar ontbreken op dit vlak een strategische visie en grondig plan van aanpak; afgaande op het beleidsplan lijken publicitaire middelen zonder onderlinge samenhang te worden ingezet. De commissie acht het niet realistisch dat het Nederlands Kamerkoor op deze manier in staat is nieuwe publieksgroepen te bereiken, die een bijdrage zullen leveren aan de gewenste verhoging van de publieksinkomsten. Ook formuleert
het Nederlands Kamerkoor geen ambities of beleid om op andere wijze de eigen inkomsten te laten stijgen, terwijl het volgens de commissie daartoe wel in staat moet worden
geacht. Samengevat vindt de commissie zowel het artistieke als zakelijke beleid zeer teleurstellend en onder de maat voor een koor dat met zijn eigen CAO voor de zangers een uitzonderlijke status heeft. Zij is van mening dat de bijbehorende verantwoordelijkheden op geen enkele manier worden waargemaakt. Bovendien vindt de commissie dat het Nederlands
Kamerkoor zich onvoldoende qua betekenis onderscheidt van vergelijkbare instellingen
om de financiering van de bijzondere status gerechtvaardigd te vinden. Zij adviseert daarom om een beduidend lager subsidie beschikbaar te stellen dan nu het geval is. De commissie
stelt voor dat deze voor het Nederlands Kamerkoor majeure operatie stapsgewijs wordt uitgevoerd. De volle vierjaarsperiode kan worden gebruikt voor de afbouw van de vierjarige subsidie tot een niveau in de orde van grootte van € 800.000 in 2012.
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit verwacht de commissie dat het Nederlands Kamerkoor garant blijft staan voor een hoogwaardige spelkwaliteit, die zij ook van betekenis acht voor het muziekaanbod. De commissie oordeelt echter zeer negatief over de kwaliteit van het beleidsplan van het Nederlands Kamerkoor. Het ontbreekt voornamelijk aan een overtuigende artistieke visie, heldere toekomstplannen die inzicht bieden in de artistieke ontwikkeling, een reflectie op de bijzondere positie en status die het koor inneemt in het Nederlandse podiumkunstenbestel, strategische samenwerkings-verbanden, aan realistisch cultureel ondernemerschap om vooral de eigen inkomsten te verhogen.
De commissie is van mening dat op grond van de weinig onderscheidende positie die het koor inneemt ten opzichte van vergelijkbare instellingen de subsidiëring van het Nederlands
Kamerkoor daarmee in overeenstemming moet worden gebracht. De commissie adviseert
het Nederlands Kamerkoor op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie vraagt aandacht voor het stapsgewijs op aanvaardbaar niveau brengen van de vierjarige subsidie tot een bedrag in de orde van grootte van € 800.000 in 2012.
Het Nederlands Kamerkoor zegt zich sinds zijn oprichting sterk te maken voor het omvangrijke
repertoire dat de westerse muziekgeschiedenis de afgelopen achthonderd jaar voor begeleid en onbegeleid vocaal ensemble heeft voortgebracht. Zijn artistieke opdracht is, zo blijkt uit het beleidsplan, het presenteren van het muzikale erfgoed – oude en nieuwe, begeleide
en vooral onbegeleide koormuziek – door middel van uitvoeringen van de hoogste kwaliteit aan een breed publiek. Dit geschiedt zowel in eigen series als in samenwerking met tal van concertzalen, orkesten en ensembles. Daarbij spelen volgens het koor het uitgelezen vakmanschap van de zangers, zowel in het ensemble als solistisch, maar ook de zeggingskracht
van de alom geloofde uitvoeringen, en de oorspronkelijkheid van uitvoeringen en repertoire een wezenlijke rol. Het Nederlands Kamerkoor bezit een zogenaamde B3-status, wat inhoudt dat het een CAO heeft voor de 22 zangers in vaste dienst. Zij hebben ieder een part-time contract (minimaal 60%).
Het Nederlands Kamerkoor streeft ernaar een belangrijke rol te spelen in de creatie van nieuw repertoire door het verschaffen van tal van opdrachten in binnen- en buitenland. Hierdoor wordt volgens de instelling ‘een grote en vaak verrassende verscheidenheid in de programmering gerealiseerd’. Naar eigen zeggen komt deze verscheidenheid ook naar voren in de samenwerking met andere disciplines.
In de periode 2009-2012 wil het Nederlands Kamerkoor de belangrijkste uitgangspunten van de afgelopen en huidige cultuurnotaperiodes voortzetten om zijn doelstellingen te verwezenlijken.
Het Nederlands Kamerkoor ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie erkent dat het Nederlands Kamerkoor zowel nationaal als internationaal een goede reputatie heeft, vanwege het hoge uitvoeringsniveau van zijn repertoire. Een grotere tegenstelling tussen deze uitvoeringskwaliteit en de kwaliteit van de subsidieaanvraag is in de ogen van de commissie echter nauwelijks denkbaar. Het beleidsplan heeft geen enkele zeggingskracht en ontbeert een duidelijke en oorspronkelijke artistieke toekomstvisie, waardoor de commissie zich geen beeld kan vormen van een mogelijke artistieke ontwikkeling.
Het Nederlands Kamerkoor noemt een aantal namen van componisten (aan wie het opdrachten wenst te verstrekken) en dirigenten, maar laat na hierin enige samenhang aan te brengen. Vier jaar geleden constateerde de Raad voor Cultuur eveneens dat uit het toenmalige
beleidsplan niet viel op te maken hoe het Nederlands Kamerkoor de komende periode
zijn programmering dacht vorm te geven. Net als nu gaf het koor niet meer dan de wens te kennen om op de ingeslagen weg door te gaan, en werd het hierom zwaar bekritiseerd door de Raad.
De commissie vindt het zeer bezwaarlijk en onacceptabel dat het Nederlands Kamerkoor niets heeft gedaan met deze kritiek. Naast het gebrek aan een artistieke visie en heldere toekomstplannen
toont het beleidsplan wederom geen enkele reflectie op de positie die het koor inneemt in het Nederlandse podiumkunstenbestel. Weliswaar worden delen van het repertoire niet door andere professionele koren op een vergelijkbaar hoog niveau uitgevoerd,
maar met name waar het oud en hedendaagse repertoire betreft, ondervindt het Nederlands Kamerkoor geduchte concurrentie.
Het getuigt volgens de commissie van te weinig ambitie dat het koor niet een veel initiërender
artistiek beleid formuleert ten aanzien van vooral samenwerkingsverbanden en het versterken
van zijn concurrentiepositie. In de aanvraag wordt een aantal mogelijke partners bij naam genoemd (instrumentale ensembles en orkesten), maar het blijft onduidelijk welke samenwerking daadwerkelijk zal worden gerealiseerd, en op wiens initiatief dit gebeurt. De intentie van het koor om in de toekomst vaker voor eigen risico concertseries op te zetten, in samenwerking met anderen, vergt volgens de commissie een onevenredig grote investering met onzekere uitkomsten op het gebied van publieksbereik en -inkomsten. Strategische samenwerkingsverbanden met andere schakels in de keten, zoals podia, acht de commissie in dit kader effectiever.
De commissie is daarnaast van mening dat een veel actievere rol van het Nederlands Kamerkoor mag worden verwacht ten aanzien van educatie. Het koor constateert dat in vrijwel
elke stad waar het optreedt wel een gymnasium te vinden is dat in aanmerking komt voor haar educatieproject. Op dit moment werkt daar slechts één school aan mee. Bovendien wordt de inhoud van dat project niet nader uitgelegd en kan de commissie geen oordeel geven over de effectiviteit of de didactische onderbouwing ervan. Met betrekking tot de talentontwikkeling van jonge zangers formuleert het Nederlands Kamerkoor de wens om de komende jaren meer betrokken te zijn bij de beroeps-opleidingen. Voor een instelling die in veel grotere mate kan ‘beschikken’ over haar musici dan andere vierjarig gesubsidieerden laat dit een bedroevend lage mate van betrokkenheid zien bij de ontwikkeling van het genre koormuziek.
In het algemeen oordeelt de commissie negatief over het cultureel ondernemerschap van het Nederlands Kamerkoor. Zo wil het koor in de toekomst een hoger rendement genereren. Op grond van de voorziene activiteiten en de bijbehorende cijfermatige onderbouwing stelt de commissie echter vast dat de subsidieafhankelijkheid van het Nederlands Kamerkoor de komende periode vrijwel gelijk blijft. Bovendien neemt het koor in verhouding met de huidige
situatie meer financieel risico door een groter aantal concerten in eigen beheer te willen
organiseren.
Tegelijkertijd en in tegenspraak met de beoogde groei van de publieksinkomsten, geeft men aan dat het aantal concerten en de publieksaantallen zullen dalen. De stelling van het Nederlands Kamerkoor dat rendement kan worden verwacht wanneer de in eigen beheer georganiseerde concertseries ‘goed in de markt worden gezet’ vindt de commissie weinig vertrouwenwekkend. Want naar haar mening reserveert het koor weliswaar een passend budget voor marketing en publiciteit, maar ontbreken op dit vlak een strategische visie en grondig plan van aanpak; afgaande op het beleidsplan lijken publicitaire middelen zonder onderlinge samenhang te worden ingezet. De commissie acht het niet realistisch dat het Nederlands Kamerkoor op deze manier in staat is nieuwe publieksgroepen te bereiken, die een bijdrage zullen leveren aan de gewenste verhoging van de publieksinkomsten. Ook formuleert
het Nederlands Kamerkoor geen ambities of beleid om op andere wijze de eigen inkomsten te laten stijgen, terwijl het volgens de commissie daartoe wel in staat moet worden
geacht. Samengevat vindt de commissie zowel het artistieke als zakelijke beleid zeer teleurstellend en onder de maat voor een koor dat met zijn eigen CAO voor de zangers een uitzonderlijke status heeft. Zij is van mening dat de bijbehorende verantwoordelijkheden op geen enkele manier worden waargemaakt. Bovendien vindt de commissie dat het Nederlands
Kamerkoor zich onvoldoende qua betekenis onderscheidt van vergelijkbare instellingen
om de financiering van de bijzondere status gerechtvaardigd te vinden. Zij adviseert daarom om een beduidend lager subsidie beschikbaar te stellen dan nu het geval is. De commissie
stelt voor dat deze voor het Nederlands Kamerkoor majeure operatie stapsgewijs wordt uitgevoerd. De volle vierjaarsperiode kan worden gebruikt voor de afbouw van de vierjarige subsidie tot een niveau in de orde van grootte van € 800.000 in 2012.
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit verwacht de commissie dat het Nederlands Kamerkoor garant blijft staan voor een hoogwaardige spelkwaliteit, die zij ook van betekenis acht voor het muziekaanbod. De commissie oordeelt echter zeer negatief over de kwaliteit van het beleidsplan van het Nederlands Kamerkoor. Het ontbreekt voornamelijk aan een overtuigende artistieke visie, heldere toekomstplannen die inzicht bieden in de artistieke ontwikkeling, een reflectie op de bijzondere positie en status die het koor inneemt in het Nederlandse podiumkunstenbestel, strategische samenwerkings-verbanden, aan realistisch cultureel ondernemerschap om vooral de eigen inkomsten te verhogen.
De commissie is van mening dat op grond van de weinig onderscheidende positie die het koor inneemt ten opzichte van vergelijkbare instellingen de subsidiëring van het Nederlands
Kamerkoor daarmee in overeenstemming moet worden gebracht. De commissie adviseert
het Nederlands Kamerkoor op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie vraagt aandacht voor het stapsgewijs op aanvaardbaar niveau brengen van de vierjarige subsidie tot een bedrag in de orde van grootte van € 800.000 in 2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 1.894.133,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 1.894.133,- (per jaar)
Stichting Nederlands Kameropera Festival
Nederlands Kameropera Festival
Inleiding
Het Nederlands KamerOpera Festival is een tweejaarlijks festival dat exclusief gewijd is aan kameropera en kleinschalig muziektheater. Het Nederlands KamerOpera Festival programmeert
geënsceneerde kameropera’s en kleinschalige muziektheaterproducties uit binnen- en buitenland. Daarmee is het festival volgens eigen zeggen uniek in de wereld. Het festival kiest vanaf 2009 voor concentratie in de stad Zwolle, om zo ook een echte festivalsfeer te kunnen creëren. Dit sluit aan bij de ambitie van Zwolle, dat een imago als operastad wil opbouwen. Vanaf 2013 wil de organisatie het festival jaarlijks organiseren. Het festival heeft een nieuwe directeur in de persoon van Michael de Roo, directeur van Theater Zwembad de Regentes in Den Haag. Dit is volgens de aanvrager geen reden voor artistiek inhoudelijke wijzigingen.
Het festival wil een plek te zijn voor publiek, operamakers en pers.
De drie disciplines muziek, theater en vormgeving zijn binnen het aanbod evenwichtig vertegenwoordigd.
In ‘Nieuw & Anders’ krijgen jonge operamakers de kans hun voorstellingen te presenteren. Ook is er samenwerking met het Kameroperahuis, het productiehuis voor kameropera en muziektheater in Zwolle en met het nieuw op te richten operaproductiehuis in Enschede. Odeon Spiegel theaters in Zwolle stelt de accommodatie beschikbaar en draagt ook een deel van het financiële risico. Een van de coproducenten is het festival Oude Muziek Utrecht. Het festival in 2009 legt het accent op niet westerse muziek en cultuur in de kameropera.
Het programma bevat een Chinese Opera en een Gamelan Opera. Tevens is er een productie van de Neukoellner Oper uit Berlijn met een bewerking door een jonge Duits /Turkse schijfster en -componist. In 2009 komen vijf buitenlandse producties naar het festival
(vier in 2007) en in 2011 zes producties. De organisatie heeft plannen voor internationale coproducties. Het festival laat zich inspireren door buitenlandse festivals zoals in Avignon. In de tussenjaren, wanneer er geen festival is, wil men zich internationaal presenteren.
Het lokale en regionale publiek wil het Nederlands KamerOpera Festival actiever betrekken bij het festival door een productie te realiseren met amateurs en semi-professionals als vast onderdeel van het festival. Elk festival krijgt minimaal een productie voor jeugd en een voor jongeren. Rond minimaal drie producties maakt het festival educatieve programma’s.
Opera Xynix en VocaalLAB leveren in 2009 de voorstellingen voor jongeren.
Op het vlak van marketing en publiciteit wil men een grote stap maken om het publieksbereik
te vergroten. Dit is naar eigen zeggen nodig omdat het festival momenteel op een zaalbezetting
van 50% zit. De publieksgroei kent volgens het beleidsplan een stijging in de zaalbezetting naar 65 % in 2009 en 80 % in 2011. Het is de ambitie het publieksbereik bij voorstellingen en concerten te laten groeien van 4000 (2007) naar 5500 bezoekers in 2009. Voor sponsoring en marketing wil de organisatie een medewerker aantrekken.
Het Nederlands KamerOpera Festival heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. In de afgelopen jaren ontving het festival bijdragen vanuit verschillende
regelingen van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie is van oordeel dat het KamerOperafestival in Zwolle een belangrijke aanvulling
is op het reguliere aanbod. De commissie waardeert de wijze waarop het festival zich de afgelopen jaren heeft weten te positioneren. Zij vindt het festival ook van belang omdat het duidelijk voorziet in een behoefte aan een geconcentreerde presentatiemogelijkheid, zeker gezien het feit dat het kleinschalige muziektheater een belangrijke groei kent en ontwikkeling
doormaakt. Het festival heeft een duidelijke functie in het tonen van deze ontwikkelingen
aan veld en publiek. Het festival vervult daarnaast een voortrekkersrol, in die zin dat makers die op het festival staan, gemakkelijker geboekt worden door programmeurs van schouwburgen.
Uit het beleidsplan spreekt durf en creativiteit. De programmering is in de ogen van de commissie
avontuurlijk en kwalitatief van niveau. De organisatie wil zich duidelijk positioneren in de stad en de regio, terwijl het tegelijkertijd een festival wil neerzetten met een landelijk profiel. De commissie waardeert de talrijke samenwerkingsverbanden, zowel nationaal als internationaal.
De commissie heeft vertrouwen in de nieuwe artistiek leider en verwacht dat hij met zijn staat van dienst het profiel van het festival verder zal aanscherpen. Bovendien is de commissie
positief over het voornemen Zwolle als enige festivalstad te kiezen en verwacht dat daar een goede festivalsfeer gecreëerd kan worden. De kleinschaligheid komt tot zijn recht in zowel de programmering, als de locaties, als het feit dat het publiek door de concentratie van zalen in de binnenstad van Zwolle veel voorstellingen kan zien. De producties van professionals
met amateurs zijn in de ogen van de commissie vooral van belang voor de regio en van onvoldoende meerwaarde voor het landelijke aanbod. Ook de nabijheid van het nieuwe
productiehuis op het gebied van kameropera kan volgens de commissie bijdragen aan de mogelijkheden en uitstraling van het festival. Tegelijkertijd benadrukt de commissie dat de betrokkenheid van theater Odeon, zowel financieel als organisatorisch een belangrijk aspect is voor de inbedding van het festival. Wel zet de commissie vraagtekens bij de omvang van de formatie van de artistiek leider. Ook kritisch is de commissie over publieksbereik en - inkomsten en vindt een verdere uitwerking van de marketingplannen noodzakelijk om de in het beleidsplan beoogde vergroting van het publieksbereik daadwerkelijk te kunnen realiseren.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over het Nederlands KamerOpera Festival is gezien de programmering
en de artistieke meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod in de basisinfrastructuur positief. De producties van professionals met amateurs zijn in de ogen van de commissie echter van onvoldoende meerwaarde voor het landelijke aanbod. Een verdere
uitwerking van de marketingplannen is noodzakelijk om de in het beleidsplan beoogde vergroting van het publieksbereik daadwerkelijk te kunnen realiseren.
Met name op grond van programmering en artistieke meerwaarde adviseert de commissie het Nederlands KamerOpera Festival in Zwolle op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Nederlands KamerOpera Festival is een tweejaarlijks festival dat exclusief gewijd is aan kameropera en kleinschalig muziektheater. Het Nederlands KamerOpera Festival programmeert
geënsceneerde kameropera’s en kleinschalige muziektheaterproducties uit binnen- en buitenland. Daarmee is het festival volgens eigen zeggen uniek in de wereld. Het festival kiest vanaf 2009 voor concentratie in de stad Zwolle, om zo ook een echte festivalsfeer te kunnen creëren. Dit sluit aan bij de ambitie van Zwolle, dat een imago als operastad wil opbouwen. Vanaf 2013 wil de organisatie het festival jaarlijks organiseren. Het festival heeft een nieuwe directeur in de persoon van Michael de Roo, directeur van Theater Zwembad de Regentes in Den Haag. Dit is volgens de aanvrager geen reden voor artistiek inhoudelijke wijzigingen.
Het festival wil een plek te zijn voor publiek, operamakers en pers.
De drie disciplines muziek, theater en vormgeving zijn binnen het aanbod evenwichtig vertegenwoordigd.
In ‘Nieuw & Anders’ krijgen jonge operamakers de kans hun voorstellingen te presenteren. Ook is er samenwerking met het Kameroperahuis, het productiehuis voor kameropera en muziektheater in Zwolle en met het nieuw op te richten operaproductiehuis in Enschede. Odeon Spiegel theaters in Zwolle stelt de accommodatie beschikbaar en draagt ook een deel van het financiële risico. Een van de coproducenten is het festival Oude Muziek Utrecht. Het festival in 2009 legt het accent op niet westerse muziek en cultuur in de kameropera.
Het programma bevat een Chinese Opera en een Gamelan Opera. Tevens is er een productie van de Neukoellner Oper uit Berlijn met een bewerking door een jonge Duits /Turkse schijfster en -componist. In 2009 komen vijf buitenlandse producties naar het festival
(vier in 2007) en in 2011 zes producties. De organisatie heeft plannen voor internationale coproducties. Het festival laat zich inspireren door buitenlandse festivals zoals in Avignon. In de tussenjaren, wanneer er geen festival is, wil men zich internationaal presenteren.
Het lokale en regionale publiek wil het Nederlands KamerOpera Festival actiever betrekken bij het festival door een productie te realiseren met amateurs en semi-professionals als vast onderdeel van het festival. Elk festival krijgt minimaal een productie voor jeugd en een voor jongeren. Rond minimaal drie producties maakt het festival educatieve programma’s.
Opera Xynix en VocaalLAB leveren in 2009 de voorstellingen voor jongeren.
Op het vlak van marketing en publiciteit wil men een grote stap maken om het publieksbereik
te vergroten. Dit is naar eigen zeggen nodig omdat het festival momenteel op een zaalbezetting
van 50% zit. De publieksgroei kent volgens het beleidsplan een stijging in de zaalbezetting naar 65 % in 2009 en 80 % in 2011. Het is de ambitie het publieksbereik bij voorstellingen en concerten te laten groeien van 4000 (2007) naar 5500 bezoekers in 2009. Voor sponsoring en marketing wil de organisatie een medewerker aantrekken.
Het Nederlands KamerOpera Festival heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. In de afgelopen jaren ontving het festival bijdragen vanuit verschillende
regelingen van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie is van oordeel dat het KamerOperafestival in Zwolle een belangrijke aanvulling
is op het reguliere aanbod. De commissie waardeert de wijze waarop het festival zich de afgelopen jaren heeft weten te positioneren. Zij vindt het festival ook van belang omdat het duidelijk voorziet in een behoefte aan een geconcentreerde presentatiemogelijkheid, zeker gezien het feit dat het kleinschalige muziektheater een belangrijke groei kent en ontwikkeling
doormaakt. Het festival heeft een duidelijke functie in het tonen van deze ontwikkelingen
aan veld en publiek. Het festival vervult daarnaast een voortrekkersrol, in die zin dat makers die op het festival staan, gemakkelijker geboekt worden door programmeurs van schouwburgen.
Uit het beleidsplan spreekt durf en creativiteit. De programmering is in de ogen van de commissie
avontuurlijk en kwalitatief van niveau. De organisatie wil zich duidelijk positioneren in de stad en de regio, terwijl het tegelijkertijd een festival wil neerzetten met een landelijk profiel. De commissie waardeert de talrijke samenwerkingsverbanden, zowel nationaal als internationaal.
De commissie heeft vertrouwen in de nieuwe artistiek leider en verwacht dat hij met zijn staat van dienst het profiel van het festival verder zal aanscherpen. Bovendien is de commissie
positief over het voornemen Zwolle als enige festivalstad te kiezen en verwacht dat daar een goede festivalsfeer gecreëerd kan worden. De kleinschaligheid komt tot zijn recht in zowel de programmering, als de locaties, als het feit dat het publiek door de concentratie van zalen in de binnenstad van Zwolle veel voorstellingen kan zien. De producties van professionals
met amateurs zijn in de ogen van de commissie vooral van belang voor de regio en van onvoldoende meerwaarde voor het landelijke aanbod. Ook de nabijheid van het nieuwe
productiehuis op het gebied van kameropera kan volgens de commissie bijdragen aan de mogelijkheden en uitstraling van het festival. Tegelijkertijd benadrukt de commissie dat de betrokkenheid van theater Odeon, zowel financieel als organisatorisch een belangrijk aspect is voor de inbedding van het festival. Wel zet de commissie vraagtekens bij de omvang van de formatie van de artistiek leider. Ook kritisch is de commissie over publieksbereik en - inkomsten en vindt een verdere uitwerking van de marketingplannen noodzakelijk om de in het beleidsplan beoogde vergroting van het publieksbereik daadwerkelijk te kunnen realiseren.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over het Nederlands KamerOpera Festival is gezien de programmering
en de artistieke meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod in de basisinfrastructuur positief. De producties van professionals met amateurs zijn in de ogen van de commissie echter van onvoldoende meerwaarde voor het landelijke aanbod. Een verdere
uitwerking van de marketingplannen is noodzakelijk om de in het beleidsplan beoogde vergroting van het publieksbereik daadwerkelijk te kunnen realiseren.
Met name op grond van programmering en artistieke meerwaarde adviseert de commissie het Nederlands KamerOpera Festival in Zwolle op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 57.223,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 57.223,- (per jaar)
Stichting Nederlandse Dansdagen
Nederlandse Dansdagen
Inleiding
De Nederlandse Dansdagen (NDD) zijn opgericht door Directie Overleg Dans, Theater aan het Vrijthof in Maastricht en de NPS Televisie. Wat begon als de ‘Avond van de Nederlandse Dans’ groeide uit tot een driedaags festival met als doel een zo groot en breed mogelijk publiek voor de dans te winnen en zowel de dansliefhebber als de professional een weekend lang stil te laten staan bij deze kunstdiscipline. In 2007 bestonden de NDD tien jaar.
De NDD laten gedurende drie dagen op verschillende locaties in Maastricht een selectie zien van de meest spraakmakende dansvoorstellingen van het voorgaande seizoen. Deze selectie wordt steeds samengesteld door een wisselende selectiecommissie uit verschillende geledingen van het dansveld, resulterend in een divers programma met werk van zowel grote
als kleine gezelschappen. In het programma is de uitreiking opgenomen van de Zwanen voor de beste dansproductie en dansprestatie. Daarnaast bevat het programma speciale festivalprojecten,
zoals debatten, exposities, masterclasses en locatieprojecten, waarin actuele thema’s, andere dansstijlen en nieuwe doelgroepen aan bod komen. De NPS doet jaarlijks uitgebreid verslag van het festival en zorgt daarmee voor een grote reikwijdte van het evenement
bij een breed publiek, aldus de NDD.
De ambitie van de NDD is om een centrale positie in te nemen in de Nederlandse dans.
In de periode 2009-2012 wil het festival deze positie versterken en een plek worden waar de nieuwste ontwikkelingen binnen de Nederlandse dans te zien zijn en een grote diversiteit aan voorstellingen wordt gepresenteerd voor een gedifferentieerd publiek.
Daarnaast willen de NDD een gesprekspartner zijn voor de sector. Hiermee beoogt het festival
de landelijke bekendheid en publieke belangstelling voor dans te vergroten, verbindingen
te leggen tussen verschillende stromingen en visies op dans en de onderlinge samenwerking te stimuleren. Het verstevigen van de positie van de Nederlandse dans in de internationale context, zowel op het gebied van export als inhoudelijke uitwisseling, is eveneens
een ambitie van het festival.
Om dit te bereiken willen de NDD de festivalformule veranderen en een scherper profiel creëren. De terugblik op het voorgaande seizoen wordt losgelaten. De organisatie zoekt naar het presenteren van een interessant programma als geheel, met meerdere programmatische lijnen naast elkaar zodat er meer keuzemogelijkheden zijn voor het publiek. Daarnaast wil het festival, meer dan nu het geval is, aandacht besteden aan actuele ontwikkelingen in de Nederlandse dans en zijn beleid op het gebied van amateurdansprojecten en educatie versterken.
De NDD ontvangen subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Ook genoot het festival
in de afgelopen periode ondersteuning van het voormalige FAPK en vanuit de Festivalregeling
van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie hecht een groot belang aan de promotionele waarde van de NDD voor de danssector. De televisieuitzendingen van de NPS van onder meer het ‘Gala van de Nederlandse
Dans’ staan garant voor een voor dans zeer groot publieksbereik.
Door de focus op de Nederlandse dans in al zijn facetten leveren de NDD een bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse festivallandschap. Het feit dat het festival plaatsvindt in Maastricht draagt bij aan de spreiding van het aanbod van dans in Nederland. Mede door de locatie, die uitnodigt om langer dan een avond te blijven, is het festival bovendien een ontmoetingsplaats
van betrokkenen en vakgenoten. De keuze om in Maastricht te blijven vindt de commissie dan ook verstandig.
Gezien de ambitie van de NDD om de Nederlandse dans (inter)nationaal meer uitstraling te geven, vindt de commissie het begrijpelijk dat de organisatie de formule voor de komende jaren wil aanpassen. Door zich niet langer uitsluitend te concentreren op het tonen van fragmenten uit de beste voorstellingen, creëren de NDD naar de mening van de commissie de mogelijkheid om in programmatisch en productioneel opzicht efficiënter te opereren, waardoor ook de inhoudelijke kwaliteit van het festival zich verder kan ontwikkelen. Ook de samenwerking met het Theater Instituut Nederland en het sterker inzetten op de ontmoetings-
en debatfunctie kan volgens de commissie kansen bieden om de komende jaren meer internationale bekendheid te geven aan de Nederlandse dans. Daarmee kunnen de NDD een interessante showcase worden voor buitenlandse programmeurs.
Uit het voorliggende beleidsplan spreekt dezelfde analyse die de commissie heeft gemaakt. De organisatie vindt dat de NDD een scherper profiel en een belangrijker uitstraling moeten krijgen. De commissie vindt echter dat de beoogde koerswijziging in het beleidsplan voor de periode 2009-2012 nog niet uitgewerkt wordt tot een eenduidig resultaat. De commissie meent dat het plan op twee gedachten hinkt: enerzijds willen de NDD artistieke verdieping, anderzijds zitten zij vast aan het oorspronkelijke doel als promotiefestival. De commissie verwacht dat een focus op een van beide doelstellingen uiteindelijk ten goede komt aan de inhoud van het festival. Zij heeft er vertrouwen in dat de organisatie erin zal slagen om haar beleid op dit punt aan te scherpen.
De commissie waardeert de projecten die de NDD willen opzetten om de verbinding tussen de amateurdans en het professionele dansveld te versterken, maar vindt deze onvoldoende onderscheidend van of voorbeeldstellend voor projecten die ook elders plaatsvinden. De inhoudelijke verbinding met en opmaat tot de landelijke Dansweek wordt door de NDD onvoldoende waargemaakt. Ook staat de hoeveelheid voorgenomen nieuwe initiatieven volgens
de commissie op gespannen voet met de beperkte duur van het festival. Op basis van de ontwikkeling die het festival de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, vindt de commissie het evenwel belangrijk dat de organisatie de komende periode de mogelijkheid krijgt om het festival inhoudelijk steviger neer te zetten.
De commissie merkt op dat in het beleidsplan onvoldoende sprake is van een specifieke en uitgewerkte marketingstrategie. Het plan gaat slechts zijdelings in op de mogelijkheden om door middel van een bredere en meer actuele programmering publieksgroepen uit andere kunstdisciplines aan te spreken en besteedt weinig aandacht aan de verruiming van de samenwerking met de NPS. Gezien de relatief lage opbrengsten per bezoeker, vindt de commissie
dat de organisatie een overtuigender cijfermatige onderbouwing voor het verwerven van meer eigen inkomsten had moeten presenteren.
Ten slotte meent de commissie erop te kunnen vertrouwen, dat de bijdrage van het festival aan een meer evenwichtige geografische spreiding van standplaatsen van podiumkunstinstellingen
ook wordt vertaald in meer substantiële bijdragen van lokale of provinciale overheden
c.q. lokale sponsoren.
Conclusie en advies
De NDD hebben volgens de commissie een grote promotionele waarde voor de danssector in Nederland. Het festival onderscheidt zich van andere dansevenementen door zich te richten op de volle breedte van de Nederlandse dans. Hoewel de voorgenomen koerswijziging in het beleidsplan nog niet eenduidig is uitgewerkt en de marketingstrategie meer aandacht behoeft, heeft de commissie er voldoende vertrouwen in dat artistieke leiding erin zal slagen om het festival in de komende periode inhoudelijk steviger neer te zetten. Zij adviseert dan ook om de NDD op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
De Nederlandse Dansdagen (NDD) zijn opgericht door Directie Overleg Dans, Theater aan het Vrijthof in Maastricht en de NPS Televisie. Wat begon als de ‘Avond van de Nederlandse Dans’ groeide uit tot een driedaags festival met als doel een zo groot en breed mogelijk publiek voor de dans te winnen en zowel de dansliefhebber als de professional een weekend lang stil te laten staan bij deze kunstdiscipline. In 2007 bestonden de NDD tien jaar.
De NDD laten gedurende drie dagen op verschillende locaties in Maastricht een selectie zien van de meest spraakmakende dansvoorstellingen van het voorgaande seizoen. Deze selectie wordt steeds samengesteld door een wisselende selectiecommissie uit verschillende geledingen van het dansveld, resulterend in een divers programma met werk van zowel grote
als kleine gezelschappen. In het programma is de uitreiking opgenomen van de Zwanen voor de beste dansproductie en dansprestatie. Daarnaast bevat het programma speciale festivalprojecten,
zoals debatten, exposities, masterclasses en locatieprojecten, waarin actuele thema’s, andere dansstijlen en nieuwe doelgroepen aan bod komen. De NPS doet jaarlijks uitgebreid verslag van het festival en zorgt daarmee voor een grote reikwijdte van het evenement
bij een breed publiek, aldus de NDD.
De ambitie van de NDD is om een centrale positie in te nemen in de Nederlandse dans.
In de periode 2009-2012 wil het festival deze positie versterken en een plek worden waar de nieuwste ontwikkelingen binnen de Nederlandse dans te zien zijn en een grote diversiteit aan voorstellingen wordt gepresenteerd voor een gedifferentieerd publiek.
Daarnaast willen de NDD een gesprekspartner zijn voor de sector. Hiermee beoogt het festival
de landelijke bekendheid en publieke belangstelling voor dans te vergroten, verbindingen
te leggen tussen verschillende stromingen en visies op dans en de onderlinge samenwerking te stimuleren. Het verstevigen van de positie van de Nederlandse dans in de internationale context, zowel op het gebied van export als inhoudelijke uitwisseling, is eveneens
een ambitie van het festival.
Om dit te bereiken willen de NDD de festivalformule veranderen en een scherper profiel creëren. De terugblik op het voorgaande seizoen wordt losgelaten. De organisatie zoekt naar het presenteren van een interessant programma als geheel, met meerdere programmatische lijnen naast elkaar zodat er meer keuzemogelijkheden zijn voor het publiek. Daarnaast wil het festival, meer dan nu het geval is, aandacht besteden aan actuele ontwikkelingen in de Nederlandse dans en zijn beleid op het gebied van amateurdansprojecten en educatie versterken.
De NDD ontvangen subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Ook genoot het festival
in de afgelopen periode ondersteuning van het voormalige FAPK en vanuit de Festivalregeling
van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie hecht een groot belang aan de promotionele waarde van de NDD voor de danssector. De televisieuitzendingen van de NPS van onder meer het ‘Gala van de Nederlandse
Dans’ staan garant voor een voor dans zeer groot publieksbereik.
Door de focus op de Nederlandse dans in al zijn facetten leveren de NDD een bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse festivallandschap. Het feit dat het festival plaatsvindt in Maastricht draagt bij aan de spreiding van het aanbod van dans in Nederland. Mede door de locatie, die uitnodigt om langer dan een avond te blijven, is het festival bovendien een ontmoetingsplaats
van betrokkenen en vakgenoten. De keuze om in Maastricht te blijven vindt de commissie dan ook verstandig.
Gezien de ambitie van de NDD om de Nederlandse dans (inter)nationaal meer uitstraling te geven, vindt de commissie het begrijpelijk dat de organisatie de formule voor de komende jaren wil aanpassen. Door zich niet langer uitsluitend te concentreren op het tonen van fragmenten uit de beste voorstellingen, creëren de NDD naar de mening van de commissie de mogelijkheid om in programmatisch en productioneel opzicht efficiënter te opereren, waardoor ook de inhoudelijke kwaliteit van het festival zich verder kan ontwikkelen. Ook de samenwerking met het Theater Instituut Nederland en het sterker inzetten op de ontmoetings-
en debatfunctie kan volgens de commissie kansen bieden om de komende jaren meer internationale bekendheid te geven aan de Nederlandse dans. Daarmee kunnen de NDD een interessante showcase worden voor buitenlandse programmeurs.
Uit het voorliggende beleidsplan spreekt dezelfde analyse die de commissie heeft gemaakt. De organisatie vindt dat de NDD een scherper profiel en een belangrijker uitstraling moeten krijgen. De commissie vindt echter dat de beoogde koerswijziging in het beleidsplan voor de periode 2009-2012 nog niet uitgewerkt wordt tot een eenduidig resultaat. De commissie meent dat het plan op twee gedachten hinkt: enerzijds willen de NDD artistieke verdieping, anderzijds zitten zij vast aan het oorspronkelijke doel als promotiefestival. De commissie verwacht dat een focus op een van beide doelstellingen uiteindelijk ten goede komt aan de inhoud van het festival. Zij heeft er vertrouwen in dat de organisatie erin zal slagen om haar beleid op dit punt aan te scherpen.
De commissie waardeert de projecten die de NDD willen opzetten om de verbinding tussen de amateurdans en het professionele dansveld te versterken, maar vindt deze onvoldoende onderscheidend van of voorbeeldstellend voor projecten die ook elders plaatsvinden. De inhoudelijke verbinding met en opmaat tot de landelijke Dansweek wordt door de NDD onvoldoende waargemaakt. Ook staat de hoeveelheid voorgenomen nieuwe initiatieven volgens
de commissie op gespannen voet met de beperkte duur van het festival. Op basis van de ontwikkeling die het festival de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, vindt de commissie het evenwel belangrijk dat de organisatie de komende periode de mogelijkheid krijgt om het festival inhoudelijk steviger neer te zetten.
De commissie merkt op dat in het beleidsplan onvoldoende sprake is van een specifieke en uitgewerkte marketingstrategie. Het plan gaat slechts zijdelings in op de mogelijkheden om door middel van een bredere en meer actuele programmering publieksgroepen uit andere kunstdisciplines aan te spreken en besteedt weinig aandacht aan de verruiming van de samenwerking met de NPS. Gezien de relatief lage opbrengsten per bezoeker, vindt de commissie
dat de organisatie een overtuigender cijfermatige onderbouwing voor het verwerven van meer eigen inkomsten had moeten presenteren.
Ten slotte meent de commissie erop te kunnen vertrouwen, dat de bijdrage van het festival aan een meer evenwichtige geografische spreiding van standplaatsen van podiumkunstinstellingen
ook wordt vertaald in meer substantiële bijdragen van lokale of provinciale overheden
c.q. lokale sponsoren.
Conclusie en advies
De NDD hebben volgens de commissie een grote promotionele waarde voor de danssector in Nederland. Het festival onderscheidt zich van andere dansevenementen door zich te richten op de volle breedte van de Nederlandse dans. Hoewel de voorgenomen koerswijziging in het beleidsplan nog niet eenduidig is uitgewerkt en de marketingstrategie meer aandacht behoeft, heeft de commissie er voldoende vertrouwen in dat artistieke leiding erin zal slagen om het festival in de komende periode inhoudelijk steviger neer te zetten. Zij adviseert dan ook om de NDD op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 129.784,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 129.784,- (per jaar)
Stichting Nieuw Ensemble
Nieuw Ensemble
Inleiding
Het in 1980 opgerichte Nieuw Ensemble (NE) omschrijft zichzelf als een westers ensemble met flexibele bezetting, een lange staat van dienst, een groot eigen repertoire en een rijpe speelcultuur. Vaak werkt het NE met solisten en met één of enkele niet-westerse gastmusici. Zo ontstond na jarenlange NE-exploraties met componisten en musici uit niet-westerse culturen
in 2002 het Atlas Ensemble. Dit verenigt dertig musici uit het Verre Oosten, Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Europa en ‘presenteert een ongehoord klankpalet van westerse en niet-westerse instrumenten, waarbij een gelijkwaardig aandeel van de verschillende muziekculturen centraal staat’. Omdat dit kamerorkest de capaciteit van het NE te boven ging, heeft het Atlas Ensemble de eerste vijf jaar op projectbasis geopereerd onder een aparte stichting. Het NE fungeerde daarbij als coproducent, zo vermeldt het beleidsplan.
Het NE en het Atlas Ensemble worden bestuurd en bestierd door dezelfde artistiek leider en hetzelfde organisatieteam. Wel hebben ze naar eigen zeggen duidelijk een verschillende identiteit. Aangezien het Atlas Ensemble ‘tot de conclusie is gekomen dat continuïteit voorwaarde
is voor verdere ontwikkeling’, wordt nu voor het eerst een vierjarige subsidie aangevraagd
voor zowel het NE als het Atlas Ensemble. Derhalve heeft het NE In zijn aanvraag de toekomstplannen van het Atlas Ensemble opgenomen.
Het beleidsplan schetst voor het NE de volgende artistieke beleidsuitgangspunten: samenwerking
met musici en componisten uit verschillende culturen, repertoireontwikkeling, thematische
projecten, nieuwe vormen en educatieve projecten. Er is een jaarlijks practicum waar compositiestudenten van drie conservatoria stukken schrijven voor het NE en een scholierenproject waarbij scholieren nieuwe muziekinstrumenten bedenken en bouwen.
Het Atlas Ensemble richt zich op ‘interculturele ontginningen, wederzijds leren en de opbouw van een volledig nieuw repertoire’. Zijn plannen voor de komende periode bestaan uit ‘een internationale Atlas Academy annex in-residence-periode in de zomer’ en een tournee
met nieuwe werken gedurende het concertseizoen.
Het gevraagde subsidiebedrag is bestemd voor 45 concerten per jaar van het NE en voor 5 concerten per jaar van het Atlas Ensemble.
Het NE ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het NE is de afgelopen
jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Naar aanleiding van het beleidsplan is op 21 mei 2008 een nadere uitwerking van (een deel van) de begroting opgevraagd bij de aanvragers.
Beoordeling
Naar het oordeel van de commissie legt het NE al decennialang muzikale bevlogenheid aan de dag. In het voorliggende beleidsplan blijkt dat onder meer uit het voornemen van het NE om het Atlas Ensemble onder zijn hoede te nemen. De commissie is enthousiast over de artistieke kwaliteit van beide ensembles. Zowel het NE als het Atlas Ensemble kent een hoge spelkwaliteit, spannende programma’s en gedegen samenwerkingsprojecten. Er is sprake van een helder en actueel internationaal beleid met een duidelijke focus op landen en regio’s als China en het Midden-Oosten. De samenstelling van het Atlas Ensemble en de componisten waarmee wordt samengewerkt, geven blijk van een culturele diversiteit die door de commissie wordt toegejuicht. De in het beleidsplan geformuleerde artistieke doelstellingen
zijn helder en de daaruit voortvloeiende projecten vormen volgens de commissie op zichzelf een aanvulling op het bestaande repertoire.
Het positieve oordeel van de commissie over de artistieke kwaliteit staat in contrast met haar oordeel over de bedrijfsvoering. Zo vindt de commissie de in het beleidsplan geambieerde
ontwikkeling van de eigen inkomsten niet realistisch, komen de opgevoerde personele activiteitenlasten niet overeen met de bedragen in de toelichting en getuigt ook de rest van de gepresenteerde meerjarenbegroting van weinig realiteitszin.
Verder vindt de commissie het aantal geplande concerten op jaarbasis te optimistisch ingeschat.
Zij tekent daarbij aan dat naar haar mening het aantal voorgenomen producties in relatie tot het aantal concerten een bijzonder inefficiënte inzet van subsidiemiddelen vergt. Toezeggingen van Nederlandse podia ontbreken, evenals een beleid gericht op samenwerkingsverbanden
met strategische partners. Ook het aantal buitenlandse concerten vindt de commissie niet realistisch. Het ensemble beschikt over een relevant netwerk, maar het is de commissie niet mogelijk om op grond van het beleidsplan de haalbaarheid van de enorme toename van deze concerten te toetsen.
De voorgestelde educatieve projecten zijn volgens de commissie interessant en komen voor subsidiëring in aanmerking, met uitzondering van de Atlas Academy. Hoewel de instelling aangeeft dat de Atlas Academy uit andere middelen zal worden gefinancierd, merkt de commissie
toch op dat zij van mening is dat alle uit deze activiteit voortkomende kosten tot de financiële verantwoordelijkheid van het kunstvakonderwijs behoren en niet uit het cultuurbudget
bekostigd dienen te worden.
Gezien bovenstaande kritiekpunten acht de commissie het noodzakelijk dat het beleidsplan en de bijbehorende begroting worden herzien.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat de uitvoeringskwaliteit van zowel het NE als van het Atlas Ensemble uitstekend is. Tevens leveren de ensembles door hun oorspronkelijke artistieke visie een onderscheidende en waardevolle bijdrage aan het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De commissie adviseert het NE en het Atlas Ensemble op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie vraagt aandacht voor een herziening van het beleidsplan op het gebied van bedrijfsvoering en zakelijk beleid, mede gezien het grote verschil tussen het gevraagde en geadviseerde subsidiebedrag. Daarbij
rekent de commissie de activiteiten die voortvloeien uit de Atlas Academy niet tot de subsidiabele
activiteiten.
Het in 1980 opgerichte Nieuw Ensemble (NE) omschrijft zichzelf als een westers ensemble met flexibele bezetting, een lange staat van dienst, een groot eigen repertoire en een rijpe speelcultuur. Vaak werkt het NE met solisten en met één of enkele niet-westerse gastmusici. Zo ontstond na jarenlange NE-exploraties met componisten en musici uit niet-westerse culturen
in 2002 het Atlas Ensemble. Dit verenigt dertig musici uit het Verre Oosten, Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Europa en ‘presenteert een ongehoord klankpalet van westerse en niet-westerse instrumenten, waarbij een gelijkwaardig aandeel van de verschillende muziekculturen centraal staat’. Omdat dit kamerorkest de capaciteit van het NE te boven ging, heeft het Atlas Ensemble de eerste vijf jaar op projectbasis geopereerd onder een aparte stichting. Het NE fungeerde daarbij als coproducent, zo vermeldt het beleidsplan.
Het NE en het Atlas Ensemble worden bestuurd en bestierd door dezelfde artistiek leider en hetzelfde organisatieteam. Wel hebben ze naar eigen zeggen duidelijk een verschillende identiteit. Aangezien het Atlas Ensemble ‘tot de conclusie is gekomen dat continuïteit voorwaarde
is voor verdere ontwikkeling’, wordt nu voor het eerst een vierjarige subsidie aangevraagd
voor zowel het NE als het Atlas Ensemble. Derhalve heeft het NE In zijn aanvraag de toekomstplannen van het Atlas Ensemble opgenomen.
Het beleidsplan schetst voor het NE de volgende artistieke beleidsuitgangspunten: samenwerking
met musici en componisten uit verschillende culturen, repertoireontwikkeling, thematische
projecten, nieuwe vormen en educatieve projecten. Er is een jaarlijks practicum waar compositiestudenten van drie conservatoria stukken schrijven voor het NE en een scholierenproject waarbij scholieren nieuwe muziekinstrumenten bedenken en bouwen.
Het Atlas Ensemble richt zich op ‘interculturele ontginningen, wederzijds leren en de opbouw van een volledig nieuw repertoire’. Zijn plannen voor de komende periode bestaan uit ‘een internationale Atlas Academy annex in-residence-periode in de zomer’ en een tournee
met nieuwe werken gedurende het concertseizoen.
Het gevraagde subsidiebedrag is bestemd voor 45 concerten per jaar van het NE en voor 5 concerten per jaar van het Atlas Ensemble.
Het NE ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het NE is de afgelopen
jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Naar aanleiding van het beleidsplan is op 21 mei 2008 een nadere uitwerking van (een deel van) de begroting opgevraagd bij de aanvragers.
Beoordeling
Naar het oordeel van de commissie legt het NE al decennialang muzikale bevlogenheid aan de dag. In het voorliggende beleidsplan blijkt dat onder meer uit het voornemen van het NE om het Atlas Ensemble onder zijn hoede te nemen. De commissie is enthousiast over de artistieke kwaliteit van beide ensembles. Zowel het NE als het Atlas Ensemble kent een hoge spelkwaliteit, spannende programma’s en gedegen samenwerkingsprojecten. Er is sprake van een helder en actueel internationaal beleid met een duidelijke focus op landen en regio’s als China en het Midden-Oosten. De samenstelling van het Atlas Ensemble en de componisten waarmee wordt samengewerkt, geven blijk van een culturele diversiteit die door de commissie wordt toegejuicht. De in het beleidsplan geformuleerde artistieke doelstellingen
zijn helder en de daaruit voortvloeiende projecten vormen volgens de commissie op zichzelf een aanvulling op het bestaande repertoire.
Het positieve oordeel van de commissie over de artistieke kwaliteit staat in contrast met haar oordeel over de bedrijfsvoering. Zo vindt de commissie de in het beleidsplan geambieerde
ontwikkeling van de eigen inkomsten niet realistisch, komen de opgevoerde personele activiteitenlasten niet overeen met de bedragen in de toelichting en getuigt ook de rest van de gepresenteerde meerjarenbegroting van weinig realiteitszin.
Verder vindt de commissie het aantal geplande concerten op jaarbasis te optimistisch ingeschat.
Zij tekent daarbij aan dat naar haar mening het aantal voorgenomen producties in relatie tot het aantal concerten een bijzonder inefficiënte inzet van subsidiemiddelen vergt. Toezeggingen van Nederlandse podia ontbreken, evenals een beleid gericht op samenwerkingsverbanden
met strategische partners. Ook het aantal buitenlandse concerten vindt de commissie niet realistisch. Het ensemble beschikt over een relevant netwerk, maar het is de commissie niet mogelijk om op grond van het beleidsplan de haalbaarheid van de enorme toename van deze concerten te toetsen.
De voorgestelde educatieve projecten zijn volgens de commissie interessant en komen voor subsidiëring in aanmerking, met uitzondering van de Atlas Academy. Hoewel de instelling aangeeft dat de Atlas Academy uit andere middelen zal worden gefinancierd, merkt de commissie
toch op dat zij van mening is dat alle uit deze activiteit voortkomende kosten tot de financiële verantwoordelijkheid van het kunstvakonderwijs behoren en niet uit het cultuurbudget
bekostigd dienen te worden.
Gezien bovenstaande kritiekpunten acht de commissie het noodzakelijk dat het beleidsplan en de bijbehorende begroting worden herzien.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat de uitvoeringskwaliteit van zowel het NE als van het Atlas Ensemble uitstekend is. Tevens leveren de ensembles door hun oorspronkelijke artistieke visie een onderscheidende en waardevolle bijdrage aan het Nederlandse podiumkunstenbestel.
De commissie adviseert het NE en het Atlas Ensemble op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie vraagt aandacht voor een herziening van het beleidsplan op het gebied van bedrijfsvoering en zakelijk beleid, mede gezien het grote verschil tussen het gevraagde en geadviseerde subsidiebedrag. Daarbij
rekent de commissie de activiteiten die voortvloeien uit de Atlas Academy niet tot de subsidiabele
activiteiten.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 841.205,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 841.205,- (per jaar)
Stichting Noorderzon Groningen
Noorderzon
Inleiding
Noorderzon is een elfdaags theater- en cross-overfestival in Groningen dat sinds 2001
onder artistieke leiding van Mark Yeoman staat. Met zijn komst kwam de oriëntatie op interdisciplinair
en experimenteel theater te liggen, waarmee het festival zich naar eigen zeggen een onderscheidende rol in het festivallandschap heeft verworven. Het kent een hoofdprogramma
in het Noorderplantsoen en een Down Town-programma op verschillende locaties in Groningen. De programmering bestaat voor 70% uit nieuw en innovatief internationaal werk en 30% uit werk met wortels in het noorden. Daarbij wil het festival enerzijds de verbondenheid
met de regio en anderzijds een sterke internationale oriëntatie laten zien.
Noorderzon vindt het belangrijk om de productiefunctie te versterken en de samenwerking met culturele instellingen te intensiveren. Noorderzon is van zomermanifestatie gegroeid naar het international performing arts festival dat de leiding voor ogen stond.
De komende periode wil Noorderzon doorgaan op de ingeslagen weg, maar met een adequatere
financiering. Het artistieke profiel blijft vrijwel ongewijzigd. Wel wil de organisatie een aantal accenten aanbrengen en nieuwe initiatieven verstevigen of ontwikkelen.
De kernactiviteit van het festival blijft programmeren, maar vanaf het seizoen 2008-2009 wil de organisatie ook de mogelijkheid hebben om te participeren als internationaal coproducent
of opdrachtenverstrekker voor nieuw werk. Samen met productiehuis Grand Theatre en het Noord Nederlands Toneel (NTT) wordt per 2009 het internationaal agentschap NAGANA opgezet waarin de expertise, netwerken en kennis van de drie participanten worden
gebundeld.
Noorderzon wil een podium vormen voor nieuw videowerk en de samenwerkingsverbanden op dit vlak versterken en (inter)nationaal uitbreiden. Nieuwe voornemens zijn er ook wat betreft een internationaal bezoekersprogramma met het oog op culturele uitwisseling, waarbij
ook het publiek en de lokale infrastructuur moet profiteren van de tijdelijk aanwezige expertise. Ten slotte wil Noorderzon de samenwerking met de Down Town-partners beter ondersteunen en de Down Town-programmering meer zichtbaar maken in de stad.
De begroting groeit van € 1.067.261 in 2006 naar € 1.572.419 in 2009.
Noorderzon ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het voormalige FPPM heeft vanaf 2003 de ontwikkeling van DownTown Noorderzon ondersteund. In de periode 2006-2008 ontving Noorderzon ondersteuning vanuit de Festivalregeling en vanuit de regeling Internationalisering van het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is van oordeel dat Noorderzon binnen de zomerfestivals een unieke plek inneemt. Het festival heeft een eigen profiel met een eigenzinnige programmering.
Volgens de commissie is de programmering van Noorderzon een belangrijke aanvulling op het reguliere aanbod. Over de relatie tussen programmering en publiek is goed nagedacht. Het festival bewijst keer op keer een groot, divers en jong publiek te kunnen trekken, zonder artistiek-inhoudelijke concessies te doen.
Noorderzon heeft in de afgelopen jaren een interessante internationale programmering gebracht. Het festival beschikt over een goed netwerk van internationale partners. Nieuw is het voornemen om met hen gezamenlijke coproducties tot stand te brengen. Dit internationaal
coproduceren is goed ingebed in de productiefunctie van de Groningse samenwerkingspartners
NNT en Grand Theatre. De commissie beoordeelt deze nieuwe activiteit positief, mede omdat ze goed aansluit bij het speerpunt internationalisering in de beleidsuitgangspunten
van het Fonds. Wel tekent zij hierbij aan dat de festivalorganisatie zelf niet ingericht is of zou moeten worden voor eigen producerende taken, die een geheel specifieke benadering en aanpak vergen.
Noorderzon is de afgelopen jaren weloverwogen en stap voor stap gegroeid. De festivalsfeer is goed, evenals de ambiance en de plaats in de stad. Noorderzon is goed ingebed in de noordelijke
infrastructuur. Laagdrempeligheid heeft zich bij Noorderzon niet vertaald in gemakkelijke
programmering, maar in alles om de kunst heen: prijsbeleid, aantrekkelijkheid van de omgeving, communicatie en de mate waarin mensen zich prettig voelen in de buurt waar de optredens plaatsvinden. Het DownTown-programma zorgt voor een duidelijke inbedding in de lokale structuur en heeft een interessante meerwaarde ten opzichte van het parkdeel.
Waar cultuureducatie geen separaat onderwerp in het beleidsplan is, biedt het plan wel een duidelijke visie op het bereiken van een jong publiek, met een toegespitste programmering die verder gaat dan wat jongeren al op tv kunnen zien of via internet kunnen vinden.
Kritischer is de commissie over de bedrijfsmatige kant van de aanvraag. Zij mist de kapitalisatie
van de groei. Waar de uitgaven stijgen met 50%, is de begroting heel voorzichtig aan de inkomstenkant. De stijging van de horeca-inkomsten is beperkt, de gemiddelde kaartopbrengst
daalt en de publieksinkomsten blijven achter. Ook is de commissie van mening dat het festival onnodig betaalt voor zaken waar goed strategische partners voor te vinden zijn. De commissie billijkt de wens om de organisatie steviger dan voorheen neer te zetten, maar vindt de wijze waarop bestaande functies ‘opgeplust’ worden fors, de uitbreiding van overhead
en personeel ruim en onvoldoende overtuigend onderbouwd. De commissie vindt de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag tegen die achtergrond niet gerechtvaardigd.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Noorderzon is positief vanwege de eigenzinnige programmering van het festival en de meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod. Het beleid van het festival ten aanzien van internationale programmering
sluit aan bij de uitgangspunten van het internationaal cultuurbeleid en bij de speerpunten
van het Fonds. Daarom adviseert de commissie Noorderzon op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Ter versterking van zijn structurele (internationale) activiteiten adviseert de commissie bovendien het huidige subsidiebedrag te verhogen. De door Noorderzon gevraagde verhoging,
een ruime verdrievoudiging van de rijkssubsidie, acht de commissie met het oog op de niet optimale bedrijfsvoering niet gerechtvaardigd. In het totaal van het geadviseerde subsidiebedrag
is rekening gehouden met de verschillende functies als marketing en internationaal
beleid, om de afhankelijkheid van specifieke regelingen te verminderen.
Noorderzon is een elfdaags theater- en cross-overfestival in Groningen dat sinds 2001
onder artistieke leiding van Mark Yeoman staat. Met zijn komst kwam de oriëntatie op interdisciplinair
en experimenteel theater te liggen, waarmee het festival zich naar eigen zeggen een onderscheidende rol in het festivallandschap heeft verworven. Het kent een hoofdprogramma
in het Noorderplantsoen en een Down Town-programma op verschillende locaties in Groningen. De programmering bestaat voor 70% uit nieuw en innovatief internationaal werk en 30% uit werk met wortels in het noorden. Daarbij wil het festival enerzijds de verbondenheid
met de regio en anderzijds een sterke internationale oriëntatie laten zien.
Noorderzon vindt het belangrijk om de productiefunctie te versterken en de samenwerking met culturele instellingen te intensiveren. Noorderzon is van zomermanifestatie gegroeid naar het international performing arts festival dat de leiding voor ogen stond.
De komende periode wil Noorderzon doorgaan op de ingeslagen weg, maar met een adequatere
financiering. Het artistieke profiel blijft vrijwel ongewijzigd. Wel wil de organisatie een aantal accenten aanbrengen en nieuwe initiatieven verstevigen of ontwikkelen.
De kernactiviteit van het festival blijft programmeren, maar vanaf het seizoen 2008-2009 wil de organisatie ook de mogelijkheid hebben om te participeren als internationaal coproducent
of opdrachtenverstrekker voor nieuw werk. Samen met productiehuis Grand Theatre en het Noord Nederlands Toneel (NTT) wordt per 2009 het internationaal agentschap NAGANA opgezet waarin de expertise, netwerken en kennis van de drie participanten worden
gebundeld.
Noorderzon wil een podium vormen voor nieuw videowerk en de samenwerkingsverbanden op dit vlak versterken en (inter)nationaal uitbreiden. Nieuwe voornemens zijn er ook wat betreft een internationaal bezoekersprogramma met het oog op culturele uitwisseling, waarbij
ook het publiek en de lokale infrastructuur moet profiteren van de tijdelijk aanwezige expertise. Ten slotte wil Noorderzon de samenwerking met de Down Town-partners beter ondersteunen en de Down Town-programmering meer zichtbaar maken in de stad.
De begroting groeit van € 1.067.261 in 2006 naar € 1.572.419 in 2009.
Noorderzon ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het voormalige FPPM heeft vanaf 2003 de ontwikkeling van DownTown Noorderzon ondersteund. In de periode 2006-2008 ontving Noorderzon ondersteuning vanuit de Festivalregeling en vanuit de regeling Internationalisering van het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is van oordeel dat Noorderzon binnen de zomerfestivals een unieke plek inneemt. Het festival heeft een eigen profiel met een eigenzinnige programmering.
Volgens de commissie is de programmering van Noorderzon een belangrijke aanvulling op het reguliere aanbod. Over de relatie tussen programmering en publiek is goed nagedacht. Het festival bewijst keer op keer een groot, divers en jong publiek te kunnen trekken, zonder artistiek-inhoudelijke concessies te doen.
Noorderzon heeft in de afgelopen jaren een interessante internationale programmering gebracht. Het festival beschikt over een goed netwerk van internationale partners. Nieuw is het voornemen om met hen gezamenlijke coproducties tot stand te brengen. Dit internationaal
coproduceren is goed ingebed in de productiefunctie van de Groningse samenwerkingspartners
NNT en Grand Theatre. De commissie beoordeelt deze nieuwe activiteit positief, mede omdat ze goed aansluit bij het speerpunt internationalisering in de beleidsuitgangspunten
van het Fonds. Wel tekent zij hierbij aan dat de festivalorganisatie zelf niet ingericht is of zou moeten worden voor eigen producerende taken, die een geheel specifieke benadering en aanpak vergen.
Noorderzon is de afgelopen jaren weloverwogen en stap voor stap gegroeid. De festivalsfeer is goed, evenals de ambiance en de plaats in de stad. Noorderzon is goed ingebed in de noordelijke
infrastructuur. Laagdrempeligheid heeft zich bij Noorderzon niet vertaald in gemakkelijke
programmering, maar in alles om de kunst heen: prijsbeleid, aantrekkelijkheid van de omgeving, communicatie en de mate waarin mensen zich prettig voelen in de buurt waar de optredens plaatsvinden. Het DownTown-programma zorgt voor een duidelijke inbedding in de lokale structuur en heeft een interessante meerwaarde ten opzichte van het parkdeel.
Waar cultuureducatie geen separaat onderwerp in het beleidsplan is, biedt het plan wel een duidelijke visie op het bereiken van een jong publiek, met een toegespitste programmering die verder gaat dan wat jongeren al op tv kunnen zien of via internet kunnen vinden.
Kritischer is de commissie over de bedrijfsmatige kant van de aanvraag. Zij mist de kapitalisatie
van de groei. Waar de uitgaven stijgen met 50%, is de begroting heel voorzichtig aan de inkomstenkant. De stijging van de horeca-inkomsten is beperkt, de gemiddelde kaartopbrengst
daalt en de publieksinkomsten blijven achter. Ook is de commissie van mening dat het festival onnodig betaalt voor zaken waar goed strategische partners voor te vinden zijn. De commissie billijkt de wens om de organisatie steviger dan voorheen neer te zetten, maar vindt de wijze waarop bestaande functies ‘opgeplust’ worden fors, de uitbreiding van overhead
en personeel ruim en onvoldoende overtuigend onderbouwd. De commissie vindt de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag tegen die achtergrond niet gerechtvaardigd.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Noorderzon is positief vanwege de eigenzinnige programmering van het festival en de meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod. Het beleid van het festival ten aanzien van internationale programmering
sluit aan bij de uitgangspunten van het internationaal cultuurbeleid en bij de speerpunten
van het Fonds. Daarom adviseert de commissie Noorderzon op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Ter versterking van zijn structurele (internationale) activiteiten adviseert de commissie bovendien het huidige subsidiebedrag te verhogen. De door Noorderzon gevraagde verhoging,
een ruime verdrievoudiging van de rijkssubsidie, acht de commissie met het oog op de niet optimale bedrijfsvoering niet gerechtvaardigd. In het totaal van het geadviseerde subsidiebedrag
is rekening gehouden met de verschillende functies als marketing en internationaal
beleid, om de afhankelijkheid van specifieke regelingen te verminderen.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 301.541,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 301.541,- (per jaar)
Stichting November Music
November Music
Inleiding
Sinds de oprichting in 1993 werkt de stichting November Music aan de realisering van haar doelstelling: de verspreiding van eigentijdse muziek en het bevorderen van ontwikkelingen op dat terrein en het vergroten van de publieke belangstelling voor nieuwe composities en de uitvoering daarvan. Vooral, maar niet uitsluitend, met de organisatie van het jaarlijkse festival November Music – in 2007 vond de 15e editie plaats – geeft de stichting concreet invulling aan de taken die zij zichzelf heeft gesteld.
Volgens het beleidsplan manifesteert het festival November Music zich als grensoverschrijdend,
zowel met zijn artistieke inhoud als met de uitwisseling van en samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse ensembles, musici en componisten. Sinds 1998 heeft het festival
zich geconcentreerd in de steden ’s-Hertogenbosch en Gent. Om een duidelijke scheiding
in (financiële) verantwoordelijkheden te creëren, werden de Vlaamse activiteiten bij een aparte stichting, November Music Vlaanderen, ondergebracht. Tegelijkertijd werd in de Folkwang Hochschule in Essen een derde partner gevonden en sinds enkele jaren wordt in Nordrhein-Westfalen samengewerkt met de festivals Open-Systems en Klangzeit.
November Music steunt op verschillende pijlers: structurele samenwerking met verwante organisaties in Vlaanderen en Duitsland, de presentatie van uiteenlopende genres (hedendaags
gecomponeerd, geïmproviseerd, elektronisch, alternatieve pop) en het brengen van eigen, bij voorkeur multinationale producties die zo mogelijk in alle drie partnerlanden ten gehore worden gebracht. Door deze werkwijze heeft het festival zich binnen het Nederlandse
muziekleven onmiskenbaar een eigen plaats verworven, zo vermeldt het beleidsplan. Naast de presentatiefunctie is het zelf produceren steeds belangrijker geworden en zijn vooral ‘de bedenkers van de muziek van nu’ centraal komen te staan en is het festival expliciet
dienstbaar aan de componist. Door deze focus biedt November Music de pioniers op het terrein van de actuele muziek de faciliteiten om hun artistieke ideeën in concrete projecten om te zetten. In nauwe samenwerking met verschillende partners in binnen- en buitenland streeft November Music in aansluiting op de première op het festival naar een aantal vervolguitvoeringen.
De organisatie streeft ernaar om in de komende periode uit te groeien tot hét internationaal opererende actuele muziekfestival in Nederland. Hiertoe vraagt het festival
een ruimer bemeten eigen productiebudget aan.
De begroting stijgt van € 255.602 in 2006 naar € 567.500 in 2009.
November Music ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. in de afgelopen
jaren ontving November Music subsidies vanuit het voormalige FAPK en de Festivalregeling
van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie is van mening dat het festival November Music een duidelijke aanvulling vormt op het Nederlandse festivallandschap. Door het presenteren van verschillende genres en verrassende producties vervult het festival een belangrijke brugfunctie. De producties hebben een bijzondere betekenis voor het Nederlandse podiumkunstenbestel. Het festival toont de ontwikkeling van de vaak jonge componisten op een oorspronkelijke wijze door bij zijn programmering niet uit te gaan van een presenterende musicus of ensemble, maar door de componist zijn of haar ‘droom-compositie’ te laten verwezenlijken, vaak in combinatie met andere disciplines. De commissie constateert dat in de basisinfrastructuur een producerende
voorziening op dit vlak ontbreekt en ziet dit als een gemis in de basisinfrastructuur. De commissie staat derhalve positief tegenover het streven van November Music om een zelfproducerend festival te zijn.
De commissie is positief over de wijze waarop November Music landelijk aandacht voor het festival weet te genereren. November Music formuleert een heldere aanvraag met duidelijke artistieke doelstellingen. De artistieke aspiraties worden daarmee voor de commissie inzichtelijk,
al meent zij dat een verdere uitwerking van met name het proces van selectie van componisten meer uitgewerkt had kunnen worden. De specifieke artistieke signatuur van de producties van November Music blijft nu enigszins onbestemd.
De commissie is voorts positief over de verankering van November Music in de culturele infrastructuur van de zuidelijke regio en de samenwerkingsverbanden die de organisatie daar met onder meer podia, musea en festivals is aangegaan. Daarnaast constateert de commissie
eveneens dat November Music in staat is gebleken een relatief groot aantal internationale
samenwerkingsverbanden aan te gaan, die het mogelijk maken de producties op verschillende plaatsen te presenteren en die het belang van het festival voor internationale makers onderstrepen. De commissie meent dat dergelijke strategische samenwerkingsverbanden
ook in Nederland wenselijk zijn, niet alleen in de directe omgeving van de standplaats,
ook daarbuiten. Wel is het beleid dat November Music daarover formuleert, in de ogen van commissie te summier uitgewerkt.
Het cultureel ondernemerschap van de instelling behoeft in de plannen meer aandacht. De bij de aanvraag gepresenteerde Toelichting op de begroting bood de commissie te weinig houvast om er wat betreft het producerende gedeelte een gefundeerd oordeel over uit te spreken. Naar aanleiding van het beleidsplan is een uitgebreidere toelichting aan de instelling
gevraagd. De commissie vindt het te rechtvaardigen dat November Music een verhoging van de meerjarige subsidie vraagt, omdat het daardoor terecht ‘artistiek eigenaar’ wordt van de door hem samengestelde festivalproducties. Tot op heden kon November Music een belangrijk deel van die producties slechts realiseren door de uitvoerende ‘derden’ projectsubsidies
bij verschillende fondsen te laten aanvragen.
Deze veranderende situatie brengt in de ogen van de commissie met zich mee dat November Music zich had moeten herbezinnen op het beleid met betrekking tot het efficiënt op meer plaatsen presenteren van zijn producties. De afzet van de door het festival geproduceerde producties baart de commissie zorg, zowel wat betreft het aantal als de gevraagde uitkoopsommen,
die zij beneden peil vindt. De commissie is van mening dat de investeringskosten absoluut onvoldoende worden terugverdiend. November Music formuleert hierover geen helder beleid en maakt dit ook in de toelichting op de begroting te weinig inzichtelijk. Het grote aantal producties dat November Music nastreeft is daaraan in de ogen van de commissie
mede debet. Het beleidsplan geeft geen blijk van enige reflectie op de verhouding van het aantal producties ten opzichte van het publieksbereik en de publieksinkomsten. De eigen inkomsten komen krap boven de 15% uit, waarbij het verwerven van private middelen weliswaar begroot, maar in het plan weinig onderbouwd is. In dat kader merkt de commissie op dat deze reflectie des te meer gemist wordt, omdat ten aanzien van publieksontwikkeling en –bereik weliswaar een aantal zinnige middelen worden beschreven, maar een effectief beleid ontbreekt.
Conclusie en advies
Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat November Music met zijn artistieke profiel en verwachte kwaliteit een meerwaarde heeft ten opzichte van bestaande productiehuizen
en festivals in de basisinfrastructuur. Wel is ze van mening dat de functionele kwaliteit
van de organisatie op het punt van publieksbereik en marketing, afzet en bedrijfsvoering voor verbetering vatbaar is. De commissie adviseert November Music op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ter versterking van zijn structurele activiteiten op productioneel vlak het huidige subsidiebedrag te verhogen.
Sinds de oprichting in 1993 werkt de stichting November Music aan de realisering van haar doelstelling: de verspreiding van eigentijdse muziek en het bevorderen van ontwikkelingen op dat terrein en het vergroten van de publieke belangstelling voor nieuwe composities en de uitvoering daarvan. Vooral, maar niet uitsluitend, met de organisatie van het jaarlijkse festival November Music – in 2007 vond de 15e editie plaats – geeft de stichting concreet invulling aan de taken die zij zichzelf heeft gesteld.
Volgens het beleidsplan manifesteert het festival November Music zich als grensoverschrijdend,
zowel met zijn artistieke inhoud als met de uitwisseling van en samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse ensembles, musici en componisten. Sinds 1998 heeft het festival
zich geconcentreerd in de steden ’s-Hertogenbosch en Gent. Om een duidelijke scheiding
in (financiële) verantwoordelijkheden te creëren, werden de Vlaamse activiteiten bij een aparte stichting, November Music Vlaanderen, ondergebracht. Tegelijkertijd werd in de Folkwang Hochschule in Essen een derde partner gevonden en sinds enkele jaren wordt in Nordrhein-Westfalen samengewerkt met de festivals Open-Systems en Klangzeit.
November Music steunt op verschillende pijlers: structurele samenwerking met verwante organisaties in Vlaanderen en Duitsland, de presentatie van uiteenlopende genres (hedendaags
gecomponeerd, geïmproviseerd, elektronisch, alternatieve pop) en het brengen van eigen, bij voorkeur multinationale producties die zo mogelijk in alle drie partnerlanden ten gehore worden gebracht. Door deze werkwijze heeft het festival zich binnen het Nederlandse
muziekleven onmiskenbaar een eigen plaats verworven, zo vermeldt het beleidsplan. Naast de presentatiefunctie is het zelf produceren steeds belangrijker geworden en zijn vooral ‘de bedenkers van de muziek van nu’ centraal komen te staan en is het festival expliciet
dienstbaar aan de componist. Door deze focus biedt November Music de pioniers op het terrein van de actuele muziek de faciliteiten om hun artistieke ideeën in concrete projecten om te zetten. In nauwe samenwerking met verschillende partners in binnen- en buitenland streeft November Music in aansluiting op de première op het festival naar een aantal vervolguitvoeringen.
De organisatie streeft ernaar om in de komende periode uit te groeien tot hét internationaal opererende actuele muziekfestival in Nederland. Hiertoe vraagt het festival
een ruimer bemeten eigen productiebudget aan.
De begroting stijgt van € 255.602 in 2006 naar € 567.500 in 2009.
November Music ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. in de afgelopen
jaren ontving November Music subsidies vanuit het voormalige FAPK en de Festivalregeling
van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De commissie is van mening dat het festival November Music een duidelijke aanvulling vormt op het Nederlandse festivallandschap. Door het presenteren van verschillende genres en verrassende producties vervult het festival een belangrijke brugfunctie. De producties hebben een bijzondere betekenis voor het Nederlandse podiumkunstenbestel. Het festival toont de ontwikkeling van de vaak jonge componisten op een oorspronkelijke wijze door bij zijn programmering niet uit te gaan van een presenterende musicus of ensemble, maar door de componist zijn of haar ‘droom-compositie’ te laten verwezenlijken, vaak in combinatie met andere disciplines. De commissie constateert dat in de basisinfrastructuur een producerende
voorziening op dit vlak ontbreekt en ziet dit als een gemis in de basisinfrastructuur. De commissie staat derhalve positief tegenover het streven van November Music om een zelfproducerend festival te zijn.
De commissie is positief over de wijze waarop November Music landelijk aandacht voor het festival weet te genereren. November Music formuleert een heldere aanvraag met duidelijke artistieke doelstellingen. De artistieke aspiraties worden daarmee voor de commissie inzichtelijk,
al meent zij dat een verdere uitwerking van met name het proces van selectie van componisten meer uitgewerkt had kunnen worden. De specifieke artistieke signatuur van de producties van November Music blijft nu enigszins onbestemd.
De commissie is voorts positief over de verankering van November Music in de culturele infrastructuur van de zuidelijke regio en de samenwerkingsverbanden die de organisatie daar met onder meer podia, musea en festivals is aangegaan. Daarnaast constateert de commissie
eveneens dat November Music in staat is gebleken een relatief groot aantal internationale
samenwerkingsverbanden aan te gaan, die het mogelijk maken de producties op verschillende plaatsen te presenteren en die het belang van het festival voor internationale makers onderstrepen. De commissie meent dat dergelijke strategische samenwerkingsverbanden
ook in Nederland wenselijk zijn, niet alleen in de directe omgeving van de standplaats,
ook daarbuiten. Wel is het beleid dat November Music daarover formuleert, in de ogen van commissie te summier uitgewerkt.
Het cultureel ondernemerschap van de instelling behoeft in de plannen meer aandacht. De bij de aanvraag gepresenteerde Toelichting op de begroting bood de commissie te weinig houvast om er wat betreft het producerende gedeelte een gefundeerd oordeel over uit te spreken. Naar aanleiding van het beleidsplan is een uitgebreidere toelichting aan de instelling
gevraagd. De commissie vindt het te rechtvaardigen dat November Music een verhoging van de meerjarige subsidie vraagt, omdat het daardoor terecht ‘artistiek eigenaar’ wordt van de door hem samengestelde festivalproducties. Tot op heden kon November Music een belangrijk deel van die producties slechts realiseren door de uitvoerende ‘derden’ projectsubsidies
bij verschillende fondsen te laten aanvragen.
Deze veranderende situatie brengt in de ogen van de commissie met zich mee dat November Music zich had moeten herbezinnen op het beleid met betrekking tot het efficiënt op meer plaatsen presenteren van zijn producties. De afzet van de door het festival geproduceerde producties baart de commissie zorg, zowel wat betreft het aantal als de gevraagde uitkoopsommen,
die zij beneden peil vindt. De commissie is van mening dat de investeringskosten absoluut onvoldoende worden terugverdiend. November Music formuleert hierover geen helder beleid en maakt dit ook in de toelichting op de begroting te weinig inzichtelijk. Het grote aantal producties dat November Music nastreeft is daaraan in de ogen van de commissie
mede debet. Het beleidsplan geeft geen blijk van enige reflectie op de verhouding van het aantal producties ten opzichte van het publieksbereik en de publieksinkomsten. De eigen inkomsten komen krap boven de 15% uit, waarbij het verwerven van private middelen weliswaar begroot, maar in het plan weinig onderbouwd is. In dat kader merkt de commissie op dat deze reflectie des te meer gemist wordt, omdat ten aanzien van publieksontwikkeling en –bereik weliswaar een aantal zinnige middelen worden beschreven, maar een effectief beleid ontbreekt.
Conclusie en advies
Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat November Music met zijn artistieke profiel en verwachte kwaliteit een meerwaarde heeft ten opzichte van bestaande productiehuizen
en festivals in de basisinfrastructuur. Wel is ze van mening dat de functionele kwaliteit
van de organisatie op het punt van publieksbereik en marketing, afzet en bedrijfsvoering voor verbetering vatbaar is. De commissie adviseert November Music op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ter versterking van zijn structurele activiteiten op productioneel vlak het huidige subsidiebedrag te verhogen.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 200.202,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 200.202,- (per jaar)
Stichting Ons Theaterprodukties
Drieons
Inleiding
Drieons is het huisgezelschap van Theater De NWE Vorst in Tilburg en maakt sinds 1985 muziektheater in een kleinschalige omgeving. Volgens het beleidsplan ziet Drieons de kleine zaal nadrukkelijk niet als een opmaat naar de grote zaal. Men wil theater maken dat intiem, onderhoudend, uitdagend en confronterend is en dat mensen laat en leert denken. Spel, tekst, muziek, zang, dans, video en vormgeving vloeien volgens Drieons samen in een volledig
vanzelfsprekende vorm. Het gezelschap heeft de ambitie om daarbij elke discipline naar waarde in te zetten, wars van effectbejag, genreconventies, mode of goedkoop sentiment. De middelen om een verhaal te vertellen, worden per voorstelling opnieuw samengesteld. Daarbij worden regelmatig de grenzen van de klassieke dramaturgie overschreden. Tekst is voor de makers zeker niet de enige manier om het verhaal te vertellen, zo vermeldt het beleidsplan.
In de periode 2009-2012 gaat Drieons jaarlijks gemiddeld vier producties presenteren: twee nieuwe reisvoorstellingen en twee reprises van reisvoorstellingen of producties die plaatsgebonden
zijn, een festival- of locatieproductie. Per jaar streeft Drieons naar ten minste 90 speelbeurten en 9000 bezoekers.
Daarnaast wil Drieons een meer actieve rol spelen in het programmeren en coachen van jonge theatermakers, ingekaderd in het programma van het Makershuis in De NWE Vorst. Die toenemende rol als coach betekent meteen een uitbreiding van de bestaande relatie tussen
het gezelschap en de kunstvakopleidingen van Fontys in Tilburg, waar de vaste medewerkers
van Drieons ook als gastdocent een rol vervullen.
Drieons vraagt € 90.000 op jaarbasis aan. Het gezelschap wordt structureel ondersteund door de provincie Noord-Brabant.
Drieons heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Het gezelschap is de laatste jaren meermalen ondersteund door het voormalige
FAPK.
Beoordeling
Drieons is in staat om fantasievolle producties te maken en de kwaliteit van de voorstellingen
is goed. Een inventieve voorstelling als ‘Fiets’, gemaakt in samenwerking met wielrenner/
schrijver Peter Winnen, is zeer goed ontvangen en zorgde voor een nieuw publiek.
De commissie vindt dat het gezelschap een eigen signatuur heeft ontwikkeld en de ambities om aansprekend theater voor een breed publiek te ontwikkelen, waarmaakt. De keuze om muziektheater voor de kleine zaal of kleinschalige locaties te maken, is overtuigend. Ook vormen de producties waarbij de regio als inspiratiebron fungeert, als ’Marietje Kessels’ en ‘Klootloper’, een waardevolle aanvulling op het repertoire van Drieons en op het totale muziektheaterlandschap.
De plannen voor de komende periode zijn doordacht en geven de commissie in artistiek opzicht vertrouwen, al vindt zij het muzikale aspect summier uitgewerkt in de aanvraag. De gekozen thema’s zijn oorspronkelijk en actueel en liggen in de lijn van de artistieke ontwikkeling
van de makers. Zo gaat Peter Winnen opnieuw schrijven over de maakbare mens en blijft Drieons het ‘magazinetheater’ beoefenen, waarbij het gezelschap op basis van de actualiteit
de dialoog met het publiek aangaat.
De ketengedachte komt overtuigend naar voren in het beleidsplan van Drieons. Zo heeft het gezelschap in de loop der jaren een stevige band met een groot aantal theaters opgebouwd. Het gezelschap is daarmee ook goed geworteld in Zuid-Nederland en kent daarnaast met zijn voorstellingen eveneens een landelijk en klein internationaal bereik. Ook over de samenwerking met de Tilburgse kunstvakopleidingen van Fontys oordeelt de commissie positief. Drieons levert met zijn toenemende rol als coach een waardevolle bijdrage aan de talentontwikkeling van de studenten.
Ten slotte oogt de bedrijfsvoering van Drieons solide, waarbij de hoge bijdrage van de provincie
Noord-Brabant opvalt.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Drieons een wezenlijke bijdrage levert aan de diversiteit van het Nederlandse muziektheater, dat het gezelschap bijdraagt aan de spreiding van het aanbod met name in zuidelijk Nederland en dat Drieons bijdraagt aan talentontwikkeling. Het artistiek en zakelijk beleid van Drieons wekt vertrouwen en de commissie adviseert dan ook Drieons op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Drieons is het huisgezelschap van Theater De NWE Vorst in Tilburg en maakt sinds 1985 muziektheater in een kleinschalige omgeving. Volgens het beleidsplan ziet Drieons de kleine zaal nadrukkelijk niet als een opmaat naar de grote zaal. Men wil theater maken dat intiem, onderhoudend, uitdagend en confronterend is en dat mensen laat en leert denken. Spel, tekst, muziek, zang, dans, video en vormgeving vloeien volgens Drieons samen in een volledig
vanzelfsprekende vorm. Het gezelschap heeft de ambitie om daarbij elke discipline naar waarde in te zetten, wars van effectbejag, genreconventies, mode of goedkoop sentiment. De middelen om een verhaal te vertellen, worden per voorstelling opnieuw samengesteld. Daarbij worden regelmatig de grenzen van de klassieke dramaturgie overschreden. Tekst is voor de makers zeker niet de enige manier om het verhaal te vertellen, zo vermeldt het beleidsplan.
In de periode 2009-2012 gaat Drieons jaarlijks gemiddeld vier producties presenteren: twee nieuwe reisvoorstellingen en twee reprises van reisvoorstellingen of producties die plaatsgebonden
zijn, een festival- of locatieproductie. Per jaar streeft Drieons naar ten minste 90 speelbeurten en 9000 bezoekers.
Daarnaast wil Drieons een meer actieve rol spelen in het programmeren en coachen van jonge theatermakers, ingekaderd in het programma van het Makershuis in De NWE Vorst. Die toenemende rol als coach betekent meteen een uitbreiding van de bestaande relatie tussen
het gezelschap en de kunstvakopleidingen van Fontys in Tilburg, waar de vaste medewerkers
van Drieons ook als gastdocent een rol vervullen.
Drieons vraagt € 90.000 op jaarbasis aan. Het gezelschap wordt structureel ondersteund door de provincie Noord-Brabant.
Drieons heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. Het gezelschap is de laatste jaren meermalen ondersteund door het voormalige
FAPK.
Beoordeling
Drieons is in staat om fantasievolle producties te maken en de kwaliteit van de voorstellingen
is goed. Een inventieve voorstelling als ‘Fiets’, gemaakt in samenwerking met wielrenner/
schrijver Peter Winnen, is zeer goed ontvangen en zorgde voor een nieuw publiek.
De commissie vindt dat het gezelschap een eigen signatuur heeft ontwikkeld en de ambities om aansprekend theater voor een breed publiek te ontwikkelen, waarmaakt. De keuze om muziektheater voor de kleine zaal of kleinschalige locaties te maken, is overtuigend. Ook vormen de producties waarbij de regio als inspiratiebron fungeert, als ’Marietje Kessels’ en ‘Klootloper’, een waardevolle aanvulling op het repertoire van Drieons en op het totale muziektheaterlandschap.
De plannen voor de komende periode zijn doordacht en geven de commissie in artistiek opzicht vertrouwen, al vindt zij het muzikale aspect summier uitgewerkt in de aanvraag. De gekozen thema’s zijn oorspronkelijk en actueel en liggen in de lijn van de artistieke ontwikkeling
van de makers. Zo gaat Peter Winnen opnieuw schrijven over de maakbare mens en blijft Drieons het ‘magazinetheater’ beoefenen, waarbij het gezelschap op basis van de actualiteit
de dialoog met het publiek aangaat.
De ketengedachte komt overtuigend naar voren in het beleidsplan van Drieons. Zo heeft het gezelschap in de loop der jaren een stevige band met een groot aantal theaters opgebouwd. Het gezelschap is daarmee ook goed geworteld in Zuid-Nederland en kent daarnaast met zijn voorstellingen eveneens een landelijk en klein internationaal bereik. Ook over de samenwerking met de Tilburgse kunstvakopleidingen van Fontys oordeelt de commissie positief. Drieons levert met zijn toenemende rol als coach een waardevolle bijdrage aan de talentontwikkeling van de studenten.
Ten slotte oogt de bedrijfsvoering van Drieons solide, waarbij de hoge bijdrage van de provincie
Noord-Brabant opvalt.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Drieons een wezenlijke bijdrage levert aan de diversiteit van het Nederlandse muziektheater, dat het gezelschap bijdraagt aan de spreiding van het aanbod met name in zuidelijk Nederland en dat Drieons bijdraagt aan talentontwikkeling. Het artistiek en zakelijk beleid van Drieons wekt vertrouwen en de commissie adviseert dan ook Drieons op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 94.845,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 94.845,- (per jaar)
Stichting Opera Rotterdam
Opera Rotterdam
Inleiding
Het tiendaagse festival Operadagen Rotterdam vond in 2005 voor de eerste keer plaats. Sinds 2007 is Guy Coolen artistiek leider. Het doel is om opera en muziektheater te presenteren
als relevante kunstgenres voor de hedendaagse stad. Jaarlijks is er een gemeenschappelijk
thema. Operadagen Rotterdam is een samenwerkingsverband van de operaproducerende en –presenterende instellingen in Rotterdam: de Doelen, Jeugdtheater Hofplein, Luxor Theater, Opera-OT, Theater Lantaren-Venster, Rotterdams Philharmonisch Orkest, Rotterdamse Schouwburg , RO-theater en Rotterdam Festivals. Onderdeel van de afspraken is dat de partners naast de eigen productie, die tijdens het festival in première gaat, internationale programmering toevoegen. Dit om een nationaal en internationaal opera-
en muziektheaterpubliek naar Rotterdam te trekken. Het festival kent een aantal internationale
coproducties. Hiermee zouden de makers uit Rotterdam ook een ambassadeursfunctie krijgen en de internationale uitstraling van Rotterdam versterken.
De Operadagen Rotterdam zeggen in te tekenen op twee functies: presentatie en productie van opera en muziektheater. Het festival voelt zich bijvoorbeeld verwant met het Kunstenfestivaldesarts
in Brussel of de Ruhrtriënnale in het Ruhrgebied.
Het streven is om in de periode 2009-2012 het bezoekersaantal, de zaalcapaciteit en de publieksinkomsten te verdubbelen. Voor marketing, communicatie en promotie staat
€ 200.000 op de begroting. Het festival wil een evenement zijn voor oude en nieuwe bewoners
van de stad. Marketing en communicatie richten zich op alle bevolkingslagen en etnische
groepen in Rotterdam. Om de drempel te verlagen worden in verschillende wijken gemeenschapsprojecten ontwikkeld. Met amateurgezelschappen en semi-professionele groepen in de stad is een intensieve samenwerking. Huisconcerten op locatie zijn voorbeelden
van laagdrempelige programmering. Ook buiten Rotterdam wil men de naamsbekendheid
en uitstraling vergroten. Onderdeel van de marketingstrategie is een bescheiden internationaal publiciteitsoffensief. Doel is op termijn een plek tussen de internationale operafestivals te verwerven.
De begroting groeit van € 1.005.196 in 2006 naar € 2.165.000 in 2009.
De Operadagen Rotterdam hebben eerder als Opera Rotterdam in het kader van de Cultuurnota
2005–2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. In de afgelopen jaren ontving het festival subsidie vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De Operadagen Rotterdam zien kans door de bundeling van krachten van een aantal podia in Rotterdam, een interessant opera- en muziektheaterprogramma te presenteren dat door zijn concentratie een landelijke uitstraling heeft. Naast het tonen van opera en muziektheater
in al zijn facetten, waardeert de commissie de aandacht die de organisatie geeft aan de inbedding in de stad, de publiekswerving en de samenwerking met partners. Tegelijkertijd merkt de commissie op dat de pijlers van het festival voor een groot deel rusten op de reguliere
activiteiten van de meewerkende Rotterdamse instellingen en in die zin slechts een beperkte artistieke verrijking betekenen voor het bestaande culturele aanbod.
De commissie heeft op basis van het beleidsplan het vertrouwen dat artistiek leider Guy Coolen de komende jaren een festival met een duidelijke eigen signatuur kan neerzetten. Daarvoor is ook zijn internationale netwerk van belang, waardoor de Operadagen Rotterdam de beoogde internationale programmering kunnen realiseren. Deze internationale ambities van aanvrager vindt de commissie in het beleidsplan nog te summier uitgewerkt.
De commissie waardeert de aandacht voor het vergroten en vooral ook het verbreden van het publiek voor de genres opera en muziektheater. De genoemde voorbeelden om deze ambitie te realiseren via activiteiten, zoals de huiskameropera’s en de community-art producties,
spreken de commissie aan. Wel ligt naar de mening van de commissie de nadruk in het plan wel erg op dit aspect van het festival en wat minder op de thematiek van de opera’s en de motivatie voor de programmering.
Conclusie en advies
De commissie constateert dat de pijlers van de kwaliteit van de programmering van de
Operadagen Rotterdam voor een groot deel rust op de reguliere activiteiten van de mee-werkende Rotterdamse instellingen. Mede daardoor heeft het artistieke profiel beperkte meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod. De ambitie om middels bijzondere internationale programmering het festival sterker en duidelijker te positioneren waardeert de commissie, maar zij vindt deze plannen onvoldoende uitgewerkt. Op grond hiervan kent de commissie aan deze aanvraag een lage prioriteit toe. Indien het budget van het Fonds hiervoor de ruimte biedt, acht de commissie het wenselijk dat de Operadagen Rotterdam worden opgenomen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
Het tiendaagse festival Operadagen Rotterdam vond in 2005 voor de eerste keer plaats. Sinds 2007 is Guy Coolen artistiek leider. Het doel is om opera en muziektheater te presenteren
als relevante kunstgenres voor de hedendaagse stad. Jaarlijks is er een gemeenschappelijk
thema. Operadagen Rotterdam is een samenwerkingsverband van de operaproducerende en –presenterende instellingen in Rotterdam: de Doelen, Jeugdtheater Hofplein, Luxor Theater, Opera-OT, Theater Lantaren-Venster, Rotterdams Philharmonisch Orkest, Rotterdamse Schouwburg , RO-theater en Rotterdam Festivals. Onderdeel van de afspraken is dat de partners naast de eigen productie, die tijdens het festival in première gaat, internationale programmering toevoegen. Dit om een nationaal en internationaal opera-
en muziektheaterpubliek naar Rotterdam te trekken. Het festival kent een aantal internationale
coproducties. Hiermee zouden de makers uit Rotterdam ook een ambassadeursfunctie krijgen en de internationale uitstraling van Rotterdam versterken.
De Operadagen Rotterdam zeggen in te tekenen op twee functies: presentatie en productie van opera en muziektheater. Het festival voelt zich bijvoorbeeld verwant met het Kunstenfestivaldesarts
in Brussel of de Ruhrtriënnale in het Ruhrgebied.
Het streven is om in de periode 2009-2012 het bezoekersaantal, de zaalcapaciteit en de publieksinkomsten te verdubbelen. Voor marketing, communicatie en promotie staat
€ 200.000 op de begroting. Het festival wil een evenement zijn voor oude en nieuwe bewoners
van de stad. Marketing en communicatie richten zich op alle bevolkingslagen en etnische
groepen in Rotterdam. Om de drempel te verlagen worden in verschillende wijken gemeenschapsprojecten ontwikkeld. Met amateurgezelschappen en semi-professionele groepen in de stad is een intensieve samenwerking. Huisconcerten op locatie zijn voorbeelden
van laagdrempelige programmering. Ook buiten Rotterdam wil men de naamsbekendheid
en uitstraling vergroten. Onderdeel van de marketingstrategie is een bescheiden internationaal publiciteitsoffensief. Doel is op termijn een plek tussen de internationale operafestivals te verwerven.
De begroting groeit van € 1.005.196 in 2006 naar € 2.165.000 in 2009.
De Operadagen Rotterdam hebben eerder als Opera Rotterdam in het kader van de Cultuurnota
2005–2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. In de afgelopen jaren ontving het festival subsidie vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM.
Beoordeling
De Operadagen Rotterdam zien kans door de bundeling van krachten van een aantal podia in Rotterdam, een interessant opera- en muziektheaterprogramma te presenteren dat door zijn concentratie een landelijke uitstraling heeft. Naast het tonen van opera en muziektheater
in al zijn facetten, waardeert de commissie de aandacht die de organisatie geeft aan de inbedding in de stad, de publiekswerving en de samenwerking met partners. Tegelijkertijd merkt de commissie op dat de pijlers van het festival voor een groot deel rusten op de reguliere
activiteiten van de meewerkende Rotterdamse instellingen en in die zin slechts een beperkte artistieke verrijking betekenen voor het bestaande culturele aanbod.
De commissie heeft op basis van het beleidsplan het vertrouwen dat artistiek leider Guy Coolen de komende jaren een festival met een duidelijke eigen signatuur kan neerzetten. Daarvoor is ook zijn internationale netwerk van belang, waardoor de Operadagen Rotterdam de beoogde internationale programmering kunnen realiseren. Deze internationale ambities van aanvrager vindt de commissie in het beleidsplan nog te summier uitgewerkt.
De commissie waardeert de aandacht voor het vergroten en vooral ook het verbreden van het publiek voor de genres opera en muziektheater. De genoemde voorbeelden om deze ambitie te realiseren via activiteiten, zoals de huiskameropera’s en de community-art producties,
spreken de commissie aan. Wel ligt naar de mening van de commissie de nadruk in het plan wel erg op dit aspect van het festival en wat minder op de thematiek van de opera’s en de motivatie voor de programmering.
Conclusie en advies
De commissie constateert dat de pijlers van de kwaliteit van de programmering van de
Operadagen Rotterdam voor een groot deel rust op de reguliere activiteiten van de mee-werkende Rotterdamse instellingen. Mede daardoor heeft het artistieke profiel beperkte meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod. De ambitie om middels bijzondere internationale programmering het festival sterker en duidelijker te positioneren waardeert de commissie, maar zij vindt deze plannen onvoldoende uitgewerkt. Op grond hiervan kent de commissie aan deze aanvraag een lage prioriteit toe. Indien het budget van het Fonds hiervoor de ruimte biedt, acht de commissie het wenselijk dat de Operadagen Rotterdam worden opgenomen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 150.000,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 150.000,- (per jaar)
Stichting Orkater
Orkater
Inleiding
Orkater is een middelgroot muziektheatergezelschap, geformeerd rond een groep theatermakers
onder leiding van Marc van Warmerdam en Nicolien Luttels.
Het combineren van theater en muziek (nieuw geschreven en nieuw gecomponeerd) is de levensader van het gezelschap. Met grote en kleine, laagdrempelige en complexe producties trekt het een breed publiek van gemiddeld tegen de 60.000 bezoekers per jaar in schouwburgen,
op locatie, in vlakkevloertheaters en in festivaltenten, verspreid over het land. De elf vaste theatermakers zijn Ria Marks, Titus Tiel Groenestege, Alex van Warmerdam, Geert Lageveen, Leopold Witte, Gijs de Lange, Beppe Costa, Vincent van Warmerdam, Gijs Scholten
van Aschat, Porgy Franssen en Dirk Groeneveld. Zij zijn gegroepeerd in vijf artistieke kernen, die elk in een grote mate van collectiviteit hun voorstellingen ontwikkelen. De makers van Orkater vormen gezamenlijk de adviesraad.
De voorstellingen van schrijver/regisseur Alex van Warmerdam worden binnen Orkater geproduceerd maar uitgebracht onder de naam De Mexicaanse Hond.
Onder de noemer De Nieuwkomers maken sinds 2006 nieuwe muziektheatermakers (onder anderen Susies Haarlok en The Sadists) in het kielzog van Orkater hun eigen producties.
De producties hebben, hoezeer de makers onderling ook verschillen, naar eigen zeggen een herkenbare Orkatersignatuur. Orkater wil haar publieksactiviteiten uitbreiden en haar publiek met 20 tot 25% doen toenemen. Daarvoor heeft het gezelschap meer budget nodig.
Orkater is van zins om gemiddeld zes producties per jaar te maken en vraagt aan het Fonds
€ 1.687.992 per jaar aan.
Orkater onvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en wordt ten behoeve van De Nieuwkomers incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Het versterken van de muzikale component was een van de belangrijkste doelen die Orkater zich voor de periode 2005-2008 had gesteld. De commissie stelt vast dat die missie geslaagd is. Tot 2005 werd het gezelschap muzikaal gedragen door de componisten Beppe Costa en Vincent van Warmerdam. Het artistieke spectrum is inmiddels veelkleuriger, mede dankzij de samenwerking met gerenommeerde componisten en ook door de inbreng van de jonge talenten als Susies Haarlok en The Sadists. Deze jonge makers krijgen de ruimte om zich te ontwikkelen, zowel zelfstandig als ingebed in de bestaande structuur. Orkater laat daarmee zien dat zij een professionele organisatie vormt en boekt daarmee succes. De commissie vindt De Nieuwkomers een belangrijk initiatief dat in een behoefte voorziet. Van Orkater als geheel constateert zij dat het gezelschap complementair is ten opzichte van instellingen in de basisinfrastructuur en een eigen positie inneemt in het landelijk bestel.
De artistieke kwaliteit van de producties is goed. De commissie is echter wel van mening dat Orkater het aan haar stand verplicht is om zich te blijven ontwikkelen en de grenzen van het muziektheater, waar ze een grondlegger van is, te blijven verleggen. In het beleidsplan van Orkater ontbreekt een beschrijving van de eigen stijlkenmerken of artistieke thema’s.
De commissie ervaart dat als een gemis, omdat zij (zelf)reflectie als een essentieel instrument
beschouwt om artistieke verstarring te voorkomen.
Het lukt Orkater tot nu toe om een breed en groot publiek te bereiken en te binden. Orkater is inmiddels een sterk merk. Met name via het werk van de Nieuwkomers probeert het gezelschap het jongere publiek te bereiken. Orkater heeft dankzij onderzoek een goed en volledig beeld van haar publieksprofiel. De acties die de groep wil ondernemen om het publieksbereik substantieel te vergroten maken een doordachte indruk. De pragmatische manier waarop Orkater de ketengedachte implementeert in wat zij onderneemt, wekt vertrouwen.
De commissie is echter van mening dat het uitbrengen van nog meer producties in de huidige ‘marktsituatie’ niet de juiste benadering is. Ze adviseert om vooral te investeren in kwaliteit in plaats van kwantiteit en binnen het activiteitenplan heldere keuzes te maken.
De commissie geeft geen prioriteit aan het vergroten van de output.
Naar eigen zeggen kon Orkater om financiële redenen niet alle beleidsvoornemens 2005-2008 realiseren. Er konden geen vrije compositieopdrachten worden verstrekt, de gemiddelde
productietijd was beperkt en de muzikale onderbezetting per productie helaas vaker regel dan uitzondering. Internationaal werd er op bescheiden schaal en voornamelijk op uitnodiging
geopereerd. De commissie wil enige budgettaire ruimte scheppen om dit beleid de komende periode alsnog nader vorm te geven.
Conclusie en advies
De commissie beschouwt Orkater als een veelkantig en hoogstaand muziektheatergezelschap
dat complementair aan instellingen in de basisinfrastructuur voor interessant landelijk
aanbod zorgt. Zij wenst dat de groep zich artistiek blijft ontplooien, maar geeft geen prioriteit aan vergroting van de output. Wel acht zij een verhoging van het budget gerechtvaardigd
om het project De Nieuwkomers te kunnen continueren. De commissie adviseert om Orkater op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Orkater is een middelgroot muziektheatergezelschap, geformeerd rond een groep theatermakers
onder leiding van Marc van Warmerdam en Nicolien Luttels.
Het combineren van theater en muziek (nieuw geschreven en nieuw gecomponeerd) is de levensader van het gezelschap. Met grote en kleine, laagdrempelige en complexe producties trekt het een breed publiek van gemiddeld tegen de 60.000 bezoekers per jaar in schouwburgen,
op locatie, in vlakkevloertheaters en in festivaltenten, verspreid over het land. De elf vaste theatermakers zijn Ria Marks, Titus Tiel Groenestege, Alex van Warmerdam, Geert Lageveen, Leopold Witte, Gijs de Lange, Beppe Costa, Vincent van Warmerdam, Gijs Scholten
van Aschat, Porgy Franssen en Dirk Groeneveld. Zij zijn gegroepeerd in vijf artistieke kernen, die elk in een grote mate van collectiviteit hun voorstellingen ontwikkelen. De makers van Orkater vormen gezamenlijk de adviesraad.
De voorstellingen van schrijver/regisseur Alex van Warmerdam worden binnen Orkater geproduceerd maar uitgebracht onder de naam De Mexicaanse Hond.
Onder de noemer De Nieuwkomers maken sinds 2006 nieuwe muziektheatermakers (onder anderen Susies Haarlok en The Sadists) in het kielzog van Orkater hun eigen producties.
De producties hebben, hoezeer de makers onderling ook verschillen, naar eigen zeggen een herkenbare Orkatersignatuur. Orkater wil haar publieksactiviteiten uitbreiden en haar publiek met 20 tot 25% doen toenemen. Daarvoor heeft het gezelschap meer budget nodig.
Orkater is van zins om gemiddeld zes producties per jaar te maken en vraagt aan het Fonds
€ 1.687.992 per jaar aan.
Orkater onvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en wordt ten behoeve van De Nieuwkomers incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Het versterken van de muzikale component was een van de belangrijkste doelen die Orkater zich voor de periode 2005-2008 had gesteld. De commissie stelt vast dat die missie geslaagd is. Tot 2005 werd het gezelschap muzikaal gedragen door de componisten Beppe Costa en Vincent van Warmerdam. Het artistieke spectrum is inmiddels veelkleuriger, mede dankzij de samenwerking met gerenommeerde componisten en ook door de inbreng van de jonge talenten als Susies Haarlok en The Sadists. Deze jonge makers krijgen de ruimte om zich te ontwikkelen, zowel zelfstandig als ingebed in de bestaande structuur. Orkater laat daarmee zien dat zij een professionele organisatie vormt en boekt daarmee succes. De commissie vindt De Nieuwkomers een belangrijk initiatief dat in een behoefte voorziet. Van Orkater als geheel constateert zij dat het gezelschap complementair is ten opzichte van instellingen in de basisinfrastructuur en een eigen positie inneemt in het landelijk bestel.
De artistieke kwaliteit van de producties is goed. De commissie is echter wel van mening dat Orkater het aan haar stand verplicht is om zich te blijven ontwikkelen en de grenzen van het muziektheater, waar ze een grondlegger van is, te blijven verleggen. In het beleidsplan van Orkater ontbreekt een beschrijving van de eigen stijlkenmerken of artistieke thema’s.
De commissie ervaart dat als een gemis, omdat zij (zelf)reflectie als een essentieel instrument
beschouwt om artistieke verstarring te voorkomen.
Het lukt Orkater tot nu toe om een breed en groot publiek te bereiken en te binden. Orkater is inmiddels een sterk merk. Met name via het werk van de Nieuwkomers probeert het gezelschap het jongere publiek te bereiken. Orkater heeft dankzij onderzoek een goed en volledig beeld van haar publieksprofiel. De acties die de groep wil ondernemen om het publieksbereik substantieel te vergroten maken een doordachte indruk. De pragmatische manier waarop Orkater de ketengedachte implementeert in wat zij onderneemt, wekt vertrouwen.
De commissie is echter van mening dat het uitbrengen van nog meer producties in de huidige ‘marktsituatie’ niet de juiste benadering is. Ze adviseert om vooral te investeren in kwaliteit in plaats van kwantiteit en binnen het activiteitenplan heldere keuzes te maken.
De commissie geeft geen prioriteit aan het vergroten van de output.
Naar eigen zeggen kon Orkater om financiële redenen niet alle beleidsvoornemens 2005-2008 realiseren. Er konden geen vrije compositieopdrachten worden verstrekt, de gemiddelde
productietijd was beperkt en de muzikale onderbezetting per productie helaas vaker regel dan uitzondering. Internationaal werd er op bescheiden schaal en voornamelijk op uitnodiging
geopereerd. De commissie wil enige budgettaire ruimte scheppen om dit beleid de komende periode alsnog nader vorm te geven.
Conclusie en advies
De commissie beschouwt Orkater als een veelkantig en hoogstaand muziektheatergezelschap
dat complementair aan instellingen in de basisinfrastructuur voor interessant landelijk
aanbod zorgt. Zij wenst dat de groep zich artistiek blijft ontplooien, maar geeft geen prioriteit aan vergroting van de output. Wel acht zij een verhoging van het budget gerechtvaardigd
om het project De Nieuwkomers te kunnen continueren. De commissie adviseert om Orkater op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 1.547.369,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 1.547.369,- (per jaar)
Stichting Paul van Kemenade Quintet
Paul van Kemenade Quintet
Inleiding
Het Paul van Kemenade Quintet beschrijft in de aanvraag haar doelstelling als ‘het leggen van exploratieve artistieke grensoverschrijdende verbindingen vanuit het eigen dynamische muzikale idioom met uiteenlopende muziekstijlen, muziekculturen en muziekgeneraties’. Het Paul van Kemenade Quintet speelt grotendeels eigen werk, maar maakt ook gebruik van de inbreng van componisten en arrangeurs uit aangrenzende en contrasterende muzikale gebieden.
Het activiteitenplan beschrijft voor de periode 2009-2012 een reeks projecten met uiteenlopende
samenwerkingspartners, waaronder Cappella Pratensis, de rapgroep Yeleen uit Burkina
Faso en leden van het POW Ensemble. Zowel met Yeleen als met een gospelkoor uit Zuid Afrika wil het ensemble schoolconcerten geven in de komende periode. Een ander project
behelst de samenwerking van het kwintet met een nader te bepalen symfonieorkest, waarbij speciaal voor dit project gecomponeerde werken van Nederlandse componisten zullen
worden uitgevoerd. Op internationaal gebied wil het Paul van Kemenade Quintet, naast de focus op Afrika, meer initiatieven ontwikkelen met Europese musici en ensembles, in het bijzonder uit België, Duitsland, Scandinavië en Turkije.
Het Paul van Kemenade Quintet ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Paul van Kemenade wordt door de commissie gezien als een markante persoonlijkheid en als een musicus met een zeer eigen saxofoongeluid. De activiteiten die hij onderneemt, met of zonder zijn Quintet, hebben bovendien niet alleen een grote regionale betekenis voor het Brabantse muzieklandschap, zij vormen een bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse muziekaanbod. Aan de artistieke uitvoeringskwaliteiten van Paul van Kemenade wordt dan ook niet getwijfeld.
Uit de aanvraag maakt de commissie op dat de musicus streeft naar continuering van de huidige activiteiten, om op die manier de ingezette artistieke ontwikkeling te kunnen continueren.
De commissie tekent daarbij aan dat zij vooral op grond van de huidige positie van het Paul van Kemenade Quintet vertrouwen heeft in de toekomst, maar dat zij vindt dat de instelling ervoor moet waken een routineuze weg te bewandelen.
Het Paul van Kemenade Quintet formuleert de ambitie om op alle fronten fors te groeien. Hoewel het Quintet er tot nu toe altijd in is geslaagd zijn concerten te presenteren op veel verschillende podia in het hele land, wordt volgens de commissie de groeiambitie onvoldoende
vertaald in een stevig en effectief beleid. De commissie spreekt echter vooral haar zorg uit over de bedrijfsvoering. In de aanvraag wordt bijvoorbeeld niet aangegeven hoe het Paul van Kemenade Quintet het aandeel publieksinkomsten vanaf 2009 enorm denkt te kunnen
verhogen ten opzichte van 2006. De commissie vindt dit niet realistisch en getuigen van een zwak cultureel ondernemerschap.
Ten slotte merkt de commissie op dat zij te spreken is over de serie schoolconcerten die het Paul van Kemenade Quintet wil geven.
Conclusie en advies
De commissie is van mening het Paul van Kemenade Quintet een waardevolle positie inneemt binnen het Nederlandse podiumkunstenbestel vanwege de oorspronkelijke artistieke
signatuur. Het kwintet is daarmee tevens van betekenis voor de ontwikkeling van de jazz. De commissie voegt hieraan toe dat zij verwacht dat de instelling de komende periode met name haar bedrijfsvoering sterk zal verbeteren. De commissie adviseert het Paul van Kemenade Quintet op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Paul van Kemenade Quintet beschrijft in de aanvraag haar doelstelling als ‘het leggen van exploratieve artistieke grensoverschrijdende verbindingen vanuit het eigen dynamische muzikale idioom met uiteenlopende muziekstijlen, muziekculturen en muziekgeneraties’. Het Paul van Kemenade Quintet speelt grotendeels eigen werk, maar maakt ook gebruik van de inbreng van componisten en arrangeurs uit aangrenzende en contrasterende muzikale gebieden.
Het activiteitenplan beschrijft voor de periode 2009-2012 een reeks projecten met uiteenlopende
samenwerkingspartners, waaronder Cappella Pratensis, de rapgroep Yeleen uit Burkina
Faso en leden van het POW Ensemble. Zowel met Yeleen als met een gospelkoor uit Zuid Afrika wil het ensemble schoolconcerten geven in de komende periode. Een ander project
behelst de samenwerking van het kwintet met een nader te bepalen symfonieorkest, waarbij speciaal voor dit project gecomponeerde werken van Nederlandse componisten zullen
worden uitgevoerd. Op internationaal gebied wil het Paul van Kemenade Quintet, naast de focus op Afrika, meer initiatieven ontwikkelen met Europese musici en ensembles, in het bijzonder uit België, Duitsland, Scandinavië en Turkije.
Het Paul van Kemenade Quintet ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Paul van Kemenade wordt door de commissie gezien als een markante persoonlijkheid en als een musicus met een zeer eigen saxofoongeluid. De activiteiten die hij onderneemt, met of zonder zijn Quintet, hebben bovendien niet alleen een grote regionale betekenis voor het Brabantse muzieklandschap, zij vormen een bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse muziekaanbod. Aan de artistieke uitvoeringskwaliteiten van Paul van Kemenade wordt dan ook niet getwijfeld.
Uit de aanvraag maakt de commissie op dat de musicus streeft naar continuering van de huidige activiteiten, om op die manier de ingezette artistieke ontwikkeling te kunnen continueren.
De commissie tekent daarbij aan dat zij vooral op grond van de huidige positie van het Paul van Kemenade Quintet vertrouwen heeft in de toekomst, maar dat zij vindt dat de instelling ervoor moet waken een routineuze weg te bewandelen.
Het Paul van Kemenade Quintet formuleert de ambitie om op alle fronten fors te groeien. Hoewel het Quintet er tot nu toe altijd in is geslaagd zijn concerten te presenteren op veel verschillende podia in het hele land, wordt volgens de commissie de groeiambitie onvoldoende
vertaald in een stevig en effectief beleid. De commissie spreekt echter vooral haar zorg uit over de bedrijfsvoering. In de aanvraag wordt bijvoorbeeld niet aangegeven hoe het Paul van Kemenade Quintet het aandeel publieksinkomsten vanaf 2009 enorm denkt te kunnen
verhogen ten opzichte van 2006. De commissie vindt dit niet realistisch en getuigen van een zwak cultureel ondernemerschap.
Ten slotte merkt de commissie op dat zij te spreken is over de serie schoolconcerten die het Paul van Kemenade Quintet wil geven.
Conclusie en advies
De commissie is van mening het Paul van Kemenade Quintet een waardevolle positie inneemt binnen het Nederlandse podiumkunstenbestel vanwege de oorspronkelijke artistieke
signatuur. Het kwintet is daarmee tevens van betekenis voor de ontwikkeling van de jazz. De commissie voegt hieraan toe dat zij verwacht dat de instelling de komende periode met name haar bedrijfsvoering sterk zal verbeteren. De commissie adviseert het Paul van Kemenade Quintet op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 68.709,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 68.709,- (per jaar)
Stichting PeerGrouP
PeerGrouP
Inleiding
De PeerGrouP is een locatietheatergezelschap, opgericht in 2000 en gevestigd in Veenhuizen.
De artistieke kern bestaat uit Sjoerd Wagenaar (artistiek leider), Elles Kiers en Henry Alles. Vanaf 2009 gaat Floris van Delft als regisseur en sparringpartner deel uit maken van de artistieke kern.
De PeerGrouP voelt een diepe verbondenheid met het leven en werken op het platteland. Het gezelschap werkt graag in situ, vanuit wat de locatie te bieden heeft. Het werk van De PeerGrouP bevindt zich op het snijvlak van verschillende disciplines. Het gezelschap probeert
verbindingen te leggen met mensen uit de directe omgeving en past ideeën en methoden
uit de community art toe. In de voorstellingen spelen met regelmaat naast professionals ook amateurs mee. Het publiek wordt op een actieve manier betrokken bij de voorstellingen.
Het visuele aspect speelt in en om de voorstellingen heen een belangrijke rol. In de artistieke
kern is beeldende kunst sterk vertegenwoordigd. Bij het werk van kookkunstenares Elles Kiers speelt niet alleen de zintuiglijke ervaring een rol maar ook de sociale impact van het gezamenlijk eten.
De PeerGrouP is naar eigen zeggen in de huidige periode gegroeid. Inmiddels zijn er drie onderdelen met een eigen doel en werkwijze: de Mobiele Theaterwerkplaats PeerJonG en de Afleiding. In 2009 zal de Mobiele Werkplaats in Giethoorn geplaatst worden om op zoek te gaan naar het Giethoorn uit de film ‘Fanfare’ van Bert Haanstra. PeerJonG bestaat onder andere uit een jongerengroep (15-21 jaar) die een jaarprogramma draait en twee jongerenvoorstellingen
ontwikkelt en een educatieve dienst. De Afleiding vormt een kenniscentrum voor locatietheater en is bedoeld voor ervaren theatermakers die zich willen specialiseren op het gebied van locatietheater.
Onder de noemer research en development maakt de artistieke kern ruimte voor theatraal onderzoek. Jaarlijks wordt één project gedaan met een korte werkperiode en met aandacht voor experiment en het zoeken naar de grenzen van het theatrale. De PeerGrouP wil jaarlijks
acht producties/projecten maken. Jaarlijks wordt één grote voorstelling in coproductie gemaakt. Afspraken daaromtrent zijn al gemaakt met Firma Rieks Swarte en zijn in voorbereiding
met het Noord Nederlands Orkest. Verder gaat De PeerGrouP de komende jaren wellicht met het NNT en Tryater coproduceren. Samenwerking op kleinere regionale schaal vindt plaats onder de naam Station Noord. In 2009 organiseert het gezelschap Northern Stage
in Newcastle een festival met site specific theatre waar de PeerGrouP met het ‘Noabersproject’
optreedt. Met John Malpede van het Los Angeles Poverty Department (LAPD) bereidt de groep een project voor dat zich deels in de VS afspeelt en deels in Nederland.
De PeerGrouP vraagt extra subsidie voor uitbreiding van het artistieke team, aanstelling van een vaste productieleider en een vaste pr-medewerker en om de onderdelen ‘PeerJonG’ en ‘De Afleiding’ te continueren.
De PeerGrouP vraagt € 375.000 per jaar aan bij het NFPK+.
De PeerGrouP ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de aanvraag van de PeerGrouP. De locatieproducties met hun regionale thema’s leveren een belangrijke bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap. Ook binnen het locatietheater neemt de PeerGrouP een eigen plek in. De commissie verwacht dat de uitbreiding van het artistieke team met Floris van Delft en de plannen voor coproducties een artistieke meerwaarde opleveren. Het concept van De Mobiele Theaterwerkplaats, waarmee de groep tijdelijk neerstrijkt op een locatie, is simpel en effectief en past erg goed bij de inhoudelijke uitgangspunten van de groep. De commissie is van mening dat de betrokkenheid van de lokale bevolking er zeker door vergroot
kan worden en denkt dat de community art benadering van de PeerGrouP zo een extra dimensie krijgt. Volgens de commissie heeft de PeerGrouP een belangrijke functie in de regionale culturele infrastructuur. Bovendien levert de aanvrager een bijdrage aan een evenwichtigere geografische spreiding van standplaatsen van podiumkunstinstellingen over heel Nederland. De commissie geeft geen prioriteit aan het onderdeel talentontwikkeling bij ‘Peerjong’. Subsidiëring van talentontwikkeling, ook op het gebied van locatietheater, zal plaats vinden binnen de basisinfrastructuur.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling voldoende tot uiting komt in de aanvraag. De PeerGrouP vormt zelf de schakels in de keten door het werken op locatie. Het beleidsplan geeft tevens blijk van strategische
samenwerkingsverbanden. Zo worden jongerenvoorstellingen uitgezet via de netwerken
van Kunst en Cultuur Drenthe en CJP. Schoolvoorstellingen worden aangeboden via Frontaal Theaterbureau. De PeerGrouP gaat coproducties aan met gezelschappen die duidelijk
een eigen publiek hebben opgebouwd. De groep zorgt ervoor dat locatievoorstellingen worden aangeboden via schouwburgen, die vervolgens hun vaste publiek uitnodigen iets unieks buiten de schouwburg te zien. De PeerGrouP heeft daarover al gesprekken gevoerd met de Harmonie in Leeuwarden en in 2008 vinden gesprekken plaats met de Groningse Stadsschouwburg en Theater de Kolk in Assen.
De PeerGrouP deelt het financiële risico van de grote jaarlijkse coproductie met de coproducent,
die de groep bovendien in contact brengt met nieuw publiek. Ook door het werken op steeds andere locaties, bouwt het gezelschap op tal van plaatsen aan een bescheiden netwerk
van geïnteresseerden. Het educatieve aanbod en het maken van voorstellingen voor en door jongeren spelen eveneens een belangrijke rol bij het vergroten van bereik en het ontwikkelen
van nieuw jong publiek. De commissie vindt deze manier van werken en organiseren
getuigen van goed cultureel ondernemerschap. Zij tekent echter ook aan dat de groep, door de explosieve groei die men voor ogen heeft, een te zwaar beroep doet op subsidies. In dat opzicht moet De PeerGrouP meer werk maken van het ondernemerschap.
De commissie is van mening dat het voorgenomen ‘Noabersproject’ op het festival in Newcastle
in 2009 geen prioriteit heeft. Het is een eenmalige gebeurtenis die daarom niet onder de noemer internationalisering geschaard kan worden.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van De PeerGrouP is gezien de artistieke prestaties positief. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. Daarom adviseert zij De PeerGrouP op te nemen in de Regeling Vierjarige Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en het subsidiebedrag te verhogen ter versterking van haar structurele activiteiten. De commissie geeft geen prioriteit aan de internationale plannen
en de voornemens ten aanzien van talentontwikkeling.
De PeerGrouP is een locatietheatergezelschap, opgericht in 2000 en gevestigd in Veenhuizen.
De artistieke kern bestaat uit Sjoerd Wagenaar (artistiek leider), Elles Kiers en Henry Alles. Vanaf 2009 gaat Floris van Delft als regisseur en sparringpartner deel uit maken van de artistieke kern.
De PeerGrouP voelt een diepe verbondenheid met het leven en werken op het platteland. Het gezelschap werkt graag in situ, vanuit wat de locatie te bieden heeft. Het werk van De PeerGrouP bevindt zich op het snijvlak van verschillende disciplines. Het gezelschap probeert
verbindingen te leggen met mensen uit de directe omgeving en past ideeën en methoden
uit de community art toe. In de voorstellingen spelen met regelmaat naast professionals ook amateurs mee. Het publiek wordt op een actieve manier betrokken bij de voorstellingen.
Het visuele aspect speelt in en om de voorstellingen heen een belangrijke rol. In de artistieke
kern is beeldende kunst sterk vertegenwoordigd. Bij het werk van kookkunstenares Elles Kiers speelt niet alleen de zintuiglijke ervaring een rol maar ook de sociale impact van het gezamenlijk eten.
De PeerGrouP is naar eigen zeggen in de huidige periode gegroeid. Inmiddels zijn er drie onderdelen met een eigen doel en werkwijze: de Mobiele Theaterwerkplaats PeerJonG en de Afleiding. In 2009 zal de Mobiele Werkplaats in Giethoorn geplaatst worden om op zoek te gaan naar het Giethoorn uit de film ‘Fanfare’ van Bert Haanstra. PeerJonG bestaat onder andere uit een jongerengroep (15-21 jaar) die een jaarprogramma draait en twee jongerenvoorstellingen
ontwikkelt en een educatieve dienst. De Afleiding vormt een kenniscentrum voor locatietheater en is bedoeld voor ervaren theatermakers die zich willen specialiseren op het gebied van locatietheater.
Onder de noemer research en development maakt de artistieke kern ruimte voor theatraal onderzoek. Jaarlijks wordt één project gedaan met een korte werkperiode en met aandacht voor experiment en het zoeken naar de grenzen van het theatrale. De PeerGrouP wil jaarlijks
acht producties/projecten maken. Jaarlijks wordt één grote voorstelling in coproductie gemaakt. Afspraken daaromtrent zijn al gemaakt met Firma Rieks Swarte en zijn in voorbereiding
met het Noord Nederlands Orkest. Verder gaat De PeerGrouP de komende jaren wellicht met het NNT en Tryater coproduceren. Samenwerking op kleinere regionale schaal vindt plaats onder de naam Station Noord. In 2009 organiseert het gezelschap Northern Stage
in Newcastle een festival met site specific theatre waar de PeerGrouP met het ‘Noabersproject’
optreedt. Met John Malpede van het Los Angeles Poverty Department (LAPD) bereidt de groep een project voor dat zich deels in de VS afspeelt en deels in Nederland.
De PeerGrouP vraagt extra subsidie voor uitbreiding van het artistieke team, aanstelling van een vaste productieleider en een vaste pr-medewerker en om de onderdelen ‘PeerJonG’ en ‘De Afleiding’ te continueren.
De PeerGrouP vraagt € 375.000 per jaar aan bij het NFPK+.
De PeerGrouP ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de aanvraag van de PeerGrouP. De locatieproducties met hun regionale thema’s leveren een belangrijke bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap. Ook binnen het locatietheater neemt de PeerGrouP een eigen plek in. De commissie verwacht dat de uitbreiding van het artistieke team met Floris van Delft en de plannen voor coproducties een artistieke meerwaarde opleveren. Het concept van De Mobiele Theaterwerkplaats, waarmee de groep tijdelijk neerstrijkt op een locatie, is simpel en effectief en past erg goed bij de inhoudelijke uitgangspunten van de groep. De commissie is van mening dat de betrokkenheid van de lokale bevolking er zeker door vergroot
kan worden en denkt dat de community art benadering van de PeerGrouP zo een extra dimensie krijgt. Volgens de commissie heeft de PeerGrouP een belangrijke functie in de regionale culturele infrastructuur. Bovendien levert de aanvrager een bijdrage aan een evenwichtigere geografische spreiding van standplaatsen van podiumkunstinstellingen over heel Nederland. De commissie geeft geen prioriteit aan het onderdeel talentontwikkeling bij ‘Peerjong’. Subsidiëring van talentontwikkeling, ook op het gebied van locatietheater, zal plaats vinden binnen de basisinfrastructuur.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling voldoende tot uiting komt in de aanvraag. De PeerGrouP vormt zelf de schakels in de keten door het werken op locatie. Het beleidsplan geeft tevens blijk van strategische
samenwerkingsverbanden. Zo worden jongerenvoorstellingen uitgezet via de netwerken
van Kunst en Cultuur Drenthe en CJP. Schoolvoorstellingen worden aangeboden via Frontaal Theaterbureau. De PeerGrouP gaat coproducties aan met gezelschappen die duidelijk
een eigen publiek hebben opgebouwd. De groep zorgt ervoor dat locatievoorstellingen worden aangeboden via schouwburgen, die vervolgens hun vaste publiek uitnodigen iets unieks buiten de schouwburg te zien. De PeerGrouP heeft daarover al gesprekken gevoerd met de Harmonie in Leeuwarden en in 2008 vinden gesprekken plaats met de Groningse Stadsschouwburg en Theater de Kolk in Assen.
De PeerGrouP deelt het financiële risico van de grote jaarlijkse coproductie met de coproducent,
die de groep bovendien in contact brengt met nieuw publiek. Ook door het werken op steeds andere locaties, bouwt het gezelschap op tal van plaatsen aan een bescheiden netwerk
van geïnteresseerden. Het educatieve aanbod en het maken van voorstellingen voor en door jongeren spelen eveneens een belangrijke rol bij het vergroten van bereik en het ontwikkelen
van nieuw jong publiek. De commissie vindt deze manier van werken en organiseren
getuigen van goed cultureel ondernemerschap. Zij tekent echter ook aan dat de groep, door de explosieve groei die men voor ogen heeft, een te zwaar beroep doet op subsidies. In dat opzicht moet De PeerGrouP meer werk maken van het ondernemerschap.
De commissie is van mening dat het voorgenomen ‘Noabersproject’ op het festival in Newcastle
in 2009 geen prioriteit heeft. Het is een eenmalige gebeurtenis die daarom niet onder de noemer internationalisering geschaard kan worden.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van De PeerGrouP is gezien de artistieke prestaties positief. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. Daarom adviseert zij De PeerGrouP op te nemen in de Regeling Vierjarige Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en het subsidiebedrag te verhogen ter versterking van haar structurele activiteiten. De commissie geeft geen prioriteit aan de internationale plannen
en de voornemens ten aanzien van talentontwikkeling.
theater
Toegekend bedrag:
€ 313.964,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 313.964,- (per jaar)
Stichting Pels
Jakop Ahlbom
Inleiding
Stichting Pels is een productiekern rondom mimespeler Jakop Ahlbom. De stichting is gevestigd in Amsterdam. Sinds 2000 maakte Jakop Ahlbom vier voorstellingen. In het begin lag de nadruk op het fysieke en de dans, maar zijn stijl ontwikkelde zich naar een meer theatrale
en verhalende vorm. Jakop Ahlbom zoekt de samenwerking op met acteurs, dansers en mimers die bereid zijn alles uit te proberen, die met hun lichaam de fysieke grenzen durven
te tarten. De afgelopen jaren is veelvuldig met Reinier Schimmel, Silke Hundertmark, Peter Kádár en Kelly Hirina gewerkt. Daan Ament is vanaf het begin betrokken geweest als decorontwerper. Geluidsontwerper Wim Conradi is vanaf Vielfalt betrokken geweest en blijft dat de komende jaren. Tenslotte zal Jakop Ahlbom de samenwerking met (eind)regisseur/
dramaturg Jeroen van den Berg voortzetten.
In het plan voor 2009 – 2012 schrijft Jakob Ahlbom dat hij voorstellingen maakt over mensen die in gevecht zijn met zichzelf en de wereld om hen heen. In hun veelal verstoorde persoonlijkheid
laten zij uitvergroot zien wat in ieder mens verborgen zit. Jakop Ahlboms fascinatie
voor het onderbewuste richt zich vooral op de donkere kant ervan, hij overschrijdt de grenzen van die werkelijkheid, creëert de wereld van het onbewuste en dat geeft hem de gelegenheid een ander perspectief te laten zien. Zijn voorstellingen onderscheiden zich door een heldere verhaallijn, die inzoomen op de psychologie van de personages. Hij smeedt zijn stijl met elementen uit de mime, het toneel, de dans en het illusionisme.
Stichting Pels vraagt bij het NFPK+ € 400.118 per jaar aan om in de periode 2009-2012 minimaal
drie voorstellingen te maken, waarvan twee voor de middenzaal en een voor de grote zaal. Jakop Ahlbom richt zich daarbij voornamelijk op de regie. Daarnaast biedt de structurele
subsidie de mogelijkheid om voorstellingen te hernemen -ook internationaal.
Stichting Pels heeft geen subsidie aangevraagd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en is incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK. Pels ontvangt een meerjarige projectsubsidie
van het Fonds in de periode 2006-2008.
Beoordeling
Door een ‘eigen idioom’ is het werk van Jakop Ahlbom opvallend en onderscheidend. Jakop Ahlbom speelt in zijn voorstellingen nadrukkelijk met de (anti)logica van dromen en fantasieën
en zo ontstaan er hyperrealistische werelden, die theatertechnisch steeds knap gemonteerd en gemanipuleerd zijn. Een zekere voorspelbaarheid van het artistieke handschrift
kan optreden als de inhoudelijkheid -door teveel nadruk op de anekdotiek in de projecten-
zou vervlakken. Op basis van de beschrijvingen van de projecten en de collega’s met wie Jakop Ahlbom gaat samenwerken heeft de commissie vertrouwen in het plan. Persoonlijk
zet Jakop Ahlbom voorlopig nadrukkelijk in op de ontwikkeling van zijn regisseurs- en artistiek leiderschap, wat in het licht van de ambities om uit te groeien tot een internationaal opererend gezelschap een goede keuze is.
In het Nederlandse bestel zijn er, zoals de aanvrager aangeeft, geen grote mimegezelschappen
waarbij Jakop Ahlbom zich kan aansluiten. De aanvrager zet in het voorliggende plan voor de komende vier jaar heldere lijnen uit waarmee ze op den duur - na 2012 - kan uitgroeien
tot een middelgroot gezelschap. De plek die Jakob Ahlbom de afgelopen jaren heeft verworven, wil de aanvrager de komende periode versterken en hij zet daartoe ook de stap naar de grote zaal met een inhoudelijk interessant en aansprekend project.
Jakop Ahlbom heeft de meerjarige projectsubsidie van het voormalig FAPK goed gebruikt. De voorstelling ‘Vielfalt’ heeft voor een doorbraak gezorgd wat betreft naamsbekendheid en publieksbereik. Hoewel de aanvrager minder produceert dan vergelijkbare mimegroepen, is het publieksbereik door een langere speelperiode toch aanzienlijk, ook al omdat men direct reprises inplant en voorstellingen internationaal onder de aandacht weet te brengen. Dat getuigt van goed ondernemerschap. De wens van Jakop Ahlbom om groter gemonteerd te werken, sluit aan bij het bereiken van een groter publiek voor de mime, dat zich nu nog voornamelijk op de vlakke vloer concentreert. Bij de 70 geplande voorstellingen jaarlijks, worden ruim 10.000 bezoekers verwacht. Dat is behoorlijk ambitieus, maar met ‘Vielfalt’ is aangetoond dat dit mogelijk is. Verder getuigt het voornemen om voor de grotezaalvoorstelling
eerst een coproductie aan te gaan, in dit geval met het NNT, van realisme én cultureel ondernemerschap. De productiebudgetten en de eigen inkomsten vindt de commissie erg ruim begroot. De commissie is van mening dat het gevraagde budget voor drie producties in vier jaar, waarvan één in coproductie met het NNT, te ruim is en dat het toegekende bedrag de aanvrager in staat moet kunnen stellen om de omschreven ambities te kunnen realiseren.
Conclusie en advies
Jakop Ahlbom wordt door de commissie gezien als een belangwekkende maker. Hij maakt voorstellingen die zonder meer onderscheidend zijn en een aanzienlijk en aangroeiend publiek trekken. Jakop Ahlbom heeft als regisseur en artistiek leider de potentie om door te kunnen groeien naar een middelgroot mimegezelschap met een breed publieksbereik. De ambities om te internationaliseren zijn helder geponeerd en het werk leent zich daar uitstekend
voor. Het beleidsplan voor de komende jaren geeft vertrouwen in de haalbaarheid van die ontwikkelingen. De commissie adviseert om Pels op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012; het geadviseerde bedrag moet de aanvrager in staat kunnen stellen om de omschreven ambities te kunnen realiseren.
Stichting Pels is een productiekern rondom mimespeler Jakop Ahlbom. De stichting is gevestigd in Amsterdam. Sinds 2000 maakte Jakop Ahlbom vier voorstellingen. In het begin lag de nadruk op het fysieke en de dans, maar zijn stijl ontwikkelde zich naar een meer theatrale
en verhalende vorm. Jakop Ahlbom zoekt de samenwerking op met acteurs, dansers en mimers die bereid zijn alles uit te proberen, die met hun lichaam de fysieke grenzen durven
te tarten. De afgelopen jaren is veelvuldig met Reinier Schimmel, Silke Hundertmark, Peter Kádár en Kelly Hirina gewerkt. Daan Ament is vanaf het begin betrokken geweest als decorontwerper. Geluidsontwerper Wim Conradi is vanaf Vielfalt betrokken geweest en blijft dat de komende jaren. Tenslotte zal Jakop Ahlbom de samenwerking met (eind)regisseur/
dramaturg Jeroen van den Berg voortzetten.
In het plan voor 2009 – 2012 schrijft Jakob Ahlbom dat hij voorstellingen maakt over mensen die in gevecht zijn met zichzelf en de wereld om hen heen. In hun veelal verstoorde persoonlijkheid
laten zij uitvergroot zien wat in ieder mens verborgen zit. Jakop Ahlboms fascinatie
voor het onderbewuste richt zich vooral op de donkere kant ervan, hij overschrijdt de grenzen van die werkelijkheid, creëert de wereld van het onbewuste en dat geeft hem de gelegenheid een ander perspectief te laten zien. Zijn voorstellingen onderscheiden zich door een heldere verhaallijn, die inzoomen op de psychologie van de personages. Hij smeedt zijn stijl met elementen uit de mime, het toneel, de dans en het illusionisme.
Stichting Pels vraagt bij het NFPK+ € 400.118 per jaar aan om in de periode 2009-2012 minimaal
drie voorstellingen te maken, waarvan twee voor de middenzaal en een voor de grote zaal. Jakop Ahlbom richt zich daarbij voornamelijk op de regie. Daarnaast biedt de structurele
subsidie de mogelijkheid om voorstellingen te hernemen -ook internationaal.
Stichting Pels heeft geen subsidie aangevraagd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en is incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK. Pels ontvangt een meerjarige projectsubsidie
van het Fonds in de periode 2006-2008.
Beoordeling
Door een ‘eigen idioom’ is het werk van Jakop Ahlbom opvallend en onderscheidend. Jakop Ahlbom speelt in zijn voorstellingen nadrukkelijk met de (anti)logica van dromen en fantasieën
en zo ontstaan er hyperrealistische werelden, die theatertechnisch steeds knap gemonteerd en gemanipuleerd zijn. Een zekere voorspelbaarheid van het artistieke handschrift
kan optreden als de inhoudelijkheid -door teveel nadruk op de anekdotiek in de projecten-
zou vervlakken. Op basis van de beschrijvingen van de projecten en de collega’s met wie Jakop Ahlbom gaat samenwerken heeft de commissie vertrouwen in het plan. Persoonlijk
zet Jakop Ahlbom voorlopig nadrukkelijk in op de ontwikkeling van zijn regisseurs- en artistiek leiderschap, wat in het licht van de ambities om uit te groeien tot een internationaal opererend gezelschap een goede keuze is.
In het Nederlandse bestel zijn er, zoals de aanvrager aangeeft, geen grote mimegezelschappen
waarbij Jakop Ahlbom zich kan aansluiten. De aanvrager zet in het voorliggende plan voor de komende vier jaar heldere lijnen uit waarmee ze op den duur - na 2012 - kan uitgroeien
tot een middelgroot gezelschap. De plek die Jakob Ahlbom de afgelopen jaren heeft verworven, wil de aanvrager de komende periode versterken en hij zet daartoe ook de stap naar de grote zaal met een inhoudelijk interessant en aansprekend project.
Jakop Ahlbom heeft de meerjarige projectsubsidie van het voormalig FAPK goed gebruikt. De voorstelling ‘Vielfalt’ heeft voor een doorbraak gezorgd wat betreft naamsbekendheid en publieksbereik. Hoewel de aanvrager minder produceert dan vergelijkbare mimegroepen, is het publieksbereik door een langere speelperiode toch aanzienlijk, ook al omdat men direct reprises inplant en voorstellingen internationaal onder de aandacht weet te brengen. Dat getuigt van goed ondernemerschap. De wens van Jakop Ahlbom om groter gemonteerd te werken, sluit aan bij het bereiken van een groter publiek voor de mime, dat zich nu nog voornamelijk op de vlakke vloer concentreert. Bij de 70 geplande voorstellingen jaarlijks, worden ruim 10.000 bezoekers verwacht. Dat is behoorlijk ambitieus, maar met ‘Vielfalt’ is aangetoond dat dit mogelijk is. Verder getuigt het voornemen om voor de grotezaalvoorstelling
eerst een coproductie aan te gaan, in dit geval met het NNT, van realisme én cultureel ondernemerschap. De productiebudgetten en de eigen inkomsten vindt de commissie erg ruim begroot. De commissie is van mening dat het gevraagde budget voor drie producties in vier jaar, waarvan één in coproductie met het NNT, te ruim is en dat het toegekende bedrag de aanvrager in staat moet kunnen stellen om de omschreven ambities te kunnen realiseren.
Conclusie en advies
Jakop Ahlbom wordt door de commissie gezien als een belangwekkende maker. Hij maakt voorstellingen die zonder meer onderscheidend zijn en een aanzienlijk en aangroeiend publiek trekken. Jakop Ahlbom heeft als regisseur en artistiek leider de potentie om door te kunnen groeien naar een middelgroot mimegezelschap met een breed publieksbereik. De ambities om te internationaliseren zijn helder geponeerd en het werk leent zich daar uitstekend
voor. Het beleidsplan voor de komende jaren geeft vertrouwen in de haalbaarheid van die ontwikkelingen. De commissie adviseert om Pels op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012; het geadviseerde bedrag moet de aanvrager in staat kunnen stellen om de omschreven ambities te kunnen realiseren.
theater
Toegekend bedrag:
€ 313.510,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 313.510,- (per jaar)
Stichting PIPS :Lab
PIPS:lab
Inleiding
Het multimedia collectief PIPS:lab is opgericht in 1999 met als doel door interdisciplinair samenwerken te komen tot nieuwe kunstvormen. De resultaten zijn veelvormig te noemen. PIPS:lab maakt volgens het beleidsplan theatershows, bouwt installaties en wordt veel gevraagd als visuele performers voor events en clubavonden. Het onderzoek naar nieuwe interactieve applicaties voor live audio & video en de toepassing daarvan binnen theater en installaties vindt doorlopend plaats. Met de computer als mengpaneel en muziek, theater, film, tekst en humor als ingrediënten biedt een project van PIPS:lab ruimte aan het onverwachte.
Het werk van PIPS:lab is naar eigen zeggen geschikt voor uiteenlopende locaties zoals het nachtleven, poppodia, theaters en musea. PIPS:lab heeft soft- en hardware ontwikkeld om bijvoorbeeld met vijftig parallel geschakelde camera’s 3D-lichtsculpturen te maken of om licht als kwast te gebruiken. Doordat alle performers inclusief de technici op het podium staan, is er geen sprake van ‘acteren’, maar eerder van ‘zijn’. Het publiek ziet naast het personage
ook de persoon. De toeschouwer kan ook opeens gebruikt worden door PIPS:lab en is dan zelf een personage geworden. PIPS:lab werkt weliswaar met computers en andere technische tools, maar is niet bang voor een ‘crash’, zo vermeldt het beleidsplan.
PIPS:lab meldt dat de ontwikkelde stijl aanslaat bij het publiek en relevant is voor deze tijd. Door deze eigen stijl en de naamsbekendheid verworven in de Amsterdamse undergroundscene
heeft het collectief zich de laatste jaren gepositioneerd bij diverse uiteenlopende
festivals en podia, ook in het buitenland. In 2005 is PIPS:lab een coproductie-overeenkomst aangegaan met Paradiso Melkweg Productiehuis.
Voor de periode 2009-2012 staan in het beleidsplan onder andere de volgende projecten geformuleerd: drie interactieve muziektheatrale performances voor muziekfestivals en theaters;
een cursus tv kijken; vier interactieve installaties; educatieve workshops en lezingen; een periodiek event op een Amsterdamse locatie in de vorm van een laboratoriumavond; een jaarlijks terugkerend PIPS:lab-festival in Paradiso en toeren in binnen- en buitenland met oude en nieuwe producties.
PIPS:lab vraagt op jaarbasis € 211.765.
PIPS:lab heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. De voorstelling ‘Diespace’ werd in 2005 door het voormalige FAPK gesubsidieerd.
Beoordeling
PIPS:lab maakte met de oorspronkelijke voorstellingen als ’Wortal Combat’, ‘The Washing Powder Conspiracy’ en ‘Diespace’ furore op festivals als Oerol en De Parade. Ook in het buitenland
heeft het gezelschap zich de afgelopen jaren succesvol gepresenteerd. De commissie
vindt het van belang dat een gezelschap in Nederland werkt aan de ontwikkeling van nieuwe media binnen de podiumkunsten en zij is blij verrast door de aanvraag van PIPS:lab. Zij vindt de plannen hedendaags, verfrissend en dermate vertrouwenwekkend dat structurele
subsidie hier gerechtvaardigd is.
PIPS:lab heeft zijn sporen in het clubcircuit verdiend en wil nu een pioniersrol vervullen met grensoverschrijdende performances.
Het gezelschap werkt samen met belangwekkende partners als de theatergroepen Wunderbaum,
Warme Winkel en Opium voor het Volk en de bands Zuco 103, Voicst en Pete Philly & Perquisite.
De commissie waardeert het dat de voornaamste samenwerkingspartner het publiek is, dat altijd een rol speelt in het werk van PIPS:lab.
De educatieve activiteiten zijn goed uitgewerkt en inventief, zoals blijkt uit een workshop naar aanleiding van ‘Diespace’ georganiseerd voor bejaarden in het Dr. Sarphatihuis in Amsterdam.
Qua publieksbereik scoort PIPS:lab vooral met zijn installaties goed en de bedrijfsvoering is solide. Er wordt geld verdiend met de verhuur en verkoop van installaties, het verzorgen van openingen, acts en vj-performances.
De samenwerking met Paradiso Melkweg Productiehuis heeft kennelijk goed gewerkt. De commissie juicht het toe dat PIPS:lab binnenkort zelf productie, verkoop en acquisitie ter hand kan nemen en zelfstandig kan opereren. Zij verwacht dat het gezelschap met de structurele
subsidie in staat is te werken aan verdere spreiding van de projecten ook buiten de Randstad en beveelt aan dat PIPS:lab de vernieuwing van de website tot prioriteit maakt en daarmee niet wacht tot 2011, zoals aangegeven in het beleidsplan.
Conclusie en advies
PIPS:lab vervult een pioniersrol in de podiumkunsten en het gezelschap weet interessante samenwerkingspartners aan zich te binden. De commissie adviseert op grond van de overtuigende
en oorspronkelijke plannen PIPS:lab op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het multimedia collectief PIPS:lab is opgericht in 1999 met als doel door interdisciplinair samenwerken te komen tot nieuwe kunstvormen. De resultaten zijn veelvormig te noemen. PIPS:lab maakt volgens het beleidsplan theatershows, bouwt installaties en wordt veel gevraagd als visuele performers voor events en clubavonden. Het onderzoek naar nieuwe interactieve applicaties voor live audio & video en de toepassing daarvan binnen theater en installaties vindt doorlopend plaats. Met de computer als mengpaneel en muziek, theater, film, tekst en humor als ingrediënten biedt een project van PIPS:lab ruimte aan het onverwachte.
Het werk van PIPS:lab is naar eigen zeggen geschikt voor uiteenlopende locaties zoals het nachtleven, poppodia, theaters en musea. PIPS:lab heeft soft- en hardware ontwikkeld om bijvoorbeeld met vijftig parallel geschakelde camera’s 3D-lichtsculpturen te maken of om licht als kwast te gebruiken. Doordat alle performers inclusief de technici op het podium staan, is er geen sprake van ‘acteren’, maar eerder van ‘zijn’. Het publiek ziet naast het personage
ook de persoon. De toeschouwer kan ook opeens gebruikt worden door PIPS:lab en is dan zelf een personage geworden. PIPS:lab werkt weliswaar met computers en andere technische tools, maar is niet bang voor een ‘crash’, zo vermeldt het beleidsplan.
PIPS:lab meldt dat de ontwikkelde stijl aanslaat bij het publiek en relevant is voor deze tijd. Door deze eigen stijl en de naamsbekendheid verworven in de Amsterdamse undergroundscene
heeft het collectief zich de laatste jaren gepositioneerd bij diverse uiteenlopende
festivals en podia, ook in het buitenland. In 2005 is PIPS:lab een coproductie-overeenkomst aangegaan met Paradiso Melkweg Productiehuis.
Voor de periode 2009-2012 staan in het beleidsplan onder andere de volgende projecten geformuleerd: drie interactieve muziektheatrale performances voor muziekfestivals en theaters;
een cursus tv kijken; vier interactieve installaties; educatieve workshops en lezingen; een periodiek event op een Amsterdamse locatie in de vorm van een laboratoriumavond; een jaarlijks terugkerend PIPS:lab-festival in Paradiso en toeren in binnen- en buitenland met oude en nieuwe producties.
PIPS:lab vraagt op jaarbasis € 211.765.
PIPS:lab heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. De voorstelling ‘Diespace’ werd in 2005 door het voormalige FAPK gesubsidieerd.
Beoordeling
PIPS:lab maakte met de oorspronkelijke voorstellingen als ’Wortal Combat’, ‘The Washing Powder Conspiracy’ en ‘Diespace’ furore op festivals als Oerol en De Parade. Ook in het buitenland
heeft het gezelschap zich de afgelopen jaren succesvol gepresenteerd. De commissie
vindt het van belang dat een gezelschap in Nederland werkt aan de ontwikkeling van nieuwe media binnen de podiumkunsten en zij is blij verrast door de aanvraag van PIPS:lab. Zij vindt de plannen hedendaags, verfrissend en dermate vertrouwenwekkend dat structurele
subsidie hier gerechtvaardigd is.
PIPS:lab heeft zijn sporen in het clubcircuit verdiend en wil nu een pioniersrol vervullen met grensoverschrijdende performances.
Het gezelschap werkt samen met belangwekkende partners als de theatergroepen Wunderbaum,
Warme Winkel en Opium voor het Volk en de bands Zuco 103, Voicst en Pete Philly & Perquisite.
De commissie waardeert het dat de voornaamste samenwerkingspartner het publiek is, dat altijd een rol speelt in het werk van PIPS:lab.
De educatieve activiteiten zijn goed uitgewerkt en inventief, zoals blijkt uit een workshop naar aanleiding van ‘Diespace’ georganiseerd voor bejaarden in het Dr. Sarphatihuis in Amsterdam.
Qua publieksbereik scoort PIPS:lab vooral met zijn installaties goed en de bedrijfsvoering is solide. Er wordt geld verdiend met de verhuur en verkoop van installaties, het verzorgen van openingen, acts en vj-performances.
De samenwerking met Paradiso Melkweg Productiehuis heeft kennelijk goed gewerkt. De commissie juicht het toe dat PIPS:lab binnenkort zelf productie, verkoop en acquisitie ter hand kan nemen en zelfstandig kan opereren. Zij verwacht dat het gezelschap met de structurele
subsidie in staat is te werken aan verdere spreiding van de projecten ook buiten de Randstad en beveelt aan dat PIPS:lab de vernieuwing van de website tot prioriteit maakt en daarmee niet wacht tot 2011, zoals aangegeven in het beleidsplan.
Conclusie en advies
PIPS:lab vervult een pioniersrol in de podiumkunsten en het gezelschap weet interessante samenwerkingspartners aan zich te binden. De commissie adviseert op grond van de overtuigende
en oorspronkelijke plannen PIPS:lab op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 183.572,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 183.572,- (per jaar)
Stichting Plotloos Drama
Nieuw West
Inleiding
Nieuw West is het Amsterdamse gezelschap van acteur, mimespeler en theatermaker Marien Jongewaard. Rob de Graaf schrijft doorgaans de teksten. Nieuw West maakt producties voor de vlakkevloerzalen en op locatie. De producties zijn volgens het beleidsplan ‘onderzoekend, vaak rauw en provocerend. Het is zeer lichamelijk en tegelijk speelt de taal, als voertuig van de verbeelding, een grote rol’. Nieuw West maakt naast de eigen stukken ook coproducties met andere makers. De Vlaamse regisseur Joachim Robberecht zal de komende jaren in een aantal producties met Marien Jongewaard samenwerken. Jetse Batelaan heeft de wens uitgesproken
om voor één of meer van de producties van het RO-Theater nauw met Marien Jongewaard
te willen samenwerken. Er is een plan voor een voorstelling met Truus Bronkhorst. Verder blijft Nieuw West samenwerken met schrijver Rob de Graaf en met acteurs zoals Cas Enklaar, Servaes Nelissen en Marja Kok. Muziek speelt een even belangrijke rol in de producties
van Nieuw West als spel, tekst of toneelbeeld. De samenwerking met componist Huba de Graaff wordt in de komende periode voortgezet. Nieuw West is ook in gesprek met de Veenfabriek.
Een ander samenwerkingsverband is dat met De Warme Winkel. De makers en acteurs van dit collectief worden bij een aantal initiatieven van Nieuw West betrokken.
Nieuw West maakt jaarlijks één tot twee producties.
Voor de periode 2009-2012 heeft de groep € 206.827 per jaar aangevraagd bij het Fonds.
Nieuw West ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Nieuw West heeft de afgelopen jaren incidenteel subsidie ontvangen van het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Nieuw West. De groep heeft zijn kwaliteit bewezen en levert een belangrijke bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse theaterlandschap; de commissie vindt dat de voorstellingen van hoge kwaliteit en zeggingskracht getuigen. Ze zijn onverminderd indringend en dragen het authentieke stempel van Marien Jongewaard. De commissie vindt de combinatie van Jongewaard met auteur Rob de Graaf nog steeds belangwekkend en in ontwikkeling.
Het voorliggende beleidsplan is geschreven vanuit de onverminderde kracht van Marien Jongewaard en geeft het beeld van continuering van staand beleid in de komende jaren.
De plannen maken op de commissie een geïnspireerde indruk. De voorgenomen samenwerkingen
zijn interessant en wekken vertrouwen. De verbreding richting jongere in mime geïnteresseerde regisseurs (Robberecht en Batelaan) draagt bij aan wederzijdse kennisoverdracht
en borgt de mime voor de toekomst.
Het beleidsplan besteedt de nodige aandacht aan de keten van scheppen, produceren, programmeren
en publieksontwikkeling. De commissie constateert dat de voorstellingen weliswaar
bij een vast circuit van theaters worden afgezet, maar dat van een structurele groei geen sprake is. Het gemiddelde publieksbereik per voorstelling is marginaal. De inspanningen
van Nieuw West om het publieksbereik te vergroten hebben in de afgelopen jaren nauwelijks
effect gesorteerd. De instelling wijt deze stagnatie mede aan het niet honoreren van de subsidieverhoging in de periode 2005-2008, waardoor voornemens op dit terrein niet konden worden gerealiseerd. De commissie vindt het eerder een kwestie van prioriteiten stellen en spreekt haar zorg uit over deze marginalisering van Nieuw West. Of de in het plan geschetste afzetvergroting voor 2009-2012 met de daarbij behorende verhoging van het publieksbereik zal worden gerealiseerd, acht zij niet vanzelfsprekend. Nieuw West dient daarom sterk in te zetten op activiteiten die beogen de eigen inkomsten, het publieksbereik en de afzet structureel te verhogen.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Nieuw West is gezien haar artistieke prestaties positief. De voornemens in het beleidsplan ogen geïnspireerd. De commissie
vindt Marien Jongewaard en Rob de Graaf een onverminderd belangwekkende combinatie.
Ook in de voorgenomen samenwerkingen met andere makers ziet de commissie potentie. Daarom adviseert de commissie Nieuw West op te nemen in de Vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie benadrukt dat de subsidieverhoging voor een aanzienlijk deel dient te worden aangewend voor initiatieven die de marginalisering
van de groep moeten tegengaan: verhoging van de afzet, publieksbereik en eigen inkomsten.
Nieuw West is het Amsterdamse gezelschap van acteur, mimespeler en theatermaker Marien Jongewaard. Rob de Graaf schrijft doorgaans de teksten. Nieuw West maakt producties voor de vlakkevloerzalen en op locatie. De producties zijn volgens het beleidsplan ‘onderzoekend, vaak rauw en provocerend. Het is zeer lichamelijk en tegelijk speelt de taal, als voertuig van de verbeelding, een grote rol’. Nieuw West maakt naast de eigen stukken ook coproducties met andere makers. De Vlaamse regisseur Joachim Robberecht zal de komende jaren in een aantal producties met Marien Jongewaard samenwerken. Jetse Batelaan heeft de wens uitgesproken
om voor één of meer van de producties van het RO-Theater nauw met Marien Jongewaard
te willen samenwerken. Er is een plan voor een voorstelling met Truus Bronkhorst. Verder blijft Nieuw West samenwerken met schrijver Rob de Graaf en met acteurs zoals Cas Enklaar, Servaes Nelissen en Marja Kok. Muziek speelt een even belangrijke rol in de producties
van Nieuw West als spel, tekst of toneelbeeld. De samenwerking met componist Huba de Graaff wordt in de komende periode voortgezet. Nieuw West is ook in gesprek met de Veenfabriek.
Een ander samenwerkingsverband is dat met De Warme Winkel. De makers en acteurs van dit collectief worden bij een aantal initiatieven van Nieuw West betrokken.
Nieuw West maakt jaarlijks één tot twee producties.
Voor de periode 2009-2012 heeft de groep € 206.827 per jaar aangevraagd bij het Fonds.
Nieuw West ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Nieuw West heeft de afgelopen jaren incidenteel subsidie ontvangen van het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Nieuw West. De groep heeft zijn kwaliteit bewezen en levert een belangrijke bijdrage aan de diversiteit van het Nederlandse theaterlandschap; de commissie vindt dat de voorstellingen van hoge kwaliteit en zeggingskracht getuigen. Ze zijn onverminderd indringend en dragen het authentieke stempel van Marien Jongewaard. De commissie vindt de combinatie van Jongewaard met auteur Rob de Graaf nog steeds belangwekkend en in ontwikkeling.
Het voorliggende beleidsplan is geschreven vanuit de onverminderde kracht van Marien Jongewaard en geeft het beeld van continuering van staand beleid in de komende jaren.
De plannen maken op de commissie een geïnspireerde indruk. De voorgenomen samenwerkingen
zijn interessant en wekken vertrouwen. De verbreding richting jongere in mime geïnteresseerde regisseurs (Robberecht en Batelaan) draagt bij aan wederzijdse kennisoverdracht
en borgt de mime voor de toekomst.
Het beleidsplan besteedt de nodige aandacht aan de keten van scheppen, produceren, programmeren
en publieksontwikkeling. De commissie constateert dat de voorstellingen weliswaar
bij een vast circuit van theaters worden afgezet, maar dat van een structurele groei geen sprake is. Het gemiddelde publieksbereik per voorstelling is marginaal. De inspanningen
van Nieuw West om het publieksbereik te vergroten hebben in de afgelopen jaren nauwelijks
effect gesorteerd. De instelling wijt deze stagnatie mede aan het niet honoreren van de subsidieverhoging in de periode 2005-2008, waardoor voornemens op dit terrein niet konden worden gerealiseerd. De commissie vindt het eerder een kwestie van prioriteiten stellen en spreekt haar zorg uit over deze marginalisering van Nieuw West. Of de in het plan geschetste afzetvergroting voor 2009-2012 met de daarbij behorende verhoging van het publieksbereik zal worden gerealiseerd, acht zij niet vanzelfsprekend. Nieuw West dient daarom sterk in te zetten op activiteiten die beogen de eigen inkomsten, het publieksbereik en de afzet structureel te verhogen.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Nieuw West is gezien haar artistieke prestaties positief. De voornemens in het beleidsplan ogen geïnspireerd. De commissie
vindt Marien Jongewaard en Rob de Graaf een onverminderd belangwekkende combinatie.
Ook in de voorgenomen samenwerkingen met andere makers ziet de commissie potentie. Daarom adviseert de commissie Nieuw West op te nemen in de Vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie benadrukt dat de subsidieverhoging voor een aanzienlijk deel dient te worden aangewend voor initiatieven die de marginalisering
van de groep moeten tegengaan: verhoging van de afzet, publieksbereik en eigen inkomsten.
theater
Toegekend bedrag:
€ 215.044,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 215.044,- (per jaar)
Stichting Poppentheater Kollektief
Theater Terra
Inleiding
Theater Terra is dertig jaar geleden door Theo Terra opgericht als het Poppentheater Kollektief,
waar de verbeelding het moest winnen van het woord. De verbeelding deelt inmiddels de macht met muziek, liedjes en het woord. De voorstellingen van Theater Terra zijn vaak gebaseerd op bekende kinderboeken. Theater Terra speelt, na het succes van ‘Kikker’ in 2004, vooral in de grote zalen en trekt zeer veel publiek. Zij ziet het als haar missie om het poppenspel voortdurend te blijven ontwikkelen en verfijnen. Daarom wil het gezelschap de komende jaren meer tijd en geld vrijmaken voor experiment en om jonge acteurs het poppenspel
te leren. In haar activiteitenplan stelt zij ook de continuïteit te willen waarborgen door voor een groot publiek toegankelijke, maar visueel en inhoudelijk hoogstaande voorstellingen
te (blijven) produceren, in Nederland én in het buitenland. In de komende jaren continueert zij daarom de activiteiten in de grote zaal; ‘langdurende tournees die de basis verbreden en verdiepen en aldus een voedingsbodem creëren voor nieuwe artistieke ontwikkelingen’.
De jaarlijks te produceren grotezaalvoorstellingen krijgen tevens een reprise in het seizoen erop. De eerstvolgende grotezaalvoorstelling is ‘Kikker en zijn Vriendjes’.
Om op structurele basis aan ontwikkeling te kunnen blijven werken, heeft Theater Terra het voornemen jaarlijks ook nog twee kleinezaalvoorstellingen te maken. De kleine zaal maakt het mogelijk om op kleine schaal en tegen lagere uitkoopsommen uitvoering te geven aan oefeningen en experimenten met nieuwe technieken, nieuwe decors, poppen en ideeën.
Ook wil Theater Terra een ‘popleiding’ starten in samenwerking met het Albeda College in Dordrecht.
Een internationale tournee betekent meer en langer spelen, waardoor Theater Terra meer mensen langer aan zich kan binden, zodat die mensen de technieken van het poppenspel en de beeldtaal van Theater Terra beter leren en verfijnen, aldus de aanvraag. Om de volgende stap te zetten wil Theater Terra zich meten met de internationale top. Zo wil zij op tournee in Duitsland en Frankrijk, maar ook China en Pakistan behoren tot de reisdoelen. Theater Terra
heeft daartoe de wil en de artistieke en zakelijke mogelijkheden, maar geeft aan nog wel financiële middelen nodig te hebben om dergelijke ambities waar te kunnen maken.
De planning voorziet erin om geregeld een voor de internationale markt nieuwe grotezaalvoorstelling
op tournee te laten gaan in het buitenland.
Theater Terra vraagt € 600.000 subsidie per jaar aan het Fonds.
Theater Terra ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Theater Terra heeft volgens de commissie in de afgelopen dertig jaar vaste voet aan de grond gekregen in het jeugdtheaterbestel. Het gezelschap heeft het poppentheater zowel inhoudelijk als qua vorm gemoderniseerd, uitgediept en naar een hoger niveau getild. In de afgelopen jaren heeft het gezelschap laten zien succesvolle voorstellingen op basis van bekende jeugdliteratuur voor de grote zaal te kunnen maken en daarmee een zeer groot en breed publiek aan te spreken. De commissie plaatst een kanttekening bij de oorspronkelijkheid
en dramatische kwaliteit van de geldende benadering. De voorstellingen hebben daarbij
vaak een dunne verhaallijn en beperkte gelaagdheid. Over het algemeen beschouwt de commissie de kwaliteit van het werk echter als voldoende. Theater Terra heeft zich sinds de succesvoorstelling ‘Kikker’ duidelijk doen gelden en kan klaarblijkelijk concurreren met vrije producenten.
Theater Terra wil zich blijven toeleggen op verdere artistieke ontwikkeling, experiment en kennisoverdracht. De commissie geeft aan de activiteiten die Theater Terra daartoe wil ontplooien
geen prioriteit. Zij is er niet van overtuigd dat de beoogde impulsen niet ook binnen de reguliere activiteiten opgezocht kunnen worden.
Het plan voor een interne opleiding staat te veel ten dienste van de eigen cast en producties van Theater Terra. Bovendien biedt de basisinfrastructuur plaats aan een productiehuis voor poppen- en objecttheater, waar ook de talentontwikkeling een plaats heeft. De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling
uitstekend tot uiting komt in het werk en de aanvraag van Theater Terra; in haar producties
houdt zij rekening met mogelijke afzet en zij onderhoudt strategische samenwerkingsverbanden met passende podia.
Theater Terra is te zien geweest in theaters en op festivals in het buitenland, waaronder de Verenigde Staten, Canada, Frankrijk en Duitsland. De commissie vindt dit positief en staat achter het voornemen van Theater Terra om zich nadrukkelijker in het buitenland te profileren.
De organisatie kan grootschalige tournees aan en de voorstellingen zijn prima geschikt voor de internationale podia. De focus op nabijgelegen landen als Duitsland en Frankrijk vindt de commissie goed. Wel stelt de commissie vast dat voor de (uitbreiding van de) internationale activiteiten de aangevraagde subsidie aanzienlijk hoger is dan de inkomsten
die er tegenover staan. Gezien de resultaten in de afgelopen jaren, vindt de commissie dat Theater Terra op dit punt meer cultureel ondernemerschap moet tonen.
De commissie wil derhalve slechts een deel van de internationale inspanningen van Theater Terra ondersteunen.
Theater Terra bereikt jaarlijks een groot jeugdig publiek. Gezien dit grote bereik zou de commissie het wenselijk vinden als Theater Terra meer aandacht zou besteden in haar meerjarenplan en publieksbenadering aan het bereiken van cultureel divers publiek.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Theater Terra in de afgelopen dertig jaar een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het poppentheater voor de jeugd. Zowel wat betreft inhoud als vorm heeft Theater Terra het genre vernieuwd en het tevens toegankelijk gemaakt voor een groot en breed publiek. Theater Terra heeft daardoor een duidelijk herkenbare
plek verworven in het jeugdtheaterbestel.
De commissie geeft geen prioriteit aan een aantal nieuwe beleidslijnen zoals onderzoek, talentontwikkeling en experiment maar wil wel een bescheiden impuls geven aan de intensivering
van het internationale beleid.
De commissie adviseert om Theater Terra op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Theater Terra is dertig jaar geleden door Theo Terra opgericht als het Poppentheater Kollektief,
waar de verbeelding het moest winnen van het woord. De verbeelding deelt inmiddels de macht met muziek, liedjes en het woord. De voorstellingen van Theater Terra zijn vaak gebaseerd op bekende kinderboeken. Theater Terra speelt, na het succes van ‘Kikker’ in 2004, vooral in de grote zalen en trekt zeer veel publiek. Zij ziet het als haar missie om het poppenspel voortdurend te blijven ontwikkelen en verfijnen. Daarom wil het gezelschap de komende jaren meer tijd en geld vrijmaken voor experiment en om jonge acteurs het poppenspel
te leren. In haar activiteitenplan stelt zij ook de continuïteit te willen waarborgen door voor een groot publiek toegankelijke, maar visueel en inhoudelijk hoogstaande voorstellingen
te (blijven) produceren, in Nederland én in het buitenland. In de komende jaren continueert zij daarom de activiteiten in de grote zaal; ‘langdurende tournees die de basis verbreden en verdiepen en aldus een voedingsbodem creëren voor nieuwe artistieke ontwikkelingen’.
De jaarlijks te produceren grotezaalvoorstellingen krijgen tevens een reprise in het seizoen erop. De eerstvolgende grotezaalvoorstelling is ‘Kikker en zijn Vriendjes’.
Om op structurele basis aan ontwikkeling te kunnen blijven werken, heeft Theater Terra het voornemen jaarlijks ook nog twee kleinezaalvoorstellingen te maken. De kleine zaal maakt het mogelijk om op kleine schaal en tegen lagere uitkoopsommen uitvoering te geven aan oefeningen en experimenten met nieuwe technieken, nieuwe decors, poppen en ideeën.
Ook wil Theater Terra een ‘popleiding’ starten in samenwerking met het Albeda College in Dordrecht.
Een internationale tournee betekent meer en langer spelen, waardoor Theater Terra meer mensen langer aan zich kan binden, zodat die mensen de technieken van het poppenspel en de beeldtaal van Theater Terra beter leren en verfijnen, aldus de aanvraag. Om de volgende stap te zetten wil Theater Terra zich meten met de internationale top. Zo wil zij op tournee in Duitsland en Frankrijk, maar ook China en Pakistan behoren tot de reisdoelen. Theater Terra
heeft daartoe de wil en de artistieke en zakelijke mogelijkheden, maar geeft aan nog wel financiële middelen nodig te hebben om dergelijke ambities waar te kunnen maken.
De planning voorziet erin om geregeld een voor de internationale markt nieuwe grotezaalvoorstelling
op tournee te laten gaan in het buitenland.
Theater Terra vraagt € 600.000 subsidie per jaar aan het Fonds.
Theater Terra ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Theater Terra heeft volgens de commissie in de afgelopen dertig jaar vaste voet aan de grond gekregen in het jeugdtheaterbestel. Het gezelschap heeft het poppentheater zowel inhoudelijk als qua vorm gemoderniseerd, uitgediept en naar een hoger niveau getild. In de afgelopen jaren heeft het gezelschap laten zien succesvolle voorstellingen op basis van bekende jeugdliteratuur voor de grote zaal te kunnen maken en daarmee een zeer groot en breed publiek aan te spreken. De commissie plaatst een kanttekening bij de oorspronkelijkheid
en dramatische kwaliteit van de geldende benadering. De voorstellingen hebben daarbij
vaak een dunne verhaallijn en beperkte gelaagdheid. Over het algemeen beschouwt de commissie de kwaliteit van het werk echter als voldoende. Theater Terra heeft zich sinds de succesvoorstelling ‘Kikker’ duidelijk doen gelden en kan klaarblijkelijk concurreren met vrije producenten.
Theater Terra wil zich blijven toeleggen op verdere artistieke ontwikkeling, experiment en kennisoverdracht. De commissie geeft aan de activiteiten die Theater Terra daartoe wil ontplooien
geen prioriteit. Zij is er niet van overtuigd dat de beoogde impulsen niet ook binnen de reguliere activiteiten opgezocht kunnen worden.
Het plan voor een interne opleiding staat te veel ten dienste van de eigen cast en producties van Theater Terra. Bovendien biedt de basisinfrastructuur plaats aan een productiehuis voor poppen- en objecttheater, waar ook de talentontwikkeling een plaats heeft. De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling
uitstekend tot uiting komt in het werk en de aanvraag van Theater Terra; in haar producties
houdt zij rekening met mogelijke afzet en zij onderhoudt strategische samenwerkingsverbanden met passende podia.
Theater Terra is te zien geweest in theaters en op festivals in het buitenland, waaronder de Verenigde Staten, Canada, Frankrijk en Duitsland. De commissie vindt dit positief en staat achter het voornemen van Theater Terra om zich nadrukkelijker in het buitenland te profileren.
De organisatie kan grootschalige tournees aan en de voorstellingen zijn prima geschikt voor de internationale podia. De focus op nabijgelegen landen als Duitsland en Frankrijk vindt de commissie goed. Wel stelt de commissie vast dat voor de (uitbreiding van de) internationale activiteiten de aangevraagde subsidie aanzienlijk hoger is dan de inkomsten
die er tegenover staan. Gezien de resultaten in de afgelopen jaren, vindt de commissie dat Theater Terra op dit punt meer cultureel ondernemerschap moet tonen.
De commissie wil derhalve slechts een deel van de internationale inspanningen van Theater Terra ondersteunen.
Theater Terra bereikt jaarlijks een groot jeugdig publiek. Gezien dit grote bereik zou de commissie het wenselijk vinden als Theater Terra meer aandacht zou besteden in haar meerjarenplan en publieksbenadering aan het bereiken van cultureel divers publiek.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat Theater Terra in de afgelopen dertig jaar een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het poppentheater voor de jeugd. Zowel wat betreft inhoud als vorm heeft Theater Terra het genre vernieuwd en het tevens toegankelijk gemaakt voor een groot en breed publiek. Theater Terra heeft daardoor een duidelijk herkenbare
plek verworven in het jeugdtheaterbestel.
De commissie geeft geen prioriteit aan een aantal nieuwe beleidslijnen zoals onderzoek, talentontwikkeling en experiment maar wil wel een bescheiden impuls geven aan de intensivering
van het internationale beleid.
De commissie adviseert om Theater Terra op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 260.309,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 260.309,- (per jaar)
Stichting Pro Moods
Pro Moods (Tarhana)
Inleiding
Stichting Pro Moods organiseert sinds haar oprichting in 1991 niet-westerse muziekprojecten.
Stichting Pro Moods is van mening dat wereldmuziek een van de belangrijkste genreoverstijgende
en vernieuwende krachten binnen de huidige muziek en danswereld is en een van de snelst groeiende markten ter wereld. Stichting Pro Moods stelt zich ten doel met haar activiteiten het in Nederland aanwezige (multi)cultureel vermogen zichtbaar te maken.
De aanvraag van Stichting Pro Moods richt zich op Tarhana, het ensemble van de Afro-Anatolische
percussionist Sjahin During. Tarhana combineert elementen uit de Anatolische muziekcultuur met hedendaagse vormen van jazz, pop en geïmproviseerde muziek. Het resultaat wordt omschreven als een mix van Balkan- en Noord-Afrikaanse ritmes, waarin ook zigeuner- en sufi-muziek niet ontbreken en zowel etnische als moderne instrumenten worden gebruikt. Het ensemble heeft een internationale kern van zes musici en werkt regelmatig
met gastmusici van over de hele wereld.
Sinds oktober 2007 werkt Tarhana samen met een nieuw managementbureau, 3S Music Productions.
De aanvraag laat een lijst van mogelijke samenwerkingverbanden zien. Om een betrouwbare partner te kunnen zijn in afspraken en een langetermijnplanning mogelijk te maken, wenst het ensemble over meer financiële slagkracht te beschikken.
Stichting Pro Moods heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd namens Nomad Music Association, maar deze is niet toegekend. Het ensemble Tarhana, waarop deze aanvraag van Stichting Pro Moods zich richt, is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Het ensemble Tarhana beschikt over een aanstekelijke uitvoeringskwaliteit en het heeft volgens
de commissie onderscheidende artistieke uitgangspunten. Zij kwalificeert ensembleleider
Sjahin During als een goed musicus die bovendien in staat is het ensemble zijn oorspronkelijke signatuur te geven. De commissie acht het ensemble in staat, vooral door zijn bijzondere programmering, een wezenlijke bijdrage te leveren aan de diversiteit van het muziekaanbod in Nederland. De aanvraag verdient nog nadere uitwerking. Tarhana geeft aan het artistieke beleid een herkenbare richting, maar zou de projecten duidelijker kunnen beschrijven, zodat de voorgestelde ontwikkeling op de langere termijn voor de commissie zichtbaar wordt.
Het stemt de commissie positief dat ensemble Tarhana met een onlangs aangetreden managementbureau haar professionalisering stevig ter hand neemt. De commissie is van mening dat ensemble Tarhana meerjarige subsidie vooral moet aanwenden om een onderscheidende
positie op de Nederlandse podia te bewerkstelligen.
Conclusie en advies
De commissie vindt de artistieke uitgangspunten van Tarhana en de uitvoeringskwaliteit van zowel het ensemble als van de artistiek leider Sjahin During een belangrijke bijdrage leveren aan de diversiteit van het muziekaanbod in Nederland. De commissie beschouwt de bijdrage als stimulans voor het ensemble om haar positie te verstevigen. Op grond hiervan adviseert de commissie Stichting Pro Moods op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009–2012.
Stichting Pro Moods organiseert sinds haar oprichting in 1991 niet-westerse muziekprojecten.
Stichting Pro Moods is van mening dat wereldmuziek een van de belangrijkste genreoverstijgende
en vernieuwende krachten binnen de huidige muziek en danswereld is en een van de snelst groeiende markten ter wereld. Stichting Pro Moods stelt zich ten doel met haar activiteiten het in Nederland aanwezige (multi)cultureel vermogen zichtbaar te maken.
De aanvraag van Stichting Pro Moods richt zich op Tarhana, het ensemble van de Afro-Anatolische
percussionist Sjahin During. Tarhana combineert elementen uit de Anatolische muziekcultuur met hedendaagse vormen van jazz, pop en geïmproviseerde muziek. Het resultaat wordt omschreven als een mix van Balkan- en Noord-Afrikaanse ritmes, waarin ook zigeuner- en sufi-muziek niet ontbreken en zowel etnische als moderne instrumenten worden gebruikt. Het ensemble heeft een internationale kern van zes musici en werkt regelmatig
met gastmusici van over de hele wereld.
Sinds oktober 2007 werkt Tarhana samen met een nieuw managementbureau, 3S Music Productions.
De aanvraag laat een lijst van mogelijke samenwerkingverbanden zien. Om een betrouwbare partner te kunnen zijn in afspraken en een langetermijnplanning mogelijk te maken, wenst het ensemble over meer financiële slagkracht te beschikken.
Stichting Pro Moods heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd namens Nomad Music Association, maar deze is niet toegekend. Het ensemble Tarhana, waarop deze aanvraag van Stichting Pro Moods zich richt, is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
Het ensemble Tarhana beschikt over een aanstekelijke uitvoeringskwaliteit en het heeft volgens
de commissie onderscheidende artistieke uitgangspunten. Zij kwalificeert ensembleleider
Sjahin During als een goed musicus die bovendien in staat is het ensemble zijn oorspronkelijke signatuur te geven. De commissie acht het ensemble in staat, vooral door zijn bijzondere programmering, een wezenlijke bijdrage te leveren aan de diversiteit van het muziekaanbod in Nederland. De aanvraag verdient nog nadere uitwerking. Tarhana geeft aan het artistieke beleid een herkenbare richting, maar zou de projecten duidelijker kunnen beschrijven, zodat de voorgestelde ontwikkeling op de langere termijn voor de commissie zichtbaar wordt.
Het stemt de commissie positief dat ensemble Tarhana met een onlangs aangetreden managementbureau haar professionalisering stevig ter hand neemt. De commissie is van mening dat ensemble Tarhana meerjarige subsidie vooral moet aanwenden om een onderscheidende
positie op de Nederlandse podia te bewerkstelligen.
Conclusie en advies
De commissie vindt de artistieke uitgangspunten van Tarhana en de uitvoeringskwaliteit van zowel het ensemble als van de artistiek leider Sjahin During een belangrijke bijdrage leveren aan de diversiteit van het muziekaanbod in Nederland. De commissie beschouwt de bijdrage als stimulans voor het ensemble om haar positie te verstevigen. Op grond hiervan adviseert de commissie Stichting Pro Moods op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009–2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 30.022,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 30.022,- (per jaar)
Stichting RAST - Nederlands-Turks Theater Atelier
Theater RAST
Inleiding
Stichting RAST-Nederlands-Turks Theater Atelier is een gezelschap uit Amsterdam (Nieuw West) met een internationale ambitie. Saban Ol en Celil Toksöz zijn de artistiek leiders. Gert de Boer is zakelijk leider. De Turks-Koerdische en de Nederlandse cultuur spelen een centrale
rol in de thematiek van de voorstellingen, met als uitgangspunten in de laatste jaren de interculturele dialoog en de confrontatie van culturen. RAST-voorstellingen reflecteren op vraagstukken in de hedendaagse multiculturele en multireligieuze samenleving door onderwerpen
als migratie, minderheden, religieus fanatisme, manvrouwverhoudingen, eerwraak en de zoektocht naar identiteit in de hedendaagse jongerencultuur.
RAST wil in de komende periode blijven werken vanuit het activiteitendrieluik van theaterproducties,
talentontwikkeling en internationalisering. Zij wil de eigen signatuur verder ontwikkelen
en legt een aantal nieuwe accenten: artistieke ontwikkeling en verdieping in de theaterproducties; experiment en zoektocht naar nieuw repertoire, regie- en acteurstalent; begeleiding van toptalenten; verbreding van de basis van het jongerentheaterproject in het onderwijs en de coproducties; en een plan voor uitwisseling met internationale jongerentheaterfestivals
en een theaterschool in Turkije.
Centraal in het werk van RAST staat het (laten) schrijven van nieuwe toneelteksten en het bewerken en actualiseren van bestaande toneelteksten uit andere, mediterrane of Balkantradities.
Een ander kenmerk van de groep is de aandacht voor tekstimprovisaties met acteurs of jongeren. De producties worden gemaakt voor volwassenen en jongeren, voor de kleine en grote zaal, in het eigen productiehuis met partners uit binnen- en buitenland. Naast de eigen producties heeft RAST een talentontwikkelingstraject 5 o’Clock Class West (5OCCW) ontwikkeld voor theatertalent in Amsterdam Nieuw West. Dit traject wordt gesubsidieerd
door de gemeente Amsterdam.
In de periode 2009-2012 gaat RAST vier producties van de eigen artistiek leiders/regisseurs maken voor de kleine zaal en vier experimentele studiovoorstellingen, waarvan enkele in coproductie met Podium Mozaïek. Verder brengt ze twee internationale coproducties voor de grote zaal uit en twee kleine internationale producties. In de aanvraag zijn (aanzetten tot) ideeën voor de producties beschreven.
De gevraagde verhoging van het budget is bestemd voor het vergroten van het aantal producties
en voor intensivering van internationale activiteiten. Verder wil RAST het artistieke team versterken door de huisontwerper/theatervakman Dirk Blom en huisvormgever/beeldend
kunstenaar Bülent Evren een vaste aanstelling te geven. Ook wil RAST een dramaturg en een artistiek projectleider voor 5OCCW aantrekken, alsmede een fulltime pr-medewerker.
Het gezelschap heeft gemiddeld 79 voorstellingen per jaar gepland, waarvan 17 in het buitenland.
RAST ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. RAST vraagt aan het NFPK+ een jaarlijkse subsidie van € 435.000.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke ontwikkeling die RAST de afgelopen periode heeft getoond. Hoewel zij niet alle voorstellingen van de laatste jaren positief beoordeelde, constateert zij wel een kwalitatieve groei en een steviger artistiek profiel. De thema’s die RAST aansnijdt zijn relevant en actueel.
De omvang van de geplande activiteiten baart de commissie zorgen. In het plan voor 2009-2012 ontbreekt een scherpe focus op de kernactiviteit: het produceren van voorstellingen van hoge artistieke kwaliteit. De organisatie is naar de mening van de commissie te klein om alle activiteiten, verdeeld over verschillende landen, op een kwalitatief goed niveau te kunnen
uitvoeren. Daarbij acht ze het totaal van de geplande activiteiten niet passend bij de omvang van de publieksgroep. Deze groep weet RAST nu goed te bereiken, maar als het gezelschap nog meer activiteiten organiseert, gaan deze elkaar lokaal beconcurreren. RAST heeft de afgelopen periode terecht waardering geoogst voor haar pionierswerk. Nu is het zaak om te consolideren en te professionaliseren. De leiding van RAST lijkt dat wel in te zien maar maakt in haar plan (nog) geen duidelijke keuze voor kwaliteit in plaats van kwantiteit.
Het plan voor 2009-2012 maakt onvoldoende inzichtelijk wat de complementariteit van de verschillende activiteiten en de artistieke signatuur van de artistiek leiders is. De commissie vindt het noodzakelijk dat RAST zich hier bewust van is.
Het talentontwikkelingstraject 5OCCW wordt weliswaar door de gemeente Amsterdam gefinancierd
maar de commissie wil toch opmerken dat er nauwelijks een relatie met de de professionele
activiteiten van RAST bestaat, zodat de meerwaarde in haar ontbreekt. Aan de grotezaalprojecten en de experimentele studioprojecten, waarvoor nog substantiële aanvullende
financiering benodigd is, geeft zij geen prioriteit. De commissie meent dat de productionele
omvang daarvan te complex is voor een kleine organisatie als RAST.
RAST heeft zowel in Nederland als internationaal een sterk netwerk opgebouwd om haar doelgroep te bereiken. Daaraan ontleent de commissie het vertrouwen dat het bereik in de komende jaren uitgebreid wordt.
Internationalisering maakt op een natuurlijke maar nog bescheiden wijze onderdeel uit van de activiteiten en plannen van RAST. Het opgebouwde netwerk geeft ook vertrouwen op dit punt.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke ontwikkeling die RAST in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, maar is van mening dat de beide regisseurs zich nog onvoldoende complementair
profileren. Ook mist zij een focus in de veelheid aan activiteiten. Zij adviseert derhalve dat de groep de hoeveelheid en complexiteit van haar activiteiten aanpast aan de maat van de organisatie en zich met name richt op haar kernactiviteit, het maken van voorstellingen.
De commissie adviseert RAST op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ten behoeve van verdere professionalisering en groter
publieksbereik het budget te verhogen.
Stichting RAST-Nederlands-Turks Theater Atelier is een gezelschap uit Amsterdam (Nieuw West) met een internationale ambitie. Saban Ol en Celil Toksöz zijn de artistiek leiders. Gert de Boer is zakelijk leider. De Turks-Koerdische en de Nederlandse cultuur spelen een centrale
rol in de thematiek van de voorstellingen, met als uitgangspunten in de laatste jaren de interculturele dialoog en de confrontatie van culturen. RAST-voorstellingen reflecteren op vraagstukken in de hedendaagse multiculturele en multireligieuze samenleving door onderwerpen
als migratie, minderheden, religieus fanatisme, manvrouwverhoudingen, eerwraak en de zoektocht naar identiteit in de hedendaagse jongerencultuur.
RAST wil in de komende periode blijven werken vanuit het activiteitendrieluik van theaterproducties,
talentontwikkeling en internationalisering. Zij wil de eigen signatuur verder ontwikkelen
en legt een aantal nieuwe accenten: artistieke ontwikkeling en verdieping in de theaterproducties; experiment en zoektocht naar nieuw repertoire, regie- en acteurstalent; begeleiding van toptalenten; verbreding van de basis van het jongerentheaterproject in het onderwijs en de coproducties; en een plan voor uitwisseling met internationale jongerentheaterfestivals
en een theaterschool in Turkije.
Centraal in het werk van RAST staat het (laten) schrijven van nieuwe toneelteksten en het bewerken en actualiseren van bestaande toneelteksten uit andere, mediterrane of Balkantradities.
Een ander kenmerk van de groep is de aandacht voor tekstimprovisaties met acteurs of jongeren. De producties worden gemaakt voor volwassenen en jongeren, voor de kleine en grote zaal, in het eigen productiehuis met partners uit binnen- en buitenland. Naast de eigen producties heeft RAST een talentontwikkelingstraject 5 o’Clock Class West (5OCCW) ontwikkeld voor theatertalent in Amsterdam Nieuw West. Dit traject wordt gesubsidieerd
door de gemeente Amsterdam.
In de periode 2009-2012 gaat RAST vier producties van de eigen artistiek leiders/regisseurs maken voor de kleine zaal en vier experimentele studiovoorstellingen, waarvan enkele in coproductie met Podium Mozaïek. Verder brengt ze twee internationale coproducties voor de grote zaal uit en twee kleine internationale producties. In de aanvraag zijn (aanzetten tot) ideeën voor de producties beschreven.
De gevraagde verhoging van het budget is bestemd voor het vergroten van het aantal producties
en voor intensivering van internationale activiteiten. Verder wil RAST het artistieke team versterken door de huisontwerper/theatervakman Dirk Blom en huisvormgever/beeldend
kunstenaar Bülent Evren een vaste aanstelling te geven. Ook wil RAST een dramaturg en een artistiek projectleider voor 5OCCW aantrekken, alsmede een fulltime pr-medewerker.
Het gezelschap heeft gemiddeld 79 voorstellingen per jaar gepland, waarvan 17 in het buitenland.
RAST ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. RAST vraagt aan het NFPK+ een jaarlijkse subsidie van € 435.000.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke ontwikkeling die RAST de afgelopen periode heeft getoond. Hoewel zij niet alle voorstellingen van de laatste jaren positief beoordeelde, constateert zij wel een kwalitatieve groei en een steviger artistiek profiel. De thema’s die RAST aansnijdt zijn relevant en actueel.
De omvang van de geplande activiteiten baart de commissie zorgen. In het plan voor 2009-2012 ontbreekt een scherpe focus op de kernactiviteit: het produceren van voorstellingen van hoge artistieke kwaliteit. De organisatie is naar de mening van de commissie te klein om alle activiteiten, verdeeld over verschillende landen, op een kwalitatief goed niveau te kunnen
uitvoeren. Daarbij acht ze het totaal van de geplande activiteiten niet passend bij de omvang van de publieksgroep. Deze groep weet RAST nu goed te bereiken, maar als het gezelschap nog meer activiteiten organiseert, gaan deze elkaar lokaal beconcurreren. RAST heeft de afgelopen periode terecht waardering geoogst voor haar pionierswerk. Nu is het zaak om te consolideren en te professionaliseren. De leiding van RAST lijkt dat wel in te zien maar maakt in haar plan (nog) geen duidelijke keuze voor kwaliteit in plaats van kwantiteit.
Het plan voor 2009-2012 maakt onvoldoende inzichtelijk wat de complementariteit van de verschillende activiteiten en de artistieke signatuur van de artistiek leiders is. De commissie vindt het noodzakelijk dat RAST zich hier bewust van is.
Het talentontwikkelingstraject 5OCCW wordt weliswaar door de gemeente Amsterdam gefinancierd
maar de commissie wil toch opmerken dat er nauwelijks een relatie met de de professionele
activiteiten van RAST bestaat, zodat de meerwaarde in haar ontbreekt. Aan de grotezaalprojecten en de experimentele studioprojecten, waarvoor nog substantiële aanvullende
financiering benodigd is, geeft zij geen prioriteit. De commissie meent dat de productionele
omvang daarvan te complex is voor een kleine organisatie als RAST.
RAST heeft zowel in Nederland als internationaal een sterk netwerk opgebouwd om haar doelgroep te bereiken. Daaraan ontleent de commissie het vertrouwen dat het bereik in de komende jaren uitgebreid wordt.
Internationalisering maakt op een natuurlijke maar nog bescheiden wijze onderdeel uit van de activiteiten en plannen van RAST. Het opgebouwde netwerk geeft ook vertrouwen op dit punt.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke ontwikkeling die RAST in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, maar is van mening dat de beide regisseurs zich nog onvoldoende complementair
profileren. Ook mist zij een focus in de veelheid aan activiteiten. Zij adviseert derhalve dat de groep de hoeveelheid en complexiteit van haar activiteiten aanpast aan de maat van de organisatie en zich met name richt op haar kernactiviteit, het maken van voorstellingen.
De commissie adviseert RAST op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ten behoeve van verdere professionalisering en groter
publieksbereik het budget te verhogen.
theater
Toegekend bedrag:
€ 405.142,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 405.142,- (per jaar)
Stichting Rosa Ensemble
Rosa Ensemble
Inleiding
Het Rosa Ensemble is opgericht in 1997 door Utrechtse conservatoriumstudenten. Het gezelschap richt zich met artistiek leider Daniel Cross op vier pijlers: muziektheater, muziekseries, het laboratorium en cd-opnames. De musici van Rosa komen uit de klassieke muziek, de jazz en de popmuziek, en hebben allen ervaring als componist of musicus in muziektheatrale projecten.
In het beleidsplan omschrijft het Rosa Ensemble zich als een modern ensemble dat eigenzinnige
elektro-akoestische muziek en muziektheater maakt. Rosa speelt vooral zelfgeproduceerde
muziek. Rosa wil het mogelijk maken om muziek te zien als ‘oneindig flexibel basismateriaal waar voorstellingen mee gemaakt worden, meer dan een verzameling composities
die enkel vertolkt kunnen worden’. Remixen, arrangeren, hergebruiken, ‘loopen’, combineren en collagetechnieken zijn veelvoorkomende tools bij Rosa.
Het Rosa Ensemble ziet muziektheater als ‘een logische stap vanuit zijn contextuele muziek’, waarin nog meer factoren worden bestuurd, zoals drama, dans, tekst, locatie, licht, publieksopstelling, decor en kleding. Muziektheater is voor Rosa een verzamelnaam voor multi- of interdisciplinaire podiumprojecten.
Rosa realiseert jaarlijks één muziektheaterproductie, één concertserie en één laboratoriumproject.
Het aantal concerten bedraagt ongeveer dertig per jaar en het ensemble streeft naar een gemiddeld aantal van 125 bezoekers per concert en één release van een cd of ander medium per twee jaar. Het Rosa Ensemble heeft plannen met Harry de Wit, Peggy Olislaegers,
Martijn Padding, Nanine Linning en Jan Jaap van de Wal en gaat coproduceren met Opera Spanga (‘Falstaff’ van Verdi), ’t Barre Land en The Lunatics. Bij de personeelsformatie wordt voorzien in de aanstelling van een zakelijk leider voor vier dagen en een pr-medewerker
voor twee dagen per week.
Het Rosa Ensemble vraagt € 165.000 op jaarbasis aan. De bijdrage van de provincie Utrecht is begroot op € 15.000 en die van de gemeente Utrecht op € 90.000.
Het Rosa Ensemble ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Daniel Cross wordt gezien als een gedreven kunstenaar die als leider van het Rosa Ensemble
op overtuigende wijze vormgeeft aan zijn bevlogenheid. Tot nu toe heeft Rosa vooral als muziekgezelschap gefunctioneerd. De commissie ziet deze activiteiten als een interessante aanvulling op het muzikale landschap en zij meent dat het ensemble in de muzikale uitvoering
nog wel wat verder zou kunnen gaan waardoor het in overtuigingskracht meer aansluit bij de gewekte verwachtingen. Wanneer het ensemble en zijn muziek echter meer in dienst komen te staan van een muziektheatervoorstelling, zijn er volgens de commissie beslist artistieke groeimogelijkheden. Zo acht zij bijvoorbeeld de in het beleidsplan aangekondigde samenwerking met de jonge componisten Thomas Myrmel en Wilbert Bulsink zeer waardevol.
Dat het Rosa Ensemble voor de komende periode grote ambities koestert om zijn muziektheateractiviteiten
te intensiveren, beoordeelt de commissie zeer positief. Op dit vlak vindt zij het Rosa Ensemble erg inventief en onderscheidend in het veld. Mede op grond van het tamelijk summiere, maar heldere en gemotiveerde beleidsplan heeft de commissie er vertrouwen
in dat de artistieke signatuur van Rosa zal doorklinken in de voorgenomen disciplineoverstijgende
coproducties.
Het Rosa Ensemble schroomt niet om ook met publiekstrekkers als Spinvis en Jan Jaap van der Wal in zee te gaan, hetgeen de commissie weet te waarderen. Het gezelschap is qua publieksbereik en optredens goed ingebed in zijn standplaats Utrecht. Wel zou de commissie graag zien dat er ook meer opgetreden wordt buiten de regio. Internationaal gezien begint Rosa zich voorzichtig te profileren. Er zijn enkele concerten in het buitenland gegeven en het is van belang dat het gezelschap de kans krijgt om de internationale contacten en plannen
verder te ontwikkelen.
Overigens verbaast het de commissie dat het Rosa Ensemble in zijn beleidsplan geen melding
maakt van enige activiteit op het vlak van cultuureducatie. Zeker in een stad als Utrecht is daarvoor veel potentie, en de commissie verwacht dat Rosa zich op dit vlak meer inspanning
zal getroosten. Ten slotte wil de commissie opmerken dat Rosa in haar ogen teveel extra subsidie claimt voor het aanstellen van een zakelijk leider voor vier en een pr-medewerker
voor twee dagen per week; het gewenste aantal fte staat volgens de commissie niet in verhouding tot de geringe output van het ensemble.
Conclusie en advies
De commissie Muziektheater vindt dat het Rosa Ensemble met zijn interdisciplinaire projecten
bijdraagt aan de verscheidenheid en de ontwikkeling van het podiumkunstenlandschap.
Rosa is in staat interessante makers en gezelschappen aan zich te binden en de beoogde accentverschuiving van muziek naar muziektheater beoordeelt de commissie zeer positief. Waar educatie nog meer aandacht verdient, overtuigen de plannen van Rosa op het gebied van diversiteit, publieksbereik en internationalisering. Daarom adviseert de commissie
het Rosa Ensemble op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en het huidige subsidiebedrag te verhogen om zijn kernactiviteiten te versterken.
Het Rosa Ensemble is opgericht in 1997 door Utrechtse conservatoriumstudenten. Het gezelschap richt zich met artistiek leider Daniel Cross op vier pijlers: muziektheater, muziekseries, het laboratorium en cd-opnames. De musici van Rosa komen uit de klassieke muziek, de jazz en de popmuziek, en hebben allen ervaring als componist of musicus in muziektheatrale projecten.
In het beleidsplan omschrijft het Rosa Ensemble zich als een modern ensemble dat eigenzinnige
elektro-akoestische muziek en muziektheater maakt. Rosa speelt vooral zelfgeproduceerde
muziek. Rosa wil het mogelijk maken om muziek te zien als ‘oneindig flexibel basismateriaal waar voorstellingen mee gemaakt worden, meer dan een verzameling composities
die enkel vertolkt kunnen worden’. Remixen, arrangeren, hergebruiken, ‘loopen’, combineren en collagetechnieken zijn veelvoorkomende tools bij Rosa.
Het Rosa Ensemble ziet muziektheater als ‘een logische stap vanuit zijn contextuele muziek’, waarin nog meer factoren worden bestuurd, zoals drama, dans, tekst, locatie, licht, publieksopstelling, decor en kleding. Muziektheater is voor Rosa een verzamelnaam voor multi- of interdisciplinaire podiumprojecten.
Rosa realiseert jaarlijks één muziektheaterproductie, één concertserie en één laboratoriumproject.
Het aantal concerten bedraagt ongeveer dertig per jaar en het ensemble streeft naar een gemiddeld aantal van 125 bezoekers per concert en één release van een cd of ander medium per twee jaar. Het Rosa Ensemble heeft plannen met Harry de Wit, Peggy Olislaegers,
Martijn Padding, Nanine Linning en Jan Jaap van de Wal en gaat coproduceren met Opera Spanga (‘Falstaff’ van Verdi), ’t Barre Land en The Lunatics. Bij de personeelsformatie wordt voorzien in de aanstelling van een zakelijk leider voor vier dagen en een pr-medewerker
voor twee dagen per week.
Het Rosa Ensemble vraagt € 165.000 op jaarbasis aan. De bijdrage van de provincie Utrecht is begroot op € 15.000 en die van de gemeente Utrecht op € 90.000.
Het Rosa Ensemble ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Daniel Cross wordt gezien als een gedreven kunstenaar die als leider van het Rosa Ensemble
op overtuigende wijze vormgeeft aan zijn bevlogenheid. Tot nu toe heeft Rosa vooral als muziekgezelschap gefunctioneerd. De commissie ziet deze activiteiten als een interessante aanvulling op het muzikale landschap en zij meent dat het ensemble in de muzikale uitvoering
nog wel wat verder zou kunnen gaan waardoor het in overtuigingskracht meer aansluit bij de gewekte verwachtingen. Wanneer het ensemble en zijn muziek echter meer in dienst komen te staan van een muziektheatervoorstelling, zijn er volgens de commissie beslist artistieke groeimogelijkheden. Zo acht zij bijvoorbeeld de in het beleidsplan aangekondigde samenwerking met de jonge componisten Thomas Myrmel en Wilbert Bulsink zeer waardevol.
Dat het Rosa Ensemble voor de komende periode grote ambities koestert om zijn muziektheateractiviteiten
te intensiveren, beoordeelt de commissie zeer positief. Op dit vlak vindt zij het Rosa Ensemble erg inventief en onderscheidend in het veld. Mede op grond van het tamelijk summiere, maar heldere en gemotiveerde beleidsplan heeft de commissie er vertrouwen
in dat de artistieke signatuur van Rosa zal doorklinken in de voorgenomen disciplineoverstijgende
coproducties.
Het Rosa Ensemble schroomt niet om ook met publiekstrekkers als Spinvis en Jan Jaap van der Wal in zee te gaan, hetgeen de commissie weet te waarderen. Het gezelschap is qua publieksbereik en optredens goed ingebed in zijn standplaats Utrecht. Wel zou de commissie graag zien dat er ook meer opgetreden wordt buiten de regio. Internationaal gezien begint Rosa zich voorzichtig te profileren. Er zijn enkele concerten in het buitenland gegeven en het is van belang dat het gezelschap de kans krijgt om de internationale contacten en plannen
verder te ontwikkelen.
Overigens verbaast het de commissie dat het Rosa Ensemble in zijn beleidsplan geen melding
maakt van enige activiteit op het vlak van cultuureducatie. Zeker in een stad als Utrecht is daarvoor veel potentie, en de commissie verwacht dat Rosa zich op dit vlak meer inspanning
zal getroosten. Ten slotte wil de commissie opmerken dat Rosa in haar ogen teveel extra subsidie claimt voor het aanstellen van een zakelijk leider voor vier en een pr-medewerker
voor twee dagen per week; het gewenste aantal fte staat volgens de commissie niet in verhouding tot de geringe output van het ensemble.
Conclusie en advies
De commissie Muziektheater vindt dat het Rosa Ensemble met zijn interdisciplinaire projecten
bijdraagt aan de verscheidenheid en de ontwikkeling van het podiumkunstenlandschap.
Rosa is in staat interessante makers en gezelschappen aan zich te binden en de beoogde accentverschuiving van muziek naar muziektheater beoordeelt de commissie zeer positief. Waar educatie nog meer aandacht verdient, overtuigen de plannen van Rosa op het gebied van diversiteit, publieksbereik en internationalisering. Daarom adviseert de commissie
het Rosa Ensemble op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en het huidige subsidiebedrag te verhogen om zijn kernactiviteiten te versterken.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 131.203,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 131.203,- (per jaar)
Stichting Rubens Kwartet
Rubens Kwartet
Inleiding
Het Rubens Kwartet omschrijft zichzelf als volgt: ‘Het kwartet, opgeleid in de rijke Europese strijkkwartetcultuur, verbindt de rijkdom van het bekende met de vernieuwende kracht van het onbekende, immer met artistieke diepgang als uitgangsbasis.’ Het Rubens Kwartet combineert,
naast een uitgebreide concertpraktijk met een klassieke programmering, ‘Schubert met Kurtág, Sjostakovitsj met Roukens en legt het dwarsverbanden bloot in themaconcerten’.
Het kwartet wil ‘op levendige en oorspronkelijke wijze verbindingen leggen tussen het bekende en onbekende in de kamermuziek, in het bijzonder met betrekking tot het strijkkwartet,
al dan niet in combinatie met andere kunstvormen’. Het doel van de instelling is ‘om op een verfijnde en artistiek verantwoorde wijze het publiek kennis te laten maken met niet voor de hand liggende verbindingen en het ogenschijnlijk bekende in een nieuw daglicht
te stellen’. Het Rubens Kwartet organiseert een kamermuziekweekend met workshops aan amateurs in Den Haag, geeft lessen aan muziekschoolleerlingen in de provincie en masterclasses
aan conservatoriumstudenten in binnen- en buitenland. De instelling stimuleert bovendien hedendaagse componisten om nieuw repertoire te schrijven, produceert muziektheatervoorstellingen
en organiseert een strijkkwartetcompositieconcours. Het Rubens Kwartet wil vooral ‘artistieke bruggen blijven bouwen en bijdragen aan de ontwikkeling van een professionele, hoogstaande Nederlandse strijkkwartetcultuur en hier een voortrekkersrol
in spelen’. Het kwartet vraagt subsidie om de diverse artistieke plannen te verwezenlijken
én een professionaliseringsinhaalslag met name op het gebied van zakelijk beleid en publiciteit te maken.
Het Rubens Kwartet heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend.
Beoordeling
Volgens de commissie behoort het Rubens Kwartet tot de top van de jonge strijkkwartetten in Nederland. Hoewel het kwartetgeluid soms wat spannender en avontuurlijker zou mogen, is de artistieke uitvoeringskwaliteit van hoog niveau. Het verheugt de commissie dat het strijkkwartetrepertoire de afgelopen jaren een opleving kent. Daarbij is opvallend dat de jonge strijkkwartetten steeds meer openstaan voor zeer veel invloeden van buitenaf en niet slechts het ‘ijzeren repertoire’ uitvoeren. Zo wordt het Rubens Kwartet regelmatig met name door festivals gevraagd aan bijzondere programmering mee te werken, en ontwikkelt het ook zelf disciplineoverstijgende voorstellingen met bijvoorbeeld dans en literatuur. De commissie
oordeelt positief over de uitgewerkte plannen voor een afwisselende programmering, die zich daarmee onderscheidend toont.
Daarentegen getuigt de belangrijke rol die het Rubens Kwartet voor zichzelf ziet op het vlak van talentontwikkeling volgens de commissie niet van een scherpe visie op de eigen positie in het muzikale landschap. De commissie is van mening dat het kwartet te veel aandacht besteedt aan talentontwikkeling en juist te weinig aan zijn kerntaak: het verzorgen van concerten.
Met name op het gebied van publieksbereik en -ontwikkeling en het cultureel ondernemerschap
behoeft het beleidsplan verbetering. Zo is niet duidelijk hoe de concerten van het strijkkwartet hun weg moeten en zullen vinden naar de afnemers. Dit geldt ook voor het buitenland, waar het Rubens Kwartet regelmatig deelneemt aan concoursen om zijn internationale
positie te versterken. Ook daar acht de commissie een gerichtere acquisitie van concerten zinvol. Verder valt het de commissie op dat de gemiddelde uitkoopsom van het Rubens Kwartet noch in 2006 noch in 2009 marktconform is. Zij vindt dat niet passen bij het streven van de ensembleleden om van hun kwartetspel te kunnen leven.
Een ander kritiekpunt betreft de mager uitgewerkte plannen voor een ‘eigen’ Rubens Festival.
De commissie vreest dat de festivalopbrengsten niet zullen opwegen tegen de daadwerkelijke
productiekosten. Ook vergt het organiseren van een festival een enorme inspanning en deskundigheid, waarover een kleine organisatie als het Rubens Kwartet niet bij voorbaat beschikt. Zoals reeds opgemerkt is de commissie van mening dat het kwartet zijn aandacht veel meer dient te richten op de relatie met de afnemers van zijn concerten.
Ten slotte erkent de commissie de waarde van de samenwerking met bestaande concoursen en conservatoria. Het Rubens Kwartet moet er echter voor waken dat deze activiteiten een steeds groter deel uitmaken van zijn agenda. Bovendien is de commissie van mening dat een mogelijk functioneren als ensemble in residence op de conservatoria in Aken en Maastricht tot de financiële verantwoordelijkheid van het kunstvakonderwijs behoort en niet uit het cultuurbudget bekostigd dient te worden.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van het Rubens Kwartet is gezien zijn hoge artistieke uitvoeringskwaliteit en onderscheidende programmering positief. Zij meent dat het kwartet de potentie heeft om in zijn vakgebied de internationale top te bereiken.
Daarom adviseert de commissie het Rubens Kwartet op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Het toekennen van een structurele subsidie dient als stimulans om zich gedurende vier jaar in relatieve rust volledig te kunnen richten op een groeiende concertpraktijk, zowel in als buiten Nederland. De commissie heeft vertrouwen in de ambities voor de komende periode, enkele kritische kanttekeningen daargelaten.
Zo dient het Rubens Kwartet zijn cultureel ondernemerschap te verbeteren en zich meer in te spannen om zijn concerten af te zetten.
Het Rubens Kwartet omschrijft zichzelf als volgt: ‘Het kwartet, opgeleid in de rijke Europese strijkkwartetcultuur, verbindt de rijkdom van het bekende met de vernieuwende kracht van het onbekende, immer met artistieke diepgang als uitgangsbasis.’ Het Rubens Kwartet combineert,
naast een uitgebreide concertpraktijk met een klassieke programmering, ‘Schubert met Kurtág, Sjostakovitsj met Roukens en legt het dwarsverbanden bloot in themaconcerten’.
Het kwartet wil ‘op levendige en oorspronkelijke wijze verbindingen leggen tussen het bekende en onbekende in de kamermuziek, in het bijzonder met betrekking tot het strijkkwartet,
al dan niet in combinatie met andere kunstvormen’. Het doel van de instelling is ‘om op een verfijnde en artistiek verantwoorde wijze het publiek kennis te laten maken met niet voor de hand liggende verbindingen en het ogenschijnlijk bekende in een nieuw daglicht
te stellen’. Het Rubens Kwartet organiseert een kamermuziekweekend met workshops aan amateurs in Den Haag, geeft lessen aan muziekschoolleerlingen in de provincie en masterclasses
aan conservatoriumstudenten in binnen- en buitenland. De instelling stimuleert bovendien hedendaagse componisten om nieuw repertoire te schrijven, produceert muziektheatervoorstellingen
en organiseert een strijkkwartetcompositieconcours. Het Rubens Kwartet wil vooral ‘artistieke bruggen blijven bouwen en bijdragen aan de ontwikkeling van een professionele, hoogstaande Nederlandse strijkkwartetcultuur en hier een voortrekkersrol
in spelen’. Het kwartet vraagt subsidie om de diverse artistieke plannen te verwezenlijken
én een professionaliseringsinhaalslag met name op het gebied van zakelijk beleid en publiciteit te maken.
Het Rubens Kwartet heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend.
Beoordeling
Volgens de commissie behoort het Rubens Kwartet tot de top van de jonge strijkkwartetten in Nederland. Hoewel het kwartetgeluid soms wat spannender en avontuurlijker zou mogen, is de artistieke uitvoeringskwaliteit van hoog niveau. Het verheugt de commissie dat het strijkkwartetrepertoire de afgelopen jaren een opleving kent. Daarbij is opvallend dat de jonge strijkkwartetten steeds meer openstaan voor zeer veel invloeden van buitenaf en niet slechts het ‘ijzeren repertoire’ uitvoeren. Zo wordt het Rubens Kwartet regelmatig met name door festivals gevraagd aan bijzondere programmering mee te werken, en ontwikkelt het ook zelf disciplineoverstijgende voorstellingen met bijvoorbeeld dans en literatuur. De commissie
oordeelt positief over de uitgewerkte plannen voor een afwisselende programmering, die zich daarmee onderscheidend toont.
Daarentegen getuigt de belangrijke rol die het Rubens Kwartet voor zichzelf ziet op het vlak van talentontwikkeling volgens de commissie niet van een scherpe visie op de eigen positie in het muzikale landschap. De commissie is van mening dat het kwartet te veel aandacht besteedt aan talentontwikkeling en juist te weinig aan zijn kerntaak: het verzorgen van concerten.
Met name op het gebied van publieksbereik en -ontwikkeling en het cultureel ondernemerschap
behoeft het beleidsplan verbetering. Zo is niet duidelijk hoe de concerten van het strijkkwartet hun weg moeten en zullen vinden naar de afnemers. Dit geldt ook voor het buitenland, waar het Rubens Kwartet regelmatig deelneemt aan concoursen om zijn internationale
positie te versterken. Ook daar acht de commissie een gerichtere acquisitie van concerten zinvol. Verder valt het de commissie op dat de gemiddelde uitkoopsom van het Rubens Kwartet noch in 2006 noch in 2009 marktconform is. Zij vindt dat niet passen bij het streven van de ensembleleden om van hun kwartetspel te kunnen leven.
Een ander kritiekpunt betreft de mager uitgewerkte plannen voor een ‘eigen’ Rubens Festival.
De commissie vreest dat de festivalopbrengsten niet zullen opwegen tegen de daadwerkelijke
productiekosten. Ook vergt het organiseren van een festival een enorme inspanning en deskundigheid, waarover een kleine organisatie als het Rubens Kwartet niet bij voorbaat beschikt. Zoals reeds opgemerkt is de commissie van mening dat het kwartet zijn aandacht veel meer dient te richten op de relatie met de afnemers van zijn concerten.
Ten slotte erkent de commissie de waarde van de samenwerking met bestaande concoursen en conservatoria. Het Rubens Kwartet moet er echter voor waken dat deze activiteiten een steeds groter deel uitmaken van zijn agenda. Bovendien is de commissie van mening dat een mogelijk functioneren als ensemble in residence op de conservatoria in Aken en Maastricht tot de financiële verantwoordelijkheid van het kunstvakonderwijs behoort en niet uit het cultuurbudget bekostigd dient te worden.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van het Rubens Kwartet is gezien zijn hoge artistieke uitvoeringskwaliteit en onderscheidende programmering positief. Zij meent dat het kwartet de potentie heeft om in zijn vakgebied de internationale top te bereiken.
Daarom adviseert de commissie het Rubens Kwartet op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Het toekennen van een structurele subsidie dient als stimulans om zich gedurende vier jaar in relatieve rust volledig te kunnen richten op een groeiende concertpraktijk, zowel in als buiten Nederland. De commissie heeft vertrouwen in de ambities voor de komende periode, enkele kritische kanttekeningen daargelaten.
Zo dient het Rubens Kwartet zijn cultureel ondernemerschap te verbeteren en zich meer in te spannen om zijn concerten af te zetten.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 51.634,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 51.634,- (per jaar)
Stichting s-Hertogenbosch Muziekstad
Internationaal Vocalisten Concours
Inleiding
Het Internationaal Vocalisten Concours is naar eigen zeggen het ‘enige internationale klassieke
zangconcours, nauw verbonden met de stad ’s-Hertogenbosch’. De doelstellingen van het concours zijn: het promoten van klassieke vocale muziek op nationaal en internationaal niveau; het ontdekken van jonge talenten voor opera, oratorium en lied; het bevorderen van de carrière van zangers door presentatie aan jury’s, concertdirecties, castingdirectors en impresario’s, de media en het concert- en theaterpubliek; het adviseren van jonge vocalisten op het gebied van carrièreplanning.
Het Internationaal Vocalisten Concours kent zichzelf een unieke plaats toe binnen het aanbod
van de podiumkunsten in Nederland ‘als een pleitbezorger van vocale muziek in combinatie
met het ontdekken van jong talent met naast het opera- en concertrepertoire bijzondere aandacht voor het lied en oratorium’. In de oneven jaren vinden initiatieven plaats om het concours te profileren. Dit zijn de nationale voorronden, masterclasses, een herdenkingsconcert en de jaarlijkse artistieke bijdrage van het Internationaal Vocalisten Concours aan het Theaterfestival Boulevard in de zomerperiode. Speerpunten voor de komende periode 2009-2012 betreffen ‘internationalisering, jongeren, talentontwikkeling en het stimuleren van 20e eeuws- en eigentijds repertoire’.
Het Internationaal Vocalisten Concours ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het Internationaal Vocalisten Concours wordt ook ondersteund door de provincie
Noord-Brabant en de gemeente ’s-Hertogenbosch.
Beoordeling
De commissie is overtuigd van de artistieke betekenis die het Internationaal Vocalisten Concours
heeft voor jonge talentvolle zangers. Het klassieke zangconcours overtuigt door zijn zorgvuldige artistieke selectie van deelnemers. Ook de compositieopdracht die de organisatie verstrekt aan een (jonge) Nederlandse componist en de engagementen of concertreeksen voor de winnaars kunnen op de waardering van de commissie rekenen. Winnaars van het concours danken mede hieraan een belangrijke opstap naar een vaak zelfs internationale carrière.
De commissie is positief over het voornemen een groter publiek te interesseren voor zang in het algemeen en het concours in het bijzonder. Daarnaast is zij te spreken over het besluit om voor de selectie van deelnemers niet alleen meer nationale voorrondes te organiseren, maar dat ook te doen op plaatsen waarvan mag worden aangenomen dat er zich talentvolle zangers bevinden. De ontwikkeling die het concours heeft doorgemaakt om zich internationale
meer te profileren, wordt door de commissie als waardevol en effectief gezien.
Overigens verdienen de plannen voor publieksontwikkeling door uitgebreide randprogrammering
en het cultureel ondernemerschap nog meer focus en aandacht. De commissie is dan ook van mening dat een meerjarige subsidie vooral dient om het Internationaal Vocalisten Concours zélf en alle daar direct mee samenhangende activiteiten mogelijk te maken.
Conclusie en advies
Volgens de commissie is het Internationaal Vocalisten Concours van grote kwalitatieve betekenis
voor zangtalent. De ontwikkeling die het concours heeft doorgemaakt om zijn internationale
positie te verstevigen wordt door de commissie als waardevol en effectief gezien. Derhalve adviseert de commissie het Internationaal Vocalisten Concours op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Internationaal Vocalisten Concours is naar eigen zeggen het ‘enige internationale klassieke
zangconcours, nauw verbonden met de stad ’s-Hertogenbosch’. De doelstellingen van het concours zijn: het promoten van klassieke vocale muziek op nationaal en internationaal niveau; het ontdekken van jonge talenten voor opera, oratorium en lied; het bevorderen van de carrière van zangers door presentatie aan jury’s, concertdirecties, castingdirectors en impresario’s, de media en het concert- en theaterpubliek; het adviseren van jonge vocalisten op het gebied van carrièreplanning.
Het Internationaal Vocalisten Concours kent zichzelf een unieke plaats toe binnen het aanbod
van de podiumkunsten in Nederland ‘als een pleitbezorger van vocale muziek in combinatie
met het ontdekken van jong talent met naast het opera- en concertrepertoire bijzondere aandacht voor het lied en oratorium’. In de oneven jaren vinden initiatieven plaats om het concours te profileren. Dit zijn de nationale voorronden, masterclasses, een herdenkingsconcert en de jaarlijkse artistieke bijdrage van het Internationaal Vocalisten Concours aan het Theaterfestival Boulevard in de zomerperiode. Speerpunten voor de komende periode 2009-2012 betreffen ‘internationalisering, jongeren, talentontwikkeling en het stimuleren van 20e eeuws- en eigentijds repertoire’.
Het Internationaal Vocalisten Concours ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Het Internationaal Vocalisten Concours wordt ook ondersteund door de provincie
Noord-Brabant en de gemeente ’s-Hertogenbosch.
Beoordeling
De commissie is overtuigd van de artistieke betekenis die het Internationaal Vocalisten Concours
heeft voor jonge talentvolle zangers. Het klassieke zangconcours overtuigt door zijn zorgvuldige artistieke selectie van deelnemers. Ook de compositieopdracht die de organisatie verstrekt aan een (jonge) Nederlandse componist en de engagementen of concertreeksen voor de winnaars kunnen op de waardering van de commissie rekenen. Winnaars van het concours danken mede hieraan een belangrijke opstap naar een vaak zelfs internationale carrière.
De commissie is positief over het voornemen een groter publiek te interesseren voor zang in het algemeen en het concours in het bijzonder. Daarnaast is zij te spreken over het besluit om voor de selectie van deelnemers niet alleen meer nationale voorrondes te organiseren, maar dat ook te doen op plaatsen waarvan mag worden aangenomen dat er zich talentvolle zangers bevinden. De ontwikkeling die het concours heeft doorgemaakt om zich internationale
meer te profileren, wordt door de commissie als waardevol en effectief gezien.
Overigens verdienen de plannen voor publieksontwikkeling door uitgebreide randprogrammering
en het cultureel ondernemerschap nog meer focus en aandacht. De commissie is dan ook van mening dat een meerjarige subsidie vooral dient om het Internationaal Vocalisten Concours zélf en alle daar direct mee samenhangende activiteiten mogelijk te maken.
Conclusie en advies
Volgens de commissie is het Internationaal Vocalisten Concours van grote kwalitatieve betekenis
voor zangtalent. De ontwikkeling die het concours heeft doorgemaakt om zijn internationale
positie te verstevigen wordt door de commissie als waardevol en effectief gezien. Derhalve adviseert de commissie het Internationaal Vocalisten Concours op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 52.104,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 52.104,- (per jaar)
Stichting Slagwerkgroep Den Haag
Slagwerkgroep Den Haag (SDH)
Inleiding
Slagwerkgroep Den Haag (SDH) is een ensemble van zes slagwerkers dat in 1977 werd opgericht als gespecialiseerd ensemble in de ontwikkeling en vernieuwing van het hedendaagse
slagwerkrepertoire. SDH heeft als missie ‘het bevorderen, ontwikkelen en uitvoeren van eigentijdse muziek in een breed scala aan uitdrukkingsvormen en toepassingsmogelijkheden,
met daarbij een focus op slagwerk als primaire inspiratiebron’. SDH wil volgens het ingediende activiteitenplan ‘initiëren en uitdragen, waarbij het enerzijds een nadruk legt op onderzoek, experiment, geluidskunst en instrumentale en muzikale vernieuwing, en anderzijds
op het diversifiëren van zijn programma’s en concerten naar een zo breed mogelijk publiek’.
Bij de keuze voor componisten richt SDH zich voornamelijk op de vernieuwing van slagwerk als geluidskunst. Het repertoire van het ensemble omvat bijna de gehele westerse slagwerkliteratuur,
van de eerste composities uit de eerste helft van de twintigste eeuw tot de grote werken van onder andere Xenakis, alsook speciaal voor de groep geschreven werken.
Voor de periode 2009-2012 wil SDH zijn missie in eerste instantie als zelfstandig ensemble vorm-geven, maar tegelijkertijd een structurele samenwerking aangaan met collega-ensembles.
In het activiteitenplan zijn de activiteiten ondergebracht in drie categorieën: de concertprogramma’s
(productgericht), de onderzoeksprogramma’s in een SDH-laboratorium (procesgericht) en educatieve programma’s (publieksgericht). SDH kiest ervoor zijn laboratoriumfunctie
in belangrijke mate onder te brengen in het initiatief Ensembles 2.0, een samenwerkingsverband met Ensemble MAE en Orkest De Volharding.
Om na de subsidieverlaging in de Cultuurnota 2005-2008 weer op ‘een redelijke en verantwoorde
manier te kunnen functioneren als ensemble op hoog professioneel niveau’, verzoekt
SDH om een verhoging ten opzichte van het huidige subsidiebedrag. Met het aangevraagde bedrag wil het ensemble onder meer investeren in de artistieke kerntaken, een vaste studio, een professionele organisatie en de honoraria en pensioenen van de medewerkers.
SDH ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. SDH is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de uitvoeringskwaliteit van SDH. De presentatie is bovendien aantrekkelijk voor publiek. Het ensemble is er de afgelopen periode in geslaagd, ondanks een beperkt budget, met veel creativiteit en inzet een onderscheidende positie in te nemen op de Nederlandse podia.
De voorgenomen projecten die SDH in zijn beleidsplan omschrijft, bevatten volgens de commissie
aanstekelijke en oorspronkelijke ideeën. Wel zou de commissie graag zien dat de artistieke visie en artistieke ontwikkeling die het ensemble nastreeft, iets steviger worden onderbouwd.
De commissie is van mening dat de functie van het ensemble een andere is dan bij zijn oprichting, ruim dertig jaar geleden. Mede door toedoen van SDH heeft slagwerk(repertoire) binnen de hedendaagse muziekpraktijk sterk aan betekenis gewonnen. In de beginjaren werd de groep vanwege zijn deskundigheid nog regelmatig ‘toegevoegd’ aan een ensemble, maar aan die situatie lijkt inmiddels een eind gekomen. SDH heeft een artistieke ontwikkeling
doorgemaakt die hem als autonoom ensemble bestaansrecht geeft. Hoe die lijn zal worden
voortgezet, kan de commissie niet geheel opmaken uit het beleidsplan.
Over de bedrijfsmatige aspecten van het beleidsplan is de commissie kritisch.
SDH omschrijft de afgelopen periode als zeer moeilijk, vooral financieel. Toch heeft het ensemble het hoofd boven water weten te houden. Het ensemble heeft daarmee blijk gegeven
van creatief ondernemerschap. Daarom bevreemdt het de commissie dat dit niet resulteert
in een effectief en efficiënt beleid voor de komende periode. Ook een visie op het versterken van samenwerkingsverbanden met strategische partners, zoals podia en festivals,
had niet mogen ontbreken. De commissie constateert dat de subsidie-afhankelijkheid sterk toeneemt, de gemiddelde uitkoopsom daalt ten opzichte van 2006 en ook het gemiddeld
aantal bezoekers per concert zal afnemen. SDH geeft hiervoor geen verklaring, noch is er sprake van een beleid dat deze uitkomsten rechtvaardigt. De commissie is van mening dat als minder producties vaker worden gespeeld, SDH met minder subsidie toe kan zonder dat het ensemble aan zichtbaarheid of kracht inboet.
In het beleidsplan wordt ook gesproken over het initiatief van Slagwerkgroep Den Haag, om met Orkest De Volharding en Ensemble MAE tot verdergaande samenwerking te komen in de werkplaats Ensembles 2.0. SDH geeft in zijn plan aan dat het verwacht inkomsten voor deze activiteit elders te vinden. De commissie acht samenwerking zinvol, maar zij ontkent de noodzaak voor een nieuwe werkplaats of een nieuw productiehuis.
Conclusie en advies
De uitvoeringskwaliteit van SDH is volgens de commissie goed en het ensemble draagt met zijn bijzondere repertoire op een waardevolle wijze bij aan een divers muzikaal aanbod. De commissie adviseert SDH op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
De commissie rekent de activiteiten die voortvloeien uit het initiatief Ensembles 2.0 niet tot de subsidiabele.
Slagwerkgroep Den Haag (SDH) is een ensemble van zes slagwerkers dat in 1977 werd opgericht als gespecialiseerd ensemble in de ontwikkeling en vernieuwing van het hedendaagse
slagwerkrepertoire. SDH heeft als missie ‘het bevorderen, ontwikkelen en uitvoeren van eigentijdse muziek in een breed scala aan uitdrukkingsvormen en toepassingsmogelijkheden,
met daarbij een focus op slagwerk als primaire inspiratiebron’. SDH wil volgens het ingediende activiteitenplan ‘initiëren en uitdragen, waarbij het enerzijds een nadruk legt op onderzoek, experiment, geluidskunst en instrumentale en muzikale vernieuwing, en anderzijds
op het diversifiëren van zijn programma’s en concerten naar een zo breed mogelijk publiek’.
Bij de keuze voor componisten richt SDH zich voornamelijk op de vernieuwing van slagwerk als geluidskunst. Het repertoire van het ensemble omvat bijna de gehele westerse slagwerkliteratuur,
van de eerste composities uit de eerste helft van de twintigste eeuw tot de grote werken van onder andere Xenakis, alsook speciaal voor de groep geschreven werken.
Voor de periode 2009-2012 wil SDH zijn missie in eerste instantie als zelfstandig ensemble vorm-geven, maar tegelijkertijd een structurele samenwerking aangaan met collega-ensembles.
In het activiteitenplan zijn de activiteiten ondergebracht in drie categorieën: de concertprogramma’s
(productgericht), de onderzoeksprogramma’s in een SDH-laboratorium (procesgericht) en educatieve programma’s (publieksgericht). SDH kiest ervoor zijn laboratoriumfunctie
in belangrijke mate onder te brengen in het initiatief Ensembles 2.0, een samenwerkingsverband met Ensemble MAE en Orkest De Volharding.
Om na de subsidieverlaging in de Cultuurnota 2005-2008 weer op ‘een redelijke en verantwoorde
manier te kunnen functioneren als ensemble op hoog professioneel niveau’, verzoekt
SDH om een verhoging ten opzichte van het huidige subsidiebedrag. Met het aangevraagde bedrag wil het ensemble onder meer investeren in de artistieke kerntaken, een vaste studio, een professionele organisatie en de honoraria en pensioenen van de medewerkers.
SDH ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. SDH is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de uitvoeringskwaliteit van SDH. De presentatie is bovendien aantrekkelijk voor publiek. Het ensemble is er de afgelopen periode in geslaagd, ondanks een beperkt budget, met veel creativiteit en inzet een onderscheidende positie in te nemen op de Nederlandse podia.
De voorgenomen projecten die SDH in zijn beleidsplan omschrijft, bevatten volgens de commissie
aanstekelijke en oorspronkelijke ideeën. Wel zou de commissie graag zien dat de artistieke visie en artistieke ontwikkeling die het ensemble nastreeft, iets steviger worden onderbouwd.
De commissie is van mening dat de functie van het ensemble een andere is dan bij zijn oprichting, ruim dertig jaar geleden. Mede door toedoen van SDH heeft slagwerk(repertoire) binnen de hedendaagse muziekpraktijk sterk aan betekenis gewonnen. In de beginjaren werd de groep vanwege zijn deskundigheid nog regelmatig ‘toegevoegd’ aan een ensemble, maar aan die situatie lijkt inmiddels een eind gekomen. SDH heeft een artistieke ontwikkeling
doorgemaakt die hem als autonoom ensemble bestaansrecht geeft. Hoe die lijn zal worden
voortgezet, kan de commissie niet geheel opmaken uit het beleidsplan.
Over de bedrijfsmatige aspecten van het beleidsplan is de commissie kritisch.
SDH omschrijft de afgelopen periode als zeer moeilijk, vooral financieel. Toch heeft het ensemble het hoofd boven water weten te houden. Het ensemble heeft daarmee blijk gegeven
van creatief ondernemerschap. Daarom bevreemdt het de commissie dat dit niet resulteert
in een effectief en efficiënt beleid voor de komende periode. Ook een visie op het versterken van samenwerkingsverbanden met strategische partners, zoals podia en festivals,
had niet mogen ontbreken. De commissie constateert dat de subsidie-afhankelijkheid sterk toeneemt, de gemiddelde uitkoopsom daalt ten opzichte van 2006 en ook het gemiddeld
aantal bezoekers per concert zal afnemen. SDH geeft hiervoor geen verklaring, noch is er sprake van een beleid dat deze uitkomsten rechtvaardigt. De commissie is van mening dat als minder producties vaker worden gespeeld, SDH met minder subsidie toe kan zonder dat het ensemble aan zichtbaarheid of kracht inboet.
In het beleidsplan wordt ook gesproken over het initiatief van Slagwerkgroep Den Haag, om met Orkest De Volharding en Ensemble MAE tot verdergaande samenwerking te komen in de werkplaats Ensembles 2.0. SDH geeft in zijn plan aan dat het verwacht inkomsten voor deze activiteit elders te vinden. De commissie acht samenwerking zinvol, maar zij ontkent de noodzaak voor een nieuwe werkplaats of een nieuw productiehuis.
Conclusie en advies
De uitvoeringskwaliteit van SDH is volgens de commissie goed en het ensemble draagt met zijn bijzondere repertoire op een waardevolle wijze bij aan een divers muzikaal aanbod. De commissie adviseert SDH op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012.
De commissie rekent de activiteiten die voortvloeien uit het initiatief Ensembles 2.0 niet tot de subsidiabele.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 157.453,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 157.453,- (per jaar)
Stichting Sonic Acts
Sonic Acts
Inleiding
Sonic Acts is een jaarlijks festival op diverse locaties in Amsterdam: Paradiso, de Balie, het Nederlands Instituut voor Mediakunst en de Melkweg. Deze organisaties zijn mede-producent
van het festival. Sonic Acts wil de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van avant-garde en experimentele muziek presenteren en toegankelijk maken in een thematisch festival in een populaire omgeving. De nadruk ligt op eigenzinnig en onconventioneel werk. Sonic Acts wil een voorpost zijn, een laboratorium voor de technologische kunsten.
Naast optredens is er ruimte voor theoretische reflectie, onder meer in de vorm van een conferentie
en historische context. Studenten en docenten zijn een belangrijke doelgroep van Sonic Acts.
Sonic Acts heeft voor de komende jaren vijf aandachtsgebieden geformuleerd. Twee daarvan zijn inhoudelijk van aard, zij kunnen tot festivaledities leiden. Het betreft de ruimtelijke dimensie van technologische kunst en de uitdagingen op het gebied van rechten, eigendom en privacy in relatie tot kunst. Bovendien wil Sonic Acts de komende periode extra aandacht geven aan samenwerking, internationalisering en de toegankelijkheid van het festival.
De organisatie plaatst het festival Sonic Acts in relatie tot een aantal festivals in Montreal, Brussel, Berlijn, Helsinki en Manchester. Bij de totstandkoming van het programma werkt Sonic Acts samen met een groot aantal organisaties in binnen- en buitenland. De oriëntatie van het festival is internationaal, daar waar het gaat om het ontsluiten en tonen van hedendaagse
en historische ontwikkelingen op het snijvlak van kunst, technologie, muziek en wetenschap. Men heeft de ambitie om een pan-Europees netwerk te initiëren en de internationale
samenwerking een structureel karakter te geven.
Het festival richt zich bewust op een beperkte groep geïnteresseerden. Wel geeft Sonic Acts aan in de toekomst meer aandacht te willen geven aan de toegankelijkheid van het gepresenteerde
voor het publiek. De aanvraag constateert dat er lange tijd te weinig recht is gedaan aan de ervaring door het publiek ten gunste van de ontwikkeling van de kunstenaars.
De komende jaren wil Sonic Acts de toegankelijkheid tot het festival vergroten door de ontsluiting van het archief, het uitbreiden van de website en door publieksverbreding en -verdieping. Tijdens de versie van het festival in 2006 kwamen de meeste bezoekers uit Amsterdam en een klein deel uit de Randstad. De aanvrager stelt dat de aanwezigheid van internationale bezoekers en ook de geografische spreiding in Nederland is toegenomen.
Sonic Acts heeft de ambitie om de publieksinkomsten in 2009 te verdubbelen ten opzichte van 2006, toen er 3.000 bezoekers waren. De organisatie geeft aan dat het festival in de edities
2007 en 2008 gegroeid is. De begrotingsposten voor publiciteit en marketing zijn met 40% gestegen. De begroting groeit van € 205.568 in 2006 naar € 368.329 in 2009.
Sonic Acts heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. In de afgelopen jaren ontving Sonic Acts subsidie vanuit de Festivalregeling
van het voormalige FPPM en subsidie van het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is enthousiast over de bijzondere programmering van Sonic Acts. De discipline
waar dit specialistische festival zich op richt, is volop in ontwikkeling en Sonic Acts heeft in de afgelopen jaren bewezen de dynamiek van die ontwikkelingen goed weer te geven. Ook de plannen voor de periode vanaf 2009, bijvoorbeeld de keuze voor het thema ‘technologie
en ruimte’, illustreren dat Sonic Acts uitstekend op de hoogte is waar en hoe de ontwikkelingen
van de elektronische muziek plaatsvinden. De commissie vindt de combinatie van visuele kunst in relatie tot elektronische muziek een belangrijke disciplineoverschrijdende
aanvulling op het reguliere aanbod.
Tegelijkertijd ziet de commissie ook zaken die voor verbetering vatbaar zijn, zoals het werkelijk
betrekken van de wetenschap bij het festival en het effectiever informeren van het publiek over het festival. De commissie is dan ook positief over de plannen die de organisatie
heeft om het publieksbereik te vergroten en om het archief toegankelijk te maken. Dit acht de commissie van groot belang ook om deze kunstvorm voor een breder publiek toegankelijker
te maken.
De commissie merkt op een verhoging van de eigen inkomsten noodzakelijk te vinden voor een evenwichtiger bedrijfsvoering. De commissie is daarbij van mening dat de strategische samenwerkingspartners van Sonic Acts, de podia waar dit festival uit voortgekomen is,
hierbij een grotere inspanning kunnen leveren dan nu in het beleidsplan wordt geschetst. Dit geldt zowel voor het verder ontwikkelen van een effectieve marketingstrategie als voor het vinden van meer externe partners. De noodzaak om de basisformatie van Sonic Acts enigszins te versterken begrijpt de commissie, maar ze vindt de geformuleerde ambitie nu enigszins buiten proportie.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de programmering van Sonic Acts en zijn positionering in het festivallandschap. De commissie steunt de voornemens om meer aandacht te geven aan publiekswerving en het archief toegankelijk te maken. Ook het vergroten van de eigen inkomsten vindt zij van groot belang. Op grond hiervan adviseert de commissie Sonic Acts op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Sonic Acts is een jaarlijks festival op diverse locaties in Amsterdam: Paradiso, de Balie, het Nederlands Instituut voor Mediakunst en de Melkweg. Deze organisaties zijn mede-producent
van het festival. Sonic Acts wil de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van avant-garde en experimentele muziek presenteren en toegankelijk maken in een thematisch festival in een populaire omgeving. De nadruk ligt op eigenzinnig en onconventioneel werk. Sonic Acts wil een voorpost zijn, een laboratorium voor de technologische kunsten.
Naast optredens is er ruimte voor theoretische reflectie, onder meer in de vorm van een conferentie
en historische context. Studenten en docenten zijn een belangrijke doelgroep van Sonic Acts.
Sonic Acts heeft voor de komende jaren vijf aandachtsgebieden geformuleerd. Twee daarvan zijn inhoudelijk van aard, zij kunnen tot festivaledities leiden. Het betreft de ruimtelijke dimensie van technologische kunst en de uitdagingen op het gebied van rechten, eigendom en privacy in relatie tot kunst. Bovendien wil Sonic Acts de komende periode extra aandacht geven aan samenwerking, internationalisering en de toegankelijkheid van het festival.
De organisatie plaatst het festival Sonic Acts in relatie tot een aantal festivals in Montreal, Brussel, Berlijn, Helsinki en Manchester. Bij de totstandkoming van het programma werkt Sonic Acts samen met een groot aantal organisaties in binnen- en buitenland. De oriëntatie van het festival is internationaal, daar waar het gaat om het ontsluiten en tonen van hedendaagse
en historische ontwikkelingen op het snijvlak van kunst, technologie, muziek en wetenschap. Men heeft de ambitie om een pan-Europees netwerk te initiëren en de internationale
samenwerking een structureel karakter te geven.
Het festival richt zich bewust op een beperkte groep geïnteresseerden. Wel geeft Sonic Acts aan in de toekomst meer aandacht te willen geven aan de toegankelijkheid van het gepresenteerde
voor het publiek. De aanvraag constateert dat er lange tijd te weinig recht is gedaan aan de ervaring door het publiek ten gunste van de ontwikkeling van de kunstenaars.
De komende jaren wil Sonic Acts de toegankelijkheid tot het festival vergroten door de ontsluiting van het archief, het uitbreiden van de website en door publieksverbreding en -verdieping. Tijdens de versie van het festival in 2006 kwamen de meeste bezoekers uit Amsterdam en een klein deel uit de Randstad. De aanvrager stelt dat de aanwezigheid van internationale bezoekers en ook de geografische spreiding in Nederland is toegenomen.
Sonic Acts heeft de ambitie om de publieksinkomsten in 2009 te verdubbelen ten opzichte van 2006, toen er 3.000 bezoekers waren. De organisatie geeft aan dat het festival in de edities
2007 en 2008 gegroeid is. De begrotingsposten voor publiciteit en marketing zijn met 40% gestegen. De begroting groeit van € 205.568 in 2006 naar € 368.329 in 2009.
Sonic Acts heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. In de afgelopen jaren ontving Sonic Acts subsidie vanuit de Festivalregeling
van het voormalige FPPM en subsidie van het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is enthousiast over de bijzondere programmering van Sonic Acts. De discipline
waar dit specialistische festival zich op richt, is volop in ontwikkeling en Sonic Acts heeft in de afgelopen jaren bewezen de dynamiek van die ontwikkelingen goed weer te geven. Ook de plannen voor de periode vanaf 2009, bijvoorbeeld de keuze voor het thema ‘technologie
en ruimte’, illustreren dat Sonic Acts uitstekend op de hoogte is waar en hoe de ontwikkelingen
van de elektronische muziek plaatsvinden. De commissie vindt de combinatie van visuele kunst in relatie tot elektronische muziek een belangrijke disciplineoverschrijdende
aanvulling op het reguliere aanbod.
Tegelijkertijd ziet de commissie ook zaken die voor verbetering vatbaar zijn, zoals het werkelijk
betrekken van de wetenschap bij het festival en het effectiever informeren van het publiek over het festival. De commissie is dan ook positief over de plannen die de organisatie
heeft om het publieksbereik te vergroten en om het archief toegankelijk te maken. Dit acht de commissie van groot belang ook om deze kunstvorm voor een breder publiek toegankelijker
te maken.
De commissie merkt op een verhoging van de eigen inkomsten noodzakelijk te vinden voor een evenwichtiger bedrijfsvoering. De commissie is daarbij van mening dat de strategische samenwerkingspartners van Sonic Acts, de podia waar dit festival uit voortgekomen is,
hierbij een grotere inspanning kunnen leveren dan nu in het beleidsplan wordt geschetst. Dit geldt zowel voor het verder ontwikkelen van een effectieve marketingstrategie als voor het vinden van meer externe partners. De noodzaak om de basisformatie van Sonic Acts enigszins te versterken begrijpt de commissie, maar ze vindt de geformuleerde ambitie nu enigszins buiten proportie.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de programmering van Sonic Acts en zijn positionering in het festivallandschap. De commissie steunt de voornemens om meer aandacht te geven aan publiekswerving en het archief toegankelijk te maken. Ook het vergroten van de eigen inkomsten vindt zij van groot belang. Op grond hiervan adviseert de commissie Sonic Acts op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 46.972,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 46.972,- (per jaar)
Stichting Spanga Het Verona van Weststellingwerf
Opera Spanga
Inleiding
Sinds 1989 produceert Opera Spanga onder leiding van artistiek leider en regisseur Corina van Eijk op eigenzinnige wijze opera in het Friese plaatsje Spanga. Opera Spanga wil de operakunst verlevendigen en deze van haar prestigieuze plaats in cultuurland overbrengen naar daar waar ze volgens het gezelschap hoort: in de harten van de mensen. Naast jaarlijks een opera op locatie, vaak in het Friese weiland, heeft Opera Spanga twee operafilms gemaakt.
Het gezelschap is op zoek naar de innerlijke verbanden en zo ontstaan uitdagende voorstellingen
met een onafhankelijke visie op opera en een sterke personenregie, aldus het beleidsplan. Na vestiging in Utrecht te hebben overwogen, zal Opera Spanga op verzoek van de provincie Friesland alsnog vanuit Friesland blijven opereren.
Opera Spanga wil de komende periode opera’s brengen die ‘er wezenlijk toe doen, het vermogen
hebben ons leven te verdiepen en de verwondering te laten herleven’. Op het programma
staan ‘Don Carlos’ van Verdi, ‘Elektra’ van Richard Strauss, ‘Les Contes d’Hoffmann’ van Offenbach, ‘Falstaff’ van Verdi en ‘Laila, hou van me’, een nieuwe opera op basis van klassieke en moderne Perzische poëzie van componist Bart Visman en librettist Irma Achten over een intellectuele Iraanse familie die op hun etage in Amsterdam-West geconfronteerd wordt met een jeugdige interculturele verliefdheid.
De voorstelling ‘Donna Giovanna’ van Mozart wordt in augustus 2008 in het Friese weiland gepresenteerd en tussen 2009 en 2011 verfilmd.
Opera Spanga gaat de komende periode samenwerken met onder andere Opera Studio Nederland, het Rosa Ensemble, Yo! Opera en het Nederlands KamerOpera Festival.
Opera Spanga ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en tevens van de gemeente Weststellingwerf en de provincie Friesland.
Beoordeling
De Raad voor Cultuur stelde in 2004 vast dat Opera Spanga vanwege zijn bijzondere en originele
artistieke benadering van muziektheater een geheel eigen plaats inneemt binnen het Nederlandse muziektheateraanbod. Het gezelschap heeft een duidelijke regionale functie, landelijke uitstraling en maakt opera voor een breder publiek toegankelijk.
De commissie onderschrijft deze uitspraken van de Raad. Regisseur en artistiek leider Corina
van Eijk is een gedreven theatermaker, en de voorstellingen en films van Opera Spanga zijn altijd spraakmakend en tonen een hoge artistieke kwaliteit.
Met zijn standplaats in Friesland draagt het gezelschap bij aan een goede geografische spreiding van het Nederlandse podiumkunstenaanbod en de commissie is verheugd dat Opera Spanga meer wil gaan samenwerken en coproduceren.
De commissie signaleert dat de onderbouwing voor de gemaakte keuzes en de uitwerking van de plannen in het beleidsplan summier zijn verwoord.
Verder constateert de commissie dat Opera Spanga met relatief bescheiden middelen al jaren zeer hard werkt, maar zij is van mening dat het cultureel ondernemerschap van Opera Spanga verbetering behoeft.
Al met al kwalificeert Opera Spanga zich voor een vierjarige subsidie, waarbij de commissie het wenselijk acht dat het beleidsplan voor de komende periode waar het gaat om artistieke visie, repertoirekeuze en samenwerkingspartners nader wordt gepreciseerd.
Conclusie en advies
Opera Spanga draagt bij aan de ontwikkeling van het genre opera in Nederland en de kwaliteit
en originaliteit van de producties is hoog. Het gezelschap is daarnaast van betekenis voor het culturele aanbod in de provincie Friesland en levert een mooie bijdrage aan de spreiding van opera in Nederland. Op grond hiervan adviseert de commissie Opera Spanga op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012, onder de voorwaarde dat het beleidsplan wordt aangescherpt. De hoogte van het geadviseerde subsidiebedrag is gelijk aan het huidige niveau.
Sinds 1989 produceert Opera Spanga onder leiding van artistiek leider en regisseur Corina van Eijk op eigenzinnige wijze opera in het Friese plaatsje Spanga. Opera Spanga wil de operakunst verlevendigen en deze van haar prestigieuze plaats in cultuurland overbrengen naar daar waar ze volgens het gezelschap hoort: in de harten van de mensen. Naast jaarlijks een opera op locatie, vaak in het Friese weiland, heeft Opera Spanga twee operafilms gemaakt.
Het gezelschap is op zoek naar de innerlijke verbanden en zo ontstaan uitdagende voorstellingen
met een onafhankelijke visie op opera en een sterke personenregie, aldus het beleidsplan. Na vestiging in Utrecht te hebben overwogen, zal Opera Spanga op verzoek van de provincie Friesland alsnog vanuit Friesland blijven opereren.
Opera Spanga wil de komende periode opera’s brengen die ‘er wezenlijk toe doen, het vermogen
hebben ons leven te verdiepen en de verwondering te laten herleven’. Op het programma
staan ‘Don Carlos’ van Verdi, ‘Elektra’ van Richard Strauss, ‘Les Contes d’Hoffmann’ van Offenbach, ‘Falstaff’ van Verdi en ‘Laila, hou van me’, een nieuwe opera op basis van klassieke en moderne Perzische poëzie van componist Bart Visman en librettist Irma Achten over een intellectuele Iraanse familie die op hun etage in Amsterdam-West geconfronteerd wordt met een jeugdige interculturele verliefdheid.
De voorstelling ‘Donna Giovanna’ van Mozart wordt in augustus 2008 in het Friese weiland gepresenteerd en tussen 2009 en 2011 verfilmd.
Opera Spanga gaat de komende periode samenwerken met onder andere Opera Studio Nederland, het Rosa Ensemble, Yo! Opera en het Nederlands KamerOpera Festival.
Opera Spanga ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en tevens van de gemeente Weststellingwerf en de provincie Friesland.
Beoordeling
De Raad voor Cultuur stelde in 2004 vast dat Opera Spanga vanwege zijn bijzondere en originele
artistieke benadering van muziektheater een geheel eigen plaats inneemt binnen het Nederlandse muziektheateraanbod. Het gezelschap heeft een duidelijke regionale functie, landelijke uitstraling en maakt opera voor een breder publiek toegankelijk.
De commissie onderschrijft deze uitspraken van de Raad. Regisseur en artistiek leider Corina
van Eijk is een gedreven theatermaker, en de voorstellingen en films van Opera Spanga zijn altijd spraakmakend en tonen een hoge artistieke kwaliteit.
Met zijn standplaats in Friesland draagt het gezelschap bij aan een goede geografische spreiding van het Nederlandse podiumkunstenaanbod en de commissie is verheugd dat Opera Spanga meer wil gaan samenwerken en coproduceren.
De commissie signaleert dat de onderbouwing voor de gemaakte keuzes en de uitwerking van de plannen in het beleidsplan summier zijn verwoord.
Verder constateert de commissie dat Opera Spanga met relatief bescheiden middelen al jaren zeer hard werkt, maar zij is van mening dat het cultureel ondernemerschap van Opera Spanga verbetering behoeft.
Al met al kwalificeert Opera Spanga zich voor een vierjarige subsidie, waarbij de commissie het wenselijk acht dat het beleidsplan voor de komende periode waar het gaat om artistieke visie, repertoirekeuze en samenwerkingspartners nader wordt gepreciseerd.
Conclusie en advies
Opera Spanga draagt bij aan de ontwikkeling van het genre opera in Nederland en de kwaliteit
en originaliteit van de producties is hoog. Het gezelschap is daarnaast van betekenis voor het culturele aanbod in de provincie Friesland en levert een mooie bijdrage aan de spreiding van opera in Nederland. Op grond hiervan adviseert de commissie Opera Spanga op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012, onder de voorwaarde dat het beleidsplan wordt aangescherpt. De hoogte van het geadviseerde subsidiebedrag is gelijk aan het huidige niveau.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 155.641,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 155.641,- (per jaar)
Stichting Speeltheater Holland
Speeltheater Holland
Inleiding
Speeltheater Holland werd ruim dertig jaar geleden opgericht en is gevestigd in Edam. De artistieke leiding is in handen van Onny Huisink en Saskia Janse. Margreet Jongens is zakelijk
leider. Het gezelschap maakt middelgrotezaalvoorstellingen voor kinderen in de leeftijd van vier tot twaalf jaar. De voorstellingen zijn multidisciplinair, waarbij het poppenspel een centrale rol speelt. De keuze voor vormgeving, poppenspeltechniek en speelstijl wordt bij elke productie bepaald door thematiek en inhoud. Alle decors, poppen en rekwisieten worden
in eigen huis ontworpen en uitgevoerd. Speeltheater Holland heeft een eigen theater in Edam waar zowel school- als vrije voorstellingen gespeeld worden.
Naast het maken van voorstellingen wil Speeltheater Holland werken aan de kwaliteitsverbetering
van poppentheatermakers en -spelers. Speeltheater Holland coacht en begeleidt jonge spelers en regisseurs en wil jonge poppenspelers afkomstig van een productiehuis een plaats bieden. Ook gaat zij in de komende jaren zelf talent scouten en koesteren en reserveert daarvoor tijd, geld en ruimte. Speeltheater Holland heeft contacten met het Ostadetheater en theater Bellevue. Deze theaters bieden veel aandacht aan jonge poppentheatermakers
en zijn als speelplek interessant. Verder wil zij samenwerken met het LAB en het Veem theater. Ten slotte gaat zij in gesprek met de Toneelscholen in Maastricht en Arnhem
over de mogelijkheid poppenspel een onderdeel of keuzevak te laten worden in het leerplan.
In de komende jaren staat een tournee gepland in de Verenigde Staten en Canada. In het kader van het samenwerkingsverband met als werktitel ‘Connecting Stories’ werkt Speeltheater
Holland met jeugdtheatermakers uit Nederland, de Verenigde Staten en het Midden-Oosten. In de komende periode hopen de makers met dit project tot één of meerdere producties of zelfs tot een festival te komen.
Speeltheater Holland maakt jaarlijks één tot twee nieuwe producties en met regelmaat locatievoorstellingen.
De voorstellingen spelen in Nederland, Vlaanderen en het buitenland.
Het gezelschap vraagt extra subsidie voor het begeleiden van jong talent, voor een tournee door de Verenigde Staten en Canada, om meer aandacht te kunnen besteden aan publiciteit en om extra tijd te kunnen uittrekken voor nevenactiviteiten bij een aantal vaste theaters in de regio.
Speeltheater Holland vraagt € 614.325 subsidie bij het NFPK+ .
Speeltheater Holland ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en van de provincie Noord- Holland.
Beoordeling
De commissie heeft veel waardering voor de hoge kwaliteit en het vakmanschap van de voorstellingen van Speeltheater Holland. Het gezelschap neemt een centrale positie in binnen
het poppen- en objecttheater en zorgt voor hoogstaand aanbod. De commissie is tevens onder de indruk van de professionele wijze waarop Speeltheater Holland een bredere verantwoordelijkheid
voor het genre op zich neemt door niet alleen jonge spelers te begeleiden maar tevens aandacht te besteden aan de vorming van regisseurs en makers, nadat zij een traject bij een productiehuis hebben doorlopen. De groep is tevens een sterke representant van het genre in het buitenland. Ze beschikt over een fijnmazig en solide netwerk en voert als een van de weinige gezelschappen een duurzaam internationaal beleid.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling voldoende tot uiting komt in de aanvraag. Inmiddels heeft Speeltheater
Holland een belangrijke functie in de regionale, nationale en internationale culturele infrastructuur. Daarbij is er sprake van een substantiële bijdrage van de provinciale overheid.
De commissie vindt dat Speeltheater Holland voldoende inspanningen levert om bestaand publiek te bereiken en nieuw publiek te trekken.
Conclusie en advies
De commissie is enthousiast over Speeltheater Holland gezien de artistieke prestaties en de bewezen meerwaarde voor het genre. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. De commissie adviseert Speeltheater Holland op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en het huidige subsidiebedrag
te verhogen ter versterking van haar structurele activiteiten.
Speeltheater Holland werd ruim dertig jaar geleden opgericht en is gevestigd in Edam. De artistieke leiding is in handen van Onny Huisink en Saskia Janse. Margreet Jongens is zakelijk
leider. Het gezelschap maakt middelgrotezaalvoorstellingen voor kinderen in de leeftijd van vier tot twaalf jaar. De voorstellingen zijn multidisciplinair, waarbij het poppenspel een centrale rol speelt. De keuze voor vormgeving, poppenspeltechniek en speelstijl wordt bij elke productie bepaald door thematiek en inhoud. Alle decors, poppen en rekwisieten worden
in eigen huis ontworpen en uitgevoerd. Speeltheater Holland heeft een eigen theater in Edam waar zowel school- als vrije voorstellingen gespeeld worden.
Naast het maken van voorstellingen wil Speeltheater Holland werken aan de kwaliteitsverbetering
van poppentheatermakers en -spelers. Speeltheater Holland coacht en begeleidt jonge spelers en regisseurs en wil jonge poppenspelers afkomstig van een productiehuis een plaats bieden. Ook gaat zij in de komende jaren zelf talent scouten en koesteren en reserveert daarvoor tijd, geld en ruimte. Speeltheater Holland heeft contacten met het Ostadetheater en theater Bellevue. Deze theaters bieden veel aandacht aan jonge poppentheatermakers
en zijn als speelplek interessant. Verder wil zij samenwerken met het LAB en het Veem theater. Ten slotte gaat zij in gesprek met de Toneelscholen in Maastricht en Arnhem
over de mogelijkheid poppenspel een onderdeel of keuzevak te laten worden in het leerplan.
In de komende jaren staat een tournee gepland in de Verenigde Staten en Canada. In het kader van het samenwerkingsverband met als werktitel ‘Connecting Stories’ werkt Speeltheater
Holland met jeugdtheatermakers uit Nederland, de Verenigde Staten en het Midden-Oosten. In de komende periode hopen de makers met dit project tot één of meerdere producties of zelfs tot een festival te komen.
Speeltheater Holland maakt jaarlijks één tot twee nieuwe producties en met regelmaat locatievoorstellingen.
De voorstellingen spelen in Nederland, Vlaanderen en het buitenland.
Het gezelschap vraagt extra subsidie voor het begeleiden van jong talent, voor een tournee door de Verenigde Staten en Canada, om meer aandacht te kunnen besteden aan publiciteit en om extra tijd te kunnen uittrekken voor nevenactiviteiten bij een aantal vaste theaters in de regio.
Speeltheater Holland vraagt € 614.325 subsidie bij het NFPK+ .
Speeltheater Holland ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 en van de provincie Noord- Holland.
Beoordeling
De commissie heeft veel waardering voor de hoge kwaliteit en het vakmanschap van de voorstellingen van Speeltheater Holland. Het gezelschap neemt een centrale positie in binnen
het poppen- en objecttheater en zorgt voor hoogstaand aanbod. De commissie is tevens onder de indruk van de professionele wijze waarop Speeltheater Holland een bredere verantwoordelijkheid
voor het genre op zich neemt door niet alleen jonge spelers te begeleiden maar tevens aandacht te besteden aan de vorming van regisseurs en makers, nadat zij een traject bij een productiehuis hebben doorlopen. De groep is tevens een sterke representant van het genre in het buitenland. Ze beschikt over een fijnmazig en solide netwerk en voert als een van de weinige gezelschappen een duurzaam internationaal beleid.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling voldoende tot uiting komt in de aanvraag. Inmiddels heeft Speeltheater
Holland een belangrijke functie in de regionale, nationale en internationale culturele infrastructuur. Daarbij is er sprake van een substantiële bijdrage van de provinciale overheid.
De commissie vindt dat Speeltheater Holland voldoende inspanningen levert om bestaand publiek te bereiken en nieuw publiek te trekken.
Conclusie en advies
De commissie is enthousiast over Speeltheater Holland gezien de artistieke prestaties en de bewezen meerwaarde voor het genre. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. De commissie adviseert Speeltheater Holland op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en het huidige subsidiebedrag
te verhogen ter versterking van haar structurele activiteiten.
theater
Toegekend bedrag:
€ 644.661,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 644.661,- (per jaar)
Stichting Steun Holland Baroque Society
Holland Baroque Society
Inleiding
Holland Baroque Society (HBS) is naar eigen zeggen ’geboren uit liefde voor muziek’. HBS wil barokmuziek op een innovatieve manier programmeren en op het hoogste niveau uitvoeren.
Het artistieke beleid van de instelling is erop gericht om ‘muziek uit de periode 1600-1750 levendig, betekenisvol en historisch verantwoord over het voetlicht te brengen, zowel in de concertzaal als op scholen’. Een zeskoppige artistieke commissie, bestaande uit de oprichters, is de ideeëngenerator van HBS, waarbij multidisciplinair en intercultureel werken het devies is.
HBS streeft naar tien projecten per jaar: zes eigen producties en vier in samenwerking met een partner, zoals een koor of festival. Verspreid over Nederland heeft het orkest vijf eigen concertseries opgezet. De educatieprojecten lopen parallel aan de concertperioden. Tot de overkoepelende thema’s voor de komende jaren behoren ‘improvisatie, retorica en de verschillende
nationale orkesttradities in de Barok’.
“Net als een aantal gevestigde barokorkesten – de Akademie für Alte Musik Berlin, het Freiburger
Barockorchester, The Orchestra of the Age of Enlightenment – werkt HBS op projectbasis,
zonder vaste dirigent of artistiek leider.” Dat is een bewuste ‘authentieke’ keuze van het ensemble, want in de ‘Barok deden musici immers niet anders.’
De periode 2009-2012 wil het HBS gaan professionaliseren. Zo moet onder andere de subsidie-
afhankelijkheid kleiner worden tot in 2012 ten minste 50% inkomsten uit eigen series en uitkopen. Met behulp van een meerjarige subsidie wil HBS in 2012 een positie bereiken waarin het orkest zakelijk onafhankelijk is, beschikt over een degelijke en duurzame interne organisatie, een stabiel publiek kent, zowel in Nederland als in het buitenland en tegelijkertijd
een vanzelfsprekende positie inneemt als ‘Utrechtse maker’, zo vermeldt het beleidsplan.
HBS heeft in het kade van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. HBS is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is zeer positief over het uitvoeringsniveau en het enthousiasme dat HBS uitstraalt
op het podium. HBS heeft volgens de commissie de potentie om uit te groeien tot een internationaal topensemble.
In de aanvraag verantwoordt HBS de keuze om niet met een vaste dirigent te werken. Hoewel
de commissie hiervoor begrip heeft, merkt zij op dat juist de ensembleklank van de groep nog voor verbetering vatbaar is. Door met verschillende dirigenten te werken bestaat het gevaar dat een goede en herkenbare ensembleklank van ondergeschikt belang wordt. Om uit te groeien tot een topensemble van internationale betekenis is een heldere identiteit onontbeerlijk. De programma’s die het ensemble tot nu toe heeft gepresenteerd maken nieuwsgierig, zeker ook de cross-over projecten. De commissie is van mening dat de artistieke
visie in het beleidsplan beter had kunnen worden uitgewerkt, zodat het voor haar inzichtelijker
was geworden welke lijnen het ensemble de komende jaren denkt te zullen volgen.
HBS lijkt zich zeer bewust van de publieksgroepen die het wil en kan bereiken. De educatieve
activiteiten zijn goed verankerd in de concertpraktijk van het ensemble en aantrekkelijk voor de beoogde doelgroep. En hoewel de marketingstrategie slechts in beperkte mate is uitgewerkt,
geeft HBS wel degelijk blijk van inzicht. Er is een duidelijke visie met welke effectieve
ingrediënten het ensemble zijn marketing vorm wil geven. De commissie is dan ook benieuwd naar de uitwerking van deze plannen.
In de aanvraag benadrukt HBS de wens om de bedrijfsvoering te professionalisering. De ambities maken een realistische indruk, al valt het de commissie op dat HBS deze slechts denkt te kunnen realiseren met een in verhouding ‘zware’ organisatie. Het toepassen van de richtlijnen Code Cultural Governance, in ieder geval met betrekking tot de samenstelling van het bestuur, behoeft aandacht van Holland Baroque Society.
Conclusie en advies
De commissie is te spreken over de uitvoeringskwaliteit en de podiumuitstraling van HBS. Zij meent dat het ensemble de artistieke potentie heeft om de internationale top te bereiken en acht daarom een meerjarige honorering gerechtvaardigd. De commissie adviseert HBS op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Holland Baroque Society (HBS) is naar eigen zeggen ’geboren uit liefde voor muziek’. HBS wil barokmuziek op een innovatieve manier programmeren en op het hoogste niveau uitvoeren.
Het artistieke beleid van de instelling is erop gericht om ‘muziek uit de periode 1600-1750 levendig, betekenisvol en historisch verantwoord over het voetlicht te brengen, zowel in de concertzaal als op scholen’. Een zeskoppige artistieke commissie, bestaande uit de oprichters, is de ideeëngenerator van HBS, waarbij multidisciplinair en intercultureel werken het devies is.
HBS streeft naar tien projecten per jaar: zes eigen producties en vier in samenwerking met een partner, zoals een koor of festival. Verspreid over Nederland heeft het orkest vijf eigen concertseries opgezet. De educatieprojecten lopen parallel aan de concertperioden. Tot de overkoepelende thema’s voor de komende jaren behoren ‘improvisatie, retorica en de verschillende
nationale orkesttradities in de Barok’.
“Net als een aantal gevestigde barokorkesten – de Akademie für Alte Musik Berlin, het Freiburger
Barockorchester, The Orchestra of the Age of Enlightenment – werkt HBS op projectbasis,
zonder vaste dirigent of artistiek leider.” Dat is een bewuste ‘authentieke’ keuze van het ensemble, want in de ‘Barok deden musici immers niet anders.’
De periode 2009-2012 wil het HBS gaan professionaliseren. Zo moet onder andere de subsidie-
afhankelijkheid kleiner worden tot in 2012 ten minste 50% inkomsten uit eigen series en uitkopen. Met behulp van een meerjarige subsidie wil HBS in 2012 een positie bereiken waarin het orkest zakelijk onafhankelijk is, beschikt over een degelijke en duurzame interne organisatie, een stabiel publiek kent, zowel in Nederland als in het buitenland en tegelijkertijd
een vanzelfsprekende positie inneemt als ‘Utrechtse maker’, zo vermeldt het beleidsplan.
HBS heeft in het kade van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. HBS is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is zeer positief over het uitvoeringsniveau en het enthousiasme dat HBS uitstraalt
op het podium. HBS heeft volgens de commissie de potentie om uit te groeien tot een internationaal topensemble.
In de aanvraag verantwoordt HBS de keuze om niet met een vaste dirigent te werken. Hoewel
de commissie hiervoor begrip heeft, merkt zij op dat juist de ensembleklank van de groep nog voor verbetering vatbaar is. Door met verschillende dirigenten te werken bestaat het gevaar dat een goede en herkenbare ensembleklank van ondergeschikt belang wordt. Om uit te groeien tot een topensemble van internationale betekenis is een heldere identiteit onontbeerlijk. De programma’s die het ensemble tot nu toe heeft gepresenteerd maken nieuwsgierig, zeker ook de cross-over projecten. De commissie is van mening dat de artistieke
visie in het beleidsplan beter had kunnen worden uitgewerkt, zodat het voor haar inzichtelijker
was geworden welke lijnen het ensemble de komende jaren denkt te zullen volgen.
HBS lijkt zich zeer bewust van de publieksgroepen die het wil en kan bereiken. De educatieve
activiteiten zijn goed verankerd in de concertpraktijk van het ensemble en aantrekkelijk voor de beoogde doelgroep. En hoewel de marketingstrategie slechts in beperkte mate is uitgewerkt,
geeft HBS wel degelijk blijk van inzicht. Er is een duidelijke visie met welke effectieve
ingrediënten het ensemble zijn marketing vorm wil geven. De commissie is dan ook benieuwd naar de uitwerking van deze plannen.
In de aanvraag benadrukt HBS de wens om de bedrijfsvoering te professionalisering. De ambities maken een realistische indruk, al valt het de commissie op dat HBS deze slechts denkt te kunnen realiseren met een in verhouding ‘zware’ organisatie. Het toepassen van de richtlijnen Code Cultural Governance, in ieder geval met betrekking tot de samenstelling van het bestuur, behoeft aandacht van Holland Baroque Society.
Conclusie en advies
De commissie is te spreken over de uitvoeringskwaliteit en de podiumuitstraling van HBS. Zij meent dat het ensemble de artistieke potentie heeft om de internationale top te bereiken en acht daarom een meerjarige honorering gerechtvaardigd. De commissie adviseert HBS op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 89.372,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 89.372,- (per jaar)
Stichting Studio Peer
Fred Delfgaauw
Inleiding
Studio Peer produceert het werk van poppenspeler en theatermaker Fred Delfgaauw. De voorstellingen worden ontwikkeld in theater Peeriscoop, het eigen huis in Gorinchem. Hier worden ook diverse theatermakers begeleid en educatieve projecten gefaciliteerd. De aanvrager
wil deze activiteiten de komende jaren uitbreiden om zo tot een productiehuis voor poppentheater te komen.
Volgens de aanvraag heeft Fred Delfgaauw een eigen stijl ontwikkeld, waarbij zijn poppen de ‘monologue interieur’ verbeelden en verklanken. Op fascinerende wijze laat hij illusies ontstaan om ze vervolgens weer te doorbreken om ‘een verhaal te vertellen’. Dat is waar het steeds om gaat, het vertellen van grote verhalen op klein menselijk niveau. Fred Delfgaauw schrijft de voorstellingen voor het merendeel zelf. De voorstellingen zijn bestemd voor een groot en divers publiek. De eigen producties en de voorstellingen van het productiehuis spelen
in het eigen theater en op tournee in vlakkevloertheaters en schouwburgen.
Voor de komende periode wil Fred Delfgaauw de samenwerking met andere disciplines continueren.
Er zijn plannen voor een samenwerkingsproject met jazzpianist Bert van den Brink. Cabaretier Sjaak Bral wordt als schrijver bij dit project betrokken. De voorstelling die hieruit voortkomt, wordt naar verwachting ook gepresenteerd op concertpodia, waardoor een ander publiek bereikt zal worden. Ook is er een plan voor een coproductie met Het Volk, waarbij Aike Dirkzwager regisseert. De voorstelling ‘Minder is Meer’, een jubileumvoorstelling
waarin fragmenten van eerder werk te zien zijn, zal in reprise gaan. In samenwerking met Schouwburg De Nieuwe Doelen in Gorinchem, programmeert Fred Delfgaauw diverse andere producties.
Studio Peer wil in de periode 2009-2012 drie producties per jaar maken, deels eigen werk van Fred Delfgaauw en deels van jonge talentvolle makers.
Studio Peer vraagt € 250.000 per jaar aan het NFPK+.
Studio Peer ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Studio Peer en Fred Delfgaauw. Fred Delfgaauw is een gerenommeerd theatermaker en poppenspeler, die inmiddels
een indrukwekkend oeuvre heeft opgebouwd en daarmee een groot en breed publiek weet te boeien en te binden. Het voorliggende plan overtuigt de commissie echter nauwelijks.
Het geeft summier inzicht in de plannen voor het eigen werk van Studio Peer, waardoor de commissie zich slechts met moeite een beeld kan vormen van de beoogde ontwikkeling van het werk ten opzichte van bijvoorbeeld het veelvuldig hernemen van eerdere succesvoorstellingen.
De samenwerking met makers uit andere disciplines is in de afgelopen jaren geslaagd geweest. De voorgenomen voortzetting daarvan ligt daarom voor de hand. Niettemin mist de commissie in het beleidsplan (kritische) reflectie op de betekenis van deze ervaring voor de inhoudelijke ontwikkeling van Studio Peer. Het idee om structureel jonge talentvolle makers te begeleiden is begrijpelijk, maar tegelijk ook prematuur. De makers zijn niet bij name genoemd en evenmin geeft het plan veel inzicht in de wijze waarop de begeleiding gestalte krijgt. De kwaliteiten en ervaring van Fred Delfgaauw staan buiten kijf en daarmee zal het voor veel jonge makers inspirerend zijn om met hem te werken. Toch vereist een dergelijke uitbreiding van de taken een doordacht en doortimmerd plan, dat er naar de mening van de commissie nu niet ligt. Daarbij is in een dergelijke gespecialiseerde productiehuisfunctie voorzien binnen de basisinfrastructuur,
zodat deze activiteiten voor de commissie geen prioriteit hebben.
De commissie is van mening dat Studio Peer haar bedrijfsvoering goed heeft georganiseerd. Er is een eigen theater waarin naast de eigen voorstellingen ook andere voorstellingen worden
geprogrammeerd. De kwaliteit van produceren is goed en er is een uitgebreid netwerk van afnemers waardoor Studio Peer een evenwichtige spreiding van speelbeurten en aanzienlijk
publieksbereik realiseert.
Op basis van de aanvraag stelt de commissie vast dat Studio Peer geen internationale ambities
heeft.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Studio Peer en Fred Delfgaauw. Met het oog op de artistieke ontwikkeling acht de commissie het wenselijk dat Studio Peer reflecteert op de eigen ervaringen en de betekenis daarvan voor de te volgen koers. In de geplande productiehuisfunctie van Studio Peer is al voorzien binnen de basisinfrastructuur.
De commissie adviseert Studio Peer op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en de subsidie te handhaven op het huidige niveau.
Studio Peer produceert het werk van poppenspeler en theatermaker Fred Delfgaauw. De voorstellingen worden ontwikkeld in theater Peeriscoop, het eigen huis in Gorinchem. Hier worden ook diverse theatermakers begeleid en educatieve projecten gefaciliteerd. De aanvrager
wil deze activiteiten de komende jaren uitbreiden om zo tot een productiehuis voor poppentheater te komen.
Volgens de aanvraag heeft Fred Delfgaauw een eigen stijl ontwikkeld, waarbij zijn poppen de ‘monologue interieur’ verbeelden en verklanken. Op fascinerende wijze laat hij illusies ontstaan om ze vervolgens weer te doorbreken om ‘een verhaal te vertellen’. Dat is waar het steeds om gaat, het vertellen van grote verhalen op klein menselijk niveau. Fred Delfgaauw schrijft de voorstellingen voor het merendeel zelf. De voorstellingen zijn bestemd voor een groot en divers publiek. De eigen producties en de voorstellingen van het productiehuis spelen
in het eigen theater en op tournee in vlakkevloertheaters en schouwburgen.
Voor de komende periode wil Fred Delfgaauw de samenwerking met andere disciplines continueren.
Er zijn plannen voor een samenwerkingsproject met jazzpianist Bert van den Brink. Cabaretier Sjaak Bral wordt als schrijver bij dit project betrokken. De voorstelling die hieruit voortkomt, wordt naar verwachting ook gepresenteerd op concertpodia, waardoor een ander publiek bereikt zal worden. Ook is er een plan voor een coproductie met Het Volk, waarbij Aike Dirkzwager regisseert. De voorstelling ‘Minder is Meer’, een jubileumvoorstelling
waarin fragmenten van eerder werk te zien zijn, zal in reprise gaan. In samenwerking met Schouwburg De Nieuwe Doelen in Gorinchem, programmeert Fred Delfgaauw diverse andere producties.
Studio Peer wil in de periode 2009-2012 drie producties per jaar maken, deels eigen werk van Fred Delfgaauw en deels van jonge talentvolle makers.
Studio Peer vraagt € 250.000 per jaar aan het NFPK+.
Studio Peer ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Studio Peer en Fred Delfgaauw. Fred Delfgaauw is een gerenommeerd theatermaker en poppenspeler, die inmiddels
een indrukwekkend oeuvre heeft opgebouwd en daarmee een groot en breed publiek weet te boeien en te binden. Het voorliggende plan overtuigt de commissie echter nauwelijks.
Het geeft summier inzicht in de plannen voor het eigen werk van Studio Peer, waardoor de commissie zich slechts met moeite een beeld kan vormen van de beoogde ontwikkeling van het werk ten opzichte van bijvoorbeeld het veelvuldig hernemen van eerdere succesvoorstellingen.
De samenwerking met makers uit andere disciplines is in de afgelopen jaren geslaagd geweest. De voorgenomen voortzetting daarvan ligt daarom voor de hand. Niettemin mist de commissie in het beleidsplan (kritische) reflectie op de betekenis van deze ervaring voor de inhoudelijke ontwikkeling van Studio Peer. Het idee om structureel jonge talentvolle makers te begeleiden is begrijpelijk, maar tegelijk ook prematuur. De makers zijn niet bij name genoemd en evenmin geeft het plan veel inzicht in de wijze waarop de begeleiding gestalte krijgt. De kwaliteiten en ervaring van Fred Delfgaauw staan buiten kijf en daarmee zal het voor veel jonge makers inspirerend zijn om met hem te werken. Toch vereist een dergelijke uitbreiding van de taken een doordacht en doortimmerd plan, dat er naar de mening van de commissie nu niet ligt. Daarbij is in een dergelijke gespecialiseerde productiehuisfunctie voorzien binnen de basisinfrastructuur,
zodat deze activiteiten voor de commissie geen prioriteit hebben.
De commissie is van mening dat Studio Peer haar bedrijfsvoering goed heeft georganiseerd. Er is een eigen theater waarin naast de eigen voorstellingen ook andere voorstellingen worden
geprogrammeerd. De kwaliteit van produceren is goed en er is een uitgebreid netwerk van afnemers waardoor Studio Peer een evenwichtige spreiding van speelbeurten en aanzienlijk
publieksbereik realiseert.
Op basis van de aanvraag stelt de commissie vast dat Studio Peer geen internationale ambities
heeft.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Studio Peer en Fred Delfgaauw. Met het oog op de artistieke ontwikkeling acht de commissie het wenselijk dat Studio Peer reflecteert op de eigen ervaringen en de betekenis daarvan voor de te volgen koers. In de geplande productiehuisfunctie van Studio Peer is al voorzien binnen de basisinfrastructuur.
De commissie adviseert Studio Peer op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en de subsidie te handhaven op het huidige niveau.
theater
Toegekend bedrag:
€ 120.670,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 120.670,- (per jaar)
Stichting Stuim
Schweigman &
Inleiding
Stichting Stuim is opgericht in 2006 om het werk van performer en maker Boukje Schweigman
een vaste plaats in het theaterbestel te geven. Sinds haar afstudeervoorstelling ‘Benen’ in 2003 heeft Boukje Schweigman in vier jaar tijd elf voorstellingen gemaakt. Afwisselend als (solo)performer en als regisseur ging zij daarbij vruchtbare samenwerkingsverbanden aan, zowel met kunstenaars en performers van haar eigen generatie als met gevestigde namen uit diverse disciplines. Schweigman heeft diverse voorstellingen op locatie gemaakt voor zomerfestivals en theaters. Inmiddels begint haar werk ook in het buitenland naam te maken, getuige de succesvolle tournee van ‘Wervel’ in 2007 door het Midden-Oosten.
Schweigman zegt ernaar te streven haar publiek ontvankelijk te maken door het stimuleren van verwondering en door het creëren van een fysieke ervaring. Livemuziek speelt in haar voorstellingen een grote rol. Tempo, ritme en dynamiek zijn bepalende elementen. Naar eigen zeggen is Schweigman recentelijk zeer geïnspireerd door andere culturen en door de ontmoetingen daarmee. Zij ziet theater als een manier van bruggen bouwen, omdat het appelleert aan een universele laag van beleving die voorbij taal en cultuur gaat. Zij gaat in de komende periode op zoek naar de wisselwerking tussen het universeel menselijke (het hebben van een lichaam, pijn, angst en verlangen naar liefde), het cultureel bepaalde (waarden,
normen en omgangsvormen) en het hoogstpersoonlijk individuele.
De komende jaren zet Schweigman de samenwerking voort met onder anderen de vormgevers
Theun Mosk en Kim Arntzen, spelers Toon Kuijpers, Ibelissa Guardia en Jaap Flier, muzikanten Jelte van Andel, Karim Eharruyen, Louis Lanzing en Paul Koek, en dramaturg Bas van Peijpe. Daarnaast zoekt zij nieuwe input van nieuwe mensen, om zo haar theatertaal te blijven ontwikkelen.
In samenwerking met De Veenfabriek start Schweigman in 2009 met het meerjarige project Onze Stad. De eerste drie edities daarvan staan in het teken van het onderzoek naar verhalen,
locaties en theatraal diner. In het vierde jaar worden deze drie elementen samengebracht.
Het plan gaat uit van vier grotere voorstellingen, waarvan twee op locatie en twee in het vlakkevloercircuit. Ook voorziet het in een museale installatie, twee tournees in het Verre-
en het Midden-Oosten of Zuid-Amerika, en twee workshops in het buitenland, waarvan één waarschijnlijk in Iran. Samen met andere groepen, Het Veemtheater en Theaterzaken Via Rudolphi is Stuim betrokken bij de ontwikkeling van het Werkhuis voor de Mime. Bestaande contacten met festivals en nationale en internationale podia worden bestendigd en/of uitgebouwd. Vanaf 2008 worden alle voorstellingen onder de noemer ‘Schweigman&’ uitgebracht.
Stuim heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd en werd in de afgelopen periode incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK. Stuim vraagt jaarlijks € 406.987 aan het NFPK+.
Beoordeling
Boukje Schweigman heeft in de afgelopen jaren naar het oordeel van de commissie geslaagde
producties gemaakt met een herkenbaar, eigen idioom; gelaagd theater met een bewust langzame hartenklop. De maakster toont veel ambitie en heeft zich snel ontwikkeld. Alles wijst op het ontstaan van een interessant oeuvre.
De aanvraag is helder in analyse en reflectie. De commissie oordeelt positief over de plannen
en over de keuze van de makers waarmee Schweigman gaat werken. Ook de overige partners en contacten wekken vertrouwen.
De commissie stelt vragen bij de grote hoeveelheid activiteiten die Schweigman wil ontplooien
en spreekt haar voorkeur uit voor een concentratie op kwaliteit boven kwantiteit.
Internationalisering en interculturele nieuwsgierigheid maken op natuurlijke wijze onderdeel
uit van de keuzerichting van Schweigman. De plannen voor de voortzetting en uitbreiding
van het spelen in het Midden-Oosten zijn realistisch en haalbaar beschreven. De plannen voor een andere internationale tournee zijn echter nog weinig concreet.
De commissie ziet de samenwerking met Theaterzaken Via Rudolphi als vertrouwenwekkend.
De voornemens ten aanzien van het vergroten van het publieksbereik zijn realistisch en bouwen voort op de verworvenheden van de afgelopen jaren. De commissie is positief over het voornemen ouder en recent werk te tonen in minifestivals.
Conclusie en advies
Boukje Schweigman heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot een productieve en interessante
performer en regisseur. De commissie adviseert Schweigman de productie enigszins
te beperken en heeft, mede door de gedreven, heldere plannen, vertrouwen in de kwaliteit van het toekomstige werk van Schweigman en haar ontwikkelingspotentie.
De commissie adviseert om Stuim (Schweigman&) op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Stichting Stuim is opgericht in 2006 om het werk van performer en maker Boukje Schweigman
een vaste plaats in het theaterbestel te geven. Sinds haar afstudeervoorstelling ‘Benen’ in 2003 heeft Boukje Schweigman in vier jaar tijd elf voorstellingen gemaakt. Afwisselend als (solo)performer en als regisseur ging zij daarbij vruchtbare samenwerkingsverbanden aan, zowel met kunstenaars en performers van haar eigen generatie als met gevestigde namen uit diverse disciplines. Schweigman heeft diverse voorstellingen op locatie gemaakt voor zomerfestivals en theaters. Inmiddels begint haar werk ook in het buitenland naam te maken, getuige de succesvolle tournee van ‘Wervel’ in 2007 door het Midden-Oosten.
Schweigman zegt ernaar te streven haar publiek ontvankelijk te maken door het stimuleren van verwondering en door het creëren van een fysieke ervaring. Livemuziek speelt in haar voorstellingen een grote rol. Tempo, ritme en dynamiek zijn bepalende elementen. Naar eigen zeggen is Schweigman recentelijk zeer geïnspireerd door andere culturen en door de ontmoetingen daarmee. Zij ziet theater als een manier van bruggen bouwen, omdat het appelleert aan een universele laag van beleving die voorbij taal en cultuur gaat. Zij gaat in de komende periode op zoek naar de wisselwerking tussen het universeel menselijke (het hebben van een lichaam, pijn, angst en verlangen naar liefde), het cultureel bepaalde (waarden,
normen en omgangsvormen) en het hoogstpersoonlijk individuele.
De komende jaren zet Schweigman de samenwerking voort met onder anderen de vormgevers
Theun Mosk en Kim Arntzen, spelers Toon Kuijpers, Ibelissa Guardia en Jaap Flier, muzikanten Jelte van Andel, Karim Eharruyen, Louis Lanzing en Paul Koek, en dramaturg Bas van Peijpe. Daarnaast zoekt zij nieuwe input van nieuwe mensen, om zo haar theatertaal te blijven ontwikkelen.
In samenwerking met De Veenfabriek start Schweigman in 2009 met het meerjarige project Onze Stad. De eerste drie edities daarvan staan in het teken van het onderzoek naar verhalen,
locaties en theatraal diner. In het vierde jaar worden deze drie elementen samengebracht.
Het plan gaat uit van vier grotere voorstellingen, waarvan twee op locatie en twee in het vlakkevloercircuit. Ook voorziet het in een museale installatie, twee tournees in het Verre-
en het Midden-Oosten of Zuid-Amerika, en twee workshops in het buitenland, waarvan één waarschijnlijk in Iran. Samen met andere groepen, Het Veemtheater en Theaterzaken Via Rudolphi is Stuim betrokken bij de ontwikkeling van het Werkhuis voor de Mime. Bestaande contacten met festivals en nationale en internationale podia worden bestendigd en/of uitgebouwd. Vanaf 2008 worden alle voorstellingen onder de noemer ‘Schweigman&’ uitgebracht.
Stuim heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd en werd in de afgelopen periode incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK. Stuim vraagt jaarlijks € 406.987 aan het NFPK+.
Beoordeling
Boukje Schweigman heeft in de afgelopen jaren naar het oordeel van de commissie geslaagde
producties gemaakt met een herkenbaar, eigen idioom; gelaagd theater met een bewust langzame hartenklop. De maakster toont veel ambitie en heeft zich snel ontwikkeld. Alles wijst op het ontstaan van een interessant oeuvre.
De aanvraag is helder in analyse en reflectie. De commissie oordeelt positief over de plannen
en over de keuze van de makers waarmee Schweigman gaat werken. Ook de overige partners en contacten wekken vertrouwen.
De commissie stelt vragen bij de grote hoeveelheid activiteiten die Schweigman wil ontplooien
en spreekt haar voorkeur uit voor een concentratie op kwaliteit boven kwantiteit.
Internationalisering en interculturele nieuwsgierigheid maken op natuurlijke wijze onderdeel
uit van de keuzerichting van Schweigman. De plannen voor de voortzetting en uitbreiding
van het spelen in het Midden-Oosten zijn realistisch en haalbaar beschreven. De plannen voor een andere internationale tournee zijn echter nog weinig concreet.
De commissie ziet de samenwerking met Theaterzaken Via Rudolphi als vertrouwenwekkend.
De voornemens ten aanzien van het vergroten van het publieksbereik zijn realistisch en bouwen voort op de verworvenheden van de afgelopen jaren. De commissie is positief over het voornemen ouder en recent werk te tonen in minifestivals.
Conclusie en advies
Boukje Schweigman heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot een productieve en interessante
performer en regisseur. De commissie adviseert Schweigman de productie enigszins
te beperken en heeft, mede door de gedreven, heldere plannen, vertrouwen in de kwaliteit van het toekomstige werk van Schweigman en haar ontwikkelingspotentie.
De commissie adviseert om Stuim (Schweigman&) op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 367.674,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 367.674,- (per jaar)
Stichting Suburbia
Theatergroep Suburbia
Inleiding
Suburbia is in 2003 opgericht met als doel het stadsgezelschap van Almere te worden. Artistiek
leider Albert Lubbers maakt vanaf zijn debuut in 1977 werk dat gekenmerkt wordt door een groot respect voor de toneelschrijver. Albert Lubbers werkte eerder veelvuldig bij Het Nationale Toneel en Het Toneel Speelt en was sterk verbonden met het toneelwerk van Karst Woudstra en Lars Noren.
Suburbia wil theaterbezoek vanzelfsprekend maken voor alle Almeerders. Om daar en in de provincie Flevoland een plek te veroveren kiest het gezelschap voor repertoire dat op het eerste zicht en zonder voorkennis te begrijpen is. De aanvrager noemt het voorstellingen die met beide benen in de wereld staan en die een beroep doen op iets gemeenschappelijks dat onder het publiek leeft. Het gezelschap wordt gesteund door de plaatselijke overheid, die hecht aan een volledig en eigen cultureel aanbod in het belang van de leefbaarheid en levendigheid van de stad. Het gezelschap plant ieder jaar drie verschillende soorten projecten:
een kleinschalige productie op wisselende locaties in Almere of elders in Flevoland, een langlopende, laagdrempelige zomervoorstelling op Stadslandgoed De Kemphaan, en een artistiek hoogwaardige reisvoorstelling voor de middenzaal in de winter. Voor deze laatstgenoemde
voorstelling geeft Suburbia de voorkeur aan wat zij als kleinburgerlijk repertoire aanduidt: teksten die gaan over vervreemding, onbehagen, materialisme en sociaal isolement.
Het gezelschap wil Nederlandse auteurs stimuleren met schrijfopdrachten. Suburbia ziet het als doel van het driesporenbeleid om de mensen die naar één van de locatieproducties
komen, ’s winters ook naar de schouwburg te lokken.
Albert Lubbers zal minimaal twee producties per jaar regisseren. Daarnaast wordt de samenwerking met gastregisseur Julia Bless voortgezet. Het gezelschap heeft het voornemen
de organisatie uit te breiden met een bureaumedewerker, een dramaturg en een educatief
medewerker. Ook wil men de aanstelling van de productieleider en de publiciteitsmedewerker verruimen. Het gezelschap betrekt samen met BonteHond een nieuw pand en wil in de komende periode een verdergaande samenwerking met dit gezelschap
onderzoeken.
Suburbia vraagt € 250.000 van het NFPK+, naast € 135.000 van de provincie en € 90.000 van de gemeente.
Suburbia heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. In de afgelopen jaren werd de groep incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Het Fonds participeert tot en met 2008 in een miniconvenant met Flevoland en Almere met als primair doel om aldaar de artistiek-inhoudelijke en productionale ontwikkeling van culturele
initiatieven met een landelijke uitstraling te stimuleren. In het kader van die regeling ontvangt Suburbia ook een meerjarige subsidie van het Fonds, aangevuld met eenzelfde bedrag van gemeente en provincie.
Beoordeling
De commissie beoordeelt Suburbia als een gezelschap dat met een goede neus voor modern repertoire en met goede acteurs werkt in een sterke spelregie. Binnen het conventionele teksttoneel maakt de groep voorstellingen die intelligent en inhoudelijk van opzet en uitvoering
zijn. De keuze van het repertoire is consistent, de inhoud is aantrekkelijk. Artistiek leider
Albert Lubbers toont vakmanschap en visie en is naar het oordeel van de commissie in staat de ambities van Suburbia voor de komende periode waar te maken.
In de aanvraag komen de drijfveren van de makers en de beoogde artistieke signatuur van de groep minder aan de orde. Suburbia maakt ook niet helder in welke mate het werk van de tweede regisseur complementair is. Daar staat tegenover dat er een duidelijke behoefte zichtbaar is bij het publiek aan het soort theater dat Suburbia aanbiedt en aan de toegankelijke
wijze waarop zij dat doet.
Het gezelschap verzet de bakens van het kleinezalencircuit naar een circuit van (regionale) schouwburgen. Dat brengt een zeker risico met zich mee, maar de speellijst voor het seizoen 2008/2009 van het gezelschap wekt op dat punt vertrouwen. Het circuit van juist kleinere schouwburgen dat Suburbia bespeelt, beschouwt de commissie als aanvullend op de landelijke
spreidingsgedachte.
Suburbia gaat sterke banden aan met andere instellingen in Almere. Recent werd de samenwerking
met landgoed De Kemphaan voor vijf jaar vastgelegd. Schouwburg Almere ondersteunt
Suburbia met publiciteitsacties, kaartverkoop en technische voorzieningen.
Om de positie in het lokale, regionale en landelijke podiumkunstenbestel te versterken, heeft Suburbia zich voor de periode 2009- 2012 een aantal doelen gesteld: het vergroten van de publieksaantallen, de naamsbekendheid en de betrokkenheid van het publiek bij het gezelschap. Het plan getuigt van een gedegen aanpak op dit gebied.
Culturele diversiteit en internationalisering zijn geen onderwerpen van betekenis in de aanvraag.
Conclusie en advies
De commissie heeft waardering voor de consistente en doordachte aanpak die Suburbia zowel artistiek als organisatorisch hanteert om haar positie als stadsgezelschap van Almere verder uit te bouwen. De commissie heeft vertrouwen in het vakmanschap en de visie van artistiek leider en regisseur Albert Lubbers. De commissie adviseert om Suburbia op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Suburbia is in 2003 opgericht met als doel het stadsgezelschap van Almere te worden. Artistiek
leider Albert Lubbers maakt vanaf zijn debuut in 1977 werk dat gekenmerkt wordt door een groot respect voor de toneelschrijver. Albert Lubbers werkte eerder veelvuldig bij Het Nationale Toneel en Het Toneel Speelt en was sterk verbonden met het toneelwerk van Karst Woudstra en Lars Noren.
Suburbia wil theaterbezoek vanzelfsprekend maken voor alle Almeerders. Om daar en in de provincie Flevoland een plek te veroveren kiest het gezelschap voor repertoire dat op het eerste zicht en zonder voorkennis te begrijpen is. De aanvrager noemt het voorstellingen die met beide benen in de wereld staan en die een beroep doen op iets gemeenschappelijks dat onder het publiek leeft. Het gezelschap wordt gesteund door de plaatselijke overheid, die hecht aan een volledig en eigen cultureel aanbod in het belang van de leefbaarheid en levendigheid van de stad. Het gezelschap plant ieder jaar drie verschillende soorten projecten:
een kleinschalige productie op wisselende locaties in Almere of elders in Flevoland, een langlopende, laagdrempelige zomervoorstelling op Stadslandgoed De Kemphaan, en een artistiek hoogwaardige reisvoorstelling voor de middenzaal in de winter. Voor deze laatstgenoemde
voorstelling geeft Suburbia de voorkeur aan wat zij als kleinburgerlijk repertoire aanduidt: teksten die gaan over vervreemding, onbehagen, materialisme en sociaal isolement.
Het gezelschap wil Nederlandse auteurs stimuleren met schrijfopdrachten. Suburbia ziet het als doel van het driesporenbeleid om de mensen die naar één van de locatieproducties
komen, ’s winters ook naar de schouwburg te lokken.
Albert Lubbers zal minimaal twee producties per jaar regisseren. Daarnaast wordt de samenwerking met gastregisseur Julia Bless voortgezet. Het gezelschap heeft het voornemen
de organisatie uit te breiden met een bureaumedewerker, een dramaturg en een educatief
medewerker. Ook wil men de aanstelling van de productieleider en de publiciteitsmedewerker verruimen. Het gezelschap betrekt samen met BonteHond een nieuw pand en wil in de komende periode een verdergaande samenwerking met dit gezelschap
onderzoeken.
Suburbia vraagt € 250.000 van het NFPK+, naast € 135.000 van de provincie en € 90.000 van de gemeente.
Suburbia heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. In de afgelopen jaren werd de groep incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Het Fonds participeert tot en met 2008 in een miniconvenant met Flevoland en Almere met als primair doel om aldaar de artistiek-inhoudelijke en productionale ontwikkeling van culturele
initiatieven met een landelijke uitstraling te stimuleren. In het kader van die regeling ontvangt Suburbia ook een meerjarige subsidie van het Fonds, aangevuld met eenzelfde bedrag van gemeente en provincie.
Beoordeling
De commissie beoordeelt Suburbia als een gezelschap dat met een goede neus voor modern repertoire en met goede acteurs werkt in een sterke spelregie. Binnen het conventionele teksttoneel maakt de groep voorstellingen die intelligent en inhoudelijk van opzet en uitvoering
zijn. De keuze van het repertoire is consistent, de inhoud is aantrekkelijk. Artistiek leider
Albert Lubbers toont vakmanschap en visie en is naar het oordeel van de commissie in staat de ambities van Suburbia voor de komende periode waar te maken.
In de aanvraag komen de drijfveren van de makers en de beoogde artistieke signatuur van de groep minder aan de orde. Suburbia maakt ook niet helder in welke mate het werk van de tweede regisseur complementair is. Daar staat tegenover dat er een duidelijke behoefte zichtbaar is bij het publiek aan het soort theater dat Suburbia aanbiedt en aan de toegankelijke
wijze waarop zij dat doet.
Het gezelschap verzet de bakens van het kleinezalencircuit naar een circuit van (regionale) schouwburgen. Dat brengt een zeker risico met zich mee, maar de speellijst voor het seizoen 2008/2009 van het gezelschap wekt op dat punt vertrouwen. Het circuit van juist kleinere schouwburgen dat Suburbia bespeelt, beschouwt de commissie als aanvullend op de landelijke
spreidingsgedachte.
Suburbia gaat sterke banden aan met andere instellingen in Almere. Recent werd de samenwerking
met landgoed De Kemphaan voor vijf jaar vastgelegd. Schouwburg Almere ondersteunt
Suburbia met publiciteitsacties, kaartverkoop en technische voorzieningen.
Om de positie in het lokale, regionale en landelijke podiumkunstenbestel te versterken, heeft Suburbia zich voor de periode 2009- 2012 een aantal doelen gesteld: het vergroten van de publieksaantallen, de naamsbekendheid en de betrokkenheid van het publiek bij het gezelschap. Het plan getuigt van een gedegen aanpak op dit gebied.
Culturele diversiteit en internationalisering zijn geen onderwerpen van betekenis in de aanvraag.
Conclusie en advies
De commissie heeft waardering voor de consistente en doordachte aanpak die Suburbia zowel artistiek als organisatorisch hanteert om haar positie als stadsgezelschap van Almere verder uit te bouwen. De commissie heeft vertrouwen in het vakmanschap en de visie van artistiek leider en regisseur Albert Lubbers. De commissie adviseert om Suburbia op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 262.548,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 262.548,- (per jaar)
Stichting T.R.A.S.H.
T.R.A.S.H.
Inleiding
Danstheatergezelschap T.r.a.s.h. is opgericht in 2001 rond het artistieke driemanschap van artistiek leider en choreografe Kristel van Issum, componist Arthur van der Kuip en decorontwerper
Paul van Weert. Karakteristiek aan het werk van het gezelschap zijn volgens T.r.a.s.h. ‘intensiteit en heftigheid die op gestileerde wijze vorm krijgen, waarbij precisie in de afstemming tussen beweging, theatraliteit en muziek de voorstellingen bepaalt’. T.r.a.s.h. zoekt met dansers, getrainde performers en muzikanten nadrukkelijk naar een eigentijdse theatertaal. De werkwijze wordt bepaald door het concept van ‘deconstructie’, waarbij bewust niet wordt uitgegaan van traditioneel ordenende principes.
T.r.a.s.h. wil in de periode 2009-2012 vier avondvullende voorstellingen maken, bestaande uit een tweeluik (waarvan het eerste deel in 2008 uitkomt) en een drieluik. De voorstellingen spelen zich af rond de thema’s ‘afscheid, offer en boetedoening in het leven van de hedendaagse
mens’. In het werk van T.r.a.s.h. gaat taal een grotere rol spelen, terwijl ook de integratie
van foto en film zal worden onderzocht.
De onderzoeksactiviteiten worden ondergebracht in ‘Het Bouwhuis’: een setting waarbinnen de groep gedurende vier maanden per jaar werkt aan interdisciplinaire kleinschalige projecten
en choreografische studies als voorbereiding op de grote voorstellingen. De samenwerking
met Productiehuis Brabant op het gebied van artistieke ondersteuning en informatie-uitwisseling zal de komende jaren worden gecontinueerd.
T.r.a.s.h. heeft naar eigen zeggen de afgelopen jaren een duurzame relatie opgebouwd met verschillende podia in Nederland en wil zich de komende jaren doorontwikkelen in het grote
zalencircuit. Door korte, flexibele voorstellingen (uit Het Bouwhuis) te plaatsen in theaters
met verschillende soorten zalen, hoopt T.r.a.s.h. het publieksbereik te optimaliseren. De voorstellingen in Nederland worden verkocht door Bureau Berbee. In Frankrijk wordt T.r.a.s.h. vertegenwoordigd door Bureau A Propic (Line Rousseau) en daar wil het gezelschap
het reeds opgebouwde netwerk verder uitbreiden. Voor de Britse markt wordt sinds kort samengewerkt met Claire Cunningham. Om het repertoire te kunnen doorspelen en verder te internationaliseren is het volgens T.r.a.s.h. noodzakelijk om dansers langer onder contract te houden. De groep vraagt om een vierjarige ondersteuning van € 299.103 per jaar.
T.r.a.s.h. ontving in de afgelopen jaren verschillende projectsubsidies van het voormalige FAPK. T.r.a.s.h. wordt sinds 2006 structureel ondersteund door de Gemeente Tilburg en de Provincie Noord Brabant.
Beoordeling
Volgens de commissie heeft T.r.a.s.h. zich in de afgelopen jaren ontwikkeld van een beginnende
Tilburgse groep naar een herkenbaar danstheatergezelschap met een sterke naamsbekendheid.
Met zijn eigentijdse en energieke voorstellingen weet de groep een nieuw, jong publiek aan te spreken.
Gedurende de korte tijd die T.r.a.s.h. bestaat, heeft de groep mede dankzij de samenwerking met Productiehuis Brabant en ondersteuning vanuit de gemeente Tilburg een aanzienlijke artistieke groei doorgemaakt. De commissie is positief over het feit dat het driemanschap daarbij steeds kritisch naar zichzelf kijkt en op zoek durft te gaan naar verdere verdieping; het agressieve bewegingsmateriaal dat aanvankelijk een beproefd recept leek te worden voor de voorstellingen, heeft inmiddels plaats gemaakt voor meer subtiliteit en gelaagdheid, waardoor zowel het bewegingsidioom als de dramatische kwaliteit van het werk sterk is ontwikkeld.
Op basis hiervan heeft de commissie er vertrouwen in dat de groep deze lijn de komende jaren zal weten door te zetten en is ze positief over de in het beleidsplan beschreven
interdisciplinaire aanpak. Daarbij is naar haar mening sprake van een evenwichtige balans tussen de productie van nieuw werk en het verrichten van onderzoek vanuit ‘Het Bouwhuis’.
De commissie heeft waardering voor de bevlogenheid die de bedrijfsvoering van T.r.a.s.h. kenmerkt. De groep is in staat gebleken met relatief weinig middelen een sterke organisatie op te bouwen, die met goed gekozen verkoop- en bemiddelingskanalen in staat is om zijn publiek te bereiken. Dit blijkt volgens de commissie ook uit de manier waarop de groep de komende jaren door de inzet van korte, flexibele voorstellingen in theaters met verschillende
soorten zalen, wil doorgroeien naar het grote zalencircuit. Desondanks vindt zij het jammer
dat een uitgewerkte marketingstrategie geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag.
De commissie vindt het enthousiasme van deze ‘jonge instelling’ ten aanzien van het buitenland
begrijpelijk, maar is niet overtuigd van het groeiperspectief dat T.r.a.s.h. voor zichzelf ziet op dit gebied. De ambities van T.r.a.s.h. om zijn voorstellingen af te zetten in landen als Groot-Brittannië, Spanje, Duitsland en Italië zijn weinig uitgewerkt. Dat de groep vaste voet aan de grond heeft gekregen in Frankrijk en daar inmiddels samenwerkt met een aantal belangrijke coproducenten en ‘residency-plekken’, is volgens de commissie positief. De groep heeft daarbij goed weten te profiteren van het ‘Saison’ dat het Institut Néerlandais vorig jaar organiseerde en zal in 2008 en 2009 zeker ook baat hebben bij het Frankrijk-project van het Theater Instituut Nederland.
De commissie gaat er van uit dat de professionalisering van de organisatie van T.r.a.s.h. die de laatste jaren heeft plaatsgevonden zal worden gecontinueerd. Gezien de stijging van het aantal activiteiten in de periode 2009-2012, beschouwt zij dit als een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van het gezelschap.
De meerjarenbegroting van T.r.a.s.h. kent volgens de commissie een evenwichtige verdeling van inkomsten uit subsidie. Daarnaast acht zij het percentage van 31% publieksinkomsten dat de groep de komende jaren verwacht te behalen realistisch. Desondanks plaatst de commissie
kanttekeningen bij de weinig gedetailleerde wijze waarop de meerjarenbegroting voor de periode 2009-2012 is uitgewerkt. Hierdoor wordt naar haar mening niet overtuigend aangetoond dat het volledige gevraagde subsidiebedrag daadwerkelijk nodig is om de voorgenomen
ambities te kunnen realiseren.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke ontwikkeling die T.r.a.s.h. de afgelopen jaren heeft doorgemaakt. Het beleidsplan van het jonge gezelschap is overtuigend en biedt daarnaast
voldoende aanknopingspunten om vertrouwen te hebben in de verdere groei van de groep. Zij adviseert om T.r.a.s.h. op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 voor een bedrag van € 250.000 op voorwaarde dat een herzien beleidsplan wordt ingediend waarin rekening wordt gehouden met bovenstaande kanttekeningen.
Danstheatergezelschap T.r.a.s.h. is opgericht in 2001 rond het artistieke driemanschap van artistiek leider en choreografe Kristel van Issum, componist Arthur van der Kuip en decorontwerper
Paul van Weert. Karakteristiek aan het werk van het gezelschap zijn volgens T.r.a.s.h. ‘intensiteit en heftigheid die op gestileerde wijze vorm krijgen, waarbij precisie in de afstemming tussen beweging, theatraliteit en muziek de voorstellingen bepaalt’. T.r.a.s.h. zoekt met dansers, getrainde performers en muzikanten nadrukkelijk naar een eigentijdse theatertaal. De werkwijze wordt bepaald door het concept van ‘deconstructie’, waarbij bewust niet wordt uitgegaan van traditioneel ordenende principes.
T.r.a.s.h. wil in de periode 2009-2012 vier avondvullende voorstellingen maken, bestaande uit een tweeluik (waarvan het eerste deel in 2008 uitkomt) en een drieluik. De voorstellingen spelen zich af rond de thema’s ‘afscheid, offer en boetedoening in het leven van de hedendaagse
mens’. In het werk van T.r.a.s.h. gaat taal een grotere rol spelen, terwijl ook de integratie
van foto en film zal worden onderzocht.
De onderzoeksactiviteiten worden ondergebracht in ‘Het Bouwhuis’: een setting waarbinnen de groep gedurende vier maanden per jaar werkt aan interdisciplinaire kleinschalige projecten
en choreografische studies als voorbereiding op de grote voorstellingen. De samenwerking
met Productiehuis Brabant op het gebied van artistieke ondersteuning en informatie-uitwisseling zal de komende jaren worden gecontinueerd.
T.r.a.s.h. heeft naar eigen zeggen de afgelopen jaren een duurzame relatie opgebouwd met verschillende podia in Nederland en wil zich de komende jaren doorontwikkelen in het grote
zalencircuit. Door korte, flexibele voorstellingen (uit Het Bouwhuis) te plaatsen in theaters
met verschillende soorten zalen, hoopt T.r.a.s.h. het publieksbereik te optimaliseren. De voorstellingen in Nederland worden verkocht door Bureau Berbee. In Frankrijk wordt T.r.a.s.h. vertegenwoordigd door Bureau A Propic (Line Rousseau) en daar wil het gezelschap
het reeds opgebouwde netwerk verder uitbreiden. Voor de Britse markt wordt sinds kort samengewerkt met Claire Cunningham. Om het repertoire te kunnen doorspelen en verder te internationaliseren is het volgens T.r.a.s.h. noodzakelijk om dansers langer onder contract te houden. De groep vraagt om een vierjarige ondersteuning van € 299.103 per jaar.
T.r.a.s.h. ontving in de afgelopen jaren verschillende projectsubsidies van het voormalige FAPK. T.r.a.s.h. wordt sinds 2006 structureel ondersteund door de Gemeente Tilburg en de Provincie Noord Brabant.
Beoordeling
Volgens de commissie heeft T.r.a.s.h. zich in de afgelopen jaren ontwikkeld van een beginnende
Tilburgse groep naar een herkenbaar danstheatergezelschap met een sterke naamsbekendheid.
Met zijn eigentijdse en energieke voorstellingen weet de groep een nieuw, jong publiek aan te spreken.
Gedurende de korte tijd die T.r.a.s.h. bestaat, heeft de groep mede dankzij de samenwerking met Productiehuis Brabant en ondersteuning vanuit de gemeente Tilburg een aanzienlijke artistieke groei doorgemaakt. De commissie is positief over het feit dat het driemanschap daarbij steeds kritisch naar zichzelf kijkt en op zoek durft te gaan naar verdere verdieping; het agressieve bewegingsmateriaal dat aanvankelijk een beproefd recept leek te worden voor de voorstellingen, heeft inmiddels plaats gemaakt voor meer subtiliteit en gelaagdheid, waardoor zowel het bewegingsidioom als de dramatische kwaliteit van het werk sterk is ontwikkeld.
Op basis hiervan heeft de commissie er vertrouwen in dat de groep deze lijn de komende jaren zal weten door te zetten en is ze positief over de in het beleidsplan beschreven
interdisciplinaire aanpak. Daarbij is naar haar mening sprake van een evenwichtige balans tussen de productie van nieuw werk en het verrichten van onderzoek vanuit ‘Het Bouwhuis’.
De commissie heeft waardering voor de bevlogenheid die de bedrijfsvoering van T.r.a.s.h. kenmerkt. De groep is in staat gebleken met relatief weinig middelen een sterke organisatie op te bouwen, die met goed gekozen verkoop- en bemiddelingskanalen in staat is om zijn publiek te bereiken. Dit blijkt volgens de commissie ook uit de manier waarop de groep de komende jaren door de inzet van korte, flexibele voorstellingen in theaters met verschillende
soorten zalen, wil doorgroeien naar het grote zalencircuit. Desondanks vindt zij het jammer
dat een uitgewerkte marketingstrategie geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag.
De commissie vindt het enthousiasme van deze ‘jonge instelling’ ten aanzien van het buitenland
begrijpelijk, maar is niet overtuigd van het groeiperspectief dat T.r.a.s.h. voor zichzelf ziet op dit gebied. De ambities van T.r.a.s.h. om zijn voorstellingen af te zetten in landen als Groot-Brittannië, Spanje, Duitsland en Italië zijn weinig uitgewerkt. Dat de groep vaste voet aan de grond heeft gekregen in Frankrijk en daar inmiddels samenwerkt met een aantal belangrijke coproducenten en ‘residency-plekken’, is volgens de commissie positief. De groep heeft daarbij goed weten te profiteren van het ‘Saison’ dat het Institut Néerlandais vorig jaar organiseerde en zal in 2008 en 2009 zeker ook baat hebben bij het Frankrijk-project van het Theater Instituut Nederland.
De commissie gaat er van uit dat de professionalisering van de organisatie van T.r.a.s.h. die de laatste jaren heeft plaatsgevonden zal worden gecontinueerd. Gezien de stijging van het aantal activiteiten in de periode 2009-2012, beschouwt zij dit als een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van het gezelschap.
De meerjarenbegroting van T.r.a.s.h. kent volgens de commissie een evenwichtige verdeling van inkomsten uit subsidie. Daarnaast acht zij het percentage van 31% publieksinkomsten dat de groep de komende jaren verwacht te behalen realistisch. Desondanks plaatst de commissie
kanttekeningen bij de weinig gedetailleerde wijze waarop de meerjarenbegroting voor de periode 2009-2012 is uitgewerkt. Hierdoor wordt naar haar mening niet overtuigend aangetoond dat het volledige gevraagde subsidiebedrag daadwerkelijk nodig is om de voorgenomen
ambities te kunnen realiseren.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke ontwikkeling die T.r.a.s.h. de afgelopen jaren heeft doorgemaakt. Het beleidsplan van het jonge gezelschap is overtuigend en biedt daarnaast
voldoende aanknopingspunten om vertrouwen te hebben in de verdere groei van de groep. Zij adviseert om T.r.a.s.h. op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 voor een bedrag van € 250.000 op voorwaarde dat een herzien beleidsplan wordt ingediend waarin rekening wordt gehouden met bovenstaande kanttekeningen.
dans
Toegekend bedrag:
€ 263.664,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 263.664,- (per jaar)
Stichting Terschellings Oerol Festival
Oerol
Inleiding
Oerol is een grootschalig tiendaags multidisciplinair locatietheaterfestival dat het eiland Terschelling als podium en inspiratiebron gebruikt. In de afgelopen 27 jaar is het festival uitgegroeid van een klein straattheaterfestival tot een grootschalig nationaal en internationaal
zeer gewaardeerd festival. De programmering heeft ieder jaar een speciaal thema en biedt met de situering op het eiland de ideale condities aan theatermakers en kunstenaars om nieuw werk te creëren. Naast een locatiegericht festival is Oerol een ontwikkel- en
productieplatform van belangwekkend en vernieuwend aanbod binnen een internationale context en fungeert daarnaast ook als platform voor internationale uitwisseling door vak-genoten. Het festival biedt bij uitstek onderdak aan een grote verscheidenheid van getalenteerde
Nederlandse en internationale kunstenaars, die het experiment en de uitdagingen van de kunsten in het landschap opzoeken. Het festival heeft een belangrijke internationale uitstraling waarbij het artistieke experiment hand in hand gaat met een groot publieksbereik,
zo vermeldt het beleidsplan.
Oerol ambieert een sterke internationale positie en stelt in zijn beleidsplan de volgende functies te vervullen: internationaal locatiegericht festival; ontwikkel- en productieplatform van belangwekkend en vernieuwend aanbod; platform voor internationale uitwisseling voor vakgenoten; internationale springplank voor talent.
In de afgelopen periode heeft Oerol zich een aantal artistieke prioriteiten gesteld: het coproduceren
en programmeren van grootschalige locatieproducties, het verstevigen van de werkplaatsfunctie, een structurele plek bieden voor beeldende kunst en het stimuleren van landschapskunst. Er zijn resultaten geboekt, maar de structurele middelen om vorm te geven aan de artistieke prioriteiten bleven achter bij het niveau dat nodig is om het festival over de hele linie naar het gewenste kwaliteitsniveau te tillen. Oerol stelt dat het coproduceren
en programmeren van grootschalige locatieprojecten door gebrek aan zowel productie- als programmabudget nauwelijks te realiseren valt. Daarnaast kent de financiering van de werkplaats door particuliere fondsen een onzekere toekomst en ontbreken middelen voor beeldende kunst en landschapskunst in het geheel. De uitvoering van genoemde prioriteiten staat met gelijkblijvende middelen ook voor de toekomst onder grote financiële druk. Naast de artistieke prioriteiten stond in de vorige periode het waarborgen van de continuïteit van het festival centraal. Met de professionalisering van de organisatie zijn daarin de beoogde doelstellingen bereikt.
Voor de komende periode wil Oerol zijn internationale voortrekkersrol in het ontwikkelen en presenteren van locatiegerichte theater- en kunstprojecten inhoudelijk en kwalitatief uitbouwen door de unieke condities van het eiland als inspiratiebron, als werkplaats en als podium uit te buiten. Oerol wil de grenzen van het fenomeen festival verleggen en steeds meer de indeling in disciplines loslaten. Daarmee sluit Oerol zich aan bij de nieuwste ontwikkelingen
binnen de kunsten en geeft het vorm aan de behoefte van het publiek dat uit is op grensverleggende ervaringen. De doelstellingen voor de komende vier jaar zijn gericht op de verdieping van de inhoudelijke ontwikkeling van het festival en daarmee op het vergroten
van de artistieke kwaliteit. Oerol wil investeren in: het artistieke team; het programmeringsbudget;
een nationale en internationale werkplaats; grootschalige internationale locatieprojecten; beeldende kunst en landschapskunst. De ontwikkeling die de organisatie wil inzetten wordt als volgt omschreven: “Oerol ontwikkelt zich van een multidisciplinair festival naar een zorgvuldig georkestreerde totale beleving van cultuur en natuur”.
De begroting stijgt van € 2.800.364 in 2006 naar € 4.250.000 in 2009.
Oerol ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Oerol heeft de afgelopen
jaren deelgenomen aan de Zomerpilot, waardoor met steun van het voormalige FAPK een aantal producties tot stand is gekomen. Tevens heeft Oerol vanuit het Internationaliseringbudget
van het FAPK subsidie ontvangen en verschillende bijdragen vanuit de Festivalregeling
van het voormalige FPPM.
Het voorliggende beleidsplan is geschreven om in aanmerking te komen als internationaal platform op het gebied van (locatie)theater in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar is daartoe niet in behandeling genomen en in februari overgeheveld naar het NFPK+. Tegen het besluit van de selectiecommissie is de organisatie in bezwaar gegaan en om die reden heeft ze haar aanvraag niet aangepast.
Beoordeling
De commissie vindt Oerol een enerverend festival dat door zijn locatie en vorm een belangrijke
bijdrage levert aan de diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap. De festivalsfeer is uniek. De programmering beschouwt de commissie in grote lijnen als een aanvulling op het bestaande aanbod. De commissie merkt daarbij op dat de grote kwantiteit van het aanbod soms afbreuk doet aan het onderscheidend en kwalitatief hoogstaand programma
van Oerol. Dat betreurt ze, omdat Oerol bij uitstek een belangrijke brugfunctie vervult
om voor een groot en breed publiek dit theater - en de verwante disciplines die op het festival te zien, horen en beleven zijn - toegankelijk te maken.
De commissie moet desondanks constateren dat het voorliggende beleidsplan enigszins teleurstelt. De aanvraag mist de nodige gedrevenheid en bezieling. De artistieke verdieping die de organisatie zegt na te streven lijkt grotendeels bereikt te moeten worden door het aanstellen van een extra team van gespecialiseerde programmeurs. De commissie vindt de personele groei die de organisatie voor ogen staat naar om en nabij 12 vaste fte’s, los nog van het productieteam dat naar 7,5 fte moet groeien, buitenproportioneel en van weinig efficiëntie
getuigen.
De uitbreiding van het aantal activiteiten betreft het Oerol spoelt aan-programma. De commissie
vindt dit programma een interessante bijdrage leveren aan de ketengedachte, maar acht het van primair regionaal belang. Het aantal activiteiten op Terschelling zelf blijft vrijwel
gelijk; het festival is wat activiteiten en bezoekers betreft volgens de commissie ook aan zijn maximum gekomen. De commissie is positief over de inspanningen die Oerol verricht om het publiek ook te blijven vernieuwen. Door eindelijk een start te maken met de online verkoop van kaarten wordt de drempel voor een potentieel nieuw publiek vermoedelijk aanzienlijk
verlaagd. Ook de mogelijkheden voor dagbezoek aan het festival heeft de organisatie goed ter hand genomen. De commissie constateert voorts dat het festival publicitair stevig aan de weg timmert en de landelijke media weet in te schakelen. Voor het uitbouwen van de merknaam, zoals de organisatie van plan is, lijkt de commissie derhalve geen grote investering
nodig. Oerol staat al als een huis.
Het vertrouwen in de artistieke meerwaarde van het festival is grotendeels gebaseerd op de inbreng van zijn oprichter Joop Mulder. Voor het internationale netwerk waar het festival zich in bevindt speelt hij een cruciale rol. Dit netwerk geeft de commissie weliswaar het nodige vertrouwen dat Oerol een avontuurlijke internationale programmering zal weten te realiseren, maar het plan met ambities, die op dit gebied verder gaan, is minimaal uitgewerkt.
Aan een plan om met internationaal gerenommeerde kunstenaars te gaan werken, die bij uitstek een lange termijn planning vragen, zou volgens de commissie ook een langetermijnvisie
ten grondslag moeten liggen. Deze ontbreekt, zoals ook bijvoorbeeld een idee met wie de organisatie komende jaren wil werken. Nu blijft het beleidsplan steken op de grote naam van Robert Wilson voor de editie van dit jaar. Ook over de ambities voor het opzetten van een ‘artists in residence’ programma, of de internationale ontwikkeling van de werkplaats geeft het plan zo weinig prijs dat de commissie geen basis kan vinden om de gewenste internationale uitbreiding op structurele basis te honoreren.
Voor het nationale deel is de commissie positief over de voornemens van Oerol om samen te werken met bestaande grote theaterinstellingen, die op het eiland locatievoorstellingen presenteren.
De commissie vindt dit een ontwikkeling die recht doet aan de hoge vlucht die het werken op locatie in de afgelopen jaren heeft genomen. De expertise die de organisatie heeft op het gebied van locatietheater en die zij middels een kenniscentrum – genoemd in de aanvraag, maar niet uitgewerkt – klaarblijkelijk wil opzetten zou hier goed ingezet kunnen
worden. Dat vindt de commissie van groter belang dan de ontwikkeling van een eigen en specifieke werkplaats voor locatietheater.
Ook is de commissie positief over de goede strategische partners, waaronder Villa Zebra uit Rotterdam voor het ontwikkelen van een educatief project en (kunst)instellingen in het noorden.
Voorts merkt de commissie op dat zij Oerol als cultureel ondernemer een voorbeeldfunctie vindt vervullen voor de sector. Ten slotte levert Oerol een welkome bijdrage aan de regionale spreiding van het festivalaanbod.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt positief over Oerol gezien zijn nog altijd unieke positie in het festivallandschap,
zijn landelijke uitstraling, de brugfunctie die het vervult naar het publiek en de verbinding van disciplines. Ook het cultureel ondernemerschap van de organisatie wordt gewaardeerd, maar de commissie is niet onkritisch over het voorliggende beleidsplan dat summier is uitgewerkt en over de personele groei die Oerol voor ogen staat. Op basis van het vertrouwen dat de commissie heeft in de artistieke meerwaarde van het huidige festival adviseert de commissie Oerol op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en ter versterking van zijn huidige structurele activiteiten het subsidiebedrag
te verhogen.
Oerol is een grootschalig tiendaags multidisciplinair locatietheaterfestival dat het eiland Terschelling als podium en inspiratiebron gebruikt. In de afgelopen 27 jaar is het festival uitgegroeid van een klein straattheaterfestival tot een grootschalig nationaal en internationaal
zeer gewaardeerd festival. De programmering heeft ieder jaar een speciaal thema en biedt met de situering op het eiland de ideale condities aan theatermakers en kunstenaars om nieuw werk te creëren. Naast een locatiegericht festival is Oerol een ontwikkel- en
productieplatform van belangwekkend en vernieuwend aanbod binnen een internationale context en fungeert daarnaast ook als platform voor internationale uitwisseling door vak-genoten. Het festival biedt bij uitstek onderdak aan een grote verscheidenheid van getalenteerde
Nederlandse en internationale kunstenaars, die het experiment en de uitdagingen van de kunsten in het landschap opzoeken. Het festival heeft een belangrijke internationale uitstraling waarbij het artistieke experiment hand in hand gaat met een groot publieksbereik,
zo vermeldt het beleidsplan.
Oerol ambieert een sterke internationale positie en stelt in zijn beleidsplan de volgende functies te vervullen: internationaal locatiegericht festival; ontwikkel- en productieplatform van belangwekkend en vernieuwend aanbod; platform voor internationale uitwisseling voor vakgenoten; internationale springplank voor talent.
In de afgelopen periode heeft Oerol zich een aantal artistieke prioriteiten gesteld: het coproduceren
en programmeren van grootschalige locatieproducties, het verstevigen van de werkplaatsfunctie, een structurele plek bieden voor beeldende kunst en het stimuleren van landschapskunst. Er zijn resultaten geboekt, maar de structurele middelen om vorm te geven aan de artistieke prioriteiten bleven achter bij het niveau dat nodig is om het festival over de hele linie naar het gewenste kwaliteitsniveau te tillen. Oerol stelt dat het coproduceren
en programmeren van grootschalige locatieprojecten door gebrek aan zowel productie- als programmabudget nauwelijks te realiseren valt. Daarnaast kent de financiering van de werkplaats door particuliere fondsen een onzekere toekomst en ontbreken middelen voor beeldende kunst en landschapskunst in het geheel. De uitvoering van genoemde prioriteiten staat met gelijkblijvende middelen ook voor de toekomst onder grote financiële druk. Naast de artistieke prioriteiten stond in de vorige periode het waarborgen van de continuïteit van het festival centraal. Met de professionalisering van de organisatie zijn daarin de beoogde doelstellingen bereikt.
Voor de komende periode wil Oerol zijn internationale voortrekkersrol in het ontwikkelen en presenteren van locatiegerichte theater- en kunstprojecten inhoudelijk en kwalitatief uitbouwen door de unieke condities van het eiland als inspiratiebron, als werkplaats en als podium uit te buiten. Oerol wil de grenzen van het fenomeen festival verleggen en steeds meer de indeling in disciplines loslaten. Daarmee sluit Oerol zich aan bij de nieuwste ontwikkelingen
binnen de kunsten en geeft het vorm aan de behoefte van het publiek dat uit is op grensverleggende ervaringen. De doelstellingen voor de komende vier jaar zijn gericht op de verdieping van de inhoudelijke ontwikkeling van het festival en daarmee op het vergroten
van de artistieke kwaliteit. Oerol wil investeren in: het artistieke team; het programmeringsbudget;
een nationale en internationale werkplaats; grootschalige internationale locatieprojecten; beeldende kunst en landschapskunst. De ontwikkeling die de organisatie wil inzetten wordt als volgt omschreven: “Oerol ontwikkelt zich van een multidisciplinair festival naar een zorgvuldig georkestreerde totale beleving van cultuur en natuur”.
De begroting stijgt van € 2.800.364 in 2006 naar € 4.250.000 in 2009.
Oerol ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Oerol heeft de afgelopen
jaren deelgenomen aan de Zomerpilot, waardoor met steun van het voormalige FAPK een aantal producties tot stand is gekomen. Tevens heeft Oerol vanuit het Internationaliseringbudget
van het FAPK subsidie ontvangen en verschillende bijdragen vanuit de Festivalregeling
van het voormalige FPPM.
Het voorliggende beleidsplan is geschreven om in aanmerking te komen als internationaal platform op het gebied van (locatie)theater in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar is daartoe niet in behandeling genomen en in februari overgeheveld naar het NFPK+. Tegen het besluit van de selectiecommissie is de organisatie in bezwaar gegaan en om die reden heeft ze haar aanvraag niet aangepast.
Beoordeling
De commissie vindt Oerol een enerverend festival dat door zijn locatie en vorm een belangrijke
bijdrage levert aan de diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap. De festivalsfeer is uniek. De programmering beschouwt de commissie in grote lijnen als een aanvulling op het bestaande aanbod. De commissie merkt daarbij op dat de grote kwantiteit van het aanbod soms afbreuk doet aan het onderscheidend en kwalitatief hoogstaand programma
van Oerol. Dat betreurt ze, omdat Oerol bij uitstek een belangrijke brugfunctie vervult
om voor een groot en breed publiek dit theater - en de verwante disciplines die op het festival te zien, horen en beleven zijn - toegankelijk te maken.
De commissie moet desondanks constateren dat het voorliggende beleidsplan enigszins teleurstelt. De aanvraag mist de nodige gedrevenheid en bezieling. De artistieke verdieping die de organisatie zegt na te streven lijkt grotendeels bereikt te moeten worden door het aanstellen van een extra team van gespecialiseerde programmeurs. De commissie vindt de personele groei die de organisatie voor ogen staat naar om en nabij 12 vaste fte’s, los nog van het productieteam dat naar 7,5 fte moet groeien, buitenproportioneel en van weinig efficiëntie
getuigen.
De uitbreiding van het aantal activiteiten betreft het Oerol spoelt aan-programma. De commissie
vindt dit programma een interessante bijdrage leveren aan de ketengedachte, maar acht het van primair regionaal belang. Het aantal activiteiten op Terschelling zelf blijft vrijwel
gelijk; het festival is wat activiteiten en bezoekers betreft volgens de commissie ook aan zijn maximum gekomen. De commissie is positief over de inspanningen die Oerol verricht om het publiek ook te blijven vernieuwen. Door eindelijk een start te maken met de online verkoop van kaarten wordt de drempel voor een potentieel nieuw publiek vermoedelijk aanzienlijk
verlaagd. Ook de mogelijkheden voor dagbezoek aan het festival heeft de organisatie goed ter hand genomen. De commissie constateert voorts dat het festival publicitair stevig aan de weg timmert en de landelijke media weet in te schakelen. Voor het uitbouwen van de merknaam, zoals de organisatie van plan is, lijkt de commissie derhalve geen grote investering
nodig. Oerol staat al als een huis.
Het vertrouwen in de artistieke meerwaarde van het festival is grotendeels gebaseerd op de inbreng van zijn oprichter Joop Mulder. Voor het internationale netwerk waar het festival zich in bevindt speelt hij een cruciale rol. Dit netwerk geeft de commissie weliswaar het nodige vertrouwen dat Oerol een avontuurlijke internationale programmering zal weten te realiseren, maar het plan met ambities, die op dit gebied verder gaan, is minimaal uitgewerkt.
Aan een plan om met internationaal gerenommeerde kunstenaars te gaan werken, die bij uitstek een lange termijn planning vragen, zou volgens de commissie ook een langetermijnvisie
ten grondslag moeten liggen. Deze ontbreekt, zoals ook bijvoorbeeld een idee met wie de organisatie komende jaren wil werken. Nu blijft het beleidsplan steken op de grote naam van Robert Wilson voor de editie van dit jaar. Ook over de ambities voor het opzetten van een ‘artists in residence’ programma, of de internationale ontwikkeling van de werkplaats geeft het plan zo weinig prijs dat de commissie geen basis kan vinden om de gewenste internationale uitbreiding op structurele basis te honoreren.
Voor het nationale deel is de commissie positief over de voornemens van Oerol om samen te werken met bestaande grote theaterinstellingen, die op het eiland locatievoorstellingen presenteren.
De commissie vindt dit een ontwikkeling die recht doet aan de hoge vlucht die het werken op locatie in de afgelopen jaren heeft genomen. De expertise die de organisatie heeft op het gebied van locatietheater en die zij middels een kenniscentrum – genoemd in de aanvraag, maar niet uitgewerkt – klaarblijkelijk wil opzetten zou hier goed ingezet kunnen
worden. Dat vindt de commissie van groter belang dan de ontwikkeling van een eigen en specifieke werkplaats voor locatietheater.
Ook is de commissie positief over de goede strategische partners, waaronder Villa Zebra uit Rotterdam voor het ontwikkelen van een educatief project en (kunst)instellingen in het noorden.
Voorts merkt de commissie op dat zij Oerol als cultureel ondernemer een voorbeeldfunctie vindt vervullen voor de sector. Ten slotte levert Oerol een welkome bijdrage aan de regionale spreiding van het festivalaanbod.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt positief over Oerol gezien zijn nog altijd unieke positie in het festivallandschap,
zijn landelijke uitstraling, de brugfunctie die het vervult naar het publiek en de verbinding van disciplines. Ook het cultureel ondernemerschap van de organisatie wordt gewaardeerd, maar de commissie is niet onkritisch over het voorliggende beleidsplan dat summier is uitgewerkt en over de personele groei die Oerol voor ogen staat. Op basis van het vertrouwen dat de commissie heeft in de artistieke meerwaarde van het huidige festival adviseert de commissie Oerol op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012 en ter versterking van zijn huidige structurele activiteiten het subsidiebedrag
te verhogen.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 419.849,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 419.849,- (per jaar)
Stichting Tetzepi
Tetzepi
Inleiding
Tetzepi noemt als haar kernactiviteiten de band ‘het Tetzepi Bigtet’ en de educatieve taken onder de noemer ‘de Tetzepi Methode’. Tetzepi stelt bij al haar activiteiten onderzoek en ontwikkeling centraal. Tetzepi Bigtet is een ensemble van 15 musici met een eigen idioom op het grensvlak van jazz, geïmproviseerde en hedendaagse gecomponeerde muziek. Tetzepi beschrijft zelf de optredens van de groep als ‘een opeenvolging van overweldigende complexheid
en contrastrijke subtiliteit, waarbij de gebruikte muzikale middelen divers zijn’. De stichting biedt een platform voor een generatie vernieuwende componisten op het terrein van de jazz en geïmproviseerde muziek. Daarbij hanteert zij een aantal artistiek-inhoudelijke
criteria waar nieuwe composities aan moeten voldoen.
Tetzepi acht een intensieve benadering van (toekomstig) publiek noodzakelijk, hetgeen aanleiding
vormt voor de ontwikkeling van educatieve programma’s en een nieuwe didactiek voor kunst- en cultuuronderwijs. Zo zijn artistiek leiders en musici van het Tetzepi Bigtet bedenkers en uitvoerder van het educatieve programma ‘De Tetzepi Methode’, dat wordt ingezet op en voor middelbare scholen, muziekscholen, jeugdorkesten, big bands, harmonieorkesten
en fanfares.
De komende periode wil Tetzepi zich verder ontwikkelen en professionaliseren als ensemble,
als aanbieder van educatieve activiteiten en als organisatie, met als doel onder meer een toename van het aantal speelbeurten.
Tetzepi heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. Tetzepi is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de uitvoeringskwaliteit van Tetzepi. De musici en het repertoire
overtuigen door hun oorspronkelijkheid en zeggingskracht. De commissie is van mening dat Tetzepi met de bijzondere aanpak een welkome aanvulling betekent voor de diversiteit op de Nederlandse podia.
Tetzepi presenteert een aanvraag waaruit gedrevenheid en doorzettingskracht spreekt. En hoewel de commissie van mening is dat een aantal zaken scherper geformuleerd had kunnen
worden, oordeelt zij dat sprake is van een duidelijke artistieke signatuur. Het gebruik van een term als ‘research’ wordt volgens de commissie te gemakkelijk toegepast, omdat zij de indruk heeft dat hier in wezen niet meer dan ‘uitproberen’ bedoeld wordt. En juist de fusie van stijlen waarover in de aanvraag wordt gesproken, zou voor de commissie inzichtelijker
zijn geworden als deze beter zou zijn uitgewerkt.
De commissie maakt zich enigszins zorgen over de publieksontwikkeling van het ensemble. Tetzepi is er de afgelopen jaren onvoldoende in geslaagd om een verbreding van het publieksbereik te bewerkstelligen. Zij gaat er dan ook vanuit dat Tetzepi met meerjarige ondersteuning de door haar gewenste professionalisering effectief en efficiënt vorm zal weten te geven en in staat zal zijn de geformuleerde ambities te verwezenlijken.
De commissie waardeert het dat de instelling aantrekkelijke educatieve activiteiten ontwikkelt,
in het kader van publieksbereik en -ontwikkeling. Zij is er ook van overtuigd dat deze activiteiten, mede door de aanstekelijke manier waarop ze worden gepresenteerd, hieraan een geslaagde bijdrage kunnen leveren. De Tetzepi-methode behoeft in haar ogen echter wel een verdere didactische uitwerking.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke uitvoeringskwaliteit van Tetzepi en vindt dat de activiteiten van het ensemble bijdragen aan de diversiteit van het Nederlandse muziekaanbod.
Zij voegt hieraan toe dat Tetzepi zijn publieksontwikkeling aanzienlijk dient te verbeteren.
De commissie adviseert Tetzepi op te nemen in de regeling Vierjarige subsidie Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Tetzepi noemt als haar kernactiviteiten de band ‘het Tetzepi Bigtet’ en de educatieve taken onder de noemer ‘de Tetzepi Methode’. Tetzepi stelt bij al haar activiteiten onderzoek en ontwikkeling centraal. Tetzepi Bigtet is een ensemble van 15 musici met een eigen idioom op het grensvlak van jazz, geïmproviseerde en hedendaagse gecomponeerde muziek. Tetzepi beschrijft zelf de optredens van de groep als ‘een opeenvolging van overweldigende complexheid
en contrastrijke subtiliteit, waarbij de gebruikte muzikale middelen divers zijn’. De stichting biedt een platform voor een generatie vernieuwende componisten op het terrein van de jazz en geïmproviseerde muziek. Daarbij hanteert zij een aantal artistiek-inhoudelijke
criteria waar nieuwe composities aan moeten voldoen.
Tetzepi acht een intensieve benadering van (toekomstig) publiek noodzakelijk, hetgeen aanleiding
vormt voor de ontwikkeling van educatieve programma’s en een nieuwe didactiek voor kunst- en cultuuronderwijs. Zo zijn artistiek leiders en musici van het Tetzepi Bigtet bedenkers en uitvoerder van het educatieve programma ‘De Tetzepi Methode’, dat wordt ingezet op en voor middelbare scholen, muziekscholen, jeugdorkesten, big bands, harmonieorkesten
en fanfares.
De komende periode wil Tetzepi zich verder ontwikkelen en professionaliseren als ensemble,
als aanbieder van educatieve activiteiten en als organisatie, met als doel onder meer een toename van het aantal speelbeurten.
Tetzepi heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd. Tetzepi is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de uitvoeringskwaliteit van Tetzepi. De musici en het repertoire
overtuigen door hun oorspronkelijkheid en zeggingskracht. De commissie is van mening dat Tetzepi met de bijzondere aanpak een welkome aanvulling betekent voor de diversiteit op de Nederlandse podia.
Tetzepi presenteert een aanvraag waaruit gedrevenheid en doorzettingskracht spreekt. En hoewel de commissie van mening is dat een aantal zaken scherper geformuleerd had kunnen
worden, oordeelt zij dat sprake is van een duidelijke artistieke signatuur. Het gebruik van een term als ‘research’ wordt volgens de commissie te gemakkelijk toegepast, omdat zij de indruk heeft dat hier in wezen niet meer dan ‘uitproberen’ bedoeld wordt. En juist de fusie van stijlen waarover in de aanvraag wordt gesproken, zou voor de commissie inzichtelijker
zijn geworden als deze beter zou zijn uitgewerkt.
De commissie maakt zich enigszins zorgen over de publieksontwikkeling van het ensemble. Tetzepi is er de afgelopen jaren onvoldoende in geslaagd om een verbreding van het publieksbereik te bewerkstelligen. Zij gaat er dan ook vanuit dat Tetzepi met meerjarige ondersteuning de door haar gewenste professionalisering effectief en efficiënt vorm zal weten te geven en in staat zal zijn de geformuleerde ambities te verwezenlijken.
De commissie waardeert het dat de instelling aantrekkelijke educatieve activiteiten ontwikkelt,
in het kader van publieksbereik en -ontwikkeling. Zij is er ook van overtuigd dat deze activiteiten, mede door de aanstekelijke manier waarop ze worden gepresenteerd, hieraan een geslaagde bijdrage kunnen leveren. De Tetzepi-methode behoeft in haar ogen echter wel een verdere didactische uitwerking.
Conclusie en advies
De commissie is positief over de artistieke uitvoeringskwaliteit van Tetzepi en vindt dat de activiteiten van het ensemble bijdragen aan de diversiteit van het Nederlandse muziekaanbod.
Zij voegt hieraan toe dat Tetzepi zijn publieksontwikkeling aanzienlijk dient te verbeteren.
De commissie adviseert Tetzepi op te nemen in de regeling Vierjarige subsidie Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 105.529,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 105.529,- (per jaar)
Stichting The Game of Life
The Game of Life
Inleiding
232 nfpk + | Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009 – 2012 233 nfpk + | Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009 – 2012
The Game of Life
Stichting The Game of Life
Inleiding
The Game of Life heeft als doelstelling ‘het organiseren van projecten op het gebied van de ruimtelijke weergave in de elektronische muziek’. Deze activiteiten organiseert de stichting sinds 1999. Met haar programmering tracht The Game of Life de diversiteit en de kwaliteit van de elektronische muziek voor het voetlicht te brengen. In het ingediende activiteitenplan
beschrijft de instelling haar positie in het huidige podiumkunstenbestel als ‘die van een laagdrempelige aanbieder van concerten van elektronische muziek waarbij de ruimtelijke weergave een centrale rol speelt’. The Game of Life biedt componisten de kans om te werken
met een weergavesysteem dat elders niet voorhanden is. Met dit weergavesysteem, een mobiel geluidssysteem dat overal kan worden opgesteld en gebaseerd is op het principe van ‘Wavefield Synthesis’ (WFS), ziet de instelling de mogelijkheid om de luisteraar een ervaring
te bieden die zelfs met de huidige surroundsoundsystemen thuis niet te beleven is.
In de komende periode wil The Game of Life zorgen voor veel nieuw repertoire dat zij met haar faciliteiten tot klinken kan brengen. In het activiteitenplan kondigt zij aan het repertoire
te willen diversifiëren door toevoeging van de elektronische popmuziek, de geïmproviseerde
muziek, en muziek met een duidelijke culturele achtergrond. Zij wil actief podia in binnen- en buitenland gaan benaderen voor de programmering van concerten en samenwerking
zoeken met een aantal internationale festivals. Om de werkzaamheden verder te kunnen professionaliseren heeft The Game of Life een aanvraag ingediend voor een vierjarige
subsidie.
The Game of Life heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. The Game of Life is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund
door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de mogelijkheden die The Game of Life biedt voor de ontwikkeling
van het genre elektronische muziek. De aanvraag van de instelling beschrijft in heldere
bewoordingen de totstandkoming van het WFS-systeem en de ontwikkeling die dit al heeft doorgemaakt. De commissie is ervan overtuigd dat het systeem zowel nationaal als internationaal van betekenis kan zijn. Het is uniek te noemen dat een dergelijke mobiele installatie de klankvoorstelling van een componist van elektronische muziek op deze manier op haast elke denkbare (tegen regen beschutte) plek kan realiseren.
Ondanks dit positieve oordeel rijzen bij de commissie ook enkele vragen. De commissie kan zich moeilijk een voorstelling maken van het uitnodigingenbeleid dat The Game of Life zal voeren ten aanzien van componisten. Zij zijn immers de beoogde ‘bespelers’ van het systeem. Er wordt weliswaar samengewerkt met een aantal relevante instellingen, zoals het Instituut voor Sonologie, en er wordt eveneens opgemerkt dat ook popmusici interesse hebben
voor het systeem, maar de commissie verwacht van de instelling een aangescherpte artistieke visie.
Daarnaast verdient de bedrijfsvoering professionalisering. Het plan voorziet in de benoeming
van een persoon die verantwoordelijk wordt voor de exploitatie. Dat is naar de mening van de commissie niet genoeg om er daadwerkelijk voor te zorgen dat een groot en breed publiek de bijzondere klankervaring van het systeem kan ervaren. De commissie wenst dat met de financiële ondersteuning een stevige aanvang kan worden gemaakt met de professionalisering
van The Game of Life die de zichtbaarheid en naamsbekendheid van de instelling
ten goede komen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat The Game of Life voor de elektronische muziek een kwalitatief
waardevolle impuls vormt, die internationaal van betekenis is. Zij beschouwt de structurele
subsidie als een stimulans om de organisatie verder te professionaliseren zodat een effectieve exploitatie en naamsbekendheid van The Game of Life gerealiseerd kan worden.De commissie adviseert The Game of Life op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
232 nfpk + | Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009 – 2012 233 nfpk + | Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009 – 2012
The Game of Life
Stichting The Game of Life
Inleiding
The Game of Life heeft als doelstelling ‘het organiseren van projecten op het gebied van de ruimtelijke weergave in de elektronische muziek’. Deze activiteiten organiseert de stichting sinds 1999. Met haar programmering tracht The Game of Life de diversiteit en de kwaliteit van de elektronische muziek voor het voetlicht te brengen. In het ingediende activiteitenplan
beschrijft de instelling haar positie in het huidige podiumkunstenbestel als ‘die van een laagdrempelige aanbieder van concerten van elektronische muziek waarbij de ruimtelijke weergave een centrale rol speelt’. The Game of Life biedt componisten de kans om te werken
met een weergavesysteem dat elders niet voorhanden is. Met dit weergavesysteem, een mobiel geluidssysteem dat overal kan worden opgesteld en gebaseerd is op het principe van ‘Wavefield Synthesis’ (WFS), ziet de instelling de mogelijkheid om de luisteraar een ervaring
te bieden die zelfs met de huidige surroundsoundsystemen thuis niet te beleven is.
In de komende periode wil The Game of Life zorgen voor veel nieuw repertoire dat zij met haar faciliteiten tot klinken kan brengen. In het activiteitenplan kondigt zij aan het repertoire
te willen diversifiëren door toevoeging van de elektronische popmuziek, de geïmproviseerde
muziek, en muziek met een duidelijke culturele achtergrond. Zij wil actief podia in binnen- en buitenland gaan benaderen voor de programmering van concerten en samenwerking
zoeken met een aantal internationale festivals. Om de werkzaamheden verder te kunnen professionaliseren heeft The Game of Life een aanvraag ingediend voor een vierjarige
subsidie.
The Game of Life heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 subsidie aangevraagd, maar deze is niet toegekend. The Game of Life is de afgelopen jaren incidenteel ondersteund
door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is positief over de mogelijkheden die The Game of Life biedt voor de ontwikkeling
van het genre elektronische muziek. De aanvraag van de instelling beschrijft in heldere
bewoordingen de totstandkoming van het WFS-systeem en de ontwikkeling die dit al heeft doorgemaakt. De commissie is ervan overtuigd dat het systeem zowel nationaal als internationaal van betekenis kan zijn. Het is uniek te noemen dat een dergelijke mobiele installatie de klankvoorstelling van een componist van elektronische muziek op deze manier op haast elke denkbare (tegen regen beschutte) plek kan realiseren.
Ondanks dit positieve oordeel rijzen bij de commissie ook enkele vragen. De commissie kan zich moeilijk een voorstelling maken van het uitnodigingenbeleid dat The Game of Life zal voeren ten aanzien van componisten. Zij zijn immers de beoogde ‘bespelers’ van het systeem. Er wordt weliswaar samengewerkt met een aantal relevante instellingen, zoals het Instituut voor Sonologie, en er wordt eveneens opgemerkt dat ook popmusici interesse hebben
voor het systeem, maar de commissie verwacht van de instelling een aangescherpte artistieke visie.
Daarnaast verdient de bedrijfsvoering professionalisering. Het plan voorziet in de benoeming
van een persoon die verantwoordelijk wordt voor de exploitatie. Dat is naar de mening van de commissie niet genoeg om er daadwerkelijk voor te zorgen dat een groot en breed publiek de bijzondere klankervaring van het systeem kan ervaren. De commissie wenst dat met de financiële ondersteuning een stevige aanvang kan worden gemaakt met de professionalisering
van The Game of Life die de zichtbaarheid en naamsbekendheid van de instelling
ten goede komen.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat The Game of Life voor de elektronische muziek een kwalitatief
waardevolle impuls vormt, die internationaal van betekenis is. Zij beschouwt de structurele
subsidie als een stimulans om de organisatie verder te professionaliseren zodat een effectieve exploitatie en naamsbekendheid van The Game of Life gerealiseerd kan worden.De commissie adviseert The Game of Life op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 88.792,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 88.792,- (per jaar)
Stichting The Glasshouse
The Glasshouse
Inleiding
The Glasshouse is een theatercollectief van de interdisciplinaire theatermakers Kees Roorda
en Catherine Henegan. De zakelijke leiding en verkoop is in handen van Wilma Kuite van Bureau Alles voor de Kunsten. The Glasshouse concentreert zich volgens de aanvraag op de kernbegrippen openheid, vitaliteit, experiment en persoonlijk engagement. De groep wil voorstellingen maken die de schokkende en indringende verhalen van onze tijd vertellen, waarbij de toeschouwer wordt geprikkeld om zich actief te verhouden tot de onmogelijke (re)constructie van het complete ware verhaal. The Glasshouse baseert zich op de rauwe, vitale poëzie van onze samenleving: verhalen over morele dilemma’s en menselijke tekortkomingen.
Dit gebeurt altijd vanuit compassie met de worstelende mens die naar erkenning en warmte snakt; de aanvrager noemt de voorstellingen ‘documents humains’.
The Glasshouse zegt aan structurele ondersteuning toe te zijn om in vertrouwen en continuïteit
te kunnen werken, de artistieke ambities uit te bouwen, duurzamere en verdiepende werkrelaties aan te gaan, het publieksbereik te kunnen vergroten en de organisatie te professionaliseren.
De aanvrager wil structurelere relaties aangaan met de theaters. The Glasshouse wordt een van de huisgezelschappen van Theater Bellevue en kan zo een vast hoofdstedelijk publiek opbouwen. Het gezelschap wil inspelen op de ambitie van Bellevue om een jonger publiek te trekken door een avontuurlijk educatief programma aan te bieden.
Ruimere financiële mogelijkheden maken de geplande internationale samenwerking met het land van herkomst van Henegan, Zuid-Afrika, meer solide. The Glasshouse realiseert zich dat het wat betreft educatie, marketing en publiciteit nog maar aan het begin staat. Sinds de samenwerking met het Bureau Alles voor de Kunsten is een gemiddelde tournee naar eigen zeggen echter al gegroeid. Het spelen op festivals is een andere manier om nieuw publiek te bereiken.
In de komende periode gaat Roorda ieder jaar een nieuwe tekst ontwikkelen voor de middelgrote
zaal en uitbrengen bij The Glasshouse. Deze stukken gaan al dan niet in coproductie
spelen door het land en zijn voor een groot publiek bedoeld. Daarnaast zal Roorda zich nadrukkelijk bezig houden met het schrijven van opiniërende stukken over theater en maatschappij.
Verder is de samenwerking met kunstenaars uit verschillende disciplines één van de pijlers van The Glasshouse: met Theatergroep Space, met Ulrike Quade, dramaturgen Inès Sauer en Cecile Brommer, vormgever Stefano Ododardi, en acteurs Titus Muizelaar, Erik de Vries, Hein van der Heyden, Heidi Arts, Loes Haverkort, Astrid van Eck, Marina Kaptijn en Thomas de Bres.
The Glasshouse wil twee producties per jaar uitbrengen in het vlakkevloercircuit, waarvan één in coproductie. De groep vraagt om een jaarlijks bedrag van € 233.251 aan het NFPK+.
The Glasshouse heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd.
Wel werd de groep incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is van mening dat The Glasshouse een eigenzinnige groep is die onderdak biedt aan makers met veel potentie en ambitie. Kees Roorda is een sterk toneelschrijver, met persoonlijke, onconventionele ideeën. Binnen het palet van het Nederlandse theater neemt hij een eigen plek in. De commissie is nog niet volledig overtuigd van zijn regisseurscapaciteiten,
maar ziet genoeg kansen dat hij die in de komende periode verder zal ontwikkelen. Catharine Henegans bijdragen voegen, dankzij haar beeldtaal en de intense relatie met haar moederland, belangrijke facetten aan het gezamenlijke werk toe. Het gezelschap spreidt een consistente artistieke visie tentoon, die in wisselende vormen uitwerking krijgt. Met name door de interdisciplinariteit van het werk is The Glasshouse aanvullend ten opzichte van het landelijke aanbod.
De organisatie van The Glasshouse is compact en flexibel. In het begin van haar ontwikkeling
werd The Glasshouse ondersteund door Productiehuis Brabant en Huis aan de Werf. De commissie waardeert de samenwerking met Bellevue als een zelfstandige vervolgstap en heeft vertrouwen in de relatie met Alles voor de Kunsten. Niettemin wijst zij er op dat verdere
professionalisering van de organisatie intensieve aandacht behoeft.
The Glasshouse heeft een vanzelfsprekende aandacht voor culturele diversiteit en sterke internationale mogelijkheden door de banden die het gezelschap heeft met Zuid-Afrika.
Conclusie en advies
De commissie ziet in The Glasshouse een eigenzinnige groep met een grote (inter)nationale ambitie en potentie. Het gezelschap geeft blijk van een consistente artistieke visie, die wisselende
vormen kan aannemen. De groep kan een zinvolle bijdrage leveren aan het interdisciplinaire
genre. De commissie adviseert The Glasshouse op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
The Glasshouse is een theatercollectief van de interdisciplinaire theatermakers Kees Roorda
en Catherine Henegan. De zakelijke leiding en verkoop is in handen van Wilma Kuite van Bureau Alles voor de Kunsten. The Glasshouse concentreert zich volgens de aanvraag op de kernbegrippen openheid, vitaliteit, experiment en persoonlijk engagement. De groep wil voorstellingen maken die de schokkende en indringende verhalen van onze tijd vertellen, waarbij de toeschouwer wordt geprikkeld om zich actief te verhouden tot de onmogelijke (re)constructie van het complete ware verhaal. The Glasshouse baseert zich op de rauwe, vitale poëzie van onze samenleving: verhalen over morele dilemma’s en menselijke tekortkomingen.
Dit gebeurt altijd vanuit compassie met de worstelende mens die naar erkenning en warmte snakt; de aanvrager noemt de voorstellingen ‘documents humains’.
The Glasshouse zegt aan structurele ondersteuning toe te zijn om in vertrouwen en continuïteit
te kunnen werken, de artistieke ambities uit te bouwen, duurzamere en verdiepende werkrelaties aan te gaan, het publieksbereik te kunnen vergroten en de organisatie te professionaliseren.
De aanvrager wil structurelere relaties aangaan met de theaters. The Glasshouse wordt een van de huisgezelschappen van Theater Bellevue en kan zo een vast hoofdstedelijk publiek opbouwen. Het gezelschap wil inspelen op de ambitie van Bellevue om een jonger publiek te trekken door een avontuurlijk educatief programma aan te bieden.
Ruimere financiële mogelijkheden maken de geplande internationale samenwerking met het land van herkomst van Henegan, Zuid-Afrika, meer solide. The Glasshouse realiseert zich dat het wat betreft educatie, marketing en publiciteit nog maar aan het begin staat. Sinds de samenwerking met het Bureau Alles voor de Kunsten is een gemiddelde tournee naar eigen zeggen echter al gegroeid. Het spelen op festivals is een andere manier om nieuw publiek te bereiken.
In de komende periode gaat Roorda ieder jaar een nieuwe tekst ontwikkelen voor de middelgrote
zaal en uitbrengen bij The Glasshouse. Deze stukken gaan al dan niet in coproductie
spelen door het land en zijn voor een groot publiek bedoeld. Daarnaast zal Roorda zich nadrukkelijk bezig houden met het schrijven van opiniërende stukken over theater en maatschappij.
Verder is de samenwerking met kunstenaars uit verschillende disciplines één van de pijlers van The Glasshouse: met Theatergroep Space, met Ulrike Quade, dramaturgen Inès Sauer en Cecile Brommer, vormgever Stefano Ododardi, en acteurs Titus Muizelaar, Erik de Vries, Hein van der Heyden, Heidi Arts, Loes Haverkort, Astrid van Eck, Marina Kaptijn en Thomas de Bres.
The Glasshouse wil twee producties per jaar uitbrengen in het vlakkevloercircuit, waarvan één in coproductie. De groep vraagt om een jaarlijks bedrag van € 233.251 aan het NFPK+.
The Glasshouse heeft in het kader van de Cultuurnota 2005-2008 geen subsidie aangevraagd.
Wel werd de groep incidenteel ondersteund door het voormalige FAPK.
Beoordeling
De commissie is van mening dat The Glasshouse een eigenzinnige groep is die onderdak biedt aan makers met veel potentie en ambitie. Kees Roorda is een sterk toneelschrijver, met persoonlijke, onconventionele ideeën. Binnen het palet van het Nederlandse theater neemt hij een eigen plek in. De commissie is nog niet volledig overtuigd van zijn regisseurscapaciteiten,
maar ziet genoeg kansen dat hij die in de komende periode verder zal ontwikkelen. Catharine Henegans bijdragen voegen, dankzij haar beeldtaal en de intense relatie met haar moederland, belangrijke facetten aan het gezamenlijke werk toe. Het gezelschap spreidt een consistente artistieke visie tentoon, die in wisselende vormen uitwerking krijgt. Met name door de interdisciplinariteit van het werk is The Glasshouse aanvullend ten opzichte van het landelijke aanbod.
De organisatie van The Glasshouse is compact en flexibel. In het begin van haar ontwikkeling
werd The Glasshouse ondersteund door Productiehuis Brabant en Huis aan de Werf. De commissie waardeert de samenwerking met Bellevue als een zelfstandige vervolgstap en heeft vertrouwen in de relatie met Alles voor de Kunsten. Niettemin wijst zij er op dat verdere
professionalisering van de organisatie intensieve aandacht behoeft.
The Glasshouse heeft een vanzelfsprekende aandacht voor culturele diversiteit en sterke internationale mogelijkheden door de banden die het gezelschap heeft met Zuid-Afrika.
Conclusie en advies
De commissie ziet in The Glasshouse een eigenzinnige groep met een grote (inter)nationale ambitie en potentie. Het gezelschap geeft blijk van een consistente artistieke visie, die wisselende
vormen kan aannemen. De groep kan een zinvolle bijdrage leveren aan het interdisciplinaire
genre. De commissie adviseert The Glasshouse op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 241.467,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 241.467,- (per jaar)
Stichting Theater Gnaffel
Gnaffel
Inleiding
Gnaffel is gevestigd in Zwolle en maakt theater met poppen voor kinderen van vier tot en met twaalf jaar en voor volwassenen. Artistiek leider Elout Hol maakt de poppen zelf. Het zijn mensgrote poppen die in de voorstellingen als gelijkwaardige personages naast de acteurs fungeren. In de voorstellingen staan de mens en zijn blik op de wereld centraal. De poppen zijn een uitvergroting van de werkelijkheid; zij vertonen de menselijke onvolmaaktheden
en onhebbelijkheden. Volgens het gezelschap is ‘reizen in fantasie en verwondering’ de inhoudelijke verbinding tussen alle voorstellingen.
Gnaffel werkt samen met poppentheaterwerkplaats De Proeve, verzorgt workshops en lessen
poppenspel op ArtEZ, Hoge School voor de Kunsten in landsdeel Oost, en maakt voorstellingen
waarin jong talent en nieuwe makers de ruimte krijgen ervaring op te doen. Gnaffel wil ook verbinding zoeken met de Noordelijke Hogeschool in Leeuwarden.
In de komende periode 2009-2012 wil Gnaffel de artistieke kern uitbreiden met een regisseur.
Zij is hierover in gesprek met theatermaker Rob Vriens, met wie ook nu al wordt samengewerkt. Het gezelschap vindt zijn werkwijze en artistieke inbreng goed aansluiten bij de visie en manier van werken van Gnaffel. Door deze uitbreiding krijgt Elout Hol ook meer ruimte om het vakmanschap over te dragen aan jonge makers en spelers.
Gnaffel wil nieuwe samenwerkingsverbanden en nieuwe vormgevingsaspecten ontwikkelen.
Zij zoekt aan combinaties met andere disciplines, in het bijzonder met klassieke muziek en opera. Er zijn al concrete plannen met het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamer Opera Festival en Schat Kamer Opera, het Nederlands Fluitorkest.
Gnaffel doet mee aan diverse lokale en regionale samenwerkingsverbanden voor theater en onderwijs.
In de periode 2009-2012 wil Gnaffel vijf nieuwe reisproducties en vijf reprisetournees maken en het aantal speelbeurten fors uitbreiden. Verder worden elf kort lopende projecten ontwikkeld.
Gnaffel vraagt € 200.000 aan het NFPK+.
Gnaffel ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Gnaffel, dat volgens haar getuigt van zeggingskracht en authenticiteit en, ondanks de relatief hoge leeftijd van de groep, nog voldoende ontwikkeling vertoont. De voorgenomen samenwerking met muziek- en muziektheatergezelschappen waarin poppen een rol gaan spelen, vindt de commissie interessant. Ook op het gebied van publieksontwikkeling en -inkomsten is dit een stap voorwaarts,
al ontbreekt in het plan op dit punt echter wel een inhoudelijke uitwerking. De commissie
is positief over de voorgenomen structurele samenwerking met Rob Vriens. Door de artistieke inbreng van Vriens en doordat hij een aantal taken van Elout Hol kan overnemen of verlichten, ontstaat er meer stabiliteit in de basis van het gezelschap.
Volgens de commissie levert Gnaffel een bijdrage aan een evenwichtige geografische spreiding
van standplaatsen van podiumkunstinstellingen over heel Nederland. Zij heeft tevens een belangrijke functie in de lokale en regionale culturele infrastructuur. Daarbij is er sprake
van een substantiële bijdrage van de lokale en provinciale overheid.
Gnaffel gaat in haar plan voor 2009-2012 in op de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren
en publieksontwikkeling. Zij wil een prominente plek innemen in de noordelijke
regio door de afzet van haar voorstellingen (drastisch) te vergroten. Deze schaalvergroting lijkt de commissie niet realistisch. De commissie heeft wel vertrouwen in de inspanningen die Gnaffel verricht om de diverse lokale en regionale samenwerkingsverbanden
voor theater en onderwijs te versterken. Om zoveel mogelijk publiek te bereiken speelt Gnaffel behalve in het theatercircuit ook op festivals en scholen.
Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat Gnaffel beschikt over een professionele
organisatie en een realistische meerjarenbegroting presenteert.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt positief over de subsidieaanvraag van Gnaffel. Zij waardeert de artistieke
prestaties en vindt dat de voorgenomen plannen tot samenwerking met andere regisseurs
en disciplines getuigen van een levendige artistieke ambitie. De commissie heeft eveneens vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. Daarom adviseert zij Gnaffel op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ter versterking van de uitbreiding van haar structurele activiteiten het gevraagde subsidiebedrag
toe te kennen.
Gnaffel is gevestigd in Zwolle en maakt theater met poppen voor kinderen van vier tot en met twaalf jaar en voor volwassenen. Artistiek leider Elout Hol maakt de poppen zelf. Het zijn mensgrote poppen die in de voorstellingen als gelijkwaardige personages naast de acteurs fungeren. In de voorstellingen staan de mens en zijn blik op de wereld centraal. De poppen zijn een uitvergroting van de werkelijkheid; zij vertonen de menselijke onvolmaaktheden
en onhebbelijkheden. Volgens het gezelschap is ‘reizen in fantasie en verwondering’ de inhoudelijke verbinding tussen alle voorstellingen.
Gnaffel werkt samen met poppentheaterwerkplaats De Proeve, verzorgt workshops en lessen
poppenspel op ArtEZ, Hoge School voor de Kunsten in landsdeel Oost, en maakt voorstellingen
waarin jong talent en nieuwe makers de ruimte krijgen ervaring op te doen. Gnaffel wil ook verbinding zoeken met de Noordelijke Hogeschool in Leeuwarden.
In de komende periode 2009-2012 wil Gnaffel de artistieke kern uitbreiden met een regisseur.
Zij is hierover in gesprek met theatermaker Rob Vriens, met wie ook nu al wordt samengewerkt. Het gezelschap vindt zijn werkwijze en artistieke inbreng goed aansluiten bij de visie en manier van werken van Gnaffel. Door deze uitbreiding krijgt Elout Hol ook meer ruimte om het vakmanschap over te dragen aan jonge makers en spelers.
Gnaffel wil nieuwe samenwerkingsverbanden en nieuwe vormgevingsaspecten ontwikkelen.
Zij zoekt aan combinaties met andere disciplines, in het bijzonder met klassieke muziek en opera. Er zijn al concrete plannen met het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamer Opera Festival en Schat Kamer Opera, het Nederlands Fluitorkest.
Gnaffel doet mee aan diverse lokale en regionale samenwerkingsverbanden voor theater en onderwijs.
In de periode 2009-2012 wil Gnaffel vijf nieuwe reisproducties en vijf reprisetournees maken en het aantal speelbeurten fors uitbreiden. Verder worden elf kort lopende projecten ontwikkeld.
Gnaffel vraagt € 200.000 aan het NFPK+.
Gnaffel ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie is positief over de artistieke kwaliteit van het werk van Gnaffel, dat volgens haar getuigt van zeggingskracht en authenticiteit en, ondanks de relatief hoge leeftijd van de groep, nog voldoende ontwikkeling vertoont. De voorgenomen samenwerking met muziek- en muziektheatergezelschappen waarin poppen een rol gaan spelen, vindt de commissie interessant. Ook op het gebied van publieksontwikkeling en -inkomsten is dit een stap voorwaarts,
al ontbreekt in het plan op dit punt echter wel een inhoudelijke uitwerking. De commissie
is positief over de voorgenomen structurele samenwerking met Rob Vriens. Door de artistieke inbreng van Vriens en doordat hij een aantal taken van Elout Hol kan overnemen of verlichten, ontstaat er meer stabiliteit in de basis van het gezelschap.
Volgens de commissie levert Gnaffel een bijdrage aan een evenwichtige geografische spreiding
van standplaatsen van podiumkunstinstellingen over heel Nederland. Zij heeft tevens een belangrijke functie in de lokale en regionale culturele infrastructuur. Daarbij is er sprake
van een substantiële bijdrage van de lokale en provinciale overheid.
Gnaffel gaat in haar plan voor 2009-2012 in op de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren
en publieksontwikkeling. Zij wil een prominente plek innemen in de noordelijke
regio door de afzet van haar voorstellingen (drastisch) te vergroten. Deze schaalvergroting lijkt de commissie niet realistisch. De commissie heeft wel vertrouwen in de inspanningen die Gnaffel verricht om de diverse lokale en regionale samenwerkingsverbanden
voor theater en onderwijs te versterken. Om zoveel mogelijk publiek te bereiken speelt Gnaffel behalve in het theatercircuit ook op festivals en scholen.
Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat Gnaffel beschikt over een professionele
organisatie en een realistische meerjarenbegroting presenteert.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt positief over de subsidieaanvraag van Gnaffel. Zij waardeert de artistieke
prestaties en vindt dat de voorgenomen plannen tot samenwerking met andere regisseurs
en disciplines getuigen van een levendige artistieke ambitie. De commissie heeft eveneens vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. Daarom adviseert zij Gnaffel op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en ter versterking van de uitbreiding van haar structurele activiteiten het gevraagde subsidiebedrag
toe te kennen.
theater
Toegekend bedrag:
€ 210.329,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 210.329,- (per jaar)
Stichting Theater van de Verbeelding
Dordt
Inleiding
DORDT is een initiatief van stichting Theater van de Verbeelding en de gemeente Dordrecht. Het wordt een theaterhuis voor beeldend locatietheater, waar Lotte van den Berg als artistiek
leider projecten gaat realiseren, samen met een steeds wisselende groep makers van verschillende disciplines en achtergronden. Het vaste team bestaat naast Lotte van den Berg uit zakelijk leider Bart Kusters en technisch coördinator Koen van Oosterhout.
DORDT claimt de ‘erfenis van Dogtroep’, het gezelschap dat in haar dertig jarig bestaan veel inhoudelijke en praktische expertise heeft opgebouwd omtrent locatietheater. De stichting Theater van de Verbeelding beschikt over veel expertise en internationale netwerken. DORDT krijgt de mogelijkheid om deze expertise en contacten in te zetten om haar plannen te realiseren.
In haar visie op de komende jaren schrijft Lotte van den Berg het volgende: “Ik voel de noodzaak om mijn blik te openen en kies ervoor andere landen, culturen en werkelijkheden te bezoeken, te bezien en te bevragen, niet als voyeur, maar daadwerkelijk en met inzet van mijn eigen artistieke identiteit. (...) Met DORDT zet ik een beweging in gang die zal blijven doordenderen gedurende de jaren, zoals een sneeuwbal die van de berg rolt en steeds groter wordt. Een mechaniek van ontmoetingen die niet zonder gevolg kunnen blijven.” Het werk van DORDT wil een dialoog op gang brengen tussen verschillende werelden en werkelijkheden.
Het contact dat gelegd wordt met het buitenland zal steeds gevoed zijn vanuit contacten
die reeds in de lokale structuren van Dordrecht en omstreken aanwezig zijn. Op deze manier worden bestaande banden verdiept, verstevigd en bevraagd. De komende vier jaar wil DORDT een langetermijnbeweging inzetten in de vorm van een reis.
De oude energiecentrale van Dordrecht, met werkplaats en laboratorium, wordt de thuisbasis
van DORDT. De oude HBS in Dordrecht zal onderdak bieden aan gasten, medewerkers en kunstenaars die van ver komen. DORDT zal intensief samenwerken met Guy Cassiers van Het Toneelhuis Antwerpen. Verder gaat zij voorstellingen tonen in en waar mogelijk coproduceren met Schouwburg de Kunstmin in Dordrecht, Rotterdamse Schouwburg, Frascati
Amsterdam, Stadsschouwburg Utrecht, De Vrede van Utrecht, Theaterfestival Boulevard en Vlaams - Nederlands Huis deBuren in Brussel.
DORDT wil jaarlijks 7 activiteiten uitwerken, die in 80 voorstellingen worden gepresenteerd voor in totaal 9625 bezoekers.
Met de subsidie van de gemeente Dordrecht, start DORDT verkennende projecten voor Dordrecht
en omgeving op. Projectsubsidies van gemeente en provincie maken de inrichting van de werkplaats en het gastenverblijf en specifieke projecten in Dordrecht mogelijk. Voor de buitenlandse expedities is bij verschillende fondsen en bij de EU een aanvraag ingediend.
Daarnaast krijgt DORDT bijdragen van coproducenten en partners in de bestemmingslanden.
Aan het NFPK+ vraagt DORDT een structurele jaarlijkse bijdrage van € 428.769.
De Stichting Theater van de Verbeelding ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Door het voormalige FAPK is incidenteel bijgedragen aan activiteiten waarbij Lotte van den Berg betrokken was.
Beoordeling
De commissie beschouwt Lotte van den Berg als een belangwekkende en gedreven jonge maker die met haar aanvraag onderstreept dat ze er aan toe is een eigen gezelschap te leiden.
In Dordrecht zoekt zij de confrontatie met een omgeving waarin het maken van kunst niet vanzelfsprekend is. De commissie heeft daar veel waardering voor. In haar voorstellingen gaat DORDT ook internationale contacten aan. Zo wil ze onder meer de stad verbinden met de herkomstlanden van haar bewoners, met landen waar Nederland handelsbetrekkingen mee heeft en landen waar Nederland via militaire missies bij betrokken was.
In het beleidsplan staan vooral ideeën die nog uitgewerkt moeten worden. Dit heeft wellicht te maken met de intuïtieve manier van werken van Lotte van den Berg en met de opstartfase waarin DORDT zich bevindt. Door de samenwerking met diverse verwante kunstenaars ontstaat
een sterke artistieke keten die in sommige gevallen ook mogelijkheden voor coproductie
biedt.
Hoewel het initiatief voor DORDT prikkelend is en de geschetste activiteiten nadrukkelijk met elkaar in verbinding staan, spreekt de commissie haar zorg uit over een paar (inhoudelijke)
punten uit het plan. De rol van de voormalige Dogtroepleden blijft nagenoeg buiten beschouwing en hun inbreng lijkt zich primair te richten op faciliteren. De grote omvang van de geplande activiteiten en diverse (internationale) samenwerkingen vereisen een gestructureerde werkwijze. Hoewel de inzet van de Dogtroep-ervaring vertrouwen wekt, mist de commissie in het plan de nodige toelichting of uitwerking op dit punt. Verder vraagt de commissie zich af of DORDT in de komende jaren wel voldoende aanwezig en zichtbaar zal zijn in Dordrecht om zich wezenlijk te kunnen verbinden aan de stad. Ook heeft de commissie
moeite met de nog onduidelijke invulling van de activiteiten door derden, die zouden moeten plaatsvinden bij afwezigheid van Lotte Van den Berg. Zij adviseert DORDT om niet alles tegelijk en te snel te willen, haar activiteiten enigszins te beperken en zich vooral te concentreren op worteling in haar gezelschap en in de stad.
Interculturele onderwerpen en doelgroepen spelen een belangrijke rol in de plannen van DORDT, die zowel in een lokale, nationale als internationale context benaderd en geplaatst zijn. De commissie vindt deze plannen aansprekend, maar vraagt zich af of DORDT de praktische
vertaling van de artistieke ideeën helder voor ogen heeft. De uitwerking richting het publiek komt in de plannen onvoldoende uit de verf.
De commissie vindt de begrote publieksinkomsten aan de hoge kant. Voor een deel van de activiteiten is geen entree begroot, waardoor voor de niet gratis toegankelijke projecten een substantiële toegangsprijs wordt gevraagd. Dit lijkt eerder drempelverhogend voor toeschouwers
die niet vanzelfsprekend naar theater gaan.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt positief over het idee van Theater van de Verbeelding voor het nieuwe gezelschap DORDT. Zij ziet Lotte van den Berg als een belangwekkende maker voor de toekomst.
Met haar eigen gezelschap krijgt zij de gelegenheid, gesteund door de ervaring van de Dogtroeporganisatie, haar kwaliteiten als artistiek leider te bewijzen.
Het plan voor 2009-2012 is weliswaar niet volledig uitgewerkt, maar de medewerkers en partners wekken vertrouwen en de beoogde activiteiten staan met elkaar in verbinding. Kanttekeningen plaatst de commissie bij de worteling in Dordrecht en de hoeveelheid verschillende
activiteiten, met name die door derden.
De commissie adviseert om Theater van de Verbeelding/DORDT op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
DORDT is een initiatief van stichting Theater van de Verbeelding en de gemeente Dordrecht. Het wordt een theaterhuis voor beeldend locatietheater, waar Lotte van den Berg als artistiek
leider projecten gaat realiseren, samen met een steeds wisselende groep makers van verschillende disciplines en achtergronden. Het vaste team bestaat naast Lotte van den Berg uit zakelijk leider Bart Kusters en technisch coördinator Koen van Oosterhout.
DORDT claimt de ‘erfenis van Dogtroep’, het gezelschap dat in haar dertig jarig bestaan veel inhoudelijke en praktische expertise heeft opgebouwd omtrent locatietheater. De stichting Theater van de Verbeelding beschikt over veel expertise en internationale netwerken. DORDT krijgt de mogelijkheid om deze expertise en contacten in te zetten om haar plannen te realiseren.
In haar visie op de komende jaren schrijft Lotte van den Berg het volgende: “Ik voel de noodzaak om mijn blik te openen en kies ervoor andere landen, culturen en werkelijkheden te bezoeken, te bezien en te bevragen, niet als voyeur, maar daadwerkelijk en met inzet van mijn eigen artistieke identiteit. (...) Met DORDT zet ik een beweging in gang die zal blijven doordenderen gedurende de jaren, zoals een sneeuwbal die van de berg rolt en steeds groter wordt. Een mechaniek van ontmoetingen die niet zonder gevolg kunnen blijven.” Het werk van DORDT wil een dialoog op gang brengen tussen verschillende werelden en werkelijkheden.
Het contact dat gelegd wordt met het buitenland zal steeds gevoed zijn vanuit contacten
die reeds in de lokale structuren van Dordrecht en omstreken aanwezig zijn. Op deze manier worden bestaande banden verdiept, verstevigd en bevraagd. De komende vier jaar wil DORDT een langetermijnbeweging inzetten in de vorm van een reis.
De oude energiecentrale van Dordrecht, met werkplaats en laboratorium, wordt de thuisbasis
van DORDT. De oude HBS in Dordrecht zal onderdak bieden aan gasten, medewerkers en kunstenaars die van ver komen. DORDT zal intensief samenwerken met Guy Cassiers van Het Toneelhuis Antwerpen. Verder gaat zij voorstellingen tonen in en waar mogelijk coproduceren met Schouwburg de Kunstmin in Dordrecht, Rotterdamse Schouwburg, Frascati
Amsterdam, Stadsschouwburg Utrecht, De Vrede van Utrecht, Theaterfestival Boulevard en Vlaams - Nederlands Huis deBuren in Brussel.
DORDT wil jaarlijks 7 activiteiten uitwerken, die in 80 voorstellingen worden gepresenteerd voor in totaal 9625 bezoekers.
Met de subsidie van de gemeente Dordrecht, start DORDT verkennende projecten voor Dordrecht
en omgeving op. Projectsubsidies van gemeente en provincie maken de inrichting van de werkplaats en het gastenverblijf en specifieke projecten in Dordrecht mogelijk. Voor de buitenlandse expedities is bij verschillende fondsen en bij de EU een aanvraag ingediend.
Daarnaast krijgt DORDT bijdragen van coproducenten en partners in de bestemmingslanden.
Aan het NFPK+ vraagt DORDT een structurele jaarlijkse bijdrage van € 428.769.
De Stichting Theater van de Verbeelding ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Door het voormalige FAPK is incidenteel bijgedragen aan activiteiten waarbij Lotte van den Berg betrokken was.
Beoordeling
De commissie beschouwt Lotte van den Berg als een belangwekkende en gedreven jonge maker die met haar aanvraag onderstreept dat ze er aan toe is een eigen gezelschap te leiden.
In Dordrecht zoekt zij de confrontatie met een omgeving waarin het maken van kunst niet vanzelfsprekend is. De commissie heeft daar veel waardering voor. In haar voorstellingen gaat DORDT ook internationale contacten aan. Zo wil ze onder meer de stad verbinden met de herkomstlanden van haar bewoners, met landen waar Nederland handelsbetrekkingen mee heeft en landen waar Nederland via militaire missies bij betrokken was.
In het beleidsplan staan vooral ideeën die nog uitgewerkt moeten worden. Dit heeft wellicht te maken met de intuïtieve manier van werken van Lotte van den Berg en met de opstartfase waarin DORDT zich bevindt. Door de samenwerking met diverse verwante kunstenaars ontstaat
een sterke artistieke keten die in sommige gevallen ook mogelijkheden voor coproductie
biedt.
Hoewel het initiatief voor DORDT prikkelend is en de geschetste activiteiten nadrukkelijk met elkaar in verbinding staan, spreekt de commissie haar zorg uit over een paar (inhoudelijke)
punten uit het plan. De rol van de voormalige Dogtroepleden blijft nagenoeg buiten beschouwing en hun inbreng lijkt zich primair te richten op faciliteren. De grote omvang van de geplande activiteiten en diverse (internationale) samenwerkingen vereisen een gestructureerde werkwijze. Hoewel de inzet van de Dogtroep-ervaring vertrouwen wekt, mist de commissie in het plan de nodige toelichting of uitwerking op dit punt. Verder vraagt de commissie zich af of DORDT in de komende jaren wel voldoende aanwezig en zichtbaar zal zijn in Dordrecht om zich wezenlijk te kunnen verbinden aan de stad. Ook heeft de commissie
moeite met de nog onduidelijke invulling van de activiteiten door derden, die zouden moeten plaatsvinden bij afwezigheid van Lotte Van den Berg. Zij adviseert DORDT om niet alles tegelijk en te snel te willen, haar activiteiten enigszins te beperken en zich vooral te concentreren op worteling in haar gezelschap en in de stad.
Interculturele onderwerpen en doelgroepen spelen een belangrijke rol in de plannen van DORDT, die zowel in een lokale, nationale als internationale context benaderd en geplaatst zijn. De commissie vindt deze plannen aansprekend, maar vraagt zich af of DORDT de praktische
vertaling van de artistieke ideeën helder voor ogen heeft. De uitwerking richting het publiek komt in de plannen onvoldoende uit de verf.
De commissie vindt de begrote publieksinkomsten aan de hoge kant. Voor een deel van de activiteiten is geen entree begroot, waardoor voor de niet gratis toegankelijke projecten een substantiële toegangsprijs wordt gevraagd. Dit lijkt eerder drempelverhogend voor toeschouwers
die niet vanzelfsprekend naar theater gaan.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt positief over het idee van Theater van de Verbeelding voor het nieuwe gezelschap DORDT. Zij ziet Lotte van den Berg als een belangwekkende maker voor de toekomst.
Met haar eigen gezelschap krijgt zij de gelegenheid, gesteund door de ervaring van de Dogtroeporganisatie, haar kwaliteiten als artistiek leider te bewijzen.
Het plan voor 2009-2012 is weliswaar niet volledig uitgewerkt, maar de medewerkers en partners wekken vertrouwen en de beoogde activiteiten staan met elkaar in verbinding. Kanttekeningen plaatst de commissie bij de worteling in Dordrecht en de hoeveelheid verschillende
activiteiten, met name die door derden.
De commissie adviseert om Theater van de Verbeelding/DORDT op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 367.090,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 367.090,- (per jaar)
Stichting Theaterfestival Boulevard s-Hertogenbosch
Theaterfestival Boulevard
Inleiding
Theaterfestival Boulevard is een tiendaags kunstenfestival in ‘s-Hertogenbosch dat jaarlijks met een omvangrijk programma een breed en divers publiek bereikt. Theaterfestival Boulevard
presenteert theater, dans, muziek, beeldende kunst, film en nieuwe media. Het grootste deel van de programmering bestaat uit professioneel werk van beginnende en gerenommeerde
makers uit België en Nederland, met daarbij bijzondere aandacht voor kunstaanbod uit Noord-Brabant. Daarbij kiest het festival voor makers van beeldende voorstellingen, producties
die gebaseerd zijn op nieuwe Nederlandse toneelteksten of bewerkingen van internationaal
toneelrepertoire. Het toont daarnaast onder meer nieuwe ontwikkelingen in het internationale dansaanbod voor de grote zaal. Ook onderscheidt het festival zich met een aanbod van actuele nieuwe muziek.
Het festival heeft in de afgelopen periode een ingrijpend vernieuwingsproces ondergaan. In de komende periode wil het festival als coproducerend en programmerend festival op de ingeslagen weg verder werken. Vernieuwing van het podiumkunstaanbod, talentontwikkeling,
publieksdifferentiatie, een verdiepend parallelprogramma en internationaal coproduceren
zijn de sleutelwoorden. Boulevard wil jonge makers ondersteunen en met hen acht nieuwe producties maken. Als nieuw element ontwikkelt Boulevard de komende jaren ook een inhoudelijk parallelprogramma om het publiek voorafgaand aan, tijdens en na het festival
kennis laten maken met de makers en hun producties. Daarmee wil het festival tijdens de zomerstop niet alleen voor nieuw aanbod zorgen, maar ook voor nieuw publiek in de podia en de culturele instellingen in de stad.
Boulevard vraagt een forse verhoging van de subsidie om te kunnen voldoen “aan het nieuw geformuleerd beleid waarin productiehuizen en producerende festivals in staat worden gesteld met name jonge makers te ondersteunen bij het maken van nieuwe producties”. Een ander deel van de verhoging zal worden gebruikt ten behoeve van de exploitatielasten van de organisatie, met name voor enkele nieuwe functies en voor versterking van de zakelijke leiding. De begroting groeit van € 1.508.556 in 2006 naar € 2.795.000 in 2009.
De instelling ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
In de afgelopen jaren is Boulevard vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM jaarlijks met een bijdrage ondersteund. Boulevard heeft de afgelopen jaren deelgenomen aan de Zomerpilot, waardoor met steun van het voormalige FAPK een aantal producties tot stand is gekomen.
Beoordeling
Theaterfestival Boulevard heeft zich in de afgelopen periode onder leiding van Geert Overdam flink ontwikkeld. Het festival combineert een soms gewaagde programmering met een duidelijke
publieksfunctie. Er is een sterkere focus op jonge theatermakers gekomen, die zich goed op het festival kunnen profileren en waarmee het festival meerjarige samenwerkingsverbanden
aangaat. Een groot deel van de producties op Boulevard zijn ook op andere festivals
te zien of staan gedurende het jaar op de reguliere podia, waardoor de programmering maar deels een meerwaarde ten aanzien van het reguliere aanbod vertegenwoordigt.
Boulevard is in de afgelopen periode haast explosief gegroeid in aantallen makers, gezelschappen
en voorstellingen. Het beleidsplan ontbeert echter een artistiek inhoudelijke motivatie of noodzaak voor deze groei. In de grote hoeveelheid activiteiten mist de commissie
een focus. Voor de komende jaren wordt een paginalange opsomming gepresenteerd van namen van makers en gezelschappen die de komende jaren op het festival gepresenteerd gaan worden. Scherpere, en zeker ook sterkere keuzes zouden het profiel van het festival ten goede komen. De commissie voorziet dat kwalitatief goede voorstellingen ondergesneeuwd
raken in een aanbod met te veel voorstellingen van teleurstellende kwaliteit. De commissie is van mening dat zowel makers als publiek gebaat zijn met minder, maar sterkere
en consequentere keuzes.
Het festival is goed ingebed in de lokale en regionale structuren en vervult daarin een duidelijke
functie. Er is sprake van constructieve samenwerking met opleidingen en productiehuizen
Op dansgebied is een veelbelovende samenwerking ontstaan met Theater aan de Parade en de Verkadefabriek. Op muziek(theater)gebied presenteerde Boulevard de afgelopen
jaren een aantal interessante producties, in nauwe samenwerking met onder meer November Music. De commissie heeft waardering voor de bijdrage die het festival levert aan de uitstraling en aantrekkingskracht van de regio.
Boulevard legt een begroting neer die met meer dan een miljoen stijgt, zonder dat de directe en indirecte opbrengsten daarmee gelijke tred houden. Zeer zorgwekkend vindt de commissie
het dat de organisatie een zeer groot negatief eigen vermogen heeft opgebouwd, dat slechts gedeeltelijk en langzaam wordt ingelopen. Het beleidsplan van Boulevard geeft geen analyse van de benarde financiële situatie en biedt weinig zicht op een oplossing ervan. Zo ontbreken er voornemens voor het ontwikkelen van een sponsorplan dan wel andere activiteiten
die de inkomenspositie van de instelling kunnen verbeteren.
Dit gebrek aan belangstelling voor bedrijfsmatig ondernemerschap ziet de commissie terug in andere aspecten. De bezoekersaantallen zijn in de afgelopen jaren weliswaar toegenomen,
maar nadere beschouwing leert dat juist het aantal betalende bezoekers al sinds 2005 constant is en niet meegroeit. Daardoor neemt het gemiddelde aantal betalende bezoekers per voorstelling flink af. De commissie constateert dat het beleidsplan ook hiervan geen analyse geeft en dat er geen concreet plan is om juist deze groep ook daadwerkelijk te laten groeien. Een overkoepelende visie op publieksbereik en –ontwikkeling ontbreekt; de paragraaf
over pr en marketing in het beleidsplan is uiterst mager.
Wel gaat Boulevard de komende jaren extra investeren in een interactief parallelprogramma.
De commissie waardeert de inspanning, maar betreurt het dat dit voornemen niet is ingebed in een bredere visie op publieksontwikkeling. Ook vindt zij de kosten in geen verhouding
staan tot de relatief kleine doelgroep waar dit programma zich op richt.
Boulevard stelt zich op het standpunt dat er niet voldoende aanbod gemaakt wordt voor zijn vraag. Het festival wil daarom zelf complementair aan de basisinfrastructuur kunnen produceren
en vraagt specifiek daarvoor een fors budget. De commissie vindt dat de instelling de zaak omdraait; zij is namelijk niet overtuigd van de noodzaak om zo’n grote hoeveelheid producties te presenteren. Tevens mist zij het vertrouwen dat de festivalorganisatie de jonge makers adequaat kan begeleiden. Voorgaande laat onverlet dat de commissie oog heeft voor het feit dat Boulevard, samen met andere zomerfestivals, in de afgelopen periode een rol heeft gespeeld bij het ontwikkelen en presenteren van een nieuwe generatie makers die zich meer dan voorheen bezighouden met ervaringstheater en theater op locatie. Maar de commissie vindt de kracht van het festival veel meer liggen op het terrein van faciliteren van specifieke locatieproducties en het kunnen bieden van reële uitkoopsommen aan, ook jonge, makers en gezelschappen dan aan het optuigen van een productiefunctie.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt per saldo positief over de aanvraag van Theaterfestival Boulevard. Het festival is voldoende onderscheidend, heeft een breed publieksbereik en vervult een functie in de regionale artistieke infrastructuur. De commissie geeft echter geen prioriteit aan ondersteuning van de producerende functie die Boulevard ambieert en adviseert der-halve negatief over het verzoek om een specifiek productiebudget van € 500.000,- beschikbaar
te stellen voor het ontwikkelen van minimaal acht nieuwe producties van jonge makers. Ook over de uitbreiding van de personeelsformatie met aan het produceren en begeleiden van jonge makers gerelateerde nieuwe functies adviseert zij negatief. De commissie is, mede gelet op de zorgwekkende financiële situatie, zeer terughoudend ten opzichte van de groei van het festival. De commissie is van mening dat de festivalorganisatie haar functionele kwaliteit moet verbeteren en met name haar bedrijfsvoering en financiële huishouding op orde moet brengen.
De commissie adviseert Theaterfestival Boulevard op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en een subsidiebedrag toe te kennen op het niveau van de huidige subsidie voor de structurele ondersteuning van de presenterende functie, met daarbovenop een lichte verhoging. In het totaal van de subsidie is rekening gehouden met de verschillende functies om de afhankelijkheid van specifieke regelingen te verminderen.
Theaterfestival Boulevard is een tiendaags kunstenfestival in ‘s-Hertogenbosch dat jaarlijks met een omvangrijk programma een breed en divers publiek bereikt. Theaterfestival Boulevard
presenteert theater, dans, muziek, beeldende kunst, film en nieuwe media. Het grootste deel van de programmering bestaat uit professioneel werk van beginnende en gerenommeerde
makers uit België en Nederland, met daarbij bijzondere aandacht voor kunstaanbod uit Noord-Brabant. Daarbij kiest het festival voor makers van beeldende voorstellingen, producties
die gebaseerd zijn op nieuwe Nederlandse toneelteksten of bewerkingen van internationaal
toneelrepertoire. Het toont daarnaast onder meer nieuwe ontwikkelingen in het internationale dansaanbod voor de grote zaal. Ook onderscheidt het festival zich met een aanbod van actuele nieuwe muziek.
Het festival heeft in de afgelopen periode een ingrijpend vernieuwingsproces ondergaan. In de komende periode wil het festival als coproducerend en programmerend festival op de ingeslagen weg verder werken. Vernieuwing van het podiumkunstaanbod, talentontwikkeling,
publieksdifferentiatie, een verdiepend parallelprogramma en internationaal coproduceren
zijn de sleutelwoorden. Boulevard wil jonge makers ondersteunen en met hen acht nieuwe producties maken. Als nieuw element ontwikkelt Boulevard de komende jaren ook een inhoudelijk parallelprogramma om het publiek voorafgaand aan, tijdens en na het festival
kennis laten maken met de makers en hun producties. Daarmee wil het festival tijdens de zomerstop niet alleen voor nieuw aanbod zorgen, maar ook voor nieuw publiek in de podia en de culturele instellingen in de stad.
Boulevard vraagt een forse verhoging van de subsidie om te kunnen voldoen “aan het nieuw geformuleerd beleid waarin productiehuizen en producerende festivals in staat worden gesteld met name jonge makers te ondersteunen bij het maken van nieuwe producties”. Een ander deel van de verhoging zal worden gebruikt ten behoeve van de exploitatielasten van de organisatie, met name voor enkele nieuwe functies en voor versterking van de zakelijke leiding. De begroting groeit van € 1.508.556 in 2006 naar € 2.795.000 in 2009.
De instelling ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
In de afgelopen jaren is Boulevard vanuit de Festivalregeling van het voormalige FPPM jaarlijks met een bijdrage ondersteund. Boulevard heeft de afgelopen jaren deelgenomen aan de Zomerpilot, waardoor met steun van het voormalige FAPK een aantal producties tot stand is gekomen.
Beoordeling
Theaterfestival Boulevard heeft zich in de afgelopen periode onder leiding van Geert Overdam flink ontwikkeld. Het festival combineert een soms gewaagde programmering met een duidelijke
publieksfunctie. Er is een sterkere focus op jonge theatermakers gekomen, die zich goed op het festival kunnen profileren en waarmee het festival meerjarige samenwerkingsverbanden
aangaat. Een groot deel van de producties op Boulevard zijn ook op andere festivals
te zien of staan gedurende het jaar op de reguliere podia, waardoor de programmering maar deels een meerwaarde ten aanzien van het reguliere aanbod vertegenwoordigt.
Boulevard is in de afgelopen periode haast explosief gegroeid in aantallen makers, gezelschappen
en voorstellingen. Het beleidsplan ontbeert echter een artistiek inhoudelijke motivatie of noodzaak voor deze groei. In de grote hoeveelheid activiteiten mist de commissie
een focus. Voor de komende jaren wordt een paginalange opsomming gepresenteerd van namen van makers en gezelschappen die de komende jaren op het festival gepresenteerd gaan worden. Scherpere, en zeker ook sterkere keuzes zouden het profiel van het festival ten goede komen. De commissie voorziet dat kwalitatief goede voorstellingen ondergesneeuwd
raken in een aanbod met te veel voorstellingen van teleurstellende kwaliteit. De commissie is van mening dat zowel makers als publiek gebaat zijn met minder, maar sterkere
en consequentere keuzes.
Het festival is goed ingebed in de lokale en regionale structuren en vervult daarin een duidelijke
functie. Er is sprake van constructieve samenwerking met opleidingen en productiehuizen
Op dansgebied is een veelbelovende samenwerking ontstaan met Theater aan de Parade en de Verkadefabriek. Op muziek(theater)gebied presenteerde Boulevard de afgelopen
jaren een aantal interessante producties, in nauwe samenwerking met onder meer November Music. De commissie heeft waardering voor de bijdrage die het festival levert aan de uitstraling en aantrekkingskracht van de regio.
Boulevard legt een begroting neer die met meer dan een miljoen stijgt, zonder dat de directe en indirecte opbrengsten daarmee gelijke tred houden. Zeer zorgwekkend vindt de commissie
het dat de organisatie een zeer groot negatief eigen vermogen heeft opgebouwd, dat slechts gedeeltelijk en langzaam wordt ingelopen. Het beleidsplan van Boulevard geeft geen analyse van de benarde financiële situatie en biedt weinig zicht op een oplossing ervan. Zo ontbreken er voornemens voor het ontwikkelen van een sponsorplan dan wel andere activiteiten
die de inkomenspositie van de instelling kunnen verbeteren.
Dit gebrek aan belangstelling voor bedrijfsmatig ondernemerschap ziet de commissie terug in andere aspecten. De bezoekersaantallen zijn in de afgelopen jaren weliswaar toegenomen,
maar nadere beschouwing leert dat juist het aantal betalende bezoekers al sinds 2005 constant is en niet meegroeit. Daardoor neemt het gemiddelde aantal betalende bezoekers per voorstelling flink af. De commissie constateert dat het beleidsplan ook hiervan geen analyse geeft en dat er geen concreet plan is om juist deze groep ook daadwerkelijk te laten groeien. Een overkoepelende visie op publieksbereik en –ontwikkeling ontbreekt; de paragraaf
over pr en marketing in het beleidsplan is uiterst mager.
Wel gaat Boulevard de komende jaren extra investeren in een interactief parallelprogramma.
De commissie waardeert de inspanning, maar betreurt het dat dit voornemen niet is ingebed in een bredere visie op publieksontwikkeling. Ook vindt zij de kosten in geen verhouding
staan tot de relatief kleine doelgroep waar dit programma zich op richt.
Boulevard stelt zich op het standpunt dat er niet voldoende aanbod gemaakt wordt voor zijn vraag. Het festival wil daarom zelf complementair aan de basisinfrastructuur kunnen produceren
en vraagt specifiek daarvoor een fors budget. De commissie vindt dat de instelling de zaak omdraait; zij is namelijk niet overtuigd van de noodzaak om zo’n grote hoeveelheid producties te presenteren. Tevens mist zij het vertrouwen dat de festivalorganisatie de jonge makers adequaat kan begeleiden. Voorgaande laat onverlet dat de commissie oog heeft voor het feit dat Boulevard, samen met andere zomerfestivals, in de afgelopen periode een rol heeft gespeeld bij het ontwikkelen en presenteren van een nieuwe generatie makers die zich meer dan voorheen bezighouden met ervaringstheater en theater op locatie. Maar de commissie vindt de kracht van het festival veel meer liggen op het terrein van faciliteren van specifieke locatieproducties en het kunnen bieden van reële uitkoopsommen aan, ook jonge, makers en gezelschappen dan aan het optuigen van een productiefunctie.
Conclusie en advies
De commissie oordeelt per saldo positief over de aanvraag van Theaterfestival Boulevard. Het festival is voldoende onderscheidend, heeft een breed publieksbereik en vervult een functie in de regionale artistieke infrastructuur. De commissie geeft echter geen prioriteit aan ondersteuning van de producerende functie die Boulevard ambieert en adviseert der-halve negatief over het verzoek om een specifiek productiebudget van € 500.000,- beschikbaar
te stellen voor het ontwikkelen van minimaal acht nieuwe producties van jonge makers. Ook over de uitbreiding van de personeelsformatie met aan het produceren en begeleiden van jonge makers gerelateerde nieuwe functies adviseert zij negatief. De commissie is, mede gelet op de zorgwekkende financiële situatie, zeer terughoudend ten opzichte van de groei van het festival. De commissie is van mening dat de festivalorganisatie haar functionele kwaliteit moet verbeteren en met name haar bedrijfsvoering en financiële huishouding op orde moet brengen.
De commissie adviseert Theaterfestival Boulevard op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en een subsidiebedrag toe te kennen op het niveau van de huidige subsidie voor de structurele ondersteuning van de presenterende functie, met daarbovenop een lichte verhoging. In het totaal van de subsidie is rekening gehouden met de verschillende functies om de afhankelijkheid van specifieke regelingen te verminderen.
festivals
Toegekend bedrag:
€ 146.926,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 146.926,- (per jaar)
Stichting Toneelgroep De Appel
De Appel
Inleiding
De Appel is een Haags toneelgezelschap dat al meer dan dertig jaar bestaat. Aus Greidanus en Gerrit Dijkstal vormen de directie. De Appel beschikt over een multifunctioneel eigen theater te Scheveningen.
De Appel maakt klassiek repertoiretoneel en geniet de laatste jaren veel bekendheid dankzij zogenaamde Theatermarathons (Tantalus en Odysseus). Voor De Appel is het functioneren als ensemble essentieel. Dat betekent dat ook in de repertoirekeuze rekening wordt gehouden
met een optimale bezetting vanuit het eigen ensemble. Voor vrijwel iedere groot bezette productie worden ook gastacteurs aangetrokken. De Appel zegt te kiezen voor theater in nauwe verbinding met wat er in de samenleving omgaat. Naar eigen zeggen legt zij haar oor te luisteren in de maatschappij en zet zij dat wat zij hoort, om in theaterverhalen die ingaan op de vragen van deze eeuw: migratie, vreemdelingen, samenleven in een multiculturele context, globalisering, verrechtsing, terrorisme en religiositeit. De Appel zet zich af tegen ‘de obsessie met het multimediale van veel hedendaags theater’.
De Appel maakt de komende periode van de langlopende megaproducties de kern en vaste waarde binnen haar repertoire. De marathons vormen de basis van de langetermijnvisie in het artistieke beleid. In de huidige subsidieperiode is De Appel weer begonnen om op beperkte schaal met voorstellingen op tournee te gaan. Dat beleid wil de groep continueren. In dat kader wil zij ook buitenlandse voorstellingen in haar theater vertonen en deelnemen aan het Oerol Festival. De Appel is verder, samen met het Nationale Toneel, Stella Den Haag en Theater aan het Spui, betrokken bij de oprichting van de StadstheaterUnie Den Haag. Dit is te beschouwen als een werkmaatschappij, bedoeld om jonge theatermakers kansen te bieden
en onderlinge afspraken te maken, om dat talent te laten doorstromen naar de Haagse gezelschappen. Verder organiseert De Appel een tweejaarlijks festival met Zuid-Afrikaanse partners; een internationale samenwerking met als credo ‘dialoog en uitwisseling’. De Appel maakt jaarlijks 4 producties en speelt 190 voorstellingen.
De Appel vraagt € 520.406 per jaar aan het Fonds.
De Appel ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie stelt vast dat De Appel, één van de oudgedienden met een roemrucht verleden
en succesvol heden, een gevestigde waarde in het bestel en het theaterlandschap vormt.
Het gezelschap bedient een groot publiek en werkt consequent vanuit haar eigen huis.
De theatermarathons, die onder leiding van Aus Greidanus tot stand kwamen, hebben zeker een nieuwe dimensie toegevoegd; een breed hedendaags publiek ondergaat gretig bijna een half etmaal lang een theater-event. Dit totaalconcept is een succesvol marketinginstrument. Mede daarom plaatst De Appel dergelijke megaprojecten de komende jaren in het hart van de activiteiten en de organisatie.
Het toneel van de Appel heeft onmiskenbaar kwaliteit. Het is herkenbaar maar ook voorspelbaar:
monumentale vormgeving, gemoderniseerde klassiekers, vast ensemble, smeltkroes
van speelstijlen, pathos afgewisseld met commedia. Het zijn volgens de commissie kenmerken van een degelijke en gecultiveerde signatuur. Door haar voorspelbaarheid is De Appel niet meer zo wezenlijk voor de ontwikkeling van het Nederlandse theater. Wel heeft ze haar veerkracht en bestaansrecht in de afgelopen periode opnieuw bewezen.
De commissie is niet enthousiast over het beleidsplan 2009-2012. Het is summier en globaal in de informatieverstrekking en roept vooral vraagtekens en twijfel op. Het belangrijkste punt van kritiek betreft niet de continuering van het succesformat van de megaprojecten, maar het ontbreken van een deugdelijke inhoudelijke visie op de projecten die als basis dienen;
de Argonauten en onze koloniale geschiedenis. Als deze projecten de pijlers van het artistieke programma van de toekomst vormen, verwacht de commissie van een rijpe regisseur
en artistiek leider als Aus Greidanus minstens enige inhoudelijke articulatie van de voornemens en de beweegredenen daaromtrent.
Een ander punt van kritiek betreft de geconstateerde veranderingen in het artistieke team; het huidig ensemble ondergaat uitbreiding en aanvulling en regisseur/acteur Jules Terlingen
verschuift meer naar de achtergrond. Hoewel het hier gaat om ingrijpende veranderingen
met directe artistieke gevolgen, motiveert De Appel deze nauwelijks. De commissie beschouwde Jules Terlingen in de afgelopen periode als die van ‘de tweede man’ naast en potentiële opvolger van Aus Greidanus. Hij lijkt nu echter in de coulissen van het gezelschap beland te zijn. Het regie-trio dat de komende jaren het gros van de producties zal regisseren, vindt de commissie artistiek minder interessant en weinig complementair.
Gezien de herinrichting van het bestel en de historische stadsrelatie die De Appel heeft met Het Nationale Toneel zou de commissie graag zien dat De Appel de komende periode helder maakt op welke wijze ze complementair is binnen het Haagse theateraanbod en dat actief profileert.
Conclusie en advies
De Appel heeft bewezen over veerkracht te beschikken en boekt veel succes met haar
theatermarathons. De commissie waardeert het gezelschap binnen het aanbod van conventioneel
kwaliteitstoneel en vindt de wijze van bespeling van het eigen Appeltheater nog steeds uniek en aanvullend in Nederland. Zij is echter op meerdere punten kritisch over
het beleidsplan 2009-2012 en zij hoopt dat De Appel erin slaagt die kritiek te weerleggen.
De commissie adviseert om De Appel op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
De Appel is een Haags toneelgezelschap dat al meer dan dertig jaar bestaat. Aus Greidanus en Gerrit Dijkstal vormen de directie. De Appel beschikt over een multifunctioneel eigen theater te Scheveningen.
De Appel maakt klassiek repertoiretoneel en geniet de laatste jaren veel bekendheid dankzij zogenaamde Theatermarathons (Tantalus en Odysseus). Voor De Appel is het functioneren als ensemble essentieel. Dat betekent dat ook in de repertoirekeuze rekening wordt gehouden
met een optimale bezetting vanuit het eigen ensemble. Voor vrijwel iedere groot bezette productie worden ook gastacteurs aangetrokken. De Appel zegt te kiezen voor theater in nauwe verbinding met wat er in de samenleving omgaat. Naar eigen zeggen legt zij haar oor te luisteren in de maatschappij en zet zij dat wat zij hoort, om in theaterverhalen die ingaan op de vragen van deze eeuw: migratie, vreemdelingen, samenleven in een multiculturele context, globalisering, verrechtsing, terrorisme en religiositeit. De Appel zet zich af tegen ‘de obsessie met het multimediale van veel hedendaags theater’.
De Appel maakt de komende periode van de langlopende megaproducties de kern en vaste waarde binnen haar repertoire. De marathons vormen de basis van de langetermijnvisie in het artistieke beleid. In de huidige subsidieperiode is De Appel weer begonnen om op beperkte schaal met voorstellingen op tournee te gaan. Dat beleid wil de groep continueren. In dat kader wil zij ook buitenlandse voorstellingen in haar theater vertonen en deelnemen aan het Oerol Festival. De Appel is verder, samen met het Nationale Toneel, Stella Den Haag en Theater aan het Spui, betrokken bij de oprichting van de StadstheaterUnie Den Haag. Dit is te beschouwen als een werkmaatschappij, bedoeld om jonge theatermakers kansen te bieden
en onderlinge afspraken te maken, om dat talent te laten doorstromen naar de Haagse gezelschappen. Verder organiseert De Appel een tweejaarlijks festival met Zuid-Afrikaanse partners; een internationale samenwerking met als credo ‘dialoog en uitwisseling’. De Appel maakt jaarlijks 4 producties en speelt 190 voorstellingen.
De Appel vraagt € 520.406 per jaar aan het Fonds.
De Appel ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
De commissie stelt vast dat De Appel, één van de oudgedienden met een roemrucht verleden
en succesvol heden, een gevestigde waarde in het bestel en het theaterlandschap vormt.
Het gezelschap bedient een groot publiek en werkt consequent vanuit haar eigen huis.
De theatermarathons, die onder leiding van Aus Greidanus tot stand kwamen, hebben zeker een nieuwe dimensie toegevoegd; een breed hedendaags publiek ondergaat gretig bijna een half etmaal lang een theater-event. Dit totaalconcept is een succesvol marketinginstrument. Mede daarom plaatst De Appel dergelijke megaprojecten de komende jaren in het hart van de activiteiten en de organisatie.
Het toneel van de Appel heeft onmiskenbaar kwaliteit. Het is herkenbaar maar ook voorspelbaar:
monumentale vormgeving, gemoderniseerde klassiekers, vast ensemble, smeltkroes
van speelstijlen, pathos afgewisseld met commedia. Het zijn volgens de commissie kenmerken van een degelijke en gecultiveerde signatuur. Door haar voorspelbaarheid is De Appel niet meer zo wezenlijk voor de ontwikkeling van het Nederlandse theater. Wel heeft ze haar veerkracht en bestaansrecht in de afgelopen periode opnieuw bewezen.
De commissie is niet enthousiast over het beleidsplan 2009-2012. Het is summier en globaal in de informatieverstrekking en roept vooral vraagtekens en twijfel op. Het belangrijkste punt van kritiek betreft niet de continuering van het succesformat van de megaprojecten, maar het ontbreken van een deugdelijke inhoudelijke visie op de projecten die als basis dienen;
de Argonauten en onze koloniale geschiedenis. Als deze projecten de pijlers van het artistieke programma van de toekomst vormen, verwacht de commissie van een rijpe regisseur
en artistiek leider als Aus Greidanus minstens enige inhoudelijke articulatie van de voornemens en de beweegredenen daaromtrent.
Een ander punt van kritiek betreft de geconstateerde veranderingen in het artistieke team; het huidig ensemble ondergaat uitbreiding en aanvulling en regisseur/acteur Jules Terlingen
verschuift meer naar de achtergrond. Hoewel het hier gaat om ingrijpende veranderingen
met directe artistieke gevolgen, motiveert De Appel deze nauwelijks. De commissie beschouwde Jules Terlingen in de afgelopen periode als die van ‘de tweede man’ naast en potentiële opvolger van Aus Greidanus. Hij lijkt nu echter in de coulissen van het gezelschap beland te zijn. Het regie-trio dat de komende jaren het gros van de producties zal regisseren, vindt de commissie artistiek minder interessant en weinig complementair.
Gezien de herinrichting van het bestel en de historische stadsrelatie die De Appel heeft met Het Nationale Toneel zou de commissie graag zien dat De Appel de komende periode helder maakt op welke wijze ze complementair is binnen het Haagse theateraanbod en dat actief profileert.
Conclusie en advies
De Appel heeft bewezen over veerkracht te beschikken en boekt veel succes met haar
theatermarathons. De commissie waardeert het gezelschap binnen het aanbod van conventioneel
kwaliteitstoneel en vindt de wijze van bespeling van het eigen Appeltheater nog steeds uniek en aanvullend in Nederland. Zij is echter op meerdere punten kritisch over
het beleidsplan 2009-2012 en zij hoopt dat De Appel erin slaagt die kritiek te weerleggen.
De commissie adviseert om De Appel op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies
Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 337.090,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 337.090,- (per jaar)
Stichting Toneelgroep Het Volk
Het Volk
Inleiding
Het Volk is een Haarlems gezelschap, opgericht in 1976. De vaste kern bestaat uit de makers/spelers Bert Bunschoten, Joep Kruijver, Wigbolt Kruijver en maker/regisseur Aike Dirkzwager. Het Volk maakt oorspronkelijk Nederlands toneel op basis van zelfgeschreven stukken en onderscheidt zich volgens het gezelschap daarmee van veel collega-gezelschappen in het Nederlandse taalgebied. De voorstellingen staan in schouwburgen en vlakkevloertheaters in heel Nederland en België. Jaarlijks biedt Het Volk één productie aan de theaters aan. Volgens de aanvrager nemen theaters per seizoen maar één stuk van het gezelschap af, waardoor Het Volk concurrent van de eigen producties wordt wanneer het meerdere stukken in één seizoen uitbrengt. Succesvolle producties gaan in reprise. De programmering is uitbesteed aan impresariaat Frans van Bronkhorst. De voorstellingen worden, als ze daarvoor geschikt zijn, ook gespeeld op of voor scholen in het voortgezet onderwijs. De zelfgeschreven stukken worden met grote regelmaat door diverse (amateur)toneelgezelschappen in Nederland en Vlaanderen opgevoerd.
Het Volk gaat in de komende periode vier tourneevoorstellingen maken en twee zogenoemde
specials (lunchvoorstellingen of fin de saisons). In het kader van vernieuwing en verjonging
wil Het Volk een beroep kunnen doen op een aantal gastacteurs die het artistieke credo van het gezelschap uit kunnen dragen. Op de begroting wordt jaarlijks voor negen maanden één gastacteur opgevoerd. De komende periode wil Het Volk behalve schrijfopdrachten verstrekken,
samenwerkingsverbanden aangaan met andere makers en repertoiretoneel van eigen makelij ontwikkelen. Daarnaast wil Het Volk een tweede boek uitgeven waarin de nog niet eerder gepubliceerde toneelstukken van het gezelschap worden opgenomen.
Het Volk vraagt aan het NFPK+ € 278.500 per jaar.
Het Volk ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Het Volk maakt al vele jaren nieuw Nederlands repertoire. De stijl is ambachtelijk en heeft een subtiele ironische ondertoon. De voorstellingen zijn zeker niet vernieuwend maar wel onverminderd oorspronkelijk en kunnen rekenen op een trouw publiek. De commissie is van mening dat Het Volk van artistieke waarde is voor het Nederlandse repertoire dat de kleinburgelijkheid tot volkskunst verheft.
Het Volk zal in de komende jaren op dezelfde voet doorgaan. In de huidige subsidieperiode is er van de voorgenomen artistieke ontwikkeling (nieuwe acteurs, nieuwe makers) weinig tot niets terechtgekomen. Het gezelschap heeft voor de komende periode aanstekelijke plannen voor het maken van (co)producties, nieuwe samenwerkingsverbanden, nieuwe stukken en schrijfopdrachten. Ook zullen succesvoorstellingen hernomen worden. Het Volk houdt zogezegd repertoire. De commissie vindt het wenselijk dat Het Volk zich artistiek blijft ontwikkelen en verdiepen of die weg via verjonging moet lopen, betwijfelt zij.
De commissie is van mening dat de producties van Het Volk een bijdrage leveren aan de diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap en nog steeds een aanvulling vormen
op het aanbod. Het gezelschap speelt in heel Nederland en voor een deel in België en levert daarmee een bijdrage aan een evenwichtige geografische spreiding.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling voldoende tot uiting komt in de aanvraag.
Om bestaand publiek te bereiken en nieuw publiek te trekken houdt Het Volk voor- en nabesprekingen bij de voorstellingen en geeft het gezelschap toneelkijkcursussen. Op middelbare
scholen probeert Het Volk in het kader van CKV een nieuwe publieksgroep enthousiast
te maken voor (haar) toneel. Dit is wenselijk, gezien de geconstateerde vergrijzing van de eigen publieksgroep.
Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat Het Volk beschikt over een professionele
organisatie, die de bedrijfsvoering overtuigend beschrijft en een realistische meerjarenbegroting
presenteert. Het Volk blijft organisatorisch streven naar kleinschaligheid.
Conclusie en advies
De commissie ziet Het Volk als kleine meesters van het literaire volkstoneel. De voorstellingen
zijn niet vernieuwend maar nog steeds oorspronkelijk en aanstekelijk en trekken een trouw publiek. De commissie vindt het wenselijk dat Het Volk zich blijft ontwikkelen. De commissie stelt vast dat Het Volk met haar artistieke profiel en verwachte kwaliteit een aanvulling
is op het Nederlandse toneelbestel. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele
kwaliteit. Daarom adviseert de commissie Het Volk op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Het Volk is een Haarlems gezelschap, opgericht in 1976. De vaste kern bestaat uit de makers/spelers Bert Bunschoten, Joep Kruijver, Wigbolt Kruijver en maker/regisseur Aike Dirkzwager. Het Volk maakt oorspronkelijk Nederlands toneel op basis van zelfgeschreven stukken en onderscheidt zich volgens het gezelschap daarmee van veel collega-gezelschappen in het Nederlandse taalgebied. De voorstellingen staan in schouwburgen en vlakkevloertheaters in heel Nederland en België. Jaarlijks biedt Het Volk één productie aan de theaters aan. Volgens de aanvrager nemen theaters per seizoen maar één stuk van het gezelschap af, waardoor Het Volk concurrent van de eigen producties wordt wanneer het meerdere stukken in één seizoen uitbrengt. Succesvolle producties gaan in reprise. De programmering is uitbesteed aan impresariaat Frans van Bronkhorst. De voorstellingen worden, als ze daarvoor geschikt zijn, ook gespeeld op of voor scholen in het voortgezet onderwijs. De zelfgeschreven stukken worden met grote regelmaat door diverse (amateur)toneelgezelschappen in Nederland en Vlaanderen opgevoerd.
Het Volk gaat in de komende periode vier tourneevoorstellingen maken en twee zogenoemde
specials (lunchvoorstellingen of fin de saisons). In het kader van vernieuwing en verjonging
wil Het Volk een beroep kunnen doen op een aantal gastacteurs die het artistieke credo van het gezelschap uit kunnen dragen. Op de begroting wordt jaarlijks voor negen maanden één gastacteur opgevoerd. De komende periode wil Het Volk behalve schrijfopdrachten verstrekken,
samenwerkingsverbanden aangaan met andere makers en repertoiretoneel van eigen makelij ontwikkelen. Daarnaast wil Het Volk een tweede boek uitgeven waarin de nog niet eerder gepubliceerde toneelstukken van het gezelschap worden opgenomen.
Het Volk vraagt aan het NFPK+ € 278.500 per jaar.
Het Volk ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Het Volk maakt al vele jaren nieuw Nederlands repertoire. De stijl is ambachtelijk en heeft een subtiele ironische ondertoon. De voorstellingen zijn zeker niet vernieuwend maar wel onverminderd oorspronkelijk en kunnen rekenen op een trouw publiek. De commissie is van mening dat Het Volk van artistieke waarde is voor het Nederlandse repertoire dat de kleinburgelijkheid tot volkskunst verheft.
Het Volk zal in de komende jaren op dezelfde voet doorgaan. In de huidige subsidieperiode is er van de voorgenomen artistieke ontwikkeling (nieuwe acteurs, nieuwe makers) weinig tot niets terechtgekomen. Het gezelschap heeft voor de komende periode aanstekelijke plannen voor het maken van (co)producties, nieuwe samenwerkingsverbanden, nieuwe stukken en schrijfopdrachten. Ook zullen succesvoorstellingen hernomen worden. Het Volk houdt zogezegd repertoire. De commissie vindt het wenselijk dat Het Volk zich artistiek blijft ontwikkelen en verdiepen of die weg via verjonging moet lopen, betwijfelt zij.
De commissie is van mening dat de producties van Het Volk een bijdrage leveren aan de diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap en nog steeds een aanvulling vormen
op het aanbod. Het gezelschap speelt in heel Nederland en voor een deel in België en levert daarmee een bijdrage aan een evenwichtige geografische spreiding.
De commissie is van mening dat de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling voldoende tot uiting komt in de aanvraag.
Om bestaand publiek te bereiken en nieuw publiek te trekken houdt Het Volk voor- en nabesprekingen bij de voorstellingen en geeft het gezelschap toneelkijkcursussen. Op middelbare
scholen probeert Het Volk in het kader van CKV een nieuwe publieksgroep enthousiast
te maken voor (haar) toneel. Dit is wenselijk, gezien de geconstateerde vergrijzing van de eigen publieksgroep.
Op basis van het beleidsplan stelt de commissie vast dat Het Volk beschikt over een professionele
organisatie, die de bedrijfsvoering overtuigend beschrijft en een realistische meerjarenbegroting
presenteert. Het Volk blijft organisatorisch streven naar kleinschaligheid.
Conclusie en advies
De commissie ziet Het Volk als kleine meesters van het literaire volkstoneel. De voorstellingen
zijn niet vernieuwend maar nog steeds oorspronkelijk en aanstekelijk en trekken een trouw publiek. De commissie vindt het wenselijk dat Het Volk zich blijft ontwikkelen. De commissie stelt vast dat Het Volk met haar artistieke profiel en verwachte kwaliteit een aanvulling
is op het Nederlandse toneelbestel. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele
kwaliteit. Daarom adviseert de commissie Het Volk op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 231.716,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 231.716,- (per jaar)
Stichting Vis-à-Vis
Vis à Vis
Inleiding
Theatergezelschap Vis à Vis maakt buitentheater voor een breed publiek. Het gezelschap werd 17 jaar geleden opgericht en heeft naar eigen zeggen het grootschalige buitentheater mede uitgevonden en op de kaart gezet.
De artistieke kern bestaat uit artistiek leider Arjen Anker, Marinus Vroom en Marianne Seine.
Het gezelschap heeft zich onlangs gevestigd in Almere/Flevoland om aldaar het regionale
aanbod te verrijken.
Rode draad in het oeuvre van Vis à Vis is de vraag waar het naartoe moet met de zogenaamde
‘beschaving’. De voorstellingen zijn vrijwel tekstloos. Vis à Vis streeft naar een combinatie van kwaliteit, toegankelijkheid en vernieuwing en zegt theater te maken dat het publiek raakt. Humor staat daarin dicht naast ontroering. De nagestreefde Real Virtuality - een geloofwaardige fantasiewereld - plaatst de groep op het grensgebied tussen film en theater.
Vis à Vis wil de komende periode elke twee jaar één grote buitenproductie op één locatie maken en daaromheen een veelzijdige en professionele publiciteitscampagne organiseren. Met deze nieuwe opzet wil zij meer publiek werven dan mogelijk is met een reizende productie
langs de zomerfestivals. Vis à Vis kiest voor de locaties Almere/Flevoland, Rotterdam en Utrecht. Zij wil investeren in de voorwaarden om in deze grootse montages met een maatschappelijk thema compromisloos de kwaliteit na te jagen. De beoogde coproducties ‘Second Nature’ in regie van Jos Thie en ‘Don Quichotte’ in regie van Moniek Merkx, verbeelden
in bizarre en komische maar evenzeer poëtische en ontroerende scenario’s de gevolgen van de op handen zijnde vergrijzing, de denkbare uitwassen van het (digitale) second life, en een samenleving zonder CO2-uitstoot.
Daarnaast wil Vis à Vis vanuit Almere nieuwe activiteiten ontwikkelen. Zij zet educatieve projecten voor scholieren in om de regionale binding met Flevoland en Almere te versterken.
Daarnaast biedt zij haar expertise en faciliteiten aan voor ‘masterclasses’ aan kunstvakopleidingen,
om daarmee de dynamiek in het beeldend locatietheater te stimuleren. Tevens wil Vis à Vis participeren in activiteiten van een productiehuis voor beeldend locatietheater.
Vis à Vis vraagt voor de periode 2009-2012 een jaarlijkse bijdrage van € 450.000 aan het Fonds.
Vis à Vis ontvangt momenteel subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Vis à Vis werkt naar de mening van de commissie gestaag aan een onderscheidend oeuvre en behoort al vele jaren tot de zomertheatergroepen die met regelmatig (publieks)succes het aanbod mede bepalen. Het vakmanschap en de ideeën overtuigen door hun authenticiteit, hoewel ze soms enigszins moralistisch aandoen. De voorstellingen worden gekenmerkt door een aanstekelijke fantasiewereld en een verzorgd beeldverhaal. De mens speelt de hoofdrol, niet de machine.
De commissie vindt het verstandig dat de groep steeds met (eind)regisseurs werkt die in de montage nog dramaturgische inbreng hebben. Het moment waarop er in het maakproces sprake is van praktische dramaturgie en regie is echter vaak laat gekozen. De voorstellingen hebben daardoor geregeld een wisselvallige, wat simplistische spanningsopbouw met een eenduidige betekenis. De commissie constateert bovendien dat de spelkwaliteit doorgaans weinig verheffend is. De geplande samenwerking met Moniek Merkx van Max en met Jos Thie van het Stadstheater Utrecht, kunnen resulteren in een positieve ontwikkeling voor Vis à Vis, mits beide regisseurs tijdig inhoudelijk betrokken worden. De groep erkent hiermee dat de kracht van Vis à Vis meer in het concept en de technische uitvoering schuilt. Tegelijkertijd
dient Vis à Vis voor haar eigen artistieke herkenbaarheid zorg te dragen.
De kwalitatieve omslag die Vis à Vis in het buitentheater wil maken door langer te werken aan de producties en niet meer met de voorstellingen te reizen, vindt de commissie in dat opzicht ook een verstandige keuze. Het plan verwoordt helder hoe de evaluatie over de afgelopen
periode de groep tot deze keuze heeft gebracht. Wel plaatst de commissie een kanttekening
bij de zeer ruim bemeten voorbereidingstijd; het is onduidelijk waar deze op gebaseerd is en komt op haar buitenproportioneel over. Daarnaast vindt zij de artistieke organisatie topzwaar en de opvoering van risicovoorziening op alle posten niet wenselijk.
De commissie vindt het plan van Vis à Vis summier uitgewerkt waar het gaat om de masterclasses
aan kunstvakopleidingen en de bijdrage aan de ontwikkeling van een productiehuis voor beeldend locatietheater. Hoewel de commissie van mening is dat een dergelijke ontwikkelingsplek
voor grootschalig buitentheater nodig is, stelt zij vast dat deze taken tot de basisinfrastructuur behoren. De commissie geeft daar dan ook geen prioriteit aan.
De commissie beoordeelt de financiële en organisatorische situatie van Vis à Vis vooralsnog als stabiel.
In de afgelopen jaren is veel energie, tijd en geld gestoken in de vestiging op het ‘landje’ in Almere. Deze verhuizing wordt door de commissie gewaardeerd, omdat hij op een zinvolle manier bijdraagt aan de geografische spreiding van instellingen en de ontwikkeling van de infrastructuur in Flevoland. Bovendien hebben alle betrokken partijen de intentie uitgesproken
een structurele relatie in de periode 2009-2012 aan te willen gaan, zodat ook wat dat betreft de stabiliteit verzekerd is.
Vis à Vis streeft naar een combinatie van kwaliteit, toegankelijkheid en vernieuwing. Deze drie elementen zijn voor Vis à Vis onlosmakelijk verbonden en nodig om een breed publiek aan te spreken. Vis à Vis richt zich op een mix van geroutineerde theaterbezoekers en publiek dat doorgaans niet geneigd is theater te bezoeken. Omdat Vis à Vis nu haar eigen ‘podium’ creëert, zal zij landelijke marketing en publiciteit moeten verzorgen om een groot regionaal en landelijk publieksbereik te genereren. De in het plan ontvouwde ideeën voor de publiciteit en het aantrekken van een (ervaren) medewerker daarvoor liggen voor de hand, maar vormen volgens de commissie niet per se een garantie voor succes. Op dit punt behoeft het plan daarom wel enige verbetering, zeker gezien het feit dat de keuze voor één tweejaarlijkse locatieproductie het programmerings- en bedrijfsrisico aanzienlijk vergroot. Er zijn immers geen mogelijkheden om (artistieke) tegenslagen op te vangen en bijvoorbeeld
weersfactoren kunnen zeer bepalend zijn voor de hoeveelheid publiek en daarmee samenhangende inkomsten.
Ten slotte merkt de commissie op dat de koers die Vis à Vis de komende jaren gaat varen geen ruimte laat voor internationale ambities.
Conclusie en advies
Binnen het (grootschalig) buitentheater neemt Vis à Vis al geruime tijd een eigen en volwassen
plaats in. Vanaf 2009 vestigt zij zich in Almere. Zelfreflectie heeft geleid tot een hernieuwde
koers waarin de opvallendste wijziging is dat de groep voortaan geen ‘reizende’ voorstellingen meer maakt, maar lang op één locatie gaat spelen. De commissie vindt dat deze voornemens goed doordacht zijn en effect kunnen sorteren. Het uitbrengen van slechts twee nieuwe producties in de gehele periode 2009-2012 brengt wel een zeker risico met zich mee, dat in het beleidsplan bedrijfsmatig niet goed genoeg wordt ondervangen.
De commissie verwacht dat de coproducerende regisseurs en hun gezelschappen een belangrijke stempel zullen drukken op de voorstellingen en positief zullen bijdragen aan de artistieke kwaliteit. De commissie adviseert om Vis à Vis op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Theatergezelschap Vis à Vis maakt buitentheater voor een breed publiek. Het gezelschap werd 17 jaar geleden opgericht en heeft naar eigen zeggen het grootschalige buitentheater mede uitgevonden en op de kaart gezet.
De artistieke kern bestaat uit artistiek leider Arjen Anker, Marinus Vroom en Marianne Seine.
Het gezelschap heeft zich onlangs gevestigd in Almere/Flevoland om aldaar het regionale
aanbod te verrijken.
Rode draad in het oeuvre van Vis à Vis is de vraag waar het naartoe moet met de zogenaamde
‘beschaving’. De voorstellingen zijn vrijwel tekstloos. Vis à Vis streeft naar een combinatie van kwaliteit, toegankelijkheid en vernieuwing en zegt theater te maken dat het publiek raakt. Humor staat daarin dicht naast ontroering. De nagestreefde Real Virtuality - een geloofwaardige fantasiewereld - plaatst de groep op het grensgebied tussen film en theater.
Vis à Vis wil de komende periode elke twee jaar één grote buitenproductie op één locatie maken en daaromheen een veelzijdige en professionele publiciteitscampagne organiseren. Met deze nieuwe opzet wil zij meer publiek werven dan mogelijk is met een reizende productie
langs de zomerfestivals. Vis à Vis kiest voor de locaties Almere/Flevoland, Rotterdam en Utrecht. Zij wil investeren in de voorwaarden om in deze grootse montages met een maatschappelijk thema compromisloos de kwaliteit na te jagen. De beoogde coproducties ‘Second Nature’ in regie van Jos Thie en ‘Don Quichotte’ in regie van Moniek Merkx, verbeelden
in bizarre en komische maar evenzeer poëtische en ontroerende scenario’s de gevolgen van de op handen zijnde vergrijzing, de denkbare uitwassen van het (digitale) second life, en een samenleving zonder CO2-uitstoot.
Daarnaast wil Vis à Vis vanuit Almere nieuwe activiteiten ontwikkelen. Zij zet educatieve projecten voor scholieren in om de regionale binding met Flevoland en Almere te versterken.
Daarnaast biedt zij haar expertise en faciliteiten aan voor ‘masterclasses’ aan kunstvakopleidingen,
om daarmee de dynamiek in het beeldend locatietheater te stimuleren. Tevens wil Vis à Vis participeren in activiteiten van een productiehuis voor beeldend locatietheater.
Vis à Vis vraagt voor de periode 2009-2012 een jaarlijkse bijdrage van € 450.000 aan het Fonds.
Vis à Vis ontvangt momenteel subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
Vis à Vis werkt naar de mening van de commissie gestaag aan een onderscheidend oeuvre en behoort al vele jaren tot de zomertheatergroepen die met regelmatig (publieks)succes het aanbod mede bepalen. Het vakmanschap en de ideeën overtuigen door hun authenticiteit, hoewel ze soms enigszins moralistisch aandoen. De voorstellingen worden gekenmerkt door een aanstekelijke fantasiewereld en een verzorgd beeldverhaal. De mens speelt de hoofdrol, niet de machine.
De commissie vindt het verstandig dat de groep steeds met (eind)regisseurs werkt die in de montage nog dramaturgische inbreng hebben. Het moment waarop er in het maakproces sprake is van praktische dramaturgie en regie is echter vaak laat gekozen. De voorstellingen hebben daardoor geregeld een wisselvallige, wat simplistische spanningsopbouw met een eenduidige betekenis. De commissie constateert bovendien dat de spelkwaliteit doorgaans weinig verheffend is. De geplande samenwerking met Moniek Merkx van Max en met Jos Thie van het Stadstheater Utrecht, kunnen resulteren in een positieve ontwikkeling voor Vis à Vis, mits beide regisseurs tijdig inhoudelijk betrokken worden. De groep erkent hiermee dat de kracht van Vis à Vis meer in het concept en de technische uitvoering schuilt. Tegelijkertijd
dient Vis à Vis voor haar eigen artistieke herkenbaarheid zorg te dragen.
De kwalitatieve omslag die Vis à Vis in het buitentheater wil maken door langer te werken aan de producties en niet meer met de voorstellingen te reizen, vindt de commissie in dat opzicht ook een verstandige keuze. Het plan verwoordt helder hoe de evaluatie over de afgelopen
periode de groep tot deze keuze heeft gebracht. Wel plaatst de commissie een kanttekening
bij de zeer ruim bemeten voorbereidingstijd; het is onduidelijk waar deze op gebaseerd is en komt op haar buitenproportioneel over. Daarnaast vindt zij de artistieke organisatie topzwaar en de opvoering van risicovoorziening op alle posten niet wenselijk.
De commissie vindt het plan van Vis à Vis summier uitgewerkt waar het gaat om de masterclasses
aan kunstvakopleidingen en de bijdrage aan de ontwikkeling van een productiehuis voor beeldend locatietheater. Hoewel de commissie van mening is dat een dergelijke ontwikkelingsplek
voor grootschalig buitentheater nodig is, stelt zij vast dat deze taken tot de basisinfrastructuur behoren. De commissie geeft daar dan ook geen prioriteit aan.
De commissie beoordeelt de financiële en organisatorische situatie van Vis à Vis vooralsnog als stabiel.
In de afgelopen jaren is veel energie, tijd en geld gestoken in de vestiging op het ‘landje’ in Almere. Deze verhuizing wordt door de commissie gewaardeerd, omdat hij op een zinvolle manier bijdraagt aan de geografische spreiding van instellingen en de ontwikkeling van de infrastructuur in Flevoland. Bovendien hebben alle betrokken partijen de intentie uitgesproken
een structurele relatie in de periode 2009-2012 aan te willen gaan, zodat ook wat dat betreft de stabiliteit verzekerd is.
Vis à Vis streeft naar een combinatie van kwaliteit, toegankelijkheid en vernieuwing. Deze drie elementen zijn voor Vis à Vis onlosmakelijk verbonden en nodig om een breed publiek aan te spreken. Vis à Vis richt zich op een mix van geroutineerde theaterbezoekers en publiek dat doorgaans niet geneigd is theater te bezoeken. Omdat Vis à Vis nu haar eigen ‘podium’ creëert, zal zij landelijke marketing en publiciteit moeten verzorgen om een groot regionaal en landelijk publieksbereik te genereren. De in het plan ontvouwde ideeën voor de publiciteit en het aantrekken van een (ervaren) medewerker daarvoor liggen voor de hand, maar vormen volgens de commissie niet per se een garantie voor succes. Op dit punt behoeft het plan daarom wel enige verbetering, zeker gezien het feit dat de keuze voor één tweejaarlijkse locatieproductie het programmerings- en bedrijfsrisico aanzienlijk vergroot. Er zijn immers geen mogelijkheden om (artistieke) tegenslagen op te vangen en bijvoorbeeld
weersfactoren kunnen zeer bepalend zijn voor de hoeveelheid publiek en daarmee samenhangende inkomsten.
Ten slotte merkt de commissie op dat de koers die Vis à Vis de komende jaren gaat varen geen ruimte laat voor internationale ambities.
Conclusie en advies
Binnen het (grootschalig) buitentheater neemt Vis à Vis al geruime tijd een eigen en volwassen
plaats in. Vanaf 2009 vestigt zij zich in Almere. Zelfreflectie heeft geleid tot een hernieuwde
koers waarin de opvallendste wijziging is dat de groep voortaan geen ‘reizende’ voorstellingen meer maakt, maar lang op één locatie gaat spelen. De commissie vindt dat deze voornemens goed doordacht zijn en effect kunnen sorteren. Het uitbrengen van slechts twee nieuwe producties in de gehele periode 2009-2012 brengt wel een zeker risico met zich mee, dat in het beleidsplan bedrijfsmatig niet goed genoeg wordt ondervangen.
De commissie verwacht dat de coproducerende regisseurs en hun gezelschappen een belangrijke stempel zullen drukken op de voorstellingen en positief zullen bijdragen aan de artistieke kwaliteit. De commissie adviseert om Vis à Vis op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
theater
Toegekend bedrag:
€ 394.369,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 394.369,- (per jaar)
Stichting Vrije Val
Vrije Val
Inleiding
Vrije Val werd in 1986 opgericht en stelt zich ten doel om elk jaar een nieuwe muziektheaterproductie met Frank Groothof als middelpunt uit te brengen. Het repertoire kan een bewerking van een klassieke opera zijn, maar ook van een verhaal uit de wereldliteratuur. Frank Groothof wil vooral kinderen nieuwsgierig naar en enthousiast voor muziek maken en gebruikt daarvoor verschillende muziekstijlen als klassiek, jazz, wereld- en popmuziek. De omgang met de muziek is vrijmoedig, er wordt naar hartelust geknipt en geplakt, met als doel de aandacht van zijn publiek vast te houden. In de afgelopen jaren laat Groothof naast opera ook andere muziekgenres horen in zijn voorstellingen. Vertrekpunt voor bijna elke voorstelling vormt de muziek, waarbij een passend verhaal gezocht wordt, aldus het beleidsplan.
Frank Groothof denkt dat zijn jeugdige publiek via theater een ander venster op de maatschappij kan krijgen en hoopt zo een tegenwicht te bieden aan de heersende passieve beeld- en muziekcultuur. Het gaat hem om de kracht van zowel muziek als verhaal. In al zijn werk spelen die twee elementen een rol, waarbij ze elkaar aanvullen en versterken: de muziek laat het verhaal ook via de emoties binnenkomen en het verhaal verleidt kinderen om zich open te stellen voor onbekende en ongewone klanken.
Frank Groothof maakt de muziekkeuze, bewerkt de tekst en is de belangrijkste regisseur van de voorstelling waarin hij zelf de hoofdrol speelt. Daarnaast werkt Vrije Val met vaste mensen voor het schrijven van de liedteksten en de vormgeving. Professionele muzikanten die thuis zijn in een specifieke muzieksoort worden gevraagd een rol te spelen en te zorgen voor de arrangementen.
In samenwerking met de Volkskrant is er een cd-box met operabewerkingen uitgebracht en sinds 2006 verschijnen er bij uitgeverij Nieuw Amsterdam jaarlijks twee rijk geïllustreerde prentenboeken met het verhaal van de betreffende voorstelling, voorzien van een cd.
Voor 2009-2012 staan onder andere een voorstelling over Vincent van Gogh met kamerorkest Camerata Amsterdam, een Frankensteinverhaal met klezmermuziek en een bewerking van ‘Kees de jongen’ van Theo Thijssen op het programma.
De voorstellingen worden ongeveer 70 keer door heel Nederland gespeeld voor 29.000 bezoekers. Vrije Val vraagt € 326.362 op jaarbasis aan. Er is in de begroting geen sprake van gemeentelijke of provinciale subsidie en van een bescheiden bedrag aan overige subsidies.
Vrije Val ontvangt structurele subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De instelling heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als jeugdgezelschap in de basisinfrastructuur 2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd Vrije Val niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Vrije Val is in de gelegenheid gesteld een schriftelijke aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in te dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten van het NFPK+. Het gezelschap heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
Frank Groothof is een bijzondere vakman en zijn voorstellingen hebben kwaliteit. De commissie vindt de manier waarop hij met Vrije Val opera en jeugd bij elkaar heeft gebracht uniek. Op geheel eigen wijze maakt hij niet alleen kinderen maar ook volwassenen en bovendien de theaters waar hij optreedt enthousiast. Zijn manier van werken heeft iets aanstekelijks. De thema’s van de voorstellingen sluiten vaak aan bij deze tijd en getuigen van maatschappelijke betrokkenheid.
Tegelijkertijd constateert de commissie dat de voorstellingen al jaren tot stand komen volgens een beproefde formule en aangezien het gezelschap weinig of geen invloeden van buitenaf bij de totstandkoming van de plannen betrekt, kan een beeld van voorspelbaarheid ontstaan. In die zin toont volgens de commissie het werk van Frank Groothof in zichzelf weinig ontwikkeling.
Daarnaast mist de commissie een reflectie op de toekomstige positie van Vrije Val binnen het podiumkunstenbestel. Zij signaleert namelijk een neergaande lijn waarin de voorstellingen van Vrije Val niet meer altijd op voorhand zijn uitverkocht en leest in het beleidsplan niet hoe men hierop gaat inspelen. In het huidige landschap opereren inmiddels diverse andere jeugdmuziektheatergezelschappen, hetgeen Vrije Val minder uniek maakt dan voorheen.
De commissie vindt het positief dat het gezelschap verspreid over het land optreedt en de marketinginitiatieven met de Volkskrant en uitgeverij Nieuw Amsterdam zijn lovenswaardig.
Overigens heeft Vrije Val het loffelijk streven om voor lage toegangsprijzen op te treden, maar de commissie vindt dat het gezelschap op het gebied van cultureel ondernemerschap meer marktconform zou kunnen gaan denken.
Conclusie en advies
De kwaliteiten van Frank Groothof staan buiten kijf en de commissie is in dat opzicht positief over de aanvraag van Vrije Val. Zij maakt daarbij wel kanttekeningen bij de voorspelbaarheid van het aanbod. Bovendien is Frank Groothof door de komst van andere jeugdmuziektheatergezelschappen minder uniek dan voorheen. De commissie signaleert daarnaast dat Vrije Val op het gebied van publieksbereik en cultureel ondernemerschap verbetering behoeft. Op grond van de vele kanttekeningen kent de commissie, ondanks een positief oordeel over de kwaliteit, aan deze aanvraag een lage prioriteit toe. Indien het budget van het Fonds hiervoor de ruimte biedt, acht de commissie het wenselijk dat Vrije Val wordt opgenomen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
Vrije Val werd in 1986 opgericht en stelt zich ten doel om elk jaar een nieuwe muziektheaterproductie met Frank Groothof als middelpunt uit te brengen. Het repertoire kan een bewerking van een klassieke opera zijn, maar ook van een verhaal uit de wereldliteratuur. Frank Groothof wil vooral kinderen nieuwsgierig naar en enthousiast voor muziek maken en gebruikt daarvoor verschillende muziekstijlen als klassiek, jazz, wereld- en popmuziek. De omgang met de muziek is vrijmoedig, er wordt naar hartelust geknipt en geplakt, met als doel de aandacht van zijn publiek vast te houden. In de afgelopen jaren laat Groothof naast opera ook andere muziekgenres horen in zijn voorstellingen. Vertrekpunt voor bijna elke voorstelling vormt de muziek, waarbij een passend verhaal gezocht wordt, aldus het beleidsplan.
Frank Groothof denkt dat zijn jeugdige publiek via theater een ander venster op de maatschappij kan krijgen en hoopt zo een tegenwicht te bieden aan de heersende passieve beeld- en muziekcultuur. Het gaat hem om de kracht van zowel muziek als verhaal. In al zijn werk spelen die twee elementen een rol, waarbij ze elkaar aanvullen en versterken: de muziek laat het verhaal ook via de emoties binnenkomen en het verhaal verleidt kinderen om zich open te stellen voor onbekende en ongewone klanken.
Frank Groothof maakt de muziekkeuze, bewerkt de tekst en is de belangrijkste regisseur van de voorstelling waarin hij zelf de hoofdrol speelt. Daarnaast werkt Vrije Val met vaste mensen voor het schrijven van de liedteksten en de vormgeving. Professionele muzikanten die thuis zijn in een specifieke muzieksoort worden gevraagd een rol te spelen en te zorgen voor de arrangementen.
In samenwerking met de Volkskrant is er een cd-box met operabewerkingen uitgebracht en sinds 2006 verschijnen er bij uitgeverij Nieuw Amsterdam jaarlijks twee rijk geïllustreerde prentenboeken met het verhaal van de betreffende voorstelling, voorzien van een cd.
Voor 2009-2012 staan onder andere een voorstelling over Vincent van Gogh met kamerorkest Camerata Amsterdam, een Frankensteinverhaal met klezmermuziek en een bewerking van ‘Kees de jongen’ van Theo Thijssen op het programma.
De voorstellingen worden ongeveer 70 keer door heel Nederland gespeeld voor 29.000 bezoekers. Vrije Val vraagt € 326.362 op jaarbasis aan. Er is in de begroting geen sprake van gemeentelijke of provinciale subsidie en van een bescheiden bedrag aan overige subsidies.
Vrije Val ontvangt structurele subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. De instelling heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als jeugdgezelschap in de basisinfrastructuur 2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd Vrije Val niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Vrije Val is in de gelegenheid gesteld een schriftelijke aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in te dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten van het NFPK+. Het gezelschap heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
Frank Groothof is een bijzondere vakman en zijn voorstellingen hebben kwaliteit. De commissie vindt de manier waarop hij met Vrije Val opera en jeugd bij elkaar heeft gebracht uniek. Op geheel eigen wijze maakt hij niet alleen kinderen maar ook volwassenen en bovendien de theaters waar hij optreedt enthousiast. Zijn manier van werken heeft iets aanstekelijks. De thema’s van de voorstellingen sluiten vaak aan bij deze tijd en getuigen van maatschappelijke betrokkenheid.
Tegelijkertijd constateert de commissie dat de voorstellingen al jaren tot stand komen volgens een beproefde formule en aangezien het gezelschap weinig of geen invloeden van buitenaf bij de totstandkoming van de plannen betrekt, kan een beeld van voorspelbaarheid ontstaan. In die zin toont volgens de commissie het werk van Frank Groothof in zichzelf weinig ontwikkeling.
Daarnaast mist de commissie een reflectie op de toekomstige positie van Vrije Val binnen het podiumkunstenbestel. Zij signaleert namelijk een neergaande lijn waarin de voorstellingen van Vrije Val niet meer altijd op voorhand zijn uitverkocht en leest in het beleidsplan niet hoe men hierop gaat inspelen. In het huidige landschap opereren inmiddels diverse andere jeugdmuziektheatergezelschappen, hetgeen Vrije Val minder uniek maakt dan voorheen.
De commissie vindt het positief dat het gezelschap verspreid over het land optreedt en de marketinginitiatieven met de Volkskrant en uitgeverij Nieuw Amsterdam zijn lovenswaardig.
Overigens heeft Vrije Val het loffelijk streven om voor lage toegangsprijzen op te treden, maar de commissie vindt dat het gezelschap op het gebied van cultureel ondernemerschap meer marktconform zou kunnen gaan denken.
Conclusie en advies
De kwaliteiten van Frank Groothof staan buiten kijf en de commissie is in dat opzicht positief over de aanvraag van Vrije Val. Zij maakt daarbij wel kanttekeningen bij de voorspelbaarheid van het aanbod. Bovendien is Frank Groothof door de komst van andere jeugdmuziektheatergezelschappen minder uniek dan voorheen. De commissie signaleert daarnaast dat Vrije Val op het gebied van publieksbereik en cultureel ondernemerschap verbetering behoeft. Op grond van de vele kanttekeningen kent de commissie, ondanks een positief oordeel over de kwaliteit, aan deze aanvraag een lage prioriteit toe. Indien het budget van het Fonds hiervoor de ruimte biedt, acht de commissie het wenselijk dat Vrije Val wordt opgenomen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 150.000,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 150.000,- (per jaar)
Stichting Xynix
Xynix Opera
Inleiding
Xynix Opera, opgericht in 1994 door Joke Hoolboom en Niek Idelenburg, maakt opera voor jeugd en jongeren. Hiertoe geeft het gezelschap opdrachten tot het schrijven en componeren
van nieuwe opera’s of worden bewerkingen van bestaande opera’s gemaakt. Xynix geeft zowel familievoorstellingen in de theaters als schoolvoorstellingen en laat hiermee kinderen en jongeren door het hele land kennismaken met opera.
Met de recente vestiging op een eigen locatie in Amersfoort betrekt Xynix het eerste Jeugdoperahuis
van Nederland. Naast een landelijke functie krijgt Xynix naar eigen zeggen nu ook een sterk regionale functie. Het gezelschap wil naast het geven van voorstellingen op deze locatie ook nieuw talent opleiden, ondersteunen en begeleiden en de opgebouwde expertise delen met nieuwe makers. Xynix verwacht één productie per jaar uit deze kweekvijver.
Om de kwaliteit van het landelijk aanbod van jeugdopera te waarborgen, wil Xynix ook blijven
reizen. Voor de periode 2009-2012 wordt het aantal voorstellingen uitgebreid naar 100 per jaar, waarvan 30 in Amersfoort. Naast speciale schoolvoorstellingen wil Xynix zich meer toeleggen op groot gemonteerde voorstellingen op bijzondere locaties. Xynix wil werk van Shakespeare voor opera bewerken en diverse libretto’s laten schrijven geïnspireerd door de Griekse mythen en sagen en door de eigentijdse jeugdliteratuur. Vier componisten krijgen de komende periode een compositieopdracht en er zal worden samengewerkt met Vrede van Utrecht, Europa Cantat, De Volharding, het Nederlands Blazers Ensemble en Yo! Opera.
Voor een grotere Europese uitstraling van zowel het gezelschap als het Jeugdoperahuis investeert Xynix in contacten met collega’s in het buitenland en zoekt het partners om jeugdopera binnen Europa te kunnen uitwisselen. Er is interesse voor een mogelijke reprise van de voorstelling ‘Styx’ bij English National Opera en bij een festival in Essen.
Xynix vraagt voor de komende periode € 700.000 aan.
Xynix Opera ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Xynix Opera heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als jeugdgezelschap in de basisinfrastructuur
2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd Xynix Opera niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag
te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012. Xynix Opera is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in te dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten
van het NFPK+. Het gezelschap heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening gehouden met de inhoud van de aanvulling.
Beoordeling
Xynix Opera heeft in de loop der jaren een goede reputatie opgebouwd met voorstellingen in de theaters, op scholen en op locatie. Het gezelschap is professioneel gegroeid en maakt naar de mening van de commissie echt opera voor de jeugd.
Artistiek gezien acht de commissie de voorstellingen van Xynix Opera van goed niveau, maar qua zeggingskracht kan het in de verbeelding scherper en gewaagder. De commissie beveelt aan dat ook andere regisseurs bij Xynix Opera een kans krijgen.
Sinds de huidige cultuurnotaperiode zijn meerdere componisten actief met het positieve effect van een muzikaal meer divers aanbod. Wel zou Xynix in de keuze van componisten nog uitdagender kunnen opereren. De commissie mist de aansluiting bij de conservatoria en een vertaalslag naar muziek van nu.
Met zijn jarenlange ervaring vervult Xynix Opera op het gebied van cultuureducatie een belangrijke taak. Het gezelschap voert een zeer goed marketingbeleid en heeft met radiospotjes en herkenbaar publiciteitsmateriaal verdere naamsbekendheid opgebouwd. Bij de voorstellingen van Xynix Opera mag gesproken worden van een zeer goed publieksbereik.
Xynix Opera heeft een mooi landelijk bereik en levert een duidelijke bijdrage aan de spreiding
van het genre jeugdopera in Nederland. Hoewel een echt internationaal beleid nog ontbreekt,
juicht de commissie het toe dat Xynix Opera ook internationaal zijn vleugels begint uit te slaan.
Overigens ziet de commissie met de vestiging op een vaste locatie in Amersfoort nieuwe mogelijkheden voor Xynix om zich verder te ontwikkelen en te wortelen in een stedelijk klimaat.
Culturele diversiteit zou dan in de vorm van bijvoorbeeld wereldmuziek in de opera’s van Xynix een plaats kunnen krijgen.
Binnen het Jeugoperahuis krijgt Xynix de mogelijkheid zijn expertise over te dragen. Voor jonge operamakers is dat naar de mening van de commissie een waardevolle ontwikkeling.
Xynix komt volgens de commissie in aanmerking voor structurele subsidie. Ten aanzien van het gevraagde bedrag adviseert de commissie geen verhoging toe te passen ten opzichte van de huidige cultuurnotaperiode.
Conclusie en advies
Op grond van de bijzondere artistieke kwaliteit en reputatie, de uitstekende marketing, de spreiding en de solide bedrijfsvoering, adviseert de commissie Xynix Opera op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Het geadviseerde subsidiebedrag
is gelijk aan het huidige niveau.
Xynix Opera, opgericht in 1994 door Joke Hoolboom en Niek Idelenburg, maakt opera voor jeugd en jongeren. Hiertoe geeft het gezelschap opdrachten tot het schrijven en componeren
van nieuwe opera’s of worden bewerkingen van bestaande opera’s gemaakt. Xynix geeft zowel familievoorstellingen in de theaters als schoolvoorstellingen en laat hiermee kinderen en jongeren door het hele land kennismaken met opera.
Met de recente vestiging op een eigen locatie in Amersfoort betrekt Xynix het eerste Jeugdoperahuis
van Nederland. Naast een landelijke functie krijgt Xynix naar eigen zeggen nu ook een sterk regionale functie. Het gezelschap wil naast het geven van voorstellingen op deze locatie ook nieuw talent opleiden, ondersteunen en begeleiden en de opgebouwde expertise delen met nieuwe makers. Xynix verwacht één productie per jaar uit deze kweekvijver.
Om de kwaliteit van het landelijk aanbod van jeugdopera te waarborgen, wil Xynix ook blijven
reizen. Voor de periode 2009-2012 wordt het aantal voorstellingen uitgebreid naar 100 per jaar, waarvan 30 in Amersfoort. Naast speciale schoolvoorstellingen wil Xynix zich meer toeleggen op groot gemonteerde voorstellingen op bijzondere locaties. Xynix wil werk van Shakespeare voor opera bewerken en diverse libretto’s laten schrijven geïnspireerd door de Griekse mythen en sagen en door de eigentijdse jeugdliteratuur. Vier componisten krijgen de komende periode een compositieopdracht en er zal worden samengewerkt met Vrede van Utrecht, Europa Cantat, De Volharding, het Nederlands Blazers Ensemble en Yo! Opera.
Voor een grotere Europese uitstraling van zowel het gezelschap als het Jeugdoperahuis investeert Xynix in contacten met collega’s in het buitenland en zoekt het partners om jeugdopera binnen Europa te kunnen uitwisselen. Er is interesse voor een mogelijke reprise van de voorstelling ‘Styx’ bij English National Opera en bij een festival in Essen.
Xynix vraagt voor de komende periode € 700.000 aan.
Xynix Opera ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Xynix Opera heeft een aanvraag ingediend bij het Ministerie van OCW als jeugdgezelschap in de basisinfrastructuur
2009-2012. De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd Xynix Opera niet op te nemen in de basisinfrastructuur 2009-2012, maar het subsidieverzoek in aanmerking te laten komen voor behandeling door het NFPK+. Het NFPK+ heeft daarop besloten de aanvraag
te behandelen in het kader van de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen
2009-2012. Xynix Opera is in de gelegenheid gesteld een schriftelijk aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag in te dienen met het oog op de regeling en de beleidsuitgangspunten
van het NFPK+. Het gezelschap heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de commissie heeft in haar advies rekening gehouden met de inhoud van de aanvulling.
Beoordeling
Xynix Opera heeft in de loop der jaren een goede reputatie opgebouwd met voorstellingen in de theaters, op scholen en op locatie. Het gezelschap is professioneel gegroeid en maakt naar de mening van de commissie echt opera voor de jeugd.
Artistiek gezien acht de commissie de voorstellingen van Xynix Opera van goed niveau, maar qua zeggingskracht kan het in de verbeelding scherper en gewaagder. De commissie beveelt aan dat ook andere regisseurs bij Xynix Opera een kans krijgen.
Sinds de huidige cultuurnotaperiode zijn meerdere componisten actief met het positieve effect van een muzikaal meer divers aanbod. Wel zou Xynix in de keuze van componisten nog uitdagender kunnen opereren. De commissie mist de aansluiting bij de conservatoria en een vertaalslag naar muziek van nu.
Met zijn jarenlange ervaring vervult Xynix Opera op het gebied van cultuureducatie een belangrijke taak. Het gezelschap voert een zeer goed marketingbeleid en heeft met radiospotjes en herkenbaar publiciteitsmateriaal verdere naamsbekendheid opgebouwd. Bij de voorstellingen van Xynix Opera mag gesproken worden van een zeer goed publieksbereik.
Xynix Opera heeft een mooi landelijk bereik en levert een duidelijke bijdrage aan de spreiding
van het genre jeugdopera in Nederland. Hoewel een echt internationaal beleid nog ontbreekt,
juicht de commissie het toe dat Xynix Opera ook internationaal zijn vleugels begint uit te slaan.
Overigens ziet de commissie met de vestiging op een vaste locatie in Amersfoort nieuwe mogelijkheden voor Xynix om zich verder te ontwikkelen en te wortelen in een stedelijk klimaat.
Culturele diversiteit zou dan in de vorm van bijvoorbeeld wereldmuziek in de opera’s van Xynix een plaats kunnen krijgen.
Binnen het Jeugoperahuis krijgt Xynix de mogelijkheid zijn expertise over te dragen. Voor jonge operamakers is dat naar de mening van de commissie een waardevolle ontwikkeling.
Xynix komt volgens de commissie in aanmerking voor structurele subsidie. Ten aanzien van het gevraagde bedrag adviseert de commissie geen verhoging toe te passen ten opzichte van de huidige cultuurnotaperiode.
Conclusie en advies
Op grond van de bijzondere artistieke kwaliteit en reputatie, de uitstekende marketing, de spreiding en de solide bedrijfsvoering, adviseert de commissie Xynix Opera op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Het geadviseerde subsidiebedrag
is gelijk aan het huidige niveau.
muziektheater
Toegekend bedrag:
€ 535.021,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 535.021,- (per jaar)
Stichting YO!
Inleiding
In oktober 2008 heeft het ministerie van OCW besloten Stichting Yo! over te dragen aan het Fonds Podiumkunsten. Bekijk het advies van de Raad voor Cultuur
In oktober 2008 heeft het ministerie van OCW besloten Stichting Yo! over te dragen aan het Fonds Podiumkunsten. Bekijk het advies van de Raad voor Cultuur
festivals
Toegekend bedrag:
€ 361.779,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 361.779,- (per jaar)
Stichting ZEP-projecten
ZEP
Inleiding
ZEP-projecten (ZEP) is sinds 1998 een theaterproductiekern in Amsterdam rond regisseur Peter Pluymaekers. ZEP werkt volgens het concept “Low Culture, High Level: rauwe, directe en toegankelijke voorstellingen met een literaire inslag.” ZEP beschrijft haar voorstellingen als actuele thema’s die gedoopt zijn in een mix van directe straatcultuur en met klassieke teksten als ingrediënten. Pluymaekers wil met zijn voorstellingen een onbevooroordeeld, niet elitair, toegankelijk en actueel maatschappijbeeld neerzetten. ZEP vindt dat de mix van de klassieke literaire theatertraditie met hedendaagse jongerencultuuruitingen de voorstellingen
uniek maken in het landelijke theateraanbod. Op zoek naar cross-overs tussen verschillende
disciplines werkt Peter Pluymaekers graag samen met experts in hun vakgebied, zoals in de afgelopen seizoenen met Pascal Griffioen (alias Def P).
ZEP werkt met een multiculturele cast van professionele, zowel jonge als oudere en meer ervaren acteurs. Ook de onderwerpen zijn cultureel divers, aldus het plan. De voorstellingen reizen door het hele land en worden bezocht door een cultureel divers jong publiek van twaalf tot twintig jaar. ZEP speelt niet op scholen, want het gezelschap vindt een bezoek aan het theater een belangrijke ervaring voor jongeren en hecht eraan om de drempel daarvan te verlagen. Bovendien wil ZEP ook voor volwassenen bereikbaar blijven.
ZEP wil in de komende periode livemuziek en beweging een grotere rol laten spelen in de voorstellingen en een onderzoek naar een daarbij behorende fysieke speelstijl continueren.
De groep vraagt een verhoging van de subsidie voor uitbreiding van de activiteiten.
ZEP wil de komende periode acht grotezaalproducties realiseren. Verder wil ZEP in vier kleinere
producties met jonge makers de grenzen van beeldend– en performancetheater onderzoeken. Samen met Muztheater en Aya wordt hiervoor een platform voor talentontwikkeling opgericht, waarbij in samenwerking met andere groepen en jonge makers een kwalitatief hoogstaand aanbod
van jeugd- en jongerentheater geproduceerd wordt voor schouwburgen en theaters.
ZEP vraagt voor de periode 2009-2012 een jaarlijks bedrag aan van € 360.000 bij NFPK+.
ZEP ontvangt subsidie in het kade van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
ZEP maakt toegankelijke voorstellingen die altijd goed aansluiten bij de doelgroep. Ze zijn vakbekwaam geregisseerd, strak gemonteerd en de acteerprestaties zijn vaak goed. In de producties snijdt ZEP actuele maatschappelijke thema’s aan, die echter niet erg diepgaand uitgewerkt worden.
De commissie erkent het belang dat de voorstellingen van ZEP aftrek vinden bij een groot, cultureel divers en jong publiek. Zij is van mening dat ZEP daardoor een bijdrage levert aan de diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap. In dat opzicht heeft de groep een aanvullende rol ten opzichte van de instellingen in de basisinfrastructuur.
Niettemin vindt de commissie dat de groep een minimale bijdrage levert aan de verdieping van het Nederlandse theaterrepertoire voor jongeren. Dat ziet zij als een gemiste kans omdat boeien en beïnvloeden goed samen kunnen gaan. Verder vindt zij dat het beleidsplan voor wat betreft de beschrijving van de artistieke drijfveren weliswaar voldoende informatie bevat, maar weinig artistieke coherentie laat zien.
ZEP heeft een vaste relatie met veel schouwburgen en podia in het land. Samen met de theaters
wordt besproken op welke wijze het publiek bereikt kan worden. Vanaf 2008 worden de voorstellingen verkocht in samenwerking met impresario Frans van Bronkhorst. Het is al merkbaar dat door deze samenwerking het aantal speelbeurten is toegenomen en dat de zaalbezetting hoger is.
ZEP begeleidt de voorstellingen met workshops, inleidingen en nagesprekken in theaters en op middelbare scholen. ZEP heeft waardevolle relaties opgebouwd met scholen en docenten en werkt intensief samen met educatiemedewerkers van de theaters. Jaarlijks organiseert zij met een aantal Amsterdamse scholen grootschalige educatieprojecten voor het vmbo. Door het succes van deze projecten heeft ZEP deze werkwijze uitgebreid naar andere steden waaronder Utrecht, Leiden en Alphen a/d Rijn. ZEP kan een voortrekkersrol spelen in het afstemmen van het aanbod en het vergroten van publieksbereik. De commissie waardeert dat ZEP samen met de podia een gestructureerde aanpak ontwikkelt in het benaderen van scholen, individuele jongeren en nieuw intercultureel publiek. De commissie constateert op grond hiervan dat ZEP gerichte inspanningen verricht om bestaand en nieuw publiek te trekken.
De plannen voor het platform voor talentontwikkeling hebben geen prioriteit bij de commissie.
Functioneel ziet de commissie wel enige voordelen van een dergelijk platform maar zij tekent ook aan dat talentontwikkeling primair gewaarborgd is binnen de basisinfrastructuur.
Conclusie en advies
De commissie is weliswaar kritisch over het gebrek aan diepgang in de voorstellingen van ZEP en over de in het beleidsplan geformuleerde artistieke drijfveren, maar vindt het zwaarder wegen dat de groep in vakkundig opgezette producties actuele maatschappelijke thema’s onder de aandacht brengt van een groot en cultureel divers publiek. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. De plannen voor het platform voor talentontwikkeling krijgen van de commissie geen prioriteit: subsidiëring van talentontwikkeling vindt primair plaats binnen de basisinfrastructuur.
De commissie adviseert ZEP op te nemen in de Vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en het huidige subsidiebedrag te verhogen ter versterking van haar structurele activiteiten.
ZEP-projecten (ZEP) is sinds 1998 een theaterproductiekern in Amsterdam rond regisseur Peter Pluymaekers. ZEP werkt volgens het concept “Low Culture, High Level: rauwe, directe en toegankelijke voorstellingen met een literaire inslag.” ZEP beschrijft haar voorstellingen als actuele thema’s die gedoopt zijn in een mix van directe straatcultuur en met klassieke teksten als ingrediënten. Pluymaekers wil met zijn voorstellingen een onbevooroordeeld, niet elitair, toegankelijk en actueel maatschappijbeeld neerzetten. ZEP vindt dat de mix van de klassieke literaire theatertraditie met hedendaagse jongerencultuuruitingen de voorstellingen
uniek maken in het landelijke theateraanbod. Op zoek naar cross-overs tussen verschillende
disciplines werkt Peter Pluymaekers graag samen met experts in hun vakgebied, zoals in de afgelopen seizoenen met Pascal Griffioen (alias Def P).
ZEP werkt met een multiculturele cast van professionele, zowel jonge als oudere en meer ervaren acteurs. Ook de onderwerpen zijn cultureel divers, aldus het plan. De voorstellingen reizen door het hele land en worden bezocht door een cultureel divers jong publiek van twaalf tot twintig jaar. ZEP speelt niet op scholen, want het gezelschap vindt een bezoek aan het theater een belangrijke ervaring voor jongeren en hecht eraan om de drempel daarvan te verlagen. Bovendien wil ZEP ook voor volwassenen bereikbaar blijven.
ZEP wil in de komende periode livemuziek en beweging een grotere rol laten spelen in de voorstellingen en een onderzoek naar een daarbij behorende fysieke speelstijl continueren.
De groep vraagt een verhoging van de subsidie voor uitbreiding van de activiteiten.
ZEP wil de komende periode acht grotezaalproducties realiseren. Verder wil ZEP in vier kleinere
producties met jonge makers de grenzen van beeldend– en performancetheater onderzoeken. Samen met Muztheater en Aya wordt hiervoor een platform voor talentontwikkeling opgericht, waarbij in samenwerking met andere groepen en jonge makers een kwalitatief hoogstaand aanbod
van jeugd- en jongerentheater geproduceerd wordt voor schouwburgen en theaters.
ZEP vraagt voor de periode 2009-2012 een jaarlijks bedrag aan van € 360.000 bij NFPK+.
ZEP ontvangt subsidie in het kade van de Cultuurnota 2005-2008.
Beoordeling
ZEP maakt toegankelijke voorstellingen die altijd goed aansluiten bij de doelgroep. Ze zijn vakbekwaam geregisseerd, strak gemonteerd en de acteerprestaties zijn vaak goed. In de producties snijdt ZEP actuele maatschappelijke thema’s aan, die echter niet erg diepgaand uitgewerkt worden.
De commissie erkent het belang dat de voorstellingen van ZEP aftrek vinden bij een groot, cultureel divers en jong publiek. Zij is van mening dat ZEP daardoor een bijdrage levert aan de diversiteit van het Nederlandse podiumkunstenlandschap. In dat opzicht heeft de groep een aanvullende rol ten opzichte van de instellingen in de basisinfrastructuur.
Niettemin vindt de commissie dat de groep een minimale bijdrage levert aan de verdieping van het Nederlandse theaterrepertoire voor jongeren. Dat ziet zij als een gemiste kans omdat boeien en beïnvloeden goed samen kunnen gaan. Verder vindt zij dat het beleidsplan voor wat betreft de beschrijving van de artistieke drijfveren weliswaar voldoende informatie bevat, maar weinig artistieke coherentie laat zien.
ZEP heeft een vaste relatie met veel schouwburgen en podia in het land. Samen met de theaters
wordt besproken op welke wijze het publiek bereikt kan worden. Vanaf 2008 worden de voorstellingen verkocht in samenwerking met impresario Frans van Bronkhorst. Het is al merkbaar dat door deze samenwerking het aantal speelbeurten is toegenomen en dat de zaalbezetting hoger is.
ZEP begeleidt de voorstellingen met workshops, inleidingen en nagesprekken in theaters en op middelbare scholen. ZEP heeft waardevolle relaties opgebouwd met scholen en docenten en werkt intensief samen met educatiemedewerkers van de theaters. Jaarlijks organiseert zij met een aantal Amsterdamse scholen grootschalige educatieprojecten voor het vmbo. Door het succes van deze projecten heeft ZEP deze werkwijze uitgebreid naar andere steden waaronder Utrecht, Leiden en Alphen a/d Rijn. ZEP kan een voortrekkersrol spelen in het afstemmen van het aanbod en het vergroten van publieksbereik. De commissie waardeert dat ZEP samen met de podia een gestructureerde aanpak ontwikkelt in het benaderen van scholen, individuele jongeren en nieuw intercultureel publiek. De commissie constateert op grond hiervan dat ZEP gerichte inspanningen verricht om bestaand en nieuw publiek te trekken.
De plannen voor het platform voor talentontwikkeling hebben geen prioriteit bij de commissie.
Functioneel ziet de commissie wel enige voordelen van een dergelijk platform maar zij tekent ook aan dat talentontwikkeling primair gewaarborgd is binnen de basisinfrastructuur.
Conclusie en advies
De commissie is weliswaar kritisch over het gebrek aan diepgang in de voorstellingen van ZEP en over de in het beleidsplan geformuleerde artistieke drijfveren, maar vindt het zwaarder wegen dat de groep in vakkundig opgezette producties actuele maatschappelijke thema’s onder de aandacht brengt van een groot en cultureel divers publiek. Ook heeft de commissie vertrouwen in de functionele kwaliteit van de instelling. De plannen voor het platform voor talentontwikkeling krijgen van de commissie geen prioriteit: subsidiëring van talentontwikkeling vindt primair plaats binnen de basisinfrastructuur.
De commissie adviseert ZEP op te nemen in de Vierjarige regeling Podiumkunstinstellingen 2009-2012 en het huidige subsidiebedrag te verhogen ter versterking van haar structurele activiteiten.
theater
Toegekend bedrag:
€ 284.022,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 284.022,- (per jaar)
Stichting Zwaanprodukties
EG|PC
Inleiding
EG | PC is een dansgezelschap rond danser en choreograaf Emio Greco en regisseur en dramaturg
Pieter C. Scholten. In de voorbije twaalf jaar heeft het initiatief zich naar eigen zeggen
ontwikkeld tot een vooraanstaand dansgezelschap, dat zowel in Nederland als op internationaal niveau werk presenteert. De voorstellingen en internationale coproducties zijn in binnen- en buitenland te zien op zowel kleine, middelgrote en grote podia als op festivals.
Vanaf 2009 wil EG | PC zijn activiteiten onderbrengen in het ‘Internationaal Choreografisch Kunstencentrum’ (ICK). Het vertrekpunt voor het centrum wordt gevormd door de huidige werkwijze van EG | PC, waarbij naast de creatie van eigen werk veel ruimte is voor (internationale)
interdisciplinaire samenwerking, onderzoek en discours. De opzet van het ICK is volgens de aanvraag vergelijkbaar met de wijze waarop in Frankrijk binnen zogenaamde ‘Centres Choreographiques Nationaux’ onder leiding van gerenommeerde choreografen gewerkt wordt aan de ontwikkeling van hedendaagse dans. Het ICK beoogt volgens EG | PC zowel stedelijk, landelijk én internationaal een werkmodel te zijn dat inhoudelijk bijdraagt aan ‘kwalitatieve vernieuwing en verandering en aan een innovatief en vruchtbaar dansklimaat’.
De artistieke werking van het ICK is volgens het beleidsplan tweeledig. Enerzijds staat de creatie van eigen werk centraal. Anderzijds wordt ruimte geboden aan onderzoek, ontwikkeling
en reflectie. Hierbij wordt volgens EG | PC op organische wijze en vertrekkend vanuit een duidelijke artistieke visie gewerkt aan talentontwikkeling, kennisoverdracht, innovatieve
samenwerkingsverbanden en projecten en programma’s die artistieke ‘grensoverschrijdingen’
mogelijk maken. Zo krijgen getalenteerde makers de gelegenheid het eigen werk/materiaal te ontwikkelen, worden samenwerkingsprojecten uitgevoerd met (inter)nationale topkunstenaars uit andere disciplines en wordt in samenwerking met verschillende universiteiten
en de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten onderzoek geïnitieerd dat leidt tot publicaties die bijdragen aan de kennisontwikkeling en het dansdiscours.
In de periode 2009-2012 concentreert het ICK zich op vier thematische beleidslijnen, te weten Creative Choreography, Dans en nieuwe media & technologie, Overdracht, en Dans & Vertoog. Per jaar worden drie interdisciplinaire dansproducties gepresenteerd, waarbij wordt samengewerkt met verschillende binnen- en buitenlandse partners op het gebied van opera, toneel en muziek. Het repertoire van EG | PC zal daarnaast verder worden uitgebreid en beschikbaar zijn om naast het nieuwe werk te worden uitgevoerd.
Volgens het beleidsplan dragen de verschillende activiteiten van het dansgezelschap EG | PC binnen het ICK in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van een omvangrijker publiek en zal het centrum zelf ook een belangrijke netwerkfunctie krijgen. In het marketingbeleid
van het centrum zullen deze aspecten nader worden uitgewerkt. Om de plannen voor het ICK te kunnen realiseren dient volgens EG | PC het ensemble met één danser te worden uitgebreid en is versterking noodzakelijk van de ondersteunende organisatie.
In de huidige cultuurnotaperiode 2005-2008 ontvangt EG | PC een structurele subsidie van het Ministerie van OCW. In het kader van de Cultuurnota 2009-2012 heeft EG | PC een aanvraag
ingediend bij OCW met het verzoek om opname in de basisinfrastructuur. Het betreft daarbij de instandhoudingsfunctie, meer specifiek de rol van stadsgezelschap.
De Raad voor Cultuur heeft de Minister geadviseerd deze functie aan een andere kandidaat toe te kennen, maar verzoekt hem tegelijkertijd met klem de ‘platformfunctie’ binnen de sector dans, zoals bepleit in zijn vooradvies Innoveren, participeren te heroverwegen en EG | PC hiervoor als enige kandidaat in aanmerking te laten komen.
Beoordeling
Het interdisciplinaire werk van danser en choreograaf Emio Greco en regisseur en dramaturg
Pieter C. Scholten heeft volgens de commissie in de afgelopen jaren een belangrijke bijdrage
geleverd aan de ontwikkeling en uitstraling van de Nederlandse dans in binnen- en buitenland. De werkwijze van het gezelschap wordt gekenmerkt door (internationale) samenwerking met vooraanstaande kunstenaars en gezelschappen. Naast het produceren van eigen werk, vervult het gezelschap een vooraanstaande rol op het gebied van onderzoek, educatie en het entameren van het discours over dans, aldus de commissie.
Met de opzet van het ICK structureert EG | PC de huidige werkwijze in een ‘centre of excellence’
op het gebied van hedendaagse dans. Het in het beleidsplan gepresenteerde werkmodel
biedt naar de mening van de commissie interessante aanknopingspunten voor zowel de invulling van de rol die stads- en regiogezelschappen vanaf 2009 zullen vervullen in de basisinfrastructuur als die van de andere dansinstellingen daarbuiten, en voegt daar een sterke internationale oriëntatie aan toe. Daarbij levert het plan een stevige visie op de samenwerking met andere ‘spelers’ in de keten, zoals wetenschappelijke en kunstvakopleidingen,
werkplaatsen en productiehuizen, en podia. In die zin zijn de ideeën voor de vorming
van het ICK volgens de commissie voorbeeldstellend bij de ontwikkeling van zowel de huidige als toekomstige inrichting van het dansbestel.
De plannen van EG | PC passen volgens de commissie goed binnen de opzet en reikwijdte van de vierjarige subsidieregeling van het Fonds, ook al stelt EG | PC in zijn beleidsplan dat het ICK een werkmodel is dat ‘niet opgehangen wordt aan de werking van een gezelschap’ en mede op grond daarvan zou thuishoren binnen de basisinfrastructuur’. Hiervoor voert de commissie de volgende argumenten aan. Het ICK is in haar optiek feitelijk de belichaming van de specifieke, voor EG | PC zo kenmerkende, organische werkwijze, die de verschillende facetten van het werkterrein van het gezelschap verbindt. Gelet op het onlosmakelijke belang van de artistieke signatuur van Emio Greco en Pieter C. Scholten voor het gezelschap en daarmee de zeggingskracht en het belang van het ICK, is de verbondenheid van beiden aan dit centrum naar de mening van de commissie een bestaansvoorwaarde. ‘Artistieke noodzaak’ is volgens het beleidsplan immers het primaire uitgangspunt voor alle activiteiten die vanuit het ICK worden opgezet. Bovendien geven beide artistiek leiders in het plan aan ‘tenminste twee kunstenplannen’ te opteren voor de artistieke leiding, hetgeen weinig garanties biedt voor de in de basisinfrastructuur gewenste structurele continuïteit. Dit doet niets af aan het belang of de kwaliteit die het ICK zou kunnen bieden aan de Nederlandse dans, maar zegt volgens de commissie uitsluitend iets over de inrichting van het dansbestel op langere termijn zoals beschreven in de notitie Kunst van Leven; hoofdlijnen cultuurbeleid van minister Plasterk.
Hoewel in het soms hoogdravende beleidsplan van EG | PC jammer genoeg niet wordt ingegaan
op de praktische uitwerking van het ICK, heeft de commissie er vertrouwen in dat het gezelschap erin zal slagen om het gepresenteerde werkmodel in de praktijk te brengen. De behaalde resultaten uit de afgelopen jaren bieden hier naar haar mening voldoende aanknopingspunten
voor. Door de sterke internationale oriëntatie van EG | PC is er naast het presenteren van voorstellingen sprake van interessante, vaak meerjarige samenwerkingsverbanden
die resulteren in coproducties, artist-in-residenceprogramma´s en uitgebreide workshop- en coachingprogramma´s. Vanuit deze internationale ketengedachte weet EG | PC een brug te slaan tussen programmeurs, producenten en makers in binnen- en buitenland
en draagt het gezelschap bij aan de ontwikkeling van de artistieke betekenis van zijn werk binnen de samenleving, aldus de commissie.
De internationale status van het gezelschap heeft volgens de commissie een stevige bijdrage geleverd aan de publieksontwikkeling van EG | PC. Met het verder verbreden van de activiteiten
van het gezelschap binnen het ICK, waaronder met name die op het gebied van educatie,
verwacht zij dat deze lijn verder zal kunnen worden doorgezet. De commissie vindt het evenwel teleurstellend dat het beleidsplan geen strategische marketingvisie bevat en dat daarin slechts ‘de ontwikkeling’ van een marketingplan en een op het ICK toegespitste sponsorstrategie wordt aangekondigd. Desondanks heeft de commissie waardering voor het feit dat het gezelschap in de afgelopen jaren kans heeft gezien om met beperkte subsidie-ondersteuning een hoog rendement te behalen. Hoewel op basis van de ingediende begroting
de percentages publieksinkomsten en ‘cultuurprofijt’ de komende jaren zullen dalen vanwege de noodzakelijke investeringen binnen het ICK, blijven deze ruim boven het gemiddelde.
De commissie is kritisch ten aanzien van de bedrijfsvoering van EG | PC. In het beleidsplan wordt deze naar haar mening allerminst overtuigend neergezet. Daarnaast stelt zij vast dat de begroting weinig transparant is en vragen oproept door het gebrek aan differentiatie tussen
het kennisniveau, de opleiding en de ervaring van de verschillende medewerkers. Daarnaast acht de commissie het onwenselijk dat bij een organisatie van deze omvang en met een dergelijke verantwoordelijkheid, geen sprake is van een heldere scheiding tussen artistieke en zakelijke directievoering. Tenslotte ervaart de commissie het als storend dat het beleidsplan geen inzicht biedt in de bestuurssamenstelling van Stichting Zwaanprodukties. De commissie adviseert het Fonds dan ook om hieraan in geval van honorering specifieke voorwaarden te stellen.
Conclusie en advies
Het interdisciplinaire werk van danser en choreograaf Emio Greco en regisseur en dramaturg
Pieter C. Scholten levert volgens de commissie een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling
en uitstraling van de Nederlandse dans in binnen- en buitenland. Vanuit zijn internationaal georiënteerde werkwijze weet EG | PC een brug te slaan tussen programmeurs,
producenten en makers in binnen- en buitenland en draagt het gezelschap bij aan de ontwikkeling van de artistieke betekenis van zijn werk binnen de samenleving. De commissie
staat positief tegenover de plannen van het gezelschap voor de inrichting van het ICK. Met het verder verbreden van de activiteiten van het gezelschap binnen dit ‘centre of excellence’
verwacht zij dat deze lijn verder zal kunnen worden doorgezet.
De commissie adviseert om EG | PC op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012, maar daarbij specifieke voorwaarden te stellen aan de begroting, de bedrijfsvoering en de bestuurlijke organisatie van het gezelschap.
EG | PC is een dansgezelschap rond danser en choreograaf Emio Greco en regisseur en dramaturg
Pieter C. Scholten. In de voorbije twaalf jaar heeft het initiatief zich naar eigen zeggen
ontwikkeld tot een vooraanstaand dansgezelschap, dat zowel in Nederland als op internationaal niveau werk presenteert. De voorstellingen en internationale coproducties zijn in binnen- en buitenland te zien op zowel kleine, middelgrote en grote podia als op festivals.
Vanaf 2009 wil EG | PC zijn activiteiten onderbrengen in het ‘Internationaal Choreografisch Kunstencentrum’ (ICK). Het vertrekpunt voor het centrum wordt gevormd door de huidige werkwijze van EG | PC, waarbij naast de creatie van eigen werk veel ruimte is voor (internationale)
interdisciplinaire samenwerking, onderzoek en discours. De opzet van het ICK is volgens de aanvraag vergelijkbaar met de wijze waarop in Frankrijk binnen zogenaamde ‘Centres Choreographiques Nationaux’ onder leiding van gerenommeerde choreografen gewerkt wordt aan de ontwikkeling van hedendaagse dans. Het ICK beoogt volgens EG | PC zowel stedelijk, landelijk én internationaal een werkmodel te zijn dat inhoudelijk bijdraagt aan ‘kwalitatieve vernieuwing en verandering en aan een innovatief en vruchtbaar dansklimaat’.
De artistieke werking van het ICK is volgens het beleidsplan tweeledig. Enerzijds staat de creatie van eigen werk centraal. Anderzijds wordt ruimte geboden aan onderzoek, ontwikkeling
en reflectie. Hierbij wordt volgens EG | PC op organische wijze en vertrekkend vanuit een duidelijke artistieke visie gewerkt aan talentontwikkeling, kennisoverdracht, innovatieve
samenwerkingsverbanden en projecten en programma’s die artistieke ‘grensoverschrijdingen’
mogelijk maken. Zo krijgen getalenteerde makers de gelegenheid het eigen werk/materiaal te ontwikkelen, worden samenwerkingsprojecten uitgevoerd met (inter)nationale topkunstenaars uit andere disciplines en wordt in samenwerking met verschillende universiteiten
en de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten onderzoek geïnitieerd dat leidt tot publicaties die bijdragen aan de kennisontwikkeling en het dansdiscours.
In de periode 2009-2012 concentreert het ICK zich op vier thematische beleidslijnen, te weten Creative Choreography, Dans en nieuwe media & technologie, Overdracht, en Dans & Vertoog. Per jaar worden drie interdisciplinaire dansproducties gepresenteerd, waarbij wordt samengewerkt met verschillende binnen- en buitenlandse partners op het gebied van opera, toneel en muziek. Het repertoire van EG | PC zal daarnaast verder worden uitgebreid en beschikbaar zijn om naast het nieuwe werk te worden uitgevoerd.
Volgens het beleidsplan dragen de verschillende activiteiten van het dansgezelschap EG | PC binnen het ICK in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van een omvangrijker publiek en zal het centrum zelf ook een belangrijke netwerkfunctie krijgen. In het marketingbeleid
van het centrum zullen deze aspecten nader worden uitgewerkt. Om de plannen voor het ICK te kunnen realiseren dient volgens EG | PC het ensemble met één danser te worden uitgebreid en is versterking noodzakelijk van de ondersteunende organisatie.
In de huidige cultuurnotaperiode 2005-2008 ontvangt EG | PC een structurele subsidie van het Ministerie van OCW. In het kader van de Cultuurnota 2009-2012 heeft EG | PC een aanvraag
ingediend bij OCW met het verzoek om opname in de basisinfrastructuur. Het betreft daarbij de instandhoudingsfunctie, meer specifiek de rol van stadsgezelschap.
De Raad voor Cultuur heeft de Minister geadviseerd deze functie aan een andere kandidaat toe te kennen, maar verzoekt hem tegelijkertijd met klem de ‘platformfunctie’ binnen de sector dans, zoals bepleit in zijn vooradvies Innoveren, participeren te heroverwegen en EG | PC hiervoor als enige kandidaat in aanmerking te laten komen.
Beoordeling
Het interdisciplinaire werk van danser en choreograaf Emio Greco en regisseur en dramaturg
Pieter C. Scholten heeft volgens de commissie in de afgelopen jaren een belangrijke bijdrage
geleverd aan de ontwikkeling en uitstraling van de Nederlandse dans in binnen- en buitenland. De werkwijze van het gezelschap wordt gekenmerkt door (internationale) samenwerking met vooraanstaande kunstenaars en gezelschappen. Naast het produceren van eigen werk, vervult het gezelschap een vooraanstaande rol op het gebied van onderzoek, educatie en het entameren van het discours over dans, aldus de commissie.
Met de opzet van het ICK structureert EG | PC de huidige werkwijze in een ‘centre of excellence’
op het gebied van hedendaagse dans. Het in het beleidsplan gepresenteerde werkmodel
biedt naar de mening van de commissie interessante aanknopingspunten voor zowel de invulling van de rol die stads- en regiogezelschappen vanaf 2009 zullen vervullen in de basisinfrastructuur als die van de andere dansinstellingen daarbuiten, en voegt daar een sterke internationale oriëntatie aan toe. Daarbij levert het plan een stevige visie op de samenwerking met andere ‘spelers’ in de keten, zoals wetenschappelijke en kunstvakopleidingen,
werkplaatsen en productiehuizen, en podia. In die zin zijn de ideeën voor de vorming
van het ICK volgens de commissie voorbeeldstellend bij de ontwikkeling van zowel de huidige als toekomstige inrichting van het dansbestel.
De plannen van EG | PC passen volgens de commissie goed binnen de opzet en reikwijdte van de vierjarige subsidieregeling van het Fonds, ook al stelt EG | PC in zijn beleidsplan dat het ICK een werkmodel is dat ‘niet opgehangen wordt aan de werking van een gezelschap’ en mede op grond daarvan zou thuishoren binnen de basisinfrastructuur’. Hiervoor voert de commissie de volgende argumenten aan. Het ICK is in haar optiek feitelijk de belichaming van de specifieke, voor EG | PC zo kenmerkende, organische werkwijze, die de verschillende facetten van het werkterrein van het gezelschap verbindt. Gelet op het onlosmakelijke belang van de artistieke signatuur van Emio Greco en Pieter C. Scholten voor het gezelschap en daarmee de zeggingskracht en het belang van het ICK, is de verbondenheid van beiden aan dit centrum naar de mening van de commissie een bestaansvoorwaarde. ‘Artistieke noodzaak’ is volgens het beleidsplan immers het primaire uitgangspunt voor alle activiteiten die vanuit het ICK worden opgezet. Bovendien geven beide artistiek leiders in het plan aan ‘tenminste twee kunstenplannen’ te opteren voor de artistieke leiding, hetgeen weinig garanties biedt voor de in de basisinfrastructuur gewenste structurele continuïteit. Dit doet niets af aan het belang of de kwaliteit die het ICK zou kunnen bieden aan de Nederlandse dans, maar zegt volgens de commissie uitsluitend iets over de inrichting van het dansbestel op langere termijn zoals beschreven in de notitie Kunst van Leven; hoofdlijnen cultuurbeleid van minister Plasterk.
Hoewel in het soms hoogdravende beleidsplan van EG | PC jammer genoeg niet wordt ingegaan
op de praktische uitwerking van het ICK, heeft de commissie er vertrouwen in dat het gezelschap erin zal slagen om het gepresenteerde werkmodel in de praktijk te brengen. De behaalde resultaten uit de afgelopen jaren bieden hier naar haar mening voldoende aanknopingspunten
voor. Door de sterke internationale oriëntatie van EG | PC is er naast het presenteren van voorstellingen sprake van interessante, vaak meerjarige samenwerkingsverbanden
die resulteren in coproducties, artist-in-residenceprogramma´s en uitgebreide workshop- en coachingprogramma´s. Vanuit deze internationale ketengedachte weet EG | PC een brug te slaan tussen programmeurs, producenten en makers in binnen- en buitenland
en draagt het gezelschap bij aan de ontwikkeling van de artistieke betekenis van zijn werk binnen de samenleving, aldus de commissie.
De internationale status van het gezelschap heeft volgens de commissie een stevige bijdrage geleverd aan de publieksontwikkeling van EG | PC. Met het verder verbreden van de activiteiten
van het gezelschap binnen het ICK, waaronder met name die op het gebied van educatie,
verwacht zij dat deze lijn verder zal kunnen worden doorgezet. De commissie vindt het evenwel teleurstellend dat het beleidsplan geen strategische marketingvisie bevat en dat daarin slechts ‘de ontwikkeling’ van een marketingplan en een op het ICK toegespitste sponsorstrategie wordt aangekondigd. Desondanks heeft de commissie waardering voor het feit dat het gezelschap in de afgelopen jaren kans heeft gezien om met beperkte subsidie-ondersteuning een hoog rendement te behalen. Hoewel op basis van de ingediende begroting
de percentages publieksinkomsten en ‘cultuurprofijt’ de komende jaren zullen dalen vanwege de noodzakelijke investeringen binnen het ICK, blijven deze ruim boven het gemiddelde.
De commissie is kritisch ten aanzien van de bedrijfsvoering van EG | PC. In het beleidsplan wordt deze naar haar mening allerminst overtuigend neergezet. Daarnaast stelt zij vast dat de begroting weinig transparant is en vragen oproept door het gebrek aan differentiatie tussen
het kennisniveau, de opleiding en de ervaring van de verschillende medewerkers. Daarnaast acht de commissie het onwenselijk dat bij een organisatie van deze omvang en met een dergelijke verantwoordelijkheid, geen sprake is van een heldere scheiding tussen artistieke en zakelijke directievoering. Tenslotte ervaart de commissie het als storend dat het beleidsplan geen inzicht biedt in de bestuurssamenstelling van Stichting Zwaanprodukties. De commissie adviseert het Fonds dan ook om hieraan in geval van honorering specifieke voorwaarden te stellen.
Conclusie en advies
Het interdisciplinaire werk van danser en choreograaf Emio Greco en regisseur en dramaturg
Pieter C. Scholten levert volgens de commissie een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling
en uitstraling van de Nederlandse dans in binnen- en buitenland. Vanuit zijn internationaal georiënteerde werkwijze weet EG | PC een brug te slaan tussen programmeurs,
producenten en makers in binnen- en buitenland en draagt het gezelschap bij aan de ontwikkeling van de artistieke betekenis van zijn werk binnen de samenleving. De commissie
staat positief tegenover de plannen van het gezelschap voor de inrichting van het ICK. Met het verder verbreden van de activiteiten van het gezelschap binnen dit ‘centre of excellence’
verwacht zij dat deze lijn verder zal kunnen worden doorgezet.
De commissie adviseert om EG | PC op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012, maar daarbij specifieke voorwaarden te stellen aan de begroting, de bedrijfsvoering en de bestuurlijke organisatie van het gezelschap.
dans
Toegekend bedrag:
€ 851.837,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 851.837,- (per jaar)
Ver van maatschapsleden van Het Orkest v/d Achttiende Eeuw
Orkest van de Achttiende Eeuw
Beoordeling
De commissie is zeer positief over de uitvoeringskwaliteit van het Orkest van de Achttiende Eeuw en de daarmee gevestigde reputatie. Het orkest staat al ruim 25 jaar aan de top onder de bezielende leiding van dirigent Frans Brüggen. De commissie is van mening dat het orkest een nog steeds onderscheidende bijdrage levert aan de ontwikkeling van het genre oude muziek en het Nederlandse muziekaanbod. De ambassadeursfunctie die het orkest in het buitenland vervult, onderstreept de kwaliteit van het orkest.
Veel waardering heeft de commissie voor de gekozen efficiënte organisatiestructuur van het orkest en de heldere werkwijze van vijf projecten per jaar. Een volgens de commissie effectieve
en efficiënte inzet van subsidiemiddelen wordt hierdoor gewaarborgd. En hoewel de commissie van mening is dat het Orkest van de Achttiende Eeuw in staat moet worden geacht ook sponsors aan zich te binden, vindt zij het prijzenswaardig dat de instelling door de manier waarop de financiële huishouding is geregeld een respectabel aantal concerten in Nederland weet te realiseren.
Het voorliggende beleidsplan kan niettemin beter aansluiten bij de statuur en reputatie van de instelling. De voorgestelde programma’s zouden nog wat helderder kunnen zijn over de artistieke ontwikkeling van het orkest en de visie ten aanzien van het publieksbereik en de ketengedachte zou ondanks het voortreffelijk cultureel onderneme
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit,de zichtbaarheid van het Orkest van de Achttiende
Eeuw op de Nederlandse podia en het voortreffelijk cultureel ondernemerschap waar het gaat om de efficiënte wijze waarop de instelling is georganiseerd, oordeelt de commissie positief over de subsidieaanvraag van het Orkest van de Achttiende Eeuw. De commissie gaat er vanuit dat het orkest de nagestreefde artistieke ontwikkeling nog verder zal verhelderen
en zijn visie op het publieksbereik en de ketengedachte nog wat verder zal preciseren. De commissie adviseert het Orkest van de Achttiende Eeuw op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
De commissie is zeer positief over de uitvoeringskwaliteit van het Orkest van de Achttiende Eeuw en de daarmee gevestigde reputatie. Het orkest staat al ruim 25 jaar aan de top onder de bezielende leiding van dirigent Frans Brüggen. De commissie is van mening dat het orkest een nog steeds onderscheidende bijdrage levert aan de ontwikkeling van het genre oude muziek en het Nederlandse muziekaanbod. De ambassadeursfunctie die het orkest in het buitenland vervult, onderstreept de kwaliteit van het orkest.
Veel waardering heeft de commissie voor de gekozen efficiënte organisatiestructuur van het orkest en de heldere werkwijze van vijf projecten per jaar. Een volgens de commissie effectieve
en efficiënte inzet van subsidiemiddelen wordt hierdoor gewaarborgd. En hoewel de commissie van mening is dat het Orkest van de Achttiende Eeuw in staat moet worden geacht ook sponsors aan zich te binden, vindt zij het prijzenswaardig dat de instelling door de manier waarop de financiële huishouding is geregeld een respectabel aantal concerten in Nederland weet te realiseren.
Het voorliggende beleidsplan kan niettemin beter aansluiten bij de statuur en reputatie van de instelling. De voorgestelde programma’s zouden nog wat helderder kunnen zijn over de artistieke ontwikkeling van het orkest en de visie ten aanzien van het publieksbereik en de ketengedachte zou ondanks het voortreffelijk cultureel onderneme
Conclusie en advies
Op grond van de hoge uitvoeringskwaliteit,de zichtbaarheid van het Orkest van de Achttiende
Eeuw op de Nederlandse podia en het voortreffelijk cultureel ondernemerschap waar het gaat om de efficiënte wijze waarop de instelling is georganiseerd, oordeelt de commissie positief over de subsidieaanvraag van het Orkest van de Achttiende Eeuw. De commissie gaat er vanuit dat het orkest de nagestreefde artistieke ontwikkeling nog verder zal verhelderen
en zijn visie op het publieksbereik en de ketengedachte nog wat verder zal preciseren. De commissie adviseert het Orkest van de Achttiende Eeuw op te nemen in de regeling Vierjarige
subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 254.151,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 254.151,- (per jaar)
Vereniging De Ereprijs
orkest de ereprijs
Inleiding
Orkest de ereprijs omschrijft zichzelf als het enige professionele ensemble voor nieuwe muziek in het oosten van het land. Haar missie luidt ‘instrument zijn voor een nieuw gehoor’ en ze heeft de volgende doelstellingen: het (laten) ontwikkelen van nieuwe muziek, het uitvoeren en presenteren van nieuwe muziek voor een divers en wisselend publiek, het ontwikkelen en uitvoeren
van educatieve activiteiten, en het initiëren van en participeren in multidisciplinaire projecten. Het ensemble werkt samen met verschillende podia en culturele instellingen.
De komende periode heeft de ‘ontwikkelfunctie’ van het orkest de hoogste prioriteit, zo vermeldt
het beleidsplan. Orkest de ereprijs wil haar rol in cultuureducatie met projecten als de Young Composers Meeting, het Ereprijs Light-project en het Ereprijs Compositieproject voor middelbare scholen verder uitbouwen. Tevens streeft ze ernaar ‘de eigenheid van orkest de ereprijs te bewaren en uit te bouwen door componisten speciaal voor het orkest laten componeren en projecten met meerdere disciplines te realiseren’.
Het orkest is nationaal en internationaal georiënteerd met de Young Composers Meeting en de workshops in het buitenland. Bovendien wil orkest de ereprijs op internationaal gebied nieuwe projecten initiëren en verbindingen aangaan met componisten, conservatoria, podia, ensembles, festivals en ensembles.
Naast een vierjarige subsidie heeft orkest de ereprijs opnieuw subsidie aangevraagd bij de gemeente Apeldoorn en de provincie Gelderland.
Orkest de ereprijs ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Orkest de ereprijs wordt in de lopende periode gesteund door de gemeente Apeldoorn en de provincie Gelderland.
Beoordeling
Orkest de ereprijs combineert volgens de commissie op haast voorbeeldige wijze haar kerntaak
als producerend ensemble met educatieve activiteiten. Zij heeft een belangrijke betekenis
voor de regio waarin het haar standplaats heeft, zonder de landelijke zichtbaarheid uit het oog te verliezen. Door haar werkwijze draagt orkest de ereprijs actief bij aan publieksontwikkeling
voor hedendaagse gecomponeerde muziek in een provincie waar dergelijk aanbod
minder prominent aanwezig is op de podia. De Young Composers Meeting en de educatieve projecten op middelbare scholen worden door de commissie om die reden zeer gewaardeerd. Dat geldt eveneens voor het actieve opdrachtenbeleid aan componisten.
De uitvoeringskwaliteit van orkest de ereprijs is volgens de commissie voldoende, en zij acht mogelijkheden aanwezig die te verbeteren. De instelling merkt hierover in haar aanvraag zelf al op dat dit onderdeel voortdurende aandacht krijgt. Het ambitieuze beleidsplan van orkest de ereprijs maakt helder welke artistieke uitgangspunten de basis vormen voor haar activiteiten. De commissie signaleert dat het beleid van de afgelopen periode min of meer zal worden gecontinueerd, hetgeen op grond van een weloverwogen keuze gebeurt, maar had graag iets meer artistieke bevlogenheid gezien.
De bedrijfsvoering van orkest de ereprijs behoeft volgens de commissie verbetering, waardoor
de haalbaarheid van de plannen in zicht blijft. Nu heeft de commissie bijvoorbeeld enige
twijfels over de verwachte publieksinkomsten en de projectsubsidies die orkest de ereprijs denkt te kunnen werven, mede omdat een overtuigende visie op dit onderwerp ontbreekt.
Ook verdienen de internationale ambities een nadere uitwerking. De instelling geeft weliswaar aan te beschikken over een relevant netwerk, maar laat na te formuleren hoe het dat netwerk omzet in strategische samenwerkings- verbanden.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat orkest de ereprijs een onderscheidende positie inneemt binnen
het Nederlandse podiumkunstenbestel door de wijze waarop de instelling haar concertpraktijk
en educatieve activiteiten onlosmakelijk met elkaar verbindt. Zij heeft hierdoor een belangrijke regionale betekenis, zonder haar landelijke zichtbaarheid uit het oog te verliezen.
Wel vindt de commissie dat de professionalisering van de bedrijfsvoering stevig ter hand moet worden genomen. Met deze kanttekening adviseert de commissie orkest de ereprijs
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 met een lichte subsidieverhoging.
Orkest de ereprijs omschrijft zichzelf als het enige professionele ensemble voor nieuwe muziek in het oosten van het land. Haar missie luidt ‘instrument zijn voor een nieuw gehoor’ en ze heeft de volgende doelstellingen: het (laten) ontwikkelen van nieuwe muziek, het uitvoeren en presenteren van nieuwe muziek voor een divers en wisselend publiek, het ontwikkelen en uitvoeren
van educatieve activiteiten, en het initiëren van en participeren in multidisciplinaire projecten. Het ensemble werkt samen met verschillende podia en culturele instellingen.
De komende periode heeft de ‘ontwikkelfunctie’ van het orkest de hoogste prioriteit, zo vermeldt
het beleidsplan. Orkest de ereprijs wil haar rol in cultuureducatie met projecten als de Young Composers Meeting, het Ereprijs Light-project en het Ereprijs Compositieproject voor middelbare scholen verder uitbouwen. Tevens streeft ze ernaar ‘de eigenheid van orkest de ereprijs te bewaren en uit te bouwen door componisten speciaal voor het orkest laten componeren en projecten met meerdere disciplines te realiseren’.
Het orkest is nationaal en internationaal georiënteerd met de Young Composers Meeting en de workshops in het buitenland. Bovendien wil orkest de ereprijs op internationaal gebied nieuwe projecten initiëren en verbindingen aangaan met componisten, conservatoria, podia, ensembles, festivals en ensembles.
Naast een vierjarige subsidie heeft orkest de ereprijs opnieuw subsidie aangevraagd bij de gemeente Apeldoorn en de provincie Gelderland.
Orkest de ereprijs ontvangt subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Orkest de ereprijs wordt in de lopende periode gesteund door de gemeente Apeldoorn en de provincie Gelderland.
Beoordeling
Orkest de ereprijs combineert volgens de commissie op haast voorbeeldige wijze haar kerntaak
als producerend ensemble met educatieve activiteiten. Zij heeft een belangrijke betekenis
voor de regio waarin het haar standplaats heeft, zonder de landelijke zichtbaarheid uit het oog te verliezen. Door haar werkwijze draagt orkest de ereprijs actief bij aan publieksontwikkeling
voor hedendaagse gecomponeerde muziek in een provincie waar dergelijk aanbod
minder prominent aanwezig is op de podia. De Young Composers Meeting en de educatieve projecten op middelbare scholen worden door de commissie om die reden zeer gewaardeerd. Dat geldt eveneens voor het actieve opdrachtenbeleid aan componisten.
De uitvoeringskwaliteit van orkest de ereprijs is volgens de commissie voldoende, en zij acht mogelijkheden aanwezig die te verbeteren. De instelling merkt hierover in haar aanvraag zelf al op dat dit onderdeel voortdurende aandacht krijgt. Het ambitieuze beleidsplan van orkest de ereprijs maakt helder welke artistieke uitgangspunten de basis vormen voor haar activiteiten. De commissie signaleert dat het beleid van de afgelopen periode min of meer zal worden gecontinueerd, hetgeen op grond van een weloverwogen keuze gebeurt, maar had graag iets meer artistieke bevlogenheid gezien.
De bedrijfsvoering van orkest de ereprijs behoeft volgens de commissie verbetering, waardoor
de haalbaarheid van de plannen in zicht blijft. Nu heeft de commissie bijvoorbeeld enige
twijfels over de verwachte publieksinkomsten en de projectsubsidies die orkest de ereprijs denkt te kunnen werven, mede omdat een overtuigende visie op dit onderwerp ontbreekt.
Ook verdienen de internationale ambities een nadere uitwerking. De instelling geeft weliswaar aan te beschikken over een relevant netwerk, maar laat na te formuleren hoe het dat netwerk omzet in strategische samenwerkings- verbanden.
Conclusie en advies
De commissie is van mening dat orkest de ereprijs een onderscheidende positie inneemt binnen
het Nederlandse podiumkunstenbestel door de wijze waarop de instelling haar concertpraktijk
en educatieve activiteiten onlosmakelijk met elkaar verbindt. Zij heeft hierdoor een belangrijke regionale betekenis, zonder haar landelijke zichtbaarheid uit het oog te verliezen.
Wel vindt de commissie dat de professionalisering van de bedrijfsvoering stevig ter hand moet worden genomen. Met deze kanttekening adviseert de commissie orkest de ereprijs
op te nemen in de regeling Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 met een lichte subsidieverhoging.
muziek
Toegekend bedrag:
€ 157.412,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 157.412,- (per jaar)
Vereniging Maatschappij Discordia
Maatschappij Discordia
Inleiding
Vereniging Maatschappij Discordia (Maatschappij Discordia) is een Amsterdams theatercollectief,
opgericht in 1984. Het bestaat momenteel uit Jorn Heijdenrijk, Matthias de Koning, Annet Kouwenhoven, Jan Joris Lamers en Miranda Prein. Binnen het collectief is geen vaststaande
hiërarchie en geen vooropgestelde taak- of rolverdeling: elk lid draagt volledige verantwoordelijkheid.
Maatschappij Discordia onderscheidt zich naar eigen zeggen door zijn gerichtheid op en kennis van het toneel en de kunstpraktijk van de 20e eeuw. Zij overbrugt daarmee de kloof tussen geschiedenis, het theatererfgoed uit het verre verleden, en de toekomst, het op innovatie
gerichte theater dat kort van memorie is. Maatschappij Discordia kiest haar repertoire uit het werk van Europese (post)modernisten als Beckett, Bernhard, Perec en Herzberg en actualiseert dat steeds weer. In haar werkwijze sluit zij aan bij het werk van collectieve kunstenaarsinitiatieven
uit de avant-garde van de vorige eeuw, zo stelt Maatschappij Discordia zelf in haar beleidsplan.
Het werk van Maatschappij Discordia laat bij de uitvoeringen alles zien waaruit de voorstelling
is opgebouwd, aldus de aanvraag. De spelers verdwijnen niet van het toneel. De voorstellingen
blijven bewaard en worden regelmatig hernomen. Maatschappij Discordia zegt te hechten aan repertoire.
Sinds 2001 ontvangt Maatschappij Discordia geen subsidie meer in het kader van de cultuurnota.
Desondanks is het theatercollectief op bescheiden schaal actief gebleven met oud en nieuw repertoire, de maandagavondbijeenkomsten van ‘De Eerste Republiek’, de coöperatie
‘Dertien Rijen’ en als producent van de ‘Belgisch Nederlandsche Repertoirevereniging De Vere’. Veel van haar activiteiten ontstaan in coproductie. De ‘vaste’ partners van Maatschappij
Discordia zijn Compagnie Marius, tg Stan, ’t Barre Land, Dood Paard, De Roovers en Compagnie De Koe.
Het beleidsplan vermeldt dat productiehuis Frascati in Amsterdam geïnteresseerd is in Maatschappij Discordia als vaste bespeler en wil de afzonderlijke leden van het collectief bovendien vragen om begeleiding en advies te geven aan de jonge makers in het productiehuis.
Andere theaters die hebben aangegeven dat ze het gezelschap als vaste bespeler willen,
zijn de Rotterdamse Schouwburg, Toneelschuur Haarlem, Grand Theatre Groningen, de Monty in Antwerpen, het Kaaitheater in Brussel, Theater Campo in Gent en de Snijzaal in Utrecht. Het gezelschap wil in de komende periode jaarlijks acht projecten realiseren. Het collectief vraagt subsidie aan voor (uitbreiding van) het gezelschap, om ‘Atelier Dertien Rijen’
te kunnen opzetten en uitbouwen en voor de oprichting van een experimentele studio. Maatschappij Discordia vraagt daarvoor € 552.500 aan bij het NFPK+.
Maatschappij Discordia heeft subsidie aangevraagd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008, maar deze is niet toegekend. De groep heeft incidenteel subsidie ontvangen van het voormalige FAPK.
Beoordeling
Maatschappij Discordia heeft laten zien dat zij na acht jaar zonder subsidie nog altijd veerkracht
vertoont. De commissie is van mening dat het palet van het Nederlandse theaterlandschap
mede kleur krijgt door dit theatercollectief, dat een grote authenticiteit bezit. De groep slaat een brug naar de geschiedenis, maar doet dat met oog voor de actualiteit. Deze overtuiging
van de commissie wordt nog versterkt door het geïnspireerde beleidsplan.
De groep maakt in het plan duidelijk dat de financiële ondergrenzen zijn bereikt. Zonder structurele subsidie zullen de activiteiten van Maatschappij Discordia uiteindelijk toch verdwijnen.
De commissie vindt het van belang dat de groep, die als ‘uitvinder’ wordt beschouwd van een belangrijke theatervorm, haar werk in continuïteit kan voortzetten. De commissie hecht verder aan de borging van kennisoverdracht van het gedachtegoed van Maatschappij Discordia. De commissie verwacht dan ook dat de groep zich in de komende periode op dat vlak de nodige inspanningen zal getroosten. Of de plannen rondom de experimentele
studio, die nog in ontwikkeling zijn, deel uitmaken van de activiteiten op dit terrein,
is aan de groep zelf om binnen haar budgettaire kaders te bepalen.
Het beleidsplan geeft geen artistiek-inhoudelijke onderbouwing van de voorgenomen aanvulling
van de groep met drie leden. Over de achtergrond van dat voornemen tast de commissie
dan ook in het duister. Ook namen worden niet genoemd. Om die reden geeft de commissie geen prioriteit aan dit onderdeel van het beleidsplan.
Met belangstelling, maar ook met een kritische blik, zal de commissie de komende jaren volgen
in hoeverre de groep met haar specifieke expertise, dynamiek in de theaterwereld teweeg zal brengen en in welke mate dat op het publiek overkomt. De commissie is zich ervan bewust dat de groep theater maakt voor een relatief beperkte publieksgroep van liefhebbers.
De commissie wil de groep ruimte geven om weer ‘school te maken’, maar vindt het wel noodzakelijk dat een substantieel grotere publieksgroep dan voorheen hiervan kennis zal nemen.
De commissie is van mening dat Maatschappij Discordia zich op het gebied van cultureel ondernemerschap onvoldoende inspant wat betreft het genereren van eigen inkomsten. De beoogde 170 speelbeurten zouden voor een belangrijk deel in de inkomsten moeten kunnen voorzien. De commissie ziet weliswaar aanknopingspunten voor een grotere afzet en publieksbereik, zoals de samenwerking met Theater Frascati, de intentieverklaringen van theaters in Nederland en België en de formule van ‘Atelier Dertien Rijen’ maar mist een doordacht marketingplan. De commissie gaat ervan uit dat Maatschappij Discordia in de komende periode de werving van speelbeurten en het publieksbereik de aandacht zal geven die het nodig heeft.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Maatschappij Discordia is gezien de artistieke meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod in de basisinfrastructuur
en het vertrouwen in het beleidsplan, positief. Daarom adviseert de commissie Maatschappij Discordia op te nemen in de Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie is van mening dat het collectief hogere eigen inkomsten moet kunnen
genereren en dat het gezelschap zich meer moet inspannen om meer en nieuw publiek te bereiken. De commissie geeft geen prioriteit aan de uitbreiding van de groep met drie leden.
Vereniging Maatschappij Discordia (Maatschappij Discordia) is een Amsterdams theatercollectief,
opgericht in 1984. Het bestaat momenteel uit Jorn Heijdenrijk, Matthias de Koning, Annet Kouwenhoven, Jan Joris Lamers en Miranda Prein. Binnen het collectief is geen vaststaande
hiërarchie en geen vooropgestelde taak- of rolverdeling: elk lid draagt volledige verantwoordelijkheid.
Maatschappij Discordia onderscheidt zich naar eigen zeggen door zijn gerichtheid op en kennis van het toneel en de kunstpraktijk van de 20e eeuw. Zij overbrugt daarmee de kloof tussen geschiedenis, het theatererfgoed uit het verre verleden, en de toekomst, het op innovatie
gerichte theater dat kort van memorie is. Maatschappij Discordia kiest haar repertoire uit het werk van Europese (post)modernisten als Beckett, Bernhard, Perec en Herzberg en actualiseert dat steeds weer. In haar werkwijze sluit zij aan bij het werk van collectieve kunstenaarsinitiatieven
uit de avant-garde van de vorige eeuw, zo stelt Maatschappij Discordia zelf in haar beleidsplan.
Het werk van Maatschappij Discordia laat bij de uitvoeringen alles zien waaruit de voorstelling
is opgebouwd, aldus de aanvraag. De spelers verdwijnen niet van het toneel. De voorstellingen
blijven bewaard en worden regelmatig hernomen. Maatschappij Discordia zegt te hechten aan repertoire.
Sinds 2001 ontvangt Maatschappij Discordia geen subsidie meer in het kader van de cultuurnota.
Desondanks is het theatercollectief op bescheiden schaal actief gebleven met oud en nieuw repertoire, de maandagavondbijeenkomsten van ‘De Eerste Republiek’, de coöperatie
‘Dertien Rijen’ en als producent van de ‘Belgisch Nederlandsche Repertoirevereniging De Vere’. Veel van haar activiteiten ontstaan in coproductie. De ‘vaste’ partners van Maatschappij
Discordia zijn Compagnie Marius, tg Stan, ’t Barre Land, Dood Paard, De Roovers en Compagnie De Koe.
Het beleidsplan vermeldt dat productiehuis Frascati in Amsterdam geïnteresseerd is in Maatschappij Discordia als vaste bespeler en wil de afzonderlijke leden van het collectief bovendien vragen om begeleiding en advies te geven aan de jonge makers in het productiehuis.
Andere theaters die hebben aangegeven dat ze het gezelschap als vaste bespeler willen,
zijn de Rotterdamse Schouwburg, Toneelschuur Haarlem, Grand Theatre Groningen, de Monty in Antwerpen, het Kaaitheater in Brussel, Theater Campo in Gent en de Snijzaal in Utrecht. Het gezelschap wil in de komende periode jaarlijks acht projecten realiseren. Het collectief vraagt subsidie aan voor (uitbreiding van) het gezelschap, om ‘Atelier Dertien Rijen’
te kunnen opzetten en uitbouwen en voor de oprichting van een experimentele studio. Maatschappij Discordia vraagt daarvoor € 552.500 aan bij het NFPK+.
Maatschappij Discordia heeft subsidie aangevraagd in het kader van de Cultuurnota 2005-2008, maar deze is niet toegekend. De groep heeft incidenteel subsidie ontvangen van het voormalige FAPK.
Beoordeling
Maatschappij Discordia heeft laten zien dat zij na acht jaar zonder subsidie nog altijd veerkracht
vertoont. De commissie is van mening dat het palet van het Nederlandse theaterlandschap
mede kleur krijgt door dit theatercollectief, dat een grote authenticiteit bezit. De groep slaat een brug naar de geschiedenis, maar doet dat met oog voor de actualiteit. Deze overtuiging
van de commissie wordt nog versterkt door het geïnspireerde beleidsplan.
De groep maakt in het plan duidelijk dat de financiële ondergrenzen zijn bereikt. Zonder structurele subsidie zullen de activiteiten van Maatschappij Discordia uiteindelijk toch verdwijnen.
De commissie vindt het van belang dat de groep, die als ‘uitvinder’ wordt beschouwd van een belangrijke theatervorm, haar werk in continuïteit kan voortzetten. De commissie hecht verder aan de borging van kennisoverdracht van het gedachtegoed van Maatschappij Discordia. De commissie verwacht dan ook dat de groep zich in de komende periode op dat vlak de nodige inspanningen zal getroosten. Of de plannen rondom de experimentele
studio, die nog in ontwikkeling zijn, deel uitmaken van de activiteiten op dit terrein,
is aan de groep zelf om binnen haar budgettaire kaders te bepalen.
Het beleidsplan geeft geen artistiek-inhoudelijke onderbouwing van de voorgenomen aanvulling
van de groep met drie leden. Over de achtergrond van dat voornemen tast de commissie
dan ook in het duister. Ook namen worden niet genoemd. Om die reden geeft de commissie geen prioriteit aan dit onderdeel van het beleidsplan.
Met belangstelling, maar ook met een kritische blik, zal de commissie de komende jaren volgen
in hoeverre de groep met haar specifieke expertise, dynamiek in de theaterwereld teweeg zal brengen en in welke mate dat op het publiek overkomt. De commissie is zich ervan bewust dat de groep theater maakt voor een relatief beperkte publieksgroep van liefhebbers.
De commissie wil de groep ruimte geven om weer ‘school te maken’, maar vindt het wel noodzakelijk dat een substantieel grotere publieksgroep dan voorheen hiervan kennis zal nemen.
De commissie is van mening dat Maatschappij Discordia zich op het gebied van cultureel ondernemerschap onvoldoende inspant wat betreft het genereren van eigen inkomsten. De beoogde 170 speelbeurten zouden voor een belangrijk deel in de inkomsten moeten kunnen voorzien. De commissie ziet weliswaar aanknopingspunten voor een grotere afzet en publieksbereik, zoals de samenwerking met Theater Frascati, de intentieverklaringen van theaters in Nederland en België en de formule van ‘Atelier Dertien Rijen’ maar mist een doordacht marketingplan. De commissie gaat ervan uit dat Maatschappij Discordia in de komende periode de werving van speelbeurten en het publieksbereik de aandacht zal geven die het nodig heeft.
Conclusie en advies
Het oordeel van de commissie over de subsidieaanvraag van Maatschappij Discordia is gezien de artistieke meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod in de basisinfrastructuur
en het vertrouwen in het beleidsplan, positief. Daarom adviseert de commissie Maatschappij Discordia op te nemen in de Vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. De commissie is van mening dat het collectief hogere eigen inkomsten moet kunnen
genereren en dat het gezelschap zich meer moet inspannen om meer en nieuw publiek te bereiken. De commissie geeft geen prioriteit aan de uitbreiding van de groep met drie leden.
theater
Toegekend bedrag:
€ 363.579,- (per jaar)
Toegekend bedrag:
€ 363.579,- (per jaar)
